_Crito._ Al te zeer, zoo ’t schijnt. Maar, o waarde Socrates! luister
nu nog[13] naar mij, en laat u redden. Voor mij zal uw dood niet
één, niet een enkel ongeluk zijn; maar, behalve het verlies van
een’ zoo heerlijk vriend, als ik er geen’ ooit weer zal vinden[14],
zal ik daarenboven bij velen, die u en mij niet nader kennen, den
schijn hebben, dat ik, hoewel in staat om u te redden, indien ik
geld had willen besteden, het had verzuimd. En toch, welke blaam zou
wel schandelijker wezen, dan den naam te hebben het geld hooger te
achten[15], dan zijne vrienden? Gelooven toch zal de groote hoop het
niet, dat gij zelf niet van hier hebt willen gaan, schoon wij het
ernstig verlangden.
_Socrates._ Maar wat gaat ons, mijn beste Crito! zoo zeer de meening
van den grooten hoop[16] aan? De verstandigsten toch, aan welke het
meer der moeite waard is zich te storen, zullen oordeelen, dat het zoo
is geschied, als het geschied is.
_Crito._ Evenwel ziet gij, Socrates, dat men zich ook aan de meening
van den grooten hoop moet storen. Uit de plaats hebbende omstandigheden
zelve blijkt het, dat het in de magt is van den grooten hoop, om niet
het geringste, maar bijna het ergste kwaad te doen, wanneer men bij hen
in kwaden naam is gebragt.
_Socrates._ Mogt toch, o Crito! de groote hoop in staat zijn, om het
ergste kwaad[17] aan te doen, opdat ze aan den anderen kant ook in
staat mogten zijn het meeste goed te doen; dan zou het heerlijk staan:
nu kunnen ze geen van beide: noch verstandig, noch onverstandig kunnen
ze maken; zij doen zoo als ’t valt.