XII.

_Socrates._ „Wat dan?” zouden de wetten zeggen; „behoort voorwaar ook

dit regten over den staat tot het verdrag tusschen ons en u[42], of

brengt dat verdrag mede, dat gij u zoudt houden aan de gewijsden van

den staat?”--Verwonderden wij ons dan over hare taal, dan zouden zij

denkelijk zeggen: „Socrates! verwonder u niet over ’t gene wij zeggen;

maar antwoord; gij zijt immers gewoon aan het vragen en antwoorden.

Welaan dan! wat hebt gij tegen ons en den staat in te brengen, dat

gij tracht ons te vernietigen? Hebben wij niet in de eerste plaats

u het aanzijn gegeven? en heeft niet uw vader door onze bemiddeling

uwe moeder ten huwelijk genomen, en u verwekt? Overweeg derhalve:

berispt gij iets in die wetten onder ons, die over ’t huwelijk zijn

vastgesteld, dat ze niet goed zijn?” „Ik berisp ze niet,”--zou ik

zeggen.--„Dan op de bepalingen, op de opvoeding en de vorming van het

kroost, volgens welke gij ook zijt opgevoed? Of hebben diegene onzer,

de wetten op dit stuk gegeven, die uwen vader gebieden u in de muzijk

en gymnastiek[43] op te voeden, dit niet goed geregeld?”--„Goed,” zou

ik zeggen. „Dat dan daar gelaten; nadat gij geboren en groot gebragt

en opgevoed waart, zoudt gij ten eersten kunnen beweren, dat gij niet

onze nakomeling en lijfeigene[44] waart, gij zelf en uwe voorvaderen?

En indien dit zoo is, gelooft gij dan, dat hetzelfde regt geldt voor u

en voor ons? en meent gij, dat, al wat wij ondernemen u te doen, gij

het met hetzelfde regt weêrom moogt doen? of hadt gij geen gelijk regt

jegens uw’ vader, en jegens uwen heer, indien gij er eenen hadt, zoodat

ge, al wat ge ondergingt, dat _niet_ ook weêrom mogt doen, noch tegen

te spreken, wanneer gij harde woorden hooren moest, noch ontvangene

slagen weêrom te geven, en evenmin in andere dergelijke gevallen; maar

zou het wel vrijstaan jegens het vaderland en de wetten, zoodat, indien

wij ondernemen, u ter dood te brengen, omdat wij ’t voor regtvaardig

houden, ook gij ons, de wetten en het vaderland, voor zoo ver ge

kunt, zult beproeven op uwe beurt te vernietigen;--en zult ge zeggen

door dat te doen, goed te handelen, gij, die inderdaad werk maakt van

de deugd? Of zijt ge wijs in dien zin, dat ge niet weet, dat, meer

dan uwe moeder en uw vader en al uwe voorvaderen, het vaderland iets

kostelijks is, meer eerbiedwaardig en heilig en van hoogere waarde in

’t oog van goden en van verstandige menschen? En dat men meer vereering

en gehoorzaamheid en onderdanigheid moet hebben voor ’t vaderland,

wanneer het toornig is? En dat gij het óf beter moest inlichten, óf

doen, wat het beveelt, en ondergaan, wat het u gebiedt te ondergaan, en

kalm zelfs slagen en boeijen moet verdragen? Indien het u ten oorloge

drijft om wonden te ontvangen of den dood te lijden, dat gij dit doen

moet, en dat dit billijk is? en men niet mag wijken, noch terugtreden,

noch zijn’ post verlaten; maar én in den oorlog én voor ’t gerigt, en

overal moet doen, wat de staat gebiedt en het vaderland, of het anders

te overtuigen van den eigenlijken aard van het regt? Dat geweld te

gebruiken[45] noch geoorloofd is jegens uwe moeder, noch jegens uwen

vader, en nog veel minder jegens het vaderland?” Wat zullen we hierop

zeggen, Crito! dat de wetten waarheid spreken of niet?

_Crito._ Mij dunkt, ja!

Crito: Een dialoog van Plato · 第 22 / 35 题