rechterjaszak om het terstond bij de hand te hebben.
Het was doodstil in huis en geen geluid verried de aanwezigheid van de
detectives. In diepe duisternis gaapte de studeerkamer, maar al spoedig
raakten Baxter’s oogen aan die donkerte gewend en vaag begon hij de
voorwerpen te onderscheiden. De gelijkmatige slingerbeweging van de
groote klok was het eenige geluid, dat vernomen werd. Deze klok stond
tegen den muur, waar achter, naast de slaapkamer, de badkamer lag.
Met zwaren slag verkondigde het uurwerk thans het tiende uur.
Maar wat was dat?
Baxter luisterde met ingehouden adem. Toen de klok ophield te slaan,
hoorde de detective uit de slaapkamer een zacht geluid, alsof er met
een stemvork op staal werd geslagen.
De blik van den rechercheur doorboorde de duisternis en toen ontwaarde
hij naast het bed de flauwe omtrekken van een gestalte.
Een oogenblik stokte zijn polsslag, bliksemsnel werkten zijn gedachten.
Hij geloofde eerst aan zinsbegoocheling.
Het was immers onmogelijk, dat iemand de slaapkamer kon zijn
binnengedrongen, hij had alles onderzocht.
Nu hoorde hij een ander geluid, alsof een ijzeren voorwerp met geweld
werd opengebroken.
In een oogenblik had de rechercheur zijn pistool te voorschijn gehaald
en het electrische licht ontstoken.
Bij wat hij nu zag, fonkelden zijn oogen van vreugde.
„Eindelijk gesnapt”, doorflitste zijn brein.
In de slaapkamer, bij de opengebroken geldkist, zag hij een man in
keurig avondtoilet, den cylinder op het hoofd, een zwart masker voor
het gelaat.
„Halt!” riep Baxter op bevelenden toon, „of ik schiet.”
Maar ook de gemaskerde hief zijn revolver op, zoodat Baxter genoodzaakt
was de lantaarn te dooven om den kogel te ontgaan.
In hetzelfde oogenblik schoot hij.
Hij had niet geraakt, want nu geschiedde iets ongedachts.
De gemaskerde sprong naar de schuifdeur en sloot deze, voordat de
detective het kon beletten.
Gewaarschuwd door de schoten stormden nu de detectives het vertrek
binnen.
Baxter maakte weer licht.
„Wij hebben hem! Eindelijk hebben wij den beruchten Raffles”, riep hij
uit, „daarbinnen zit hij als een muis in de val! Opgepast, mannen, de
revolver gereed! Voorwaarts!”
Hij snelde naar de schuifdeur, de rechercheurs volgden.
De deur werd opengeschoven.
Eén oogenblik aarzelden allen.
Het vertrek lag in duisternis gehuld en niets was er te zien, dan de
geopende ijzeren geldkist.
De politiemannen doorzochten het bed, openden de kasten—niemand werd
gevonden.
„Hij zal in de badkamer zijn”, riep detective Marholm en trachtte de
deur te openen.
Zijn veronderstelling bleek juist te zijn, de deur was van binnen
gesloten met een ijzeren grendel, die men nu met vereende krachten
trachtte te forceeren.
Eerst met groote moeite gaf de deur toe.
Terwijl nu de rechercheurs in hun ijver op niets anders letten, werd
plotseling de deur van de groote, oud-Hollandsche klok in de
studeerkamer geopend en de gemaskerde man kwam daaruit te voorschijn.
Het meubelstuk stond tegen den muur van de badkamer en had een kunstig
aangebrachte geheime deur.
De klok had een ingang van uit de badkamer, die verborgen werd door de
schuifdeur, zoodra deze openstond.
Een oogenblik keek de gemaskerde om den hoek naar de rechercheurs,
daarop wierp hij met een ruk bliksemsnel de schuifdeuren toe en sloot
deze met een grendel. Zoodoende was hij volkomen gevrijwaard voor de
politiemannen.
Met ijzige kalmte ging hij nu naar de brandkast, die hij met een
geheimen sleutel opende, nam een pakket en was in het volgende
oogenblik uit de kamer verdwenen.
Dit gebeurde in hetzelfde oogenblik, waarin de detectives, na wanhopige
pogingen de deur eindelijk openbraken.
Toen zij de kamer binnenstormden, bleven zij ondanks hun hevige
opgewondenheid een oogenblik als verstomd staan.
De deur van de brandkast stond wijd open en het inwendige daarvan zag
er zwart en leeg uit.
„Alle duivelsch!” knarste Baxter, „dat is tooverij, de brandkast is
leeg! Maar wij moeten hem vangen!” beval de inspecteur en hij vloog
naar de kamerdeur.
De detectives renden hem na.
Maar toen hij de deur opende, stond hij tegenover Lord Lister en diens
vriend Charly Brand.
„Hallo!” riep de gentleman, „goeden avond, heeren! Waarheen zoo haastig
Mr. Baxter?”
„Hebt gij Raffles gezien?” riep deze uit.
„Ik? Neen!” lachte de Lord, „ik kom juist uit de club om u bij het
vangen te helpen. Maar hebt gij hem misschien gezien?”
„Uwe Lordschap spot met mij!” stoof de inspecteur op, „alle gekheid op
een stokje, ik heb hem inderdaad gezien, hij was in uw slaapkamer en
heeft uw kas beroofd.”
„En verder?” vroeg de Lord op kalmen toon. „Hebt ge hem toen laten
ontsnappen?”
Baxter antwoordde niet.
Maar in zijn plaats sprak de Kakkerlak: „Ja, uw Lordschap, wij waren
zoo hoffelijk om hem met behulp van den inspecteur van politie te laten
ontkomen.”
„Hou je mond!” schreeuwde Baxter woedend, „die man heeft een verbond
met den duivel gesloten, hij is niet te vangen. Hij is door die kamer
ontvlucht ondanks alle voorzorgsmaatregelen en scherpe bewaking. Toen
ik hem ontdekt had, gooide hij die schuifdeur dicht en toen ik met mijn
detectives daar in de kamer was en de deur naar de badkamer wilde
openen, bemerkte ik, dat hij zich in dat vertrek bevond en dat hij de
deur gegrendeld had.”
„Een wonderlijk iemand!” lachte Lord Lister, „hij heeft dus een bad
genomen?”
„Dat niet, uwe Lordschap,” meende detective Marholm, „maar het schijnt
toch, alsof hij door de buis van de waterleiding hierheen gekomen is,
want terwijl wij in de leege badkuip zochten, heeft hij hier heel kalm
de brandkast geopend en alles gestolen.”
„Die man brengt mij nog in het gekkenhuis!” steunde Baxter.
Lord Lister keek hem met een hoonlach aan, toen zijn secretaris
binnenkwam.
Dezen verklaarde hij met korte woorden wat er gebeurd was en toen
overhandigde hij hem de polis van de maatschappij tegen diefstal en
inbraak, die hij in zijn portefeuille droeg.
„Morgen vroeg kunt gij het bedrag voor mij innen”, sprak hij op uiterst
bedaarden toon. „En nu, mijne heeren, geef ik u den goeden raad om, als
Raffles weer eens van zijn plannen mededeeling doet, de zaak aan mij
over te laten. Want om een dief te laten stelen en ontsnappen, zooals
gij hebt gedaan, kan ik ook.”
Met verlegen gebaar nam Baxter afscheid en verliet met zijn mannen het
huis.
Lord Lister lachte hartelijk en sprak tot zijn vriend Charly:
„Morgen gaan wij naar Berlijn, ik wil daar een oud vriend van mij
bezoeken.”
„Ja, maar,” antwoordde Charly, „ik begrijp er niets van, had je
werkelijk 20,000 pond sterling in je brandkast?”
„Neen,” antwoordde zijn vriend op kalmen toon, „niets dan een paar
pakjes onbetaalde rekeningen.”
„Hm,” meende Charly Brand en zijn gezicht kreeg een eigenaardige
uitdrukking. „Ik begrijp er nog niets van!”
„Wel, beste jongen”, riep Lord Lister uit, „begrijp je dan niet, dat
die onbetaalde rekeningen, die de politie liet stelen door een zekeren
jou niet onbekenden Raffles, door de verzekeringsmaatschappij op grond
van dezen diefstal met 20,000 pond sterling worden betaald? Er had
evengoed heelemaal niets in de brandkast kunnen zijn. De hoofdzaak is,
dat Baxter en de detectives onder eede moeten verklaren, dat mij
zooveel ontstolen is; en dat de maatschappij betalen moet! Zij had
anders immers geen reden van bestaan!”
„Alle duivels!” steunde Charly Brand, „dat is een fameus idee! Maar hoe
kom jij aan dien Raffles?”
Lord Lister nam een sigarette en stak die aan. Toen blies hij een
grooten kring in de lucht en sprak, terwijl een lachje zijn mondhoeken
vertrok:
„Ja, beste jongen, dat behoef je nu niet te weten, het is mij
voldoende, dat jij mijn goede, trouwe Charly bent, die gelukkig niet
méér begrijpt dan wat hij begrijpen moet.
Maar Raffles, mijn jongen, Raffles, dat is mijn ideaal!”
ZESDE HOOFDSTUK.
BIJ „ZWARTE JACK”.
Bankier James Gordon had nadat de politiemannen hem hadden verlaten,
zijn kantoor gesloten en wandelde door Oxford Street in de richting van
den Tower.
Onderweg nam hij een electrische tram, die hem naar Tower Bridge
bracht.
Hier, waar de trotsche Tower ligt, is een stadsgedeelte, welks bewoners
de meest gevreesde en gevaarlijke misdadigers van Londen zijn.
Een groote menigte kleine straatjes en stegen met ouderwetsche gevels,
kroegen en winkeltjes, was het toevluchtsoord voor het gespuis van de
Engelsche hoofdstad.
In een van deze straten woonde mister Govern, een Iersch geldschieter,
bij de politie bekend onder den bijnaam „zwarte Jack”.
De heilige Hermandad hield hem voor een der meest geslepen helers van
de hoofdstad, maar toch was het nooit gelukt, gestolen goed bij hem te
vinden.
„Zwarte Jack” verstond meesterlijk de kunst om alles, wat gevaarlijk
was, te verbergen.
Men vertelde van hem, dat hij verscheiden eigen huizen bezat en
aandeelhouder was in een groote zaak.
Zijn winkel was gevuld met velerlei artikelen: tonnen met
scheepsbeschuit, zijden Amerikaansch spek, baren ruw goud, kleeren,
meubels en kisten, en alles vulde de kleine ruimte zóó, dat slechts een
smalle doorgang open bleef naar de vuile toonbank, waarachter „zwarte
Jack” van den morgen tot middernacht zijn klanten bediende.
Bankier Gordon en „zwarte Jack” begroetten elkaar als twee oude
vrienden.
Ontelbare vuile zaakjes hadden beide „mannen van eer” in den loop der
jaren met elkander verhandeld.
Door middel van een geheime veer sloot de pandjesbaas van achter zijn
toonbank de winkeldeur.
Hij deed dit steeds, als zijn vriend James Gordon voor zaken bij hem
kwam.
Nadat hij zich dus gevrijwaard had voor onverwacht bezoek, bood hij den
bankier een sigaar.
Gordon deed eenige trekjes en wendde zich daarna tot „zwarte Jack” om
dezen het verhaal te doen van de overrompeling door den genialen
Raffles.
Woede en haat fonkelden uit de oogen van den bankier.
Met gebalde vuisten riep hij:
„Ik moet vandaag nog mijn eigendom terug hebben. Die schurk van een
Raffles zal weten, met wien hij te doen heeft.”
De ander krabde zich eens achter de ooren.
Toen, na lang nadenken sprak hij:
„Voor den duivel! Ik heb altijd veel vertrouwen in onze zaken gehad en
je weet, dat ik er geen gewetenszaak van maak om iemand naar de andere
wereld te helpen. Maar nu—ik weet het niet, James, maar jij kiest je
een tegenstander, tegen wien nog niemand bestand is geweest; en
bovendien—wie is hij eigenlijk?”
De Bankier boog zich naar het oor van zijn vriend en fluisterde:
„Lord Lister!”
De ander stiet een kreet van verbazing uit en vroeg:
„Hoe weet je dat?”
Gordon haalde een brief te voorschijn en gaf hem „zwarte Jack”.
Deze las het opschrift.
„Mister Lyon, Strand 2, Londen, per expresse bestelling.”
„Dat is je geheim bureau”, sprak de pandjesbaas.
„Zoo is het!” antwoordde de bankier, „het toeval bracht mij daar,
voordat ik hier kwam, om te zien, wat er met de post was aangekomen en
ik vond dezen brief. Lees hem maar.”
Jack doorvloog den inhoud van het schrijven, dat luidde:
„Waarde Heer!
Uit naam van bankier James Gordon moet ik u uw deposito’s met rente
terug betalen. Ik verzoek u, mij nog hedenavond te bezoeken.
Lord Edward Lister.
Regent Park.”
„Dat begrijp ik niet”, sprak Jack hoofdschuddend.
„Maar ik!” riep James Gordon uit, „luister! Raffles nam al mijn wissels
en papieren van waarde, benevens mijn kasboek mede. Uit dat laatste
liet hij de adressen overnemen en hij schreef den lieden om hun de mij
ontstolen wissels terug te geven. Onder den naam Lyon heb ik geheime
relaties met de Engelsche Bank. Dit weet Raffles natuurlijk niet en hij
geloofde, dat Lyon ook een van mijn klanten was. Daarom schreef hij
dezen brief, zoodat het mij duidelijk is, dat Lord Edward Lister en
Raffles een en dezelfde persoon zijn.”
„Drommels!” riep de pandjesbaas, „dat is het brutaalste stuk, waarvan
ik ooit hoorde.”
„Wie heb je bij de hand?” vroeg Gordon. „Ik heb twee flinke inbrekers
noodig, die vanavond nog met mij mee naar dien schurk gaan om te
probeeren mijn eigendom terug te krijgen, voordat hij alles weggeeft!”
„Dat begrijp ik niet”, mompelde Jack, „die kerel moet gek zijn om
alleen voor het genoegen van andere menschen te stelen. Maar ik zal je
dadelijk twee van mijn beste mannetjes bezorgen.”
Hij nam de stop van een looden buis, die in den bodem leidde, riep een
paar woorden door de opening en luisterde aandachtig.
Na eenigen tijd weerklonken als uit de verte drie doffe geluiden.
„Ze zullen dadelijk komen”, sprak Jack tot zijn waardigen vriend, de
wonderlijke telefoon weer afsluitend.
Eenige minuten verliepen.
Daarop werd een zacht kloppen in een oude kast vernomen, die tegen een
der muren stond.
Jack stond dadelijk op, sloot de ouderwetsche deur van het meubel open,
en door de kleeren, die in de kast hingen, kropen twee sujetten te
voorschijn met gevaarlijke tronies, die vol argwaan den bankier
aanzagen.
Jack bracht de kleeren in de kast eerst weer in orde, sloot de deur
toen stevig en sprak tot Gordon:
„Dit is mijn geheime uitgang naar den kelder! Die heeft al menigeen van
de galg gered als Scotland Yard hem zóó dicht op de hielen zat, dat
niemand meer een cent voor zijn leven zou hebben gegeven”.
Daarop sprak hij tot de beide misdadigers:
„Jongens, er is werk voor jelui!”
„All right!” antwoordde de grootste van het tweetal, wiens gelaat hevig
verminkt was door een messnede, waardoor zijn halve neus was
weggenomen.
Hij stond onder den inbrekersnaam „het varken” bekend.
Zijn bondgenoot was een gevaarlijk misdadiger, „Halfoor” genaamd.
Govern, aldus was de eigenlijke naam van „Zwarte Jack”, deed nog een
paar haaltjes aan zijn sigaar en sprak:
„Jelui moet met dezen heer een brandkast kraken. Haalt de noodige
gereedschappen uit de schuur!”
„Zoo!” lachte „het varken” met zijn grogstem, „maar zeg eerst eens, wat
er bij te erven valt! Krijgen we ook een mazzeltje of hij alleen?”
„De inhoud is alleen voor dien heer, alles is zijn eigendom.”
„Zoowat kennen we niet”, gromde Halfoor, „als wij een brandkast kraken
en gesnapt worden, gaan wij in de bajes. Mij dunkt, dat we ook wel een
duitje mogen hebben.”
„Krijgen jullie ook”, stelde de pandjesbaas gerust en toen tot den
bankier:
„Hoeveel krijgen ze voor hun werkje?”
„Ik geloof, dat tien pond genoeg is!”
Het Varken liet een langdurig gefluit hooren.
Toen riep hij uit:
„Tien pond? Daar breek ik de huisdeur nog niet voor open. Sla toe,
honderd pond!”
De bankier trommelde zenuwachtig met zijn vingers op de vieze toonbank.
„Nou! Geef asem!” zei Halfoor. „Ik ben niet van plan om in dien
vervloekten tocht hier verkouden te worden.”
„Ik geloof niet”, beweerde Jack, „dat de prijs te hoog is voor de boys.
Ze zetten toch hun vrijheid op het spel.”
„En we krijgen misschien nog een paar blauwe boonen ook”, voltooide het
Varken. „Die meneer schijnt niets van zaakies doen te weten.”
„’t Is goed!” stemde eindelijk de bankier toe.
„En geld bij de visch!” gebood Halfoor met brutaal gebaar.
Aarzelend haalde de bankier een portefeuille te voorschijn en betaalde
het verlangde geld.
De beide schurken hielden wantrouwend de banknoten tegen het licht,
voordat zij ze in hun zak lieten verdwijnen, knikten tevreden en
bromden: „All right!”
Toen reikten zij den bankier joviaal de hand en gingen met hem heen.
Van een zolderkamertje aan de Theems haalden zij hun
inbrekerswerktuigen, namen toen een huurrijtuigje en reden door de
straten van Londen naar Regent Park.
In de buurt van het huis stegen zij uit den cab en slopen rondom de
villa om te zien van welken kant zij het best konden binnendringen.
Ondanks hun scherp rondsnuffelen bemerkten zij niet, dat achter het
kreupelhout in den tuin twee mannen hurkten: detective Marholm en
brigadier Tyler.
Baxter had dit tweetal daar achtergelaten en hun bevolen het huis
scherp te bewaken, daar, volgens zijn meening Raffles de villa nog niet
verlaten kon hebben.
Met groote belangstelling sloegen de politiemannen de drie inbrekers
bij hun werken gade.
De Kakkerlak wreef zich vergenoegd de handen en fluisterde den
brigadier toe:
„Wij hebben ook meer geluk dan wijsheid! Alle duivels kerel, wij worden
morgen bevorderd. Als ik me niet vergis, klimt daar de door ons
gezochte bankier Gordon naar binnen.”
„Dat is onmogelijk!”
Brigadier Tyler keek nauwlettend toe.
Eenige oogenblikken later knikte hij met het hoofd.
„Je hebt gelijk, Marholm, ik zet tien pond tegen een penny, dat dat
James Gordon is!”
„Vast en stellig!” fluisterde de detective, „en nu zult ge ook
begrijpen, Tyler, waarom die kerel, hoewel hij ongetwijfeld door
Raffles bestolen is, niets met ons te maken wou hebben. Hij was bang,
dat wij achter zijn streken kwamen.”
„Zeker,” antwoordde Tyler, „dat is mij nu ook duidelijk....”
„Kijk, nu zijn ze binnen!” viel Marholm hem in de rede. „Ze moesten
eens weten, dat de brandkast leeg is. Loop nu vlug naar de
dichtstbijzijnde telefoon, bij de vijfde lantaarn ginds, en bel
Scotland Yard”.
„All right, Sir!”
De detective was reeds in de aangegeven richting verdwenen.
Er verliep een kwartiertje eer Tyler terugkwam. Nu slopen beide het
huis binnen langs denzelfden weg, dien de inbrekers genomen hadden.
Alle mogelijke gedruisch zooveel mogelijk vermijdende, bereikten zij de
studeer- en slaapkamer van Lord Lister.
Toen zij het studeervertrek wilden binnentreden, hoorden zij een luid:
„Halt, of ik schiet!”
Een woest gebrul volgde, daarop weerklonken verschillende schoten.
Zij drongen de studeerkamer binnen, maar in hetzelfde oogenblik, toen
zij de deur openstieten, liepen zij de vluchtende inbrekers tegen het
lijf.
Detective Marholm greep het „Varken” beet en gaf hem bliksemsnel een
paar slagen met de vlakke hand tegen zijn slapen, zoodat de inbreker
verdoofd neerstortte.
Het gelukte „Halfoor” intusschen, het venster te openen en naar buiten
te springen.
„Goeden avond, heeren!” klonk het nu uit den mond van Lord Lister, die,
in een huisjasje gekleed midden in de kamer stond. „U ziet, dat men mij
voor den tweeden keer wilde bestelen”.
Bij deze woorden had hij het electrische licht opgedraaid en bij het
schijnsel daarvan zagen de aanwezigen James Gordon neergehurkt bij de
brandkast.
Tyler pakte hem beet en legde hem de handboeien aan.
De van vrees sidderende woekeraar wierp een blik vol woede en haat op
den detective en Lord Lister.
Daarop kwam een uitdrukking van helsche vreugde op zijn gelaat en op
Lord Lister wijzend, riep hij tot de detectives:
„Heeren! Gij hebt daar een goede vangst gedaan!”
„Zeker,” lachte Marholm, die „het Varken” nog altijd stevig vasthield.
„Dezen jongen zoeken wij al heel lang. Hij heeft minstens twintig jaar
te goed!”
„Neen!” riep James Gordon uit, „ik bedoel hem niet maar dien heer!”
Hij wees op Lord Lister:
„Daar staat Raffles!”
„Stapelgek!” lachte Tyler.
En Marholm meende: „Gij wilt u zeker krankzinnig houden? Neen,
mijnheer, dergelijke streken kennen wij, daar vliegen wij niet in!”
„Ik bezweer u, heeren!” krijschte de geboeide bankier opnieuw, terwijl
hij aan alle leden beefde, „neem dien man gevangen! Ik verzeker u, hij
is Raffles!”
„Zwijg!” beet Tyler hem toe, „beleedig den persoon van zijn Lordschap
niet!”
In dit oogenblik hield een patrouille van Scotland Yard halt voor het
huis.
Bevelen weerklonken en na eenige oogenblikken was het huis gevuld met
detectives.
Na een kort onderhoud tusschen detective Marholm en den inspecteur
Baxter gaf deze laatste bevel, den bankier naar Scotland Yard te
brengen.
Nogmaals herhaalde de woekeraar zijn beschuldiging tegen Lord Lister en
bezwoer hij den inspecteur, zijn woorden te gelooven.
Toen hij eindelijk zag, dat niemand zijn woorden geloofde, begon hij te
razen en te vloeken als een krankzinnige.
Wanhopig sloeg hij met de armen om zich heen, steeds opnieuw
schreeuwende: „Daar staat Raffles! Daar staat Raffles!”
„Voert hem weg!” beval Baxter kortaf, „hij wil ons laten gelooven, dat
hij gek is!”
Vier sterke vuisten pakten hem beet en brachten Gordon buiten de kamer.
De detectives volgden.
In den tuin vonden zij „Halfoor” nog, die bij den sprong beide beenen
gebroken had en kermend in een boschje lag.
Toen detective Marholm het laatst van allen in den patrouillewagen
steeg, zag hij aan een helder verlicht venster van de bovenste
verdieping het scherpe profiel van Lord Lister, die, terwijl hij hen
nakeek, een sigarette stond te rooken.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
IN SCOTLAND YARD.
Het was tegen tien uur den volgenden morgen toen een vertegenwoordiger
van de verzekeringsmaatschappij tegen inbraak en diefstal bij
inspecteur Baxter verscheen om bij dezen berichten in te winnen omtrent
de inbraak bij Lord Lister.
„Het is onbegrijpelijk, mijnheer”, verklaarde deze laatste, „deze
Raffles houdt mij en de geheele wereld voor den gek. Voor mijn eigen
oogen pleegde hij den diefstal.”
„Ongelooflijk”, antwoordde de vertegenwoordiger hoofdschuddend, „men
zou het voor onmogelijk houden, als gij het mij niet zelf verteldet.
Hebt gij het geld, dat men den Lord ontstal, zelf gezien?”
„Ja”, bevestigde de inspecteur, „ik heb mij met mijn eigen oogen ervan
overtuigd, dat het aanwezig was.”
„Een wanhopige zaak, dan blijft ons niets anders over dan te betalen.”
„Dat zult gij zeker moeten doen”, meende Baxter beslist.
„Wees dan zoo goed, deze verklaring te willen onderteekenen voor mijn
maatschappij.”
Bij deze woorden nam de ambtenaar van de maatschappij een stuk uit zijn
portefeuille, dat hij den inspecteur ter teekening voorlegde en waarin
werd verklaard, dat het bedrag der gestolen som 20,000 pond bedroeg.
Zonder aarzelen zette Baxter zijn naam er onder.
Daarop nam de vertegenwoordiger afscheid.
Nu liet de inspecteur den gevangen genomen bankier Gordon en diens
medeplichtigen bij zich komen.
Ook de detectives verzamelden zich in het bureau van hun inspecteur en
de gevangenen werden binnengebracht.
Nadat de noodige formaliteiten in acht waren genomen, begon het
verhoor.
James Gordon, die wel inzag, dat hij op geen enkele manier de
gevangenis zou ontloopen, nam nu een houding aan als een vos, die in de
val geloopen is en vastberaden den vastgeklemden poot afbijt.
Hij begon dus den inspecteur en den detectives te vertellen, wat hem
had bewogen, de inbraak bij Lord Lister te plegen en wat hem had
bewogen om niets van Raffles’ diefstal te vertellen.
Als bewijsstuk vertoonde hij den brief van Lord Lister, denzelfden,
dien hij zijn vriend Govern had laten lezen.
Groote opgewondenheid maakte zich meester van de politiebeambten.
Het werd hun duidelijk, dat zij tegenover den grooten onbekende hadden
gestaan, tegenover den genialen Raffles en dat zij slechts hadden
behoeven toe te grijpen om de beste vangst te doen, die de beambten van
Scotland Yard ooit konden maken.
„Waarom hebt ge dit niet eerder gezegd?” riep Baxter uit. „Gij weet
toch, dat er een belooning van 1000 pond staat op de gevangenneming van
Raffles.”
„Ik heb het u immers herhaaldelijk gezegd, maar niemand wilde mij
gelooven”, antwoordde James Gordon.
„Het is om gek te worden!” brulde de inspecteur, in zijn bureau heen en
weer loopende. Plotseling bedwong hij zijn woede en beval:
„Voorwaarts! Laten wij een flink aantal van onze beste detectives
meenemen. Hij zal ons nu niet meer ontkomen. Wij zullen het vossenhol
omsingelen; nog heden moet de Lord in onze handen vallen!”
„Laten wij het beste ervan hopen!” meende Marholm, „ik geloof echter,
dat het hol leeg zal zijn als wij er komen. Het zou ook jammer wezen,
als hij in onze handen viel. Wij kunnen nog veel interessante avonturen
met hem beleven! Ik begin pleizier in dien man te krijgen en er valt
heel wat van hem te leeren!”
Baxter schreeuwde woedend:
„Zwijg toch! Hoe hebt gij den moed om een spitsboef te bewonderen? Gij
zijt volkomen ongeschikt voor het beroep van detective!”
„Dat betwijfel ik!” antwoordde Marholm en lachte sarcastisch, „want pas
hebt gij mij zeer vleiende dingen gezegd.”
„Laat ons geen tijd verzuimen”, drong Tyler aan, „het wordt tijd, dat
wij Raffles pakken!”
De detectives maakten zich nu gereed om Scotland Yard te verlaten.
Onderweg sprak Marholm tot Baxter: