XIV.

„Onder deze schuld dan, verklaren wij, zult gij liggen, o Socrates! en

niet het minst, maar van alle Atheners het meest, indien gij althans

doet, wat gij voor hebt.”

Indien ik dan zeide: „hoe dat dan?” zouden zij met regt mij laken, en

zeggen, dat ik een van die Atheners ben, die het nadrukkelijkst dit

verdrag heb aangegaan. Zij zouden toch zeggen: „o Socrates! gewigtige

bewijzen hebben wij er voor, dat wij u bevielen, wij en de staat.

Nooit zoudt gij toch met meer voorkeur dan alle andere Atheners er uw

verblijf gehouden hebben, indien hij u niet bij uitnemendheid beviel;

en gij zijt nooit, zelfs ter bijwoning van spelen en feesten, uit de

stad geweest[48], behalve eens naar den Isthmus; noch ergens elders

heen, behalve wegens een’ of ander veldtogt: ook hebt gij geenerlei

andere reis gedaan zoo als de andere menschen; ook beving u niet de

lust naar een’ anderen staat of naar andere wetten om ze te leeren

kennen; maar wij en onze staat waren u genoegzaam: zoo zeer gaaft

gij ons de voorkeur, en beloofdet gij, als bij verdrag u volgens

ons in den staat te gedragen; dat blijkt onder anderen daaruit, dat

gij kinderen in denzelven hebt verwekt, ten bewijze, dat de staat u

beviel.--Daarenboven stond het u onder ’t geding zelf vrij, u tot

ballingschap te veroordeelen[49], wanneer gij wildet, en, wat gij nu

tegen den wil des staats onderneemt, toen met zijne toestemming te

doen. Gij hebt u toen wel is waar groot gehouden, als of gij niet

bedroefd waart, indien gij moest sterven; maar gij verkoost, zoo als

gij zeidet, boven de ballingschap den dood. Nu daarentegen schaamt

gij u niet over die beweringen, evenmin als gij u bekreunt om ons,

de wetten, die gij tracht te niet te doen, en gij handelt, gelijk

de gemeenste slaaf zou doen; daar gij tracht weg te loopen, tegen

overeenkomst en verdrag aan, waarnaar gij met ons zijt overeengekomen

u in den staat te gedragen. Antwoord in de eerste plaats derhalve

hierop, of wij de waarheid zeggen, wanneer wij beweren, dat gij,

inderdaad en niet voor de leus, bij verdrag hebt beloofd u als burger

aan ons te houden; of is ’t niet waar?” Wat zullen wij hierop zeggen,

Crito! Moeten wij ’t niet volstrekt toestemmen?

_Crito._ Volstrekt, o Socrates!

_Socrates._ „Overtreedt gij dus niet wezenlijk,” zouden zij zeggen, „de

overeenkomsten en de verdragen met ons zelve? hoewel gij die noch uit

nood[50] hebt aangegaan, noch omdat gij misleid zijt, noch genoodzaakt

binnen een’ korten termijn u te bedenken; zeventig jaren hebt gij voor

u gehad, in welke het u vrij stond weg te gaan, indien wij u niet

bevielen, en ’t u bleek, dat de verdragen niet billijk waren. Maar gij

gaaft noch aan Lacedaemon de voorkeur, noch aan Creta[51], die gij toch

telkens wèl geregeld noemt; noch aan een’ der grieksche of vreemde

staten; in tegendeel, minder hebt gij u uit denzelven verwijderd dan

kreupelen, en blinden en andere verminkten. Zoo uitnemend beviel u

klaarblijkelijk, meer dan de overige Atheners, de staat, en wij, de

wetten. Wien toch zou een staat bevallen zonder de wetten? Zult gij nu

evenwel u niet aan de verdragen houden?--Ja, gij zult het, indien gij

ons gehoor geeft, o Socrates! en dan zult gij niet belagchelijk zijn

door de stad te verlaten.”

Crito: Een dialoog van Plato · 第 24 / 35 题