_Socrates._ Nu dan, Crito! heil ons[8]! Indien het zoo den goden
behaagt, dan zij het zoo. En toch geloof ik niet, dat het van daag zal
komen.
_Crito._ Waaruit gist gij dat?
_Socrates._ Dat zal ik u zeggen. Daags na de aankomst van het schip,
denk ik, moet ik sterven.
_Crito._ Zoo zeggen althans die er over te beslissen hebben[9].
_Socrates._ Toch geloof ik niet, dat het op den nu aanbrekenden dag zal
komen, maar op den eerstvolgenden. Ik maak dat op uit een droomgezigt,
dat ik zoo even[10] in dezen nacht gehad heb; gij schijnt wèl gedaan te
hebben met mij niet te wekken.
_Crito._ Wat was dat voor een’ droom?
_Socrates._ Mij dacht, er naderde mij eene vrouw, schoon van gelaat
en gestalte, in een hel-wit gewaad[11]; zij riep mij, en zeide:
„overmorgen, o Socrates[12]! kunt gij welligt in het vruchtbare Phthia
komen.”
_Crito._ Wat vreemde droom, Socrates!
_Socrates._ Maar ten minste toch duidelijk, dunkt mij, Crito!