III.

_Crito._ Al te zeer, zoo ’t schijnt. Maar, o waarde Socrates! luister

nu nog[13] naar mij, en laat u redden. Voor mij zal uw dood niet

één, niet een enkel ongeluk zijn; maar, behalve het verlies van

een’ zoo heerlijk vriend, als ik er geen’ ooit weer zal vinden[14],

zal ik daarenboven bij velen, die u en mij niet nader kennen, den

schijn hebben, dat ik, hoewel in staat om u te redden, indien ik

geld had willen besteden, het had verzuimd. En toch, welke blaam zou

wel schandelijker wezen, dan den naam te hebben het geld hooger te

achten[15], dan zijne vrienden? Gelooven toch zal de groote hoop het

niet, dat gij zelf niet van hier hebt willen gaan, schoon wij het

ernstig verlangden.

_Socrates._ Maar wat gaat ons, mijn beste Crito! zoo zeer de meening

van den grooten hoop[16] aan? De verstandigsten toch, aan welke het

meer der moeite waard is zich te storen, zullen oordeelen, dat het zoo

is geschied, als het geschied is.

_Crito._ Evenwel ziet gij, Socrates, dat men zich ook aan de meening

van den grooten hoop moet storen. Uit de plaats hebbende omstandigheden

zelve blijkt het, dat het in de magt is van den grooten hoop, om niet

het geringste, maar bijna het ergste kwaad te doen, wanneer men bij hen

in kwaden naam is gebragt.

_Socrates._ Mogt toch, o Crito! de groote hoop in staat zijn, om het

ergste kwaad[17] aan te doen, opdat ze aan den anderen kant ook in

staat mogten zijn het meeste goed te doen; dan zou het heerlijk staan:

nu kunnen ze geen van beide: noch verstandig, noch onverstandig kunnen

ze maken; zij doen zoo als ’t valt.

Crito: Een dialoog van Plato · 第 13 / 35 题