toch een kleine opmerking maken. Een uur geleden is een
vertegenwoordiger der maatschappij van verzekering bij u geweest. Mij
dunkt, dat het nuttig zou zijn om die maatschappij te waarschuwen, het
verzekerde bedrag voorloopig niet uit te betalen aan Lord Lister, alias
Raffles.”
„Drommels!” riep Baxter uit, naar Scotland Yard terugsnellende, „gij
hebt gelijk, dat had ik bijna vergeten. Ik zal dadelijk telefoneeren.”
Detective Marholm vergezelde hem naar het telefoontoestel en in het
volgende oogenblik was Baxter een ervaring rijker geworden, want hij
vernam, dat Raffles vlugger was dan hij en dat het bedrag reeds was
uitbetaald.
Zenuwachtig ging de inspecteur, samen met Marholm, naar de wachtende
detectives terug en de wagen vloog in de richting van Regent Park.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Lord Lister bevond zich in dien tusschentijd, niet denkend aan het
gevaar, dat hem dreigde, in zijn studeerkamer en was bezig een grooten
koffer te pakken.
Hij had daarin eenige kleedingstukken laten leggen door zijn
kamerdienaar, toen Charly Brand binnenkwam.
Terwijl deze zijn jas en hoed neerlegde, bekeek zijn vriend nadenkend
den koffer. Na eenige oogenblikken sprak Lister tot zichzelf:
„Ik zal den koffer toch niet verder laten pakken, het zou dwaas zijn,
hem mee te nemen.”
Zijn secretaris, die deze woorden hoorde, zei:
„Maar je hebt hem immers op reis noodig, je kunt toch niet zonder
kleeren reizen!”
„Waarom niet?” antwoordde Lord Lister, „het zou maar ballast zijn. Ik
kan overal voor geld alles krijgen, wat ik noodig heb. Apropos, het
heeft nogal lang geduurd bij die verzekeringsmaatschappij. Maakten de
heeren bezwaren?”
„Dat niet”, antwoordde Charly Brand. „Maar zij zonden een hunner
beambten naar Scotland Yard om informaties te halen bij inspecteur
Baxter. Deze waren overeenkomstig mijn mededeelingen en men betaalde
mij daarop met een zuur gezicht het verzekerde bedrag uit.”
„Wel”, lachte Lord Lister, „de heeren willen liever ontvangen dan
betalen, feitelijk ook diefstal!
Waar heb je het geld?”
„Hier is het bedrag!” Bij deze woorden haalde Charly uit zijn zak een
pakje, dat 20 banknoten, ieder van duizend pond, bevatte.
Lord Lister nam het geld, telde het na en stak het zorgvuldig in zijn
portefeuille.
Een ironisch lachje speelde om zijn fijnbesneden lippen.
„Zoo,” sprak hij, „dit zaakje, loonde de moeite wel! Nu zou die
onbekende Raffles werkelijk een flink bedrag bij mij kunnen komen
stelen.”
„Een vermogen!” merkte zijn secretaris op, „het is werkelijk
noodzakelijk voor menschen met kapitaal om zich tegen diefstal te
verzekeren.”
Lachend klopte zijn vriend hem op den schouder.
„Charly”, sprak hij, „als men nu eens niets bezit?”
„Dan behoeft men zich natuurlijk niet te verzekeren!”
„Very well!” lachte Lord Lister, „dat is ook een opvatting! Maar ik
bijvoorbeeld—ik heb mij verzekerd voor het geval, dat ik nog eenmaal in
het bezit van geld zou komen. Mocht mij dit dan ontstolen worden, dan
was ik in elk geval gedekt.”
„Hm”... kuchte de ander, „jij houdt er altijd je eigen philosofieën op
na, je doet me daarbij denken aan Sherlock Holmes. De hoofdzaak is, dat
je nu geld genoeg hebt voor een Europeesche reis.”
„Daar zal ik nog eens over nadenken,” antwoordde Lord Lister, „mijn
voorgevoel zegt mij, dat ik voorloopig nog wel niet op het vasteland
zal komen. Ik geloof, dat er hier nog werk voor mij is en ik houd
Londen voor een stad, waar meer te beleven is dan in de heele wereld”.
In dit oogenblik trad de kamerdienaar binnen en sprak:
„Uwe Lordschap! Buiten staat een man, die er zeer onbetrouwbaar
uitziet.”
„Zoo, zeker een beambte van de politie,” schertste de Lord.
„Neen,” antwoordde de kamerdienaar, „dat denk ik niet, hij ziet er
daarvoor te haveloos en smerig uit.”
„Laat hem maar even wachten!”
De bediende boog en verliet het vertrek.
Lord Lister dacht een oogenblik na en sprak daarop tot Charly Brand:
„Hoor eens, mijn jongen; rijd naar het Victoria-station en wacht daar
op mij bij de courantenkiosk. Als ik mijn programma niet behoef te
veranderen, dan nemen wij den eerstvolgenden trein naar de haven.”
„Waarom kan ik hier niet op je wachten?” vroeg Charly, „wij kunnen
immers samen naar het station rijden?”
Lord Lister keek zijn jongen vriend ernstig in de oogen en sprak:
„Charly, herinner jij je nog, hoe je een half jaar geleden bij mij bent
gekomen? Wij hadden elkaar twee jaar eerder leeren kennen en je
vertelde mij, dat er voor jou, als er geen redding opdaagde, niets
anders overbleef dan een revolverschot. Ik heb je toen je wapen
afgenomen en maakte je duidelijk, dat eereschulden geheel andere dingen
zijn dan lichtvaardige speelschulden en dat de heeren, die met jou in
frak en smoking gespeeld hadden, niet beter waren dan door den staat
beschermde bedriegers.
Ik bewees je ook, dat een menschenleven een kostbaar iets is en dat men
het maar éénmaal kan vernietigen.
Na al deze uiteenzettingen ben je in mij je ouderen, meer ervaren
vriend gaan zien en heb je je bij mij aangesloten. Je bent eenige jaren
jonger dan ik en ik beschouw je, nu je een half jaar bij mij bent, als
een beproefd kameraad; daarom wil ik geen geheim meer voor je hebben.”
Hij deed een paar lange halen aan zijn sigarette en vervolgde:
„Kijk eens, Charly, het geld, dat ik je vrijwillig gaf voor je
levensonderhoud en de bedragen, die ik voor mijzelf gebruik, evenals de
aalmoezen, die ik aan zoovele ongelukkigen reikte, komen alle van
hetzelfde onuitputtelijke kapitaal: mijn hersens.”
Lord Lister zweeg en stak een nieuwe sigarette aan, terwijl Charly
Brand hem vol belangstelling gadesloeg.
„Ik begrijp je niet volkomen,” sprak hij na een poosje, „je zei,
Edward, dat je met je hersens een vermogen verdient? Ik zie je echter
nooit werken. Zou je mij willen vertellen, op welke wijze je aan die
rijkdommen komt?”
„O ja,” antwoordde zijn vriend, terwijl hij de asch van zijn sigarette
klopte. Daarop keek hij Charly weer aan en, vlak bij hem komend,
antwoordde hij:
„Ik ben Raffles!”
De jonge man staarde hem aan, alsof hij een spook voor zich zag.
„Houdt je mij voor den gek, Edward?” vroeg hij op aarzelenden toon.
„In ’t geheel niet,” antwoordde Lord Lister, „sinds een jaar ben ik de
persoon, die zijn best doet om onder het pseudoniem Raffles de
behoeftige lieden te wreken op de bezittende klasse.”
„Ben jij het dus werkelijk?” vroeg Charly en nog steeds sprak twijfel
uit zijn woorden.
„Op mijn eerewoord!” bevestigde Lord Lister. „Ik ben Raffles!”
„Maar hoe kon je—Ik kan het nog niet begrijpen. Het klinkt als een
sprookje—hoe kwam je er toe?”
„Heel eenvoudig,” luidde het antwoord: „Mijn vader en mijn moeder
werden door een van die voorname, schurkachtige Londensche
beursspeculanten geruïneerd, zoodat ik in mijn jeugd armoede geleden
heb. Mijn vader beroofde zich daarom van het leven, terwijl die rijke
ellendeling nog heden in zijn equipage met vier paarden door Londen
rijdt en een kasteel in Schotland bezit. Al zijn rijkdom heeft hij aan
het geld, dat hij mijn ouders ontstal, te danken. De wet kon mijn vader
helaas niet tegen dien schurk beschermen.
En later heb ik een groote massa andere beursdieven en dergelijke
oplichters leeren kennen. Honderdduizenden moeten elken dag zwoegen
voor hen om hen te helpen, hun vermogen nog grooter te maken en krijgen
daarvoor als loon te weinig om te leven en te veel om te sterven,
terwijl hun uitzuigers in weelde genieten van het vette der aarde.
Toen voelde ik mij geroepen om die groote massa te gaan wreken, om te
strijden tegen het gebroed; ik geef dat, wat ik hun ontsteel, met milde
hand aan de arme drommels terug en nu vraag ik jou, Charly, wil je mij
helpen in dezen zwaren strijd? Of voel je de kracht daarvoor niet in
je? Zeg het mij eerlijk en openhartig. Je weet, dat ik vóór alles van
waarheid houd!”
Zonder aarzelen nam de jonge man de hem aangeboden hand in de zijne,
drukte deze vast en sprak:
„Ja, Edward! Niets houdt mij terug! Wat het ook zij, ik wil je ter
zijde staan en alles doen, wat jij goed acht!”
„All right!” knikte de Lord, „ik wist het! En luister nu:
Op weg naar het Victoria-station kom je langs het Heilsleger, geef daar
een anonyme gift van 5000 pond af.”
Hij nam het van Charly ontvangen geld uit zijn borstzak en overhandigde
het hem.
„Verder”, vervolgde hij, „neem 5000 pond en geef die af bij de
administratie van het vondelingenhuis. De rest van het geld moet je
voor mij bewaren. Je moogt mijn naam nergens noemen, evenmin verlang ik
een kwitantie. En ga nu, mijn jongen, en wacht op mij, zooals ik het
met je heb afgesproken.”
Charly stak het geld bij zich; zij reikten elkaar nogmaals de hand en
de nieuwe helper van den voornamen dief verliet het vertrek.
Lord Lister keek hem eenige oogenblikken na, daarop belde hij zijn
kamerdienaar en beval dezen, den wachtende binnen te laten.
Een tamelijk haveloos individu trad het vertrek binnen. Zonder te
wachten tot het hem werd aangeboden, nam de onbekende bezoeker plaats,
begon zijn pijp met tabak te stoppen en stak deze aan.
Nadat hij eenige trekken had gedaan, schraapte hij zijn keel en spuwde
op ongegeneerde wijze op het kostbare tapijt.
Lord Lister keek naar hem met de handen in de zakken van zijn pantalon.
„Gij zijt niet in uw eigen huis, mijn vriend”, sprak hij eindelijk, „en
het is hier ook geen kroeg!”
„Weet ik!” sprak, de onbekende kortaf met een stem, die heesch was van
de jenever.
„Mooi!” merkte Lord Lister op, „dan verbaast het mij, dat gij mijn
tapijt aanziet voor de straatkeien. Wat is de reden van uw komst?”
„Zaken”, was het antwoord.
„Zaken?” herhaalde John Raffles, „ik zou niet weten, wat ik met u te
maken heb.”
„Dat zult gij dadelijk hooren, luister maar: Ik heet Pitt Tom en ben er
voor bekend, dat ik verduiveld handig met mijn mes weet om te gaan. Ik
weet precies het plekje tusschen de derde en vierde rib te treffen.
Niemand kan mij dat verbeteren. Zal ik het u eens bewijzen?”
Hij sprong op en stak zijn rechterhand in zijn broekzak, alsof hij
daaruit een mes te voorschijn wilde halen.
Lord Lister bleef onbeweeglijk staan.
„Aan mij hebt gij niets”, sprak hij minachtend.
„Zoo”, antwoordde de vreemdeling, „ik wilde mij maar eens even aan u
voorstellen.”
„Gij hebt zeker ook al gezeten?” vroeg de Lord plotseling.
De gevraagde keek hem verbluft aan en antwoordde:
„Ik? Wat zou je daaraan liegen!”
Lister lachte.
„Houdt u maar niet zoo groot, ik weet heel goed, dat ge een paar jaar
achter den rug hebt.”
„Als gij het weet, vraag het mij dan niet meer. Maar ik was onschuldig!
Zoo iets kan elk fatsoenlijk mensch gebeuren; ik ben zoo onschuldig als
een pasgeboren kind. Men heeft mij niets kunnen bewijzen.”
„Mooi, dat is dus afgedaan en vertel mij nu maar gauw, wat gij bij mij
wilt.”
„Hm....! Ik zal het u in het kort uitleggen: ik had vannacht geen
onderdak en ging in een oude schuur in Tower Street overnachten. Toen
ik weer op wilde slaan, merkte ik, dat eenige mannen waren
binnengekomen, die daar iets zochten. Inbrekers waren het, geloof ik en
zij noemden uw naam.”
„O, dus gij wildet mij komen vertellen, dat die mannen van plan waren
om bij mij te komen inbreken. Ik wensch hun veel geluk en om uw moeite
te beloonen, geef ik u tien pond.”
De indringer rookte kalm door en spuwde, voordat hij zijn mond opende,
weer op het tapijt.
„Om een bedrag van tien pond te verdienen, ben ik niet hier gekomen; ik
denk, dat mijn verdere mededeelingen, die uw eigen persoon betreffen, u
minstens 5000 pond waard zijn.”
De Lord lachte hartelijk, zonder een woord te antwoorden.
„Ik denk”, vervolgde de vreemdeling, „dat men met genoegen 5000 pond
uitgeeft voor een tijding, die 50,000 waard is, vooral als men zoo rijk
is als gij zijt.
Ik geloof ook, dat er wel met u te redeneeren valt, als ik u zeg, dat
ik dingen weet over een zekeren Raffles, die u— — — —”
„Het interesseert mij in ’t geheel niet”, was het kalme antwoord. „Ik
betaal geen spionnendiensten, houd uw berichten dus voor u en verlaat
nu mijn kamer.”
De man stond bedaard op, klopte zijn pijp leeg in een aschbakje, stak
ze in zijn zak en haalde een jeneverflesch te voorschijn. Gretig zette
hij deze aan den mond en nam een langen teug, daarop reikte hij Lord
Lister de flesch toe, maar deze weigerde met een handbeweging en sprak:
„Drink uw jenever zelf, ik ben gewend mijn eigen te gebruiken.”
De ongenoode gast sloot de flesch weer en stak deze bij zich; daarop
mompelde hij:
„Een gentleman zijt gij niet, anders zoudt gij met een collega
meedrinken.”
Lord Lister lachte weer; de openhartigheid van dit verloopen sujet
amuseerde hem.
„Dank je voor het compliment”, antwoordde hij, „maar ik bedank voor de
eer.”
In de oogen van den vreemdeling verscheen een uitdrukking van grooten
haat. Hij begreep, dat hij niet tegen John Raffles was opgewassen, dat
deze hem zelfs bespotte.
„Voor den duivel!” vloekte hij, „loop naar de hel, fijne schooier! Maar
de duivel moge ook mij halen, als ik mij door jou laat overbluffen. Je
glacéhandschoenen en gekleede jas maken geen indruk op mij. Maar nu
vraag ik je voor de laatste maal: geef je mij 5000 pond of niet?”
Met een eenvoudig „Neen!” wees Lord Lister naar de deur.
„All right!” sprak de onbekende, „dan zullen wij op een andere manier
met elkaar praten.”
Bliksemsnel trok hij een breed dolkmes uit zijn jas te voorschijn en
met een tijgerachtigen sprong naderde hij Raffles.
Maar deze had den aanval verwacht.
Met een snelle armbeweging verhinderde hij den messteek van den
sluipmoordenaar, greep in het volgende oogenblik zijn jas beet en trok
hem, door de Japansche worstelkunst toe te passen, de mouwen aan beide
kanten over de armen, zoodat de man geheel weerloos was.
In het volgend moment droeg de Lord hem als een veer naar de deur,
opende deze en wierp den man de deur uit.
Vloekend en scheldend snelde de misdadiger de trappen af en het huis
uit.
Lord Lister echter belde zijn kamerdienaar:
„Luister eens, Fred,” sprak hij op kalmen toon, „ik ga voor langeren
tijd op reis en verzoek je, gedurende mijn afwezigheid het huis te
bewaken, totdat ik je bericht zend, wat er verder gebeuren zal.”
„In orde,” antwoordde de bediende met een buiging, „wenscht Uw
Lordschap, dat de koffers gepakt worden?”
„Neen, dank je, ik reis zonder bagage”.
Fred maakte weer een buiging, toen in hetzelfde oogenblik de bel
weerklonk.
Beiden luisterden even, waarop de kamerdienaar vroeg:
„Ontvangt uw Lordschap nog bezoek?”
„Jawel,” antwoordde zijn heer en Fred verliet de kamer om de deur te
openen.
Na eenige minuten trad Miss Walton met een grooten ruiker bloemen
binnen.
„Vergeef mij, dat ik bij u kom, Mylord,” sprak het jonge meisje met
haar lieve, zachte stem, „ik wilde u eenige bloemen aanbieden als dank
van mijn moeder en mij, voordat gij op reis gaat.”
Zij bood hem met een vriendelijken glimlach een prachtig bouquet aan.
„Bloemen?” vroeg John Raffles geroerd, „die zijn voor mij het mooiste,
wat er op de wereld bestaat”.
„O, ik houd er ook zooveel van,” sprak Miss Walton verward.
„Een bloem,” vervolgde Lord Lister, „herinnert mij altijd aan een mooie
vrouw,” hij keek met bewonderenden blik naar het blozende gezichtje van
zijn toehoordster en naar haar prachtige, donkere oogen.
Hij vergat geheel en al, dat hij op het punt stond, zijn huis te
verlaten en dat hem elk oogenblik een groot gevaar dreigde, waarvoor
zijn instinct hem reeds had gewaarschuwd.
Galant geleidde hij Miss Walton naar den fauteuil bij den schoorsteen.
„Ik wil u niet lang ophouden,” sprak de jonge dame aarzelend, „ik zie,
dat gij uw koffer pakt en wil u niet storen. O, wat moet reizen toch
verrukkelijk zijn! Ik heb altijd verlangd, eens een groote reis te
kunnen maken, als het kon, naar het Zuiden, naar Italië!”
„Zijt gij nog nooit buiten Londen geweest?” vroeg Raffles.
„Neen, nooit, ik heb zelfs nog nooit de zee gezien. Wij waren daarvoor
te arm.”
„Wat was uw vader, als ik vragen mag?”
„Zee-officier. Hij is door een ongelukkig toeval in volle zee
verdronken. Ach, wij kunnen zelfs zijn graf niet bezoeken; hij ligt op
den bodem der zee. Mijn moeder kreeg een klein pensioen, maar door de
jarenlange ziekte der arme vrouw hebben wij zooveel geld moeten
opnemen, dat wij heelemaal achterop kwamen.”
„En uw bloedverwant, die inspecteur van politie Baxter, is hij op de
hoogte van uw omstandigheden?”
„Ja zeker,” antwoordde Miss Walton, „want hem hebben wij meer dan eens
om hulp gevraagd.”
„Een hartelijke bloedverwant!” klonk het met een schamperen lach. „Op
welke wijze is hij familie van u?”
„Hij is een stiefbroeder van mijn moeder. Ik vertelde u al, hoe
hardvochtig hij is”.
„Hij is niet beter of slechter dan alle egoïsten en ik hoop, dat ik hem
eens zal kunnen beloonen, wat hij voor u deed!”
Een kloppen van de deur werd vernomen, de oude kamerdienaar trad binnen
en meldde:
„Uw Lordschap, de politiebeambten, die vannacht reeds hier waren, zijn
er weer.”
Lord Lister dacht een oogenblik na, nam een nieuwe sigarette, stak deze
aan en lachte hardop.
„Ik geloof,” sprak hij, „dat de heeren hier iets vergeten hebben.”
„Iets vergeten?” vroeg Fred en keek onderzoekend de kamer rond.
„Ja, mijn oude vriend,” lachte Raffles, „zij hebben namelijk vergeten,
den spitsboef mee te nemen, dien zij zochten.”
„Is die dan nog hier?”
De man keek met een onnoozel gezicht opnieuw om zich heen.
De Lord schaterde en sloeg hem op den schouder, terwijl hij op
vertrouwelijken toon sprak:
„Hij is nog hier, Fred, maar ik denk niet, dat het hun zal gelukken,
hem te vangen.”
Daarop ging hij naar het venster en keek op straat.
Hij floot zachtjes, toen hij een dozijn politiebeambten in uniform zag,
die juist bezig waren, het huis te omsingelen.
„De vossenjacht neemt een aanvang,” mompelde hij, „laten zij hun geluk
maar beproeven!”
Daarna wendde hij zich nog eens tot den bediende:
„Luister eens goed, Fred, naar wat ik zeg: deze dame is mijn
secretaresse. Ik heb haar den koffer gegeven, Miss Walton zal ermee
mijn huis verlaten en gij moet ervoor zorgen, dat een rijtuig de dame
en haar bagage naar het station brengt.
„Zeg den heeren, dat ik nog een kort onderhoud met mijn secretaresse
moet hebben en dat zij nog een minuut geduld moeten oefenen.”
„Heel goed, uwe Lordschap!”
De dienaar ging.
Nauwelijks was de deur gesloten, of Lord Lister ging naar Miss Walton
toe en vatte haar handen:
„Nu is het oogenblik gekomen, Miss Helene, dat ge mij kunt helpen. Ik
heb gisteren James Gordon beroofd van een menigte wissels en
schuldbekentenissen. Ik geloof, dat die man mij bij de politie heeft
verraden.”
„Ge zijt een edel mensch, Lord Lister, ge hebt mijn moeder een grooten
dienst bewezen,” sprak het jonge meisje, „en ik gevoel mij gelukkig,
dat ik u kan helpen.”
„Ge hebt al uw zelfbeheersching noodig, Miss Helene, een kleine
vergissing en ik ben verloren.”
„Neen, neen, Lord Lister, ge kunt volkomen op mij rekenen, vrouwen zijn
goede bondgenooten!”
Lord Lister nam haar hand en drukte er een kus op.
Wederom werd aan de deur der kamer geklopt en de ruwe stem van Baxter
weerklonk:
„Doe open, Lord Edward Lister, in naam der wet doe open!”
„Dadelijk!” antwoordde de geroepene.
Hij boog zich voorover en fluisterde:
„Daar staat een koffer, die groot genoeg is om mij te verbergen, ik zal
mij erin verbergen om te vluchten. Gij moet den koffer naar
Victoria-station brengen en hem eerst weer in den coupé openen; daar
zien wij elkaar dan weer.
„Hier hebt ge geld, daarvan kunt ge alles betalen, wat ge noodig hebt.
Als de politiemannen u ondervragen, moet ge zeggen, dat ge van plan
zijt, op reis te gaan en dat de koffer u behoort. Hebt ge mij begrepen,
Miss Walton?”
„Zeker!” antwoordde het bevende meisje, maar John Raffles zag, dat het
frissche gelaat van het meisje door een zenuwachtige bleekheid werd
overtrokken.
„Houd u goed!” fluisterde hij.
„Dat zal ik!”
Lord Lister snelde naar den koffer, maar nog voordat hij deze had
kunnen openen, werd de kamerdeur geopend en Baxter, Tyler, Marholm en
nog twee andere detectives stortten het vertrek binnen.
Raffles was de laatste weg tot redding afgesneden.
Maar met wonderbaarlijke kalmte trad hij de detectives tegemoet.
Ondanks alle gevaar bleef hij volkomen meester van den toestand.
Met vriendelijk gelaat spotte hij:
„Goeden dag, heeren! Wat verschaft mij de eer van uw bezoek? Gaat
Raffles een nieuwen diefstal plegen?”
„Neen”, antwoordde Baxter, „Raffles zal geen nieuwen diefstal meer
plegen, want ik verklaar u voor mijn gevangene!”
„Zoo,” lachte de ontmaskerde, „dat is heel wonderlijk, om Raffles voor
gevangen te verklaren zonder hem te hebben gevangen!”
„Wij hebben hem gevangen!” zei Baxter.
„Dat is heel gelukkig! Ik feliciteer u!”
„Dat is zeker gelukkig. En nu, Lord Lister, alias Raffles, in naam der
wet neem ik u gevangen!”
Lord Lister keek den inspecteur der recherche een oogenblik met groote
oogen aan.
Toen zei hij:
„Dat is een kostelijke grap! Als ge er nog meer van die soort op na
houdt, raad ik u, redacteur van een humoristisch blad te worden!”
„Ge hebt ons nu lang genoeg voor den mal gehouden!” stoof Baxter op.
„Kom, maak voort!”
Lord Lister leunde met onverschillig gebaar, zonder eenig teeken van
zenuwachtigheid, tegen den schoorsteenmantel, en sprak met een beleefd
lachje:
„Ik beklaag u, inspecteur Baxter!”
„Hoezoo?”
„Ik bedoel, dat u het ongeluk is beschoren u met mij bezig te moeten
houden!”
„Dat zal gelukkig niet lang meer duren. Het is nu gedaan met uw
streken.”
En rood van woede sprak Baxter tot de detectives:
„Maakt kort proces!”
„Halt!” riep de Lord. „Ge zult toch zeker deze dame, die mijn
secretaresse was, wel willen veroorloven dit huis te verlaten. Die
koffer behoort haar!”
Baxter keek met onwillig gebaar naar Miss Walton en herkende haar eerst
nu.
„Wat doe jij in dat roovershol?” schreeuwde hij zijn nicht toe.
„Brood verdienen voor mijn moeder!”
„Een mooie manier van brood verdienen! Je valt zeker wel in den smaak
van dien boef!”
„Schurk!” donderde Lord Lister hem toe, „daarvoor zul je je straf niet
ontgaan!”
Hij haalde een zilveren étui te voorschijn.
„Ziet ge deze étui? Goede vrienden uit Sint Petersburg—nihilisten—gaven
ze mij om haar in tijden van gevaar te gebruiken. Het is een zakbom,
met dynamiet gevuld en altijd gereed voor gebruik. Wij gaan nu samen
een groote reis ondernemen, waarvan niemand terugkomt. Raffles vangt
men niet, mijnheer de inspecteur van politie en Raffles zal zich
veroorloven, u met hem mee te nemen!”
In het volgende oogenblik hief hij de hand op om de bom naar de
beambten te slingeren.
De detectives, die een oogenblik als verlamd van schrik stonden, lieten
plotseling alles in den steek en vlogen de kamer uit.
„Redt u!” schreeuwde nu ook Baxter.
Daar vloog het étui op het tapijt en sprong open—het was een
sigarettendoos!—
Buiten weerklonken signaalfluitjes en geroep.
Lord Lister echter keerde zich tot Miss Walton.
„Mijn lot ligt in uw hand, Miss Helene! Doe alles, wat ik zeg!”
Hij opende den koffer, sprong erin en deed het deksel dicht.
Een paar seconden verliepen.
Toen ging de deur voorzichtig open en door een kiertje gluurde Marholm
naar binnen.
In het volgend oogenblik deed hij de deur heelemaal open en lachte luid
op, toen hij de sigaretten en de doos zag liggen.
„Mijnheer Baxter, kom toch!” riep hij uit, „het dynamiet heeft geen
kwaad gedaan. Hij heeft ons weer eens voor het lapje gehouden. De bom
was een sigarettendoos!”
De Kakkerlak had den grootsten schik in het geval, maar Baxter ging als
een gek te keer.
„De schurk kan niet ontvlucht zijn! Ik ga hier niet vandaan, voordat ik
hem in dit vossenhol ontdekt had!”
Woedend trommelde hij met zijn vingers op het deksel van den koffer.
Toen vroeg hij Miss Walton:
„Welken weg heeft hij genomen?”
„Dat weet ik niet! Ik geloof, dat hij door die kamer verdwenen is. Maar
ik zou graag naar mijn moeder willen gaan!”
Zij riep den bediende en wilde met hem den zwaren koffer uit de kamer
dragen.
Marholm zag, dat de jonge dame alle moeite had, haar bagage te
versjouwen en hij riep eenigen politiemannen toe:
„Draagt den koffer van de juffrouw in het rijtuig!”
Miss Walton dankte hem met een bekoorlijk lachje en zij haalde verruimd
adem, toen de mannen den koffer voor haar de trap afdroegen.
Intusschen was Baxter voortdurend bezig, alle hoekjes en gaatjes te
doorzoeken om Raffles te vinden en in dien tijd reed Miss Walton met
haar koffer naar het Victoria-station.