XVI.

„Neen, Socrates! gehoorzaam ons, uwe voedsters, en acht noch uwe

kinderen, noch het leven, noch iets anders, hooger dan ’t geen regt

is. Zoo kunt gij, in Hades woningen gekomen, dit alles bij hen, die

daar ’t gebied voeren, ter uwer verdediging inbrengen. Want, wanneer

gij dat doet, dan is uwe daad, zoo als blijkt, noch hier beter voor u,

of regtvaardiger of vromer, evenmin als voor iemand der uwen;--noch

zal het, wanneer gij ginder komt, beter voor u zijn. Nu daarentegen

gaat gij, indien gij heen gaat, verongelijkt heen, niet door ons, de

wetten, maar door de menschen. Gaat gij echter van hier, met eene zoo

schandelijke wedervergelding van onregt en boosheid; met overtreding

van uwe eigene overeenkomsten en verdragen, met ons aangegaan; als een

booswicht jegens welke het allerminst betaamt, u zelven namelijk, en

uwe vrienden en ’t vaderland, en ons: dan zullen wij op u vertoornd

zijn, zoo lang gij leeft; en ginder zullen onze zusters, de wetten in

den Hades, u niet goedgunstig ontvangen, wetende, dat gij hebt beproefd

ook ons te vernietigen, voor zoo ver ’t in uwe magt was.

„Laat dus Crito u niet overhalen, om te doen wat hij zegt, maar veeleer

wij.”

Crito: Een dialoog van Plato · 第 26 / 35 题