Dit, o lieve vriend Crito! moet gij weten, dat ik meen te hooren, even
als wie de ooren suizen[53], fluiten-muzijk meenen te hooren. En in
mijn binnenste klinkt de galm dezer taal, en maakt, dat ik geene andere
kan hooren. Weet dan, althans, zoo als ik het nu inzie, dat, indien gij
iets hier tegen inbrengt, gij het te vergeefs zult zeggen. Spreek niet
te min, wanneer gij meent iets meer te weeg te zullen brengen.
_Crito._ Ach, Socrates! ik weet niets te zeggen.
_Socrates._ Laat het dan daar, o Crito! en laat ons der goden bevel
opvolgen[54].
[Illustratie]