„Neen, Socrates! gehoorzaam ons, uwe voedsters, en acht noch uwe
kinderen, noch het leven, noch iets anders, hooger dan ’t geen regt
is. Zoo kunt gij, in Hades woningen gekomen, dit alles bij hen, die
daar ’t gebied voeren, ter uwer verdediging inbrengen. Want, wanneer
gij dat doet, dan is uwe daad, zoo als blijkt, noch hier beter voor u,
of regtvaardiger of vromer, evenmin als voor iemand der uwen;--noch
zal het, wanneer gij ginder komt, beter voor u zijn. Nu daarentegen
gaat gij, indien gij heen gaat, verongelijkt heen, niet door ons, de
wetten, maar door de menschen. Gaat gij echter van hier, met eene zoo
schandelijke wedervergelding van onregt en boosheid; met overtreding
van uwe eigene overeenkomsten en verdragen, met ons aangegaan; als een
booswicht jegens welke het allerminst betaamt, u zelven namelijk, en
uwe vrienden en ’t vaderland, en ons: dan zullen wij op u vertoornd
zijn, zoo lang gij leeft; en ginder zullen onze zusters, de wetten in
den Hades, u niet goedgunstig ontvangen, wetende, dat gij hebt beproefd
ook ons te vernietigen, voor zoo ver ’t in uwe magt was.
„Laat dus Crito u niet overhalen, om te doen wat hij zegt, maar veeleer
wij.”