_Crito._ Dat moge nu wel zoo zijn; maar zeg mij dit eens, o Socrates!
Gij zijt toch voor mij niet bekommerd en voor uwe andere vrienden,
dat, wanneer gij hieruit komt, de Sycophanten[18] ons moeite zullen
veroorzaken, omdat wij u heimelijk van hier verwijderd hadden;--en dat
wij onvermijdelijk óf zelfs ons geheele vermogen, óf eene groote som
gelds zullen verliezen, óf nog iets anders bovendien zullen ondergaan?
Vreest gij toch iets van dien aard, laat dan die bezorgdheid varen. Het
is immers billijk, dat wij voor uwe redding dit gevaar loopen, en, is
’t noodig, nog grooter dan dit. Geloof mij dan, en doe niet anders, dan
ik u aanraad.
_Socrates._ En hierover ben ik bezorgd, Crito! en over vele andere
dingen.
_Crito._ Vrees daarvoor dan toch niet. Want het is niet veel geld,
waarvoor sommigen u willen redden en van hier brengen. Daarenboven,
ziet gij niet, hoe goedkoop die Sycophanten zijn, en dat er volstrekt
niet veel geld voor hen behoeft besteed te worden? Eensdeels staat u
mijn geld ten dienste, en dat is, geloof ik, genoegzaam; anderdeels,
indien gij, uit bezorgdheid voor mij, van meening zijt, het mijne niet
te moeten besteden, dan zijn de vreemdelingen[19] hier bereid, om de
onkosten goed te maken. Eén enkele heeft hiertoe geld genoeg verschaft,
Simmias van Thebe; gereed is ook Cebes en zeer vele anderen; daarom,
zoo als ik zeg, geef[20], uit vreeze hiervoor, uwe redding niet op. Ook
moet, ’t gene gij voor ’t gerigt gezegd hebt[21], geen bezwaar voor
u zijn, dat gij, in geval gij weggingt, niet zoudt weten, wat met u
zelven aan te vangen. Op velerlei plaatsen toch, en waar gij ook elders
heen gaat, zal men u gaarne ontvangen.--Wanneer gij naar Thessalië[22]
wilt gaan, ik heb daar gastvrienden, die u hoog zullen schatten en voor
uwe veiligheid zorgen, zoodat u niemand in Thessalië leed aandoet.