XVII.

Dit, o lieve vriend Crito! moet gij weten, dat ik meen te hooren, even

als wie de ooren suizen[53], fluiten-muzijk meenen te hooren. En in

mijn binnenste klinkt de galm dezer taal, en maakt, dat ik geene andere

kan hooren. Weet dan, althans, zoo als ik het nu inzie, dat, indien gij

iets hier tegen inbrengt, gij het te vergeefs zult zeggen. Spreek niet

te min, wanneer gij meent iets meer te weeg te zullen brengen.

_Crito._ Ach, Socrates! ik weet niets te zeggen.

_Socrates._ Laat het dan daar, o Crito! en laat ons der goden bevel

opvolgen[54].

[Illustratie]

Crito: Een dialoog van Plato · 第 27 / 35 题