II.

_Socrates._ Nu dan, Crito! heil ons[8]! Indien het zoo den goden

behaagt, dan zij het zoo. En toch geloof ik niet, dat het van daag zal

komen.

_Crito._ Waaruit gist gij dat?

_Socrates._ Dat zal ik u zeggen. Daags na de aankomst van het schip,

denk ik, moet ik sterven.

_Crito._ Zoo zeggen althans die er over te beslissen hebben[9].

_Socrates._ Toch geloof ik niet, dat het op den nu aanbrekenden dag zal

komen, maar op den eerstvolgenden. Ik maak dat op uit een droomgezigt,

dat ik zoo even[10] in dezen nacht gehad heb; gij schijnt wèl gedaan te

hebben met mij niet te wekken.

_Crito._ Wat was dat voor een’ droom?

_Socrates._ Mij dacht, er naderde mij eene vrouw, schoon van gelaat

en gestalte, in een hel-wit gewaad[11]; zij riep mij, en zeide:

„overmorgen, o Socrates[12]! kunt gij welligt in het vruchtbare Phthia

komen.”

_Crito._ Wat vreemde droom, Socrates!

_Socrates._ Maar ten minste toch duidelijk, dunkt mij, Crito!

Crito: Een dialoog van Plato · 第 12 / 35 题