„Onder deze schuld dan, verklaren wij, zult gij liggen, o Socrates! en
niet het minst, maar van alle Atheners het meest, indien gij althans
doet, wat gij voor hebt.”
Indien ik dan zeide: „hoe dat dan?” zouden zij met regt mij laken, en
zeggen, dat ik een van die Atheners ben, die het nadrukkelijkst dit
verdrag heb aangegaan. Zij zouden toch zeggen: „o Socrates! gewigtige
bewijzen hebben wij er voor, dat wij u bevielen, wij en de staat.
Nooit zoudt gij toch met meer voorkeur dan alle andere Atheners er uw
verblijf gehouden hebben, indien hij u niet bij uitnemendheid beviel;
en gij zijt nooit, zelfs ter bijwoning van spelen en feesten, uit de
stad geweest[48], behalve eens naar den Isthmus; noch ergens elders
heen, behalve wegens een’ of ander veldtogt: ook hebt gij geenerlei
andere reis gedaan zoo als de andere menschen; ook beving u niet de
lust naar een’ anderen staat of naar andere wetten om ze te leeren
kennen; maar wij en onze staat waren u genoegzaam: zoo zeer gaaft
gij ons de voorkeur, en beloofdet gij, als bij verdrag u volgens
ons in den staat te gedragen; dat blijkt onder anderen daaruit, dat
gij kinderen in denzelven hebt verwekt, ten bewijze, dat de staat u
beviel.--Daarenboven stond het u onder ’t geding zelf vrij, u tot
ballingschap te veroordeelen[49], wanneer gij wildet, en, wat gij nu
tegen den wil des staats onderneemt, toen met zijne toestemming te
doen. Gij hebt u toen wel is waar groot gehouden, als of gij niet
bedroefd waart, indien gij moest sterven; maar gij verkoost, zoo als
gij zeidet, boven de ballingschap den dood. Nu daarentegen schaamt
gij u niet over die beweringen, evenmin als gij u bekreunt om ons,
de wetten, die gij tracht te niet te doen, en gij handelt, gelijk
de gemeenste slaaf zou doen; daar gij tracht weg te loopen, tegen
overeenkomst en verdrag aan, waarnaar gij met ons zijt overeengekomen
u in den staat te gedragen. Antwoord in de eerste plaats derhalve
hierop, of wij de waarheid zeggen, wanneer wij beweren, dat gij,
inderdaad en niet voor de leus, bij verdrag hebt beloofd u als burger
aan ons te houden; of is ’t niet waar?” Wat zullen wij hierop zeggen,
Crito! Moeten wij ’t niet volstrekt toestemmen?
_Crito._ Volstrekt, o Socrates!
_Socrates._ „Overtreedt gij dus niet wezenlijk,” zouden zij zeggen, „de
overeenkomsten en de verdragen met ons zelve? hoewel gij die noch uit
nood[50] hebt aangegaan, noch omdat gij misleid zijt, noch genoodzaakt
binnen een’ korten termijn u te bedenken; zeventig jaren hebt gij voor
u gehad, in welke het u vrij stond weg te gaan, indien wij u niet
bevielen, en ’t u bleek, dat de verdragen niet billijk waren. Maar gij
gaaft noch aan Lacedaemon de voorkeur, noch aan Creta[51], die gij toch
telkens wèl geregeld noemt; noch aan een’ der grieksche of vreemde
staten; in tegendeel, minder hebt gij u uit denzelven verwijderd dan
kreupelen, en blinden en andere verminkten. Zoo uitnemend beviel u
klaarblijkelijk, meer dan de overige Atheners, de staat, en wij, de
wetten. Wien toch zou een staat bevallen zonder de wetten? Zult gij nu
evenwel u niet aan de verdragen houden?--Ja, gij zult het, indien gij
ons gehoor geeft, o Socrates! en dan zult gij niet belagchelijk zijn
door de stad te verlaten.”