XIII.

_Socrates._ „Zie nu eens, Socrates!” zouden welligt de wetten zeggen,

„of wij ook in deze bewering gelijk hebben, dat gij onregtvaardig

jegens ons tracht te handelen, in ’t gene gij nu onderneemt. Wij

namelijk, na u in het leven geroepen en gehouden, en u opgevoed, en u

aandeel gegeven te hebben aan al het goede, dat in onze magt stond,

aan u en al de andere burgers; wij verklaren echter,--door ’t verlof,

dat wij verleenen aan ieder’ Athener, die wil, nadat hij burger

is geworden[46], en den staat van zaken en ons, de wetten, heeft

gezien;--dat, wien wij niet mogten behagen, het hem vrijstaat, om met

het zijne heen te gaan, werwaarts hij wil. En geene van ons, de wetten,

verhindert noch verbiedt iemand uwer, indien wij en de staat hem niet

behagen, naar eene van ’s lands volkplantingen te verhuizen, of wanneer

hij onder vreemden zich ergens elders wil gaan neêrzetten, met zijne

bezittingen daar heen te gaan, werwaarts hij wil. Maar wie uwer blijft,

terwijl hij de wijze ziet, op welke wij gedingen beslissen en voor

’t overige den staat regelen;--dan zeggen wij, dat deze inderdaad een

verdrag met ons heeft aangegaan, te zullen doen, wat wij ook mogen

gebieden; en wie niet gehoorzaamt, dien beweren wij, dat drievoudig

misdoet[47]: door niet te gehoorzamen aan ons, die hem in het leven

hebben geroepen,--aan ons, die hem hebben opgevoed;--en dat hij, bij

verdrag beloofd hebbende zeer zeker te gehoorzamen, noch gehoorzaamt,

noch ook tracht ons te overtuigen, indien wij iets verkeerds doen;

terwijl wij slechts voorstellen, en niet woest gebieden, te doen, wat

wij bevelen, maar van twee het eene laten kiezen: óf ons te overtuigen,

óf te gehoorzamen, waarvan hij geen van beide doet.”

Crito: Een dialoog van Plato · 第 23 / 35 题