XV.

„Bedenk toch eens, wanneer gij die verdragen overtreedt, en u hierin

misgaat, wat voordeel gij zult bewerken voor u zelven, of voor uwe

vrienden. Dat deze toch gevaar zullen loopen van zelve verbannen te

worden, en verstoken van ’t verblijf in den staat, of hun vermogen te

verliezen, dat is ten naastebij klaarblijkelijk. Maar gij zelf in de

eerste plaats:--wanneer gij naar eene der naastbijgelegene steden gaat,

of naar Thebe of naar Megara--want beide zij wèl geregeld--; dan zult

gij, o Socrates! als een vijand van hunne staatsregeling komen, en

allen, die ’t belang hunner steden ter harte nemen, zullen u verdenken,

daar ze u zullen houden voor een’ vernietiger van de wetten;--en voor

de regters zult gij de openbare meening bevestigen, dat ze regtvaardig

hebben gevonnisd. Al wie toch de wetten om verre werpt, die moet

ook noodwendig doorgaan voor een’ bederver van jonge en onbezonnene

menschen.--Zult gij derhalve de wèl ingerigte staten en de zamenleving

der braafste menschen vermijden? En zal zoo doende het leven nog

iets bekoorlijks voor u behouden?--Of zult gij u bij hen vervoegen,

en, onbescheiden genoeg zijn om in gesprek te treden? En waarover,

Socrates? over de onderwerpen, die gij hier in den mond hadt, dat deugd

en regtvaardigheid de meeste waarde hebben voor de menschen? en wat

wettig is, en de wetten? En gelooft gij niet, dat dan de handelwijze

van Socrates onedel zal schijnen? Men moet het althans gelooven.

„Maar, uit die plaatsen zult gij u verwijderen en naar Thessalië

gaan, naar Crito’s gastvrienden. Daar heerscht namelijk de meeste

ordeloosheid en losbandigheid; en denkelijk zouden zij gaarne van u

hooren, hoe belagchelijk gij uit de gevangenis waart weggeloopen in

eene of andere vermomming; een herderskleed of iets anders, ’t welk

wegloopers plegen in het werk te stellen, genomen en zoo uw voorkomen

veranderd hebbende.

„Maar dat gij, een oud man, nu gij waarschijnlijk nog slechts weinig

tijds te leven hebt, het van u kondt verkrijgen, om, met overtreding

der gewigtigste wetten, zoo verkleefd aan het leven te hangen, zal

daarover niemand spreken? Misschien niet, wanneer gij niemand krenkt;

anders zult gij, o Socrates! veel hooren, en dat uwer onwaardig is:

kruipende voor alle menschen zult gij leven als hun slaaf. Wat zult

gij in Thessalië anders doen dan smullen? even als of gij om een

gastmaal naar Thessalië waart verhuisd.--En uwe redeneringen over

regtvaardigheid en de overige deugden, waar zullen die blijven?

„Maar, zult gij zeggen, om mijner kinderen wille wil ik leven,

om hen groot te brengen en op te voeden?--Hoe? wilt gij hen naar

Thessalië voeren, en hen dáár groot brengen en opvoeden, en hen tot

vreemdelingen maken, opdat ze u ook dit te danken hebben?--Of, dit zal

nu wel niet plaats hebben: maar zullen zij, hier opgevoed, terwijl gij

leeft, beter gevormd en opgeleid worden, hoewel gij niet bij hen zijt?

Uwe naaste betrekkingen zullen immers voor hen zorgen!--Of zullen zij,

wanneer gij naar Thessalië verhuist, hen verzorgen, maar verhuist gij

naar Hades woningen[52], zullen zij hen dan niet verzorgen? Indien zij

althans eenige waarde bezitten, die zich uwe vrienden noemen, dan moet

men het wel gelooven.”

Crito: Een dialoog van Plato · 第 25 / 35 题