„Ik ontken niet”, antwoordde deze, „dat die geschiedenis mij

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 1 DE GROOTE ONBEKENDE.

DE GROOTE ONBEKENDE.

EERSTE HOOFDSTUK.

BELAAGDE ONSCHULD.

Het was tegen zes uur in den namiddag toen de rijke zijde-importeur

Lukas Brown zijn eersten boekhouder bevel gaf om de zaak te sluiten.

De vensters van het gebouw, dat zich aan het Strand in Londen bevond,

zagen uit op dezen breeden verkeersweg en Mr. Brown kon door de

neergelaten jaloezieën het drukke gewoel der reuzenstad zien.

Voordat zijn boekhouder het particuliere kantoor had verlaten, sprak

Mr. Brown tot hem:

„Zend de nieuwe beambte, Miss Walton, bij mij. Ik moet haar spreken.”

De boekhouder maakte een buiging, terwijl hij een ironisch lachje

trachtte te verbergen.

Hij kende zijn chef en wist, wat een dergelijk onderhoud beteekende.

Mr. Brown nam uit principe slechts jonge, onervaren meisjes in zijn

dienst, wier uiterlijk hem beviel.

„Zijt gij over het werk van Miss Walton tevreden?” vroeg hij den

boekhouder.

„Zeker”, antwoordde deze, „zij doet haar plicht uitstekend.”

„Zoo, zoo”, sprak Mr. Brown, zijn vleezige handen wrijvende, „het doet

mij genoegen, dat te hooren! Zij is een buitengewoon mooi meisje. Dat

meisje kan, als ik mij haar lot aantrek, een goede toekomst hebben.”

Weer maakte de boekhouder een buiging, om een glimlach te verbergen.

Toen hij de kamer wilde verlaten, weerklonk van de straat het

geschreeuw van courantenjongens, die de nieuwste avondbladen aanboden

en die met luide stem den korten inhoud uitgalmden van het laatste

belangrijke nieuws, dat de courant behelsde:

„Een nieuwe streek van Raffles!” schreeuwden zij. „Raffles, de groote

onbekende, roofde een kwart millioen juweelen!—Raffles! Raffles is

onvindbaar!”

Mr. Brown zag hoe de voorbijgangers letterlijk vochten om de

nieuwsbladen.

„Haal mij een avondblad!” beval hij zijn boekhouder, „dat is een gekke

geschiedenis met dien Raffles!”

De boekhouder verdween en kwam na eenige minuten terug met de gevraagde

courant, welke de laatste daad van Raffles met groote letters

verkondigde.

Haastig las Mr. Brown het artikel door, waarna hij tot zijn boekhouder

sprak:

„Een buitengewoon mensch! Een dergelijke kerel heeft nog nooit bestaan!

Met groote geslepenheid houdt hij nu al wekenlang onze geheele

politiemacht bezig. Men is er nog niet in geslaagd, een enkel spoor van

den vent te vinden. Sherlock Holmes schijnt zich uit het openbare leven

terug te willen trekken en zonder dezen is onze zoo beroemde politie

een ouwe wijvenboel.”

„Ja”, antwoordde de boekhouder, „die Raffles is een genie! En ik moet

eerlijk bekennen, dat ik respect voor hem heb! Hij moet een

buitengewoon talent bezitten, die koning der inbrekers. Een ware

Napoleon! En voor de rest ontegenzeggelijk een gentleman!”

„Ik geloof, dat je gek bent, mijn waarde. Geheel Londen schijnt

aangetast te zijn door Raffles-koorts. Waar men komt, hoort men over

dien aristocratischen dief spreken!” Mr. Brown trok verachtelijk zijn

dikke lippen op. „Gij schijnt een eigenaardige opvatting te hebben

omtrent een gentleman!”

„In ’t geheel niet, Mr. Brown”, antwoordde de boekhouder, „het is

immers een feit, dat deze onbekende inbreker het gestolene alleen

gebruikt om den armen uit Whitechapel of Eastend weldaden te bewijzen.”

„De kerel is gek”, sprak Mr. Brown, „stapelgek! Hij deed verstandiger,

als hij het gestolene aanwendde voor betere doeleinden. Al was het maar

voor wijn, vrouwen en weelde. Dat gepeupel in Whitechapel en Eastend

zou mij geen penny waard zijn!”

„Daarom zorgt Raffles daarvoor”, glimlachte de boekhouder. „Hij neemt

in plaats van de pennys, welke gij niet aan de armen geeft, banknoten

uit uw zak. Dat helpt beter.”

Brown fronste toornig zijn wenkbrauwen en antwoordde op beleedigenden

toon:

„Gij durft veel beweren, Mr. Thomas. Houd uw opmerkingen voor u. Als

gij niet zooveel jaren bij mij in betrekking waart, zou ik u dit zeer

kwalijk nemen.

Maar—laat ons geen ruzie maken om dien Raffles. Het voornaamste is, dat

hij ons ongemoeid laat.”

„Laten wij het beste ervan hopen! Ik geloof ook niet, dat gij genoeg

bezit, om een bezoek van Raffles te zullen krijgen”, vervolgde de

boekhouder.

„Wat?!” riep Mr. Brown, „bezit ik niet genoeg?—Mijnheer, ik ben

millionnair!—Ik ben hofleverancier!”

„Zooveel te beter voor Raffles, als hij komt!”

„Zwijg! Gij maakt mij zenuwachtig”.

De boekhouder sprak lachend:

„Het zou mij zeer aangenaam zijn, als hij mij op onzichtbare wijze aan

eenige banknoten hielp, al kwamen zij dan ook niet uit uw kas, Mr.

Brown!”

Deze richtte zijn korte, breede gestalte op en riep woedend uit:

„Houd eindelijk uw flauwe aardigheden voor u. Gij zijt in staat,

iemands humeur totaal te bederven. De duivel moge dien Raffles halen!

Ik slaap toch al zoo onrustig, sinds die kerel op het tooneel is

verschenen; elken nacht droom ik, dat hij mijn brandkast heeft

geplunderd. Ik wil niets meer over hem hooren. Maar roep nu Miss

Walton!”

De boekhouder verliet de kamer, terwijl Brown naar de brandkast liep,

die naast de schrijftafel stond, en de blinkende grendels en sloten

onderzocht.

„Men zou er zenuwachtig van worden”, mompelde hij, „je zou zoo

langzamerhand gaan denken, dat die Raffles in een gesloten brandkast

zat.”

Nogmaals probeerde hij de verschillende grendels, hij zette het

letterslot op een ander geheim woord en noteerde dit.

Toen hij hiermee gereed was, kwam Miss Walton binnen.

Zij was een jong meisje, zeer bescheiden gekleed, maar met een

bijzonder lieftallig en fijn gezichtje.

Aarzelend bleef zij op den drempel staan.

„Kom wat nader, lief kind”, lachte Brown en zijn kleine oogen gleden

langs haar gestalte.

Hij trad op haar toe, vatte met zijn vleezige zwaar-beringde vingers

haar slanke hand en voerde het jonge meisje naar een Turkschen zetel.

Deze vertrouwelijkheid maakte op Miss Walton den indruk, alsof een

griezelige spin over haar heenkroop en een onverklaarbare angst greep

haar aan.

Brown zette zich in een stoel naast den hare, vatte wederom haar hand

en streelde die, terwijl hij het meisje teeder aankeek.

Miss Walton werd bloedrood in het gelaat.

„Wat hebt ge mooie handen! Die vingertjes zijn veel te teer om het ruwe

bureauwerk te doen; die zijn alleen geschikt om zijden rokken op te

houden en met briljanten versierd te zijn!”

Het jonge meisje was te onervaren om te begrijpen, wat haar chef

bedoelde en hoewel het onaangename gevoel niet van haar week, waagde

zij het toch niet, haar hand terug te trekken. Zij meende, dat de

vijftigjarige man haar met vaderlijke welwillendheid tegemoet trad.

Deze van zijn kant dacht, dat zij haar hand in de zijne liet rusten als

een teeken van toenadering en zich vooroverbuigend, kuste hij haar

vingers.

Het meisje schrikte terug.

Haar vrouwelijk instinct zei haar plotseling in welk gevaar zij zich

thans bevond.

Haastig stond zij op en sprak:

„Het is laat, Mr. Brown. Gij moet mij verontschuldigen, mijne zieke

moeder, die thuis wacht, zou ongerust worden als ik te lang wegbleef.

Ik moet nu gaan.”

„Zoo laat is het nog niet”, antwoordde haar chef, „en uw moeder zal

uitstekende verpleging hebben en alles wat zij verlangt, als ge een

beetje vriendelijk tegen mij wilt zijn.”

Miss Walton keek den chef met groote oogen aan, die opstond en haar

wederom naderde om opnieuw haar hand te vatten.

Maar zij stiet hem terug.

„Laat mij! Ik moet gaan!”

„Niet zoo gauw, kleintje! Je kunt nog een uurtje met mij babbelen, dan

ben je nog vroeg genoeg thuis.”

Hij wilde haar omvatten, maar zij week terzijde.

„Laat mij gaan, of ik roep om hulp!”

„O ho, je bent een kleine kat, maar je roepen zou tevergeefsch zijn,

want wij zijn alleen in het gebouw”.

Miss Walton keek angstig om zich heen om een uitweg te ontdekken.

Daar zag zij door een der vensters een slank gebouwden jongen man

staan, die van een krantenjongen het avondblad kocht.

In een oogwenk was het meisje naar het venster gesneld en had dit

geopend.

„Help mij alstublieft! Men beleedigt mij!”

Verbaasd draaide de man zich om.

Het meisje keek een oogenblik in een paar groote, zwarte oogen en zag

een donker, door de zon gebruind gelaat.

De vreemdeling boog.

„Ik kom onmiddellijk!”

Miss Walton haalde verruimd adem.

Met een van woede verwrongen gelaat stond Brown midden in de kamer en

riep met gebalde vuisten:

„Zottin! Dat zal ik je betaald zetten!”

Maar in hetzelfde oogenblik ook trad de vreemdeling binnen.

„Wat wilt ge in mijn bureau? Dadelijk eruit of ik roep een

politieagent!” schreeuwde de koopman.

Zonder hem met een antwoord te verwaardigen, wendde zich de vreemdeling

tot Miss Walton.

„Waarmee kan ik u van dienst zijn? Ik hoorde, dat men het u lastig

maakt.”

„Breng mij uit dit huis! Die man daar beleedigt mij!”

De vreemdeling begreep terstond, wat gebeurd was. Hij sprak op

minachtenden toon tot hem:

„Ellendeling!”

„Ga heen!” herhaalde de aangesprokene.

De vreemdeling keerde zich om en sprak tot Miss Walton:

„Volg mij alstublieft!”

Het jonge meisje knikte hem dankbaar toe en verliet met hem het

vertrek.

„Ge zijt ontslagen!” riep de chef haar na.

Haar redder glimlachte en bracht Miss Walton haar buiten, waar zij met

eenige woorden van dank afscheid van hem wilde nemen.

„Het kan misschien van eenig nut zijn, als ik uw adres wist”, vroeg de

jonge man.

Miss Walton gaf hem oogenblikkelijk haar visitekaartje.

Toen boog hij tot afscheid.

Het jonge meisje haastte zich huiswaarts en zag dus niet, dat de

vreemdeling in het bureau terugkeerde en de buitendeur achter zich

sloot.

Secondenlang luisterde de indringer.

Toen haalde hij een zwart masker uit den zak te voorschijn en sloop

door de verschillende lokalen naar Brown’s werkkamer.

Deze wilde juist vertrekken.

Hij had het heele voorval reeds vergeten en floot zachtjes een melodie

uit „Die lustige Witwe.”

Plotseling bleef hij als verlamd staan, want vlak voor hem stond

eensklaps een gemaskerd persoon, die hem den loop van een revolver

voorhield.

„Ik wil graag kennis met u maken,” sprak een dreigende stem.

De koopman kon geen woord uiten.

Zijn knieën sidderden—het werd hem zwart voor de oogen.

„Volg mij!” beval de gemaskerde.

Willoos gehoorzaamde Brown.

Het tweetal ging naar een vertrek, dat achter in het gebouw was

gelegen: de kleedkamer der beambten.

De gemaskerde opende een groote kleerkast en beval Brown daarin te

gaan.

„Uw portefeuille, mijnheer”, beet hij den handelaar toe en deze

gehoorzaamde, blij, er zoo gemakkelijk af te komen.

„Voor uw brandkast heb ik nu geen tijd, daar kom ik een volgenden keer

wel om!”

De deur van de kast ging dicht en de onbekende verliet het vertrek.

Toen hij weer in het kantoorlokaal was gekomen, opende hij de

portefeuille en nam er verscheidene banknoten uit.

Daarop zocht hij eenige enveloppen, bedrukt met den naam der firma en

deed in ieder een bankbiljet.

Aan de schrijftafel van Mr. Brown zette hij op iedere enveloppe:

„Voor een nuttig gebruik zendt u dit

JOHN RAFFLES.”

Hij lachte zachtjes en sloot de enveloppe met een zegel, dat een

gekroond doodshoofd vertoonde.

Hierop legde hij de brieven op de lessenaars der beambten.

Van den verderen inhoud der portefeuille interesseerde hem slechts een

enkele brief, die door zekeren bankier James Gordon uit Oxford Street

aan Mr. Brown gericht was en luidde:

„Mijn waarde Mr. Brown,

Ons laatste zaakje heeft een schitterende winst afgeworpen. De

wissels, die wij van dokter Walter kregen zijn eindelijk door hem,

nadat ik hem met het gerecht heb gedreigd, betaald. Ik heb u voor

tweehonderd pond gecrediteerd. Zend mij heel gauw iets dergelijks.

Zoo’n zaak is de moeite waard.

Met beste groeten, uwe

JAMES GORDON.”

„Dien man moet ik leeren kennen,” mompelde Raffles.

Hij stak den brief in zijn zak en verliet het kantoor.

Het kloppen en schreeuwen van den opgesloten koopman hoorde hij

weerklinken, lachte er eens hartelijk om en verdween tusschen de

menigte.

Daar buiten ventten nog steeds de krantenjongens hun bladen, waarvan de

laatste daad van Raffles stond beschreven; zij vermoedden niet, dat

reeds een nòg latere streek was gepleegd.

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN SCHURKACHTIGE BANKIER.

In zijn klein kantoortje in Oxford Street te Londen zat de bankier

James Gordon en telde groote geldsommen, die hij in verschillende

muntsoorten verdeelde, in rollen wikkelde en in zijn brandkast borg.

Hij was een klein, mismaakt persoon, met pokdalig gelaat, dat duidelijk

de sporen droeg van gierigheid.

De bankier had zoo juist zijn brandkast gesloten, toen er bescheiden

aan de deur werd geklopt.

Met heesche stem riep hij: „binnen!” en een oude vrouw van omstreeks

vijftig jaren trad bescheiden en aarzelend binnen. Zij monsterde het

bureau.

„Wat wilt ge?” vroeg hij op korten toon.

„Neem mij niet kwalijk,” stamelde de vrouw, „ik heet Anny Walton en ik

las in een advertentie, dat gij geld leent.”

„Zeker, dat is mijn zaak! Wenscht ge geld?”

„Ja, ik verkeer in groote verlegenheid. Mijn man is verleden jaar

gestorven en mijn dochter heeft geen betrekking.”

„Hebt ge borgen?”

„Och, mijnheer,” antwoordde de oude vrouw op bevenden toon en tranen

vulden haar oogen, „ik heb nog maar een paar kleinigheden, maar dat zal

voor u niet genoeg borgstelling zijn.”

Bankier Gordon liet een zacht gefluit hooren en lachte toen brutaal:

„Denkt ge, dat ik gek ben? Dan zou heel Londen wel kunnen komen, heel

Whitechapel en Eastend, om geld van mij te leenen! Poeh! Hahaha!”

De vrouw keek hem aan met angstig gelaat.

„Mijnheer,” smeekte zij, „ik ben heel ziek en heb mij hierheen gesleept

om hulp te halen.”

„Blijf liever thuis en houd mij niet op”, antwoordde de bankier op

ruwen toon.

„Maar wat moet ik dan beginnen? Ik weet geen raad meer en geef u mijn

eerewoord, mister, dat ik dag en nacht wil werken, zoo gauw als ik weer

beter ben om u het geleende terug te betalen.”

„Dan zal ik nog lang moeten wachten,” meende de bankier op drogen toon,

„zoo spreekt jelui allemaal als je honger hebt. Ik kan dat! Maar ge

hebt een dochter, zooals ge vertelt! Stuur die dan des nachts naar

Piccadilly Street, of, als ze daarvoor niet mooi genoeg is, stuur haar

dan naar Whitechapel, om er op de straat haar brood te verdienen.”

De oude vrouw verbleekte, toen zij de namen van die Londensche wijken

hoorde, waar slechts de, demi-monde en de misdadigers hun handwerk

beoefenden.

„Nooit!” riep zij uit, „gij hebt geen kinderen, mijnheer, anders zoudt

ge niet zoo spreken, dat is heel zondig van u!”

Bankier Gordon haalde minachtend de schouders op.

„Ga nu toch, ik kan uw gejammer niet langer hooren, ik heb te werken.”

Moeizaam wankelde de vrouw naar de deur.

In hetzelfde oogenblik kwam een jonge, elegante man binnen, die de oude

vrouw bij den arm vatte.

„Blijf hier, juffrouw Walton. Ik hoorde toevallig, daar de deur niet

geheel gesloten was, het gesprek, dat hier gevoerd werd. Ik hoop u te

kunnen helpen.”

De vrouw volgde hem aarzelend en ging in de kamer terug.

Bankier Gordon was opgestaan en keek den binnentredende aan, die

elegant gekleed was.

De vreemdeling van zijn kant deed met onverschillig gebaar zijn

parelgrijze handschoenen uit, nam zijn monocle uit het rechteroog en

stak een sigaret op. Den cilinderhoed had hij, als een bijzondere

uiting van onverschilligheid, niet afgenomen. Hij kon ongeveer dertig

jaren oud zijn; zijn gelaat had een trotsche, zelfbewuste uitdrukking

en zijn oogen schitterden overmoedig en keken vastberaden neer op

bankier Gordon.

Deze was heel zenuwachtig geworden; hij wist niet, wat hij met dien

indringer doen zou.

Te oordeelen naar de kostbare diamanten, die de gentleman aan de handen

droeg, kwam deze persoon geen geld leenen.

Daar de vreemdeling geen aanstalten maakte tot spreken, maar met een

spottend lachje den rook van zijn sigaret den bankier in het gelaat

blies, vroeg eindelijk James Gordon:

„Waarmee kan ik u van dienst zijn?”

„Met heel veel”, antwoordde de vreemdeling, „ik kreeg uw adres

gisteravond tijdens een kort bezoek, dat ik bij mister Brown bracht.

Het is mij zeer aangenaam, kennis met u te maken!”

Toen de bankier den naam van zijn handelsvriend hoorde, klaarde zijn

gelaat op. Hij boog hoffelijk, maakte met de hand een uitnoodigende

beweging tot plaats nemen en zei:

„Met wien heb ik de eer?”

De onbekende keek hem aan en antwoordde na een korte poos:

„Mijn naam zal u wel bekend zijn. Ik heet—” hij wachtte een oogenblik

en sprak toen op langzamen, afgemeten toon: „John C. Raffles.”

Als door een adder gestoken, sprong bankier Gordon van zijn stoel op en

tastte met zijn rechterhand naar een, onder een stapel papieren

verborgen revolver.

„U bent Raffles?” vroeg hij stotterend van angst. „Raffles, van

wien—die—die—”

„Juist”, viel de gentleman den bevenden bankier in de rede, „dezelfde,

dien ge meent, ik ben Raffles, de groote onbekende, de aartsdief, die

er een sport van maakt, onmenschelijke schurken op te sporen en te

beproeven met den roof, dien hij jelui bloedzuigers en woekeraars

afperst, datgene goed te maken, wat gij hebt gezondigd.”— — —

”— —Maar eerst”, hij wendde zich tot mrs. Walton, die zwijgend neerzat,

„hoeveel geld hebt ge noodig, beste vrouw? Vijftig pond, misschien?”

„Neen, neen!” stotterde deze, „met vijf pond was ik al geholpen!”

„Ik ken uw dochter, mevrouw”, zei Raffles, „en het toeval heeft mij u

te hulp gevoerd; maar laat ons nu over zaken spreken.”

Hij wendde zich tot Gordon.

„Betaal die vrouw vijf pond!”

De bankier wilde iets antwoorden, maar de vrees voor den onbekende

verlamde zijn tong en bevend ging hij naar de brandkast.

Hij legde een banknoot van vijf pond op tafel.

„Dat is voor u!” sprak Raffles tot de vrouw, „de bankier geeft het u

graag. Het is de fatsoenlijkste manier van zaken drijven, die hij ooit

bij de hand heeft gehad, want hij geeft u het geld zonder rente en laat

het u zoo lang behouden, totdat het u weer beter gaat. Hij is een braaf

mensch, deze bankier Gordon; en nu moet gij heengaan en mij met

mijnheer alleen laten.”

Onder vriendelijke dankzegging verliet de ongelukkige vrouw het

vertrek.

Nauwelijks had zij de deur achter zich gesloten, of Raffles sloeg een

anderen toon aan.

„Ik ben werkelijk verheugd, den gemeensten woekeraar van geheel Londen

eindelijk te leeren kennen.—Nu beveel ik u”, bij deze woorden haalde

hij een revolver uit zijn pelsjas te voorschijn—„neem op dien stoel bij

den haard plaats en blijf daar zoo rustig zitten, alsof gij in de kerk

waart.”

Met sidderende knieën begaf de bankier zich naar de hem aangewezen

plaats. Zonder zich te durven bewegen, zag hij, hoe John Raffles de

brandkast opende en daaruit een groot pakket wissels nam, die de

woekeraar van arme ongelukkigen had weten te bemachtigen en hoe hij dit

in zijn geel handtaschje wegborg.

De bankier stiet een geluid uit als van een vastgebonden wild dier.

Met een spotlachje keek Raffles hem aan en sprak:

„Wat zegt u?— —Het spijt u zeker, dat ik u bevrijd van dezen

zondenlast? Gij moest mij liever dankbaar zijn, mijn waarde, dat ik

eindelijk weer een fatsoenlijk mensch van u maak. En voor de rest, als

gij iets van mij wenscht, kunt ge u tot de politie wenden. Maar.....”

Hij lachte weer, stak een sigarette aan, sloot zijn tasch en vervolgde:

„Ik denk, dat gij er niet op gesteld zijt, in aanraking te komen met de

politie, want deze mocht eens inzage van uw boeken willen nemen en dat

zou u uw vrijheid weleens kunnen kosten. Men zou u waarschijnlijk een

paar jaar achter de tralies zetten. Dat zou heel nuttig zijn, niet

alleen voor u zelf, maar ook voor de maatschappij, die dan voor eenigen

tijd bevrijd zou zijn van zulk een schandelijk insect!

Ik zal in elk geval mijn plicht doen in dezen en het genoegen hebben,

de politie, zooals ik dat steeds gewend ben, te waarschuwen.”

Vrees en haat stonden duidelijk te lezen op het gelaat van den bankier.

„Gij zult de politie niet waarschuwen”, fluisterde hij met heesche

stem. „Welk nut zoudt gij daarvan kunnen hebben?”

„Ik zei het u immers al”, antwoordde John Raffles, „het genoegen, de

maatschappij van u te bevrijden.”

De bankier wierp zich op de knieën, hief de handen smeekend op en

kermde om genade.

Maar de ander liet zich niet vermurwen.

Met een blik vol afschuw keek hij naar den smeekeling en op

minachtenden toon sprak hij:

„Gij zijt even lafhartig, als elke schurk. Maar ik ben zonder erbarmen,

zooals gij dat zijt geweest jegens de ongelukkigen, die zeker dikwijls

hier om medelijden hebben gesmeekt.”

Daarop nam John Raffles een der boeken van den woekeraar, nam den

zwaren foliant met beide handen op en, terwijl hij hem met een

geweldigen slag op het hoofd van den bankier liet neerkomen, sprak hij:

„Hier hebt ge nog een klein souvenir!”

Gordon was door den slag bewusteloos op den bodem in elkaar gezonken;

John Raffles keek eenige seconden naar hem, daarop nam hij een klein

fleschje uit zijn zak, dat een verdoovend vocht bevatte, deed eenige

druppels hiervan op een zakdoek van den bankier en drukte deze op het

gelaat van den bewustelooze.

Zachtjes sprak hij tot zichzelf: „Hij moet zoolang blijven liggen tot

de politie komt.”

Daarop nam hij het kasboek en zijn taschje met de wissels en

schuldbrieven op en verliet het kantoor.

Zorgvuldig sloot hij de deur van buiten met een sleutel af en gaf dezen

aan een liftjongen, terwijl hij tot dezen zei:

„Mr. Gordon is voor een paar uur uitgegaan, hij verzocht mij, u dezen

sleutel te geven.”

„In orde!” antwoordde de jongen, den sleutel bij zich stekend.

Daarop verliet John Raffles het huis.

DERDE HOOFDSTUK.

DE SCHRIK VAN SCOTLAND YARD.

De inspecteur van politie Baxter van de geheime afdeeling zat in zijn

werkkamer, die zich in Scotland Yard bevond, de schrik van alle

misdadigers.

Hij stond aan het telegraaftoestel naast zijn schrijftafel en las met

gespannen aandacht de geheime berichten, die hem van de verschillende

politiebureaus werden toegezonden.

Zenuwachtig liet de inspecteur de smalle, eindelooze papierstrook door

zijn vingers glijden.

Plotseling werden zijn oogen grooter. Alsof hij een spook zag, zoo keek

hij naar het juist aankomende telegram.

Zijn gelaat werd bleek, hij stiet een kreet van verbazing en woede uit,

daarop sprong hij naar zijn schrijftafel, drukte haastig op een

electrischen knop en na eenige seconden snelden meerdere geheime

beambten van zijn afdeeling de kamer binnen.

„Wat is er gebeurd?” riep detectieve Tyler uit, een groote,

breedgeschouderde kerel.

„Een spook! Het is meer dan gek!” riep de inspecteur opgewonden uit.

„Daar ontvang ik een raadselachtig telegram, afgezonden door John

Raffles, den kerel, die door den duivel zelf beschermd schijnt te

worden. Het is hem gelukt, een verbinding te krijgen met onzen geheimen

kabel. Die man schijnt met bovenaardsche machten in contact te staan.

Nu bezitten wij geen geheime geleiding meer! Hij is nu in staat, onze

onderlinge telegrammen te controleeren.

Dat is de dolste streek van dien Raffles, heeren! Overtuigt u zelf!”

Nieuwsgierig verdrongen de beambten zich om den inspecteur Baxter en

staarden op de papierstrook van het morse-seinapparaat, waarop te lezen

stond:

„inspecteur van politie baxter, scotland yard. veroorloof mij, u zoo

kort mogelijk, langs dezen weg, mede te deelen, dat ik in de

eerstvolgende vierentwintig uur de brandkast van lord edward lister zal

plunderen. ik zal zoo vrij zijn, u voortaan mijn plannen steeds langs

dezen weg mede te deelen. met de meeste hoogachting voor u en scotland

yard. raffles.”

„Raffles!” herhaalden de beambten.

„Ja, heeren”, riep Baxter, „deze John Raffles brengt mij in een

krankzinnigengesticht. Ik kan aan niets meer denken dan aan Raffles. De

couranten van het binnen- en buitenland drijven den spot met ons. De

brutaliteit van den onbekenden dief overtreft alle grenzen. Voortaan

zal hij ons zelfs aankondigen, welke misdaden hij van plan is, te

begaan.”

„Hij wil het u gemakkelijk maken, inspecteur, het is een zeer beleefd

mensch!” meende detective Marholm, welke door de Londensche misdadigers

„De Kakkerlak” werd genoemd.

Hij glimlachte spottend en maakte daardoor zijn chef nog woedender.

Inspecteur Baxter sloeg met zijn vuist op de schrijftafel en riep met

toornig gelaat: „Gij amuseert u op een eigenaardige manier, detective

Marholm!”

„Ik ontken niet”, antwoordde deze, „dat die geschiedenis mij vermaakt

en voor dien man heb ik respect!”

„Gij behoeft geen respect voor hem te hebben. Ik wil mijn hoofd

verwedden, dat ik hem dezen keer vang.”

„Wat heeft Sherlock Holmes u geantwoord?” vroeg Tyler.

Het gelaat van den Engelschen politiebeambte kreeg een uitdrukking van

misnoegen bij het hooren van den naam van zijn wereldberoemden collega.

„Hier ligt een brief Van Mr. Holmes over deze zaak en hij schrijft mij,

dat hij de misdaden van dezen man zoo vermakelijk vindt, dat hij hem

niet wil storen in zijn werk en er dus voor moet bedanken om Scotland

Yard de behulpzame hand te bieden.”

„Dat wil zeggen,” sprak Tyler, „dat Sherlock Holmes den spot drijft met

Scotland Yard en ons wil toonen, hoe weinig wij zonder hem kunnen

uitrichten.”

„De couranten hebben hetzelfde oordeel geveld,” zei detective Marholm.

„Sherlock Holmes heeft ons door zijn wereldberoemdheid onze goede

reputatie ontnomen.”

„Deze John Raffles maakt me gek”, herhaalde inspecteur Baxter op

verdrietigen toon, „geheel Londen amuseert zich. Hoe mag de schurk er

wel uitzien?”

In dit oogenblik belde de telefoon.

Tyler ging naar het toestel, terwijl de anderen zwijgend wachtten.

Plotseling begon de groote, breedgeschouderde man te sidderen, alle

kleur week uit zijn gelaat en zijn rechterhand zocht steun op de

schrijftafel.

Verbaasd keken zijn collega’s hem aan.

„Wat is er, Tyler?” vroeg Baxter.

Deze wenkte hem te zwijgen, daarop riep hij op zenuwachtigen toon:

„Ja!” in de microfoon, legde den hoorn op het toestel en sprak gejaagd.

„Wij moeten dadelijk naar het kantoor van den bankier James Gordon in

Oxford Street. De bankier ligt daar bewusteloos bij den haard. Uit de

brandkast zijn 3865 pond sterling gestolen.”

„Wie gaf het bericht?” vroeg Baxter, die zich dadelijk gereed maakte om

te gaan.

„Wie?” herhaalde Tyler, diep ademhalend—„de misdadiger zelf!”

„Voor den duivel!” klonk het eenstemmig door het vertrek.

„En de inbreker zendt u, inspecteur Baxter, zijn beste groeten,”

vervolgde Tyler, „en hij laat u weten, dat zijn naam is John Raffles!”

Een ademlooze stilte volgde, maar na eenige seconden riep Baxter uit:

„Voorwaarts, lui! Iedere seconde is kostbaar! Die man maakt mij

krankzinnig!”

Eenige minuten later vloog een auto de groote poort van Scotland Yard

uit. Daarin zaten inspecteur Baxter en vier der handigste beambten van

Scotland Yard.

Het doel was Oxford Street, het kantoor van James Gordon.

In een kwartiertje hadden zij het huis bereikt, een groot gebouw, dat

veel kantoorlokalen bevatte.

De portier bracht de politieambtenaren in de lift naar het kantoor van

James Gordon, dat op de vierde verdieping was gelegen.

De deur was gesloten.

In een deurspleet zat een visitekaartje, dat Baxter te voorschijn

haalde.

Hij las:

„Den sleutel van het kantoor heeft Jim, de liftjongen”.

Deze werd terstond gehaald.

Hij vertelde, terwijl hij den sleutel uit zijn broekzak te voorschijn

haalde, dat een heer hem dezen had gegeven om hem mister Gordon te

overhandigen, als hij er naar vroeg; hij had daarvoor een shilling

gekregen.

„Hoe zag die heer er uit?” vroeg Baxter.

„Hij was zoo groot als u,” antwoordde de lift-boy, „en droeg een

grooten, zwarten baard, een bruine jas, een bruinen hoed; hij stotterde

nogal erg”.

„Welke kleur hadden zijn oogen?”

„Dat weet ik niet. Die heer droeg een donker gekleurden bril”.

Detective Marholm lachte luid.

„Laat ons geen onnoodigen tijd verliezen”, drong Tyler aan.

Baxter sloot de deur open en de heeren traden het kantoor binnen.

Alles zag er zoo uit, als hun per telefoon was meegedeeld.

Voor den kleinen schoorsteen lag de oude, 70-jarige bankier met

gesloten oogen.

Een zoetelijke geur van chloroform vervulde het vertrek.

Dank zij den bemoeiingen der politiemannen gelukte het, den

bewustelooze weer in het leven terug te roepen.

Nauwelijks was hij in zooverre hersteld, dat hij kon spreken, toen hij

opstoof:

„Wat wilt ge hier?”

Deze vraag kwam zoo onverwacht, dat de detectives den bankier verbaasd

aankeken.

„Ge zijt beroofd,” sprak Baxter en hij wees op de openstaande

brandkast.

De bankier maakte een onverschillige handbeweging en vroeg:

„Wie zijt ge?”

Baxter en zijn mannen dachten, dat de bankier nog onder den invloed van

de chloroform verkeerde en detective Marholm sprak tot Baxter:

„Laat den bankier nog een paar minuten met rust, opdat hij zijn

herinneringsvermogen kan terugkrijgen”.

Over het spitse vogelgezicht van Gordon vloog een donkerroode gloed.

Met scherpe stem vroeg hij nu:

„Ik vraag u nogmaals, wat ge hier in mijn bureau te maken hebt. Wenscht

ge zaken met mij te doen?”

Baxter deed zijn overjas open en liet zijn ambtspenning zien.

Wij zijn politieambtenaren en kregen mededeeling, dat ge beroofd zijt.”

„Wie vertelde u dat?”

„De inbreker zelf,” antwoordde Baxter.

„Ge zijt gek!” riep Gordon uit. „Ge zijt gek, ik weet toch beter dan

gij, wat er gebeurd is?”

De detectives begrepen er niets van.

„Wilt ge ons voor den mal houden?” vroeg Baxter boos.

De bankier richtte zijn misvormde gestalte op, wees naar de deur en

snauwde:

„Als ge niet dadelijk mijn bureau verlaat, zal ik van het naburige

politiebureau hulp inroepen. Ge hebt hier niets te zoeken! Ik heb u

niet noodig! Ga heen!”

De detectives gingen, geheel uit het veld geslagen, naar de deur.

Daar wendde Baxter zich nog eens om en zei:

„Bedenk toch, wat gij doet, mijnheer, gij zijt overvallen en beroofd;

men heeft u 3865 pond ontstolen!”

„Bemoei u met uw eigen aangelegenheden en niet met de mijne”, brulde de

bankier purperrood van woede. „Ik herhaal u, dat ik u niet riep—en nu

voor het laatst, ik verzoek u, mijn bureau te verlaten.”

De beambten moesten dit bevel gehoorzamen.

Toen zij zich weer buiten bevonden, keken zij elkaar aan, alsof zij aan

hun eigen verstand twijfelden. Een boosaardig, hoonend lachen klonk hun

van uit Gordons kantoor in de ooren.

„Zoo iets is mij in mijn geheele leven nog niet gepasseerd,” sprak

Baxter eindelijk tot Tyler, „maar ik geloof, dat ik het zaakje wel zal

verklaren. De man is bestolen, de inbreker zelf deelt het ons mede, wij

vinden alles, zooals hij het ons beschrijft en de bestolene wijst ons

de deur.”

Een boodschapsjongen kwam op dit oogenblik aangesneld en riep luid den

naam van inspecteur Baxter.

„Hier!” antwoordde deze, „dat ben ik!”

De jongen reikte hem een couvert over, waarop met groote letters den

naam van den inspecteur Baxter stond, aan het adres van bankier Gordon,

Oxford Street.

Haastig scheurde de inspecteur het couvert open, waaruit een klein

briefje en een banknoot van tien pond te voorschijn kwam.

„Voor uw bemoeiingen inzake mijn laatste inbraak zend ik u 10 pond en

ik hoop, dat gij dit bedrag voor een goed ontbijt zult besteden.

Raffles.”

In onmachtige woede verscheurde Baxter het briefje, hij schaamde zich,

zijn beambten iets van den inhoud mede te deelen.

„Laten wij nu naar Lord Lister rijden,” sprak hij tot de detectives,

„al moeten we ook geheel Scotland Yard op de been brengen, deze kerel

moet gevangen worden. Hij behoeft niet te gelooven, dat hij met den

duivel in gemeenschap staat!”

Baxter zag het glimlachende gelaat van den „Kakkerlak” niet.

Detective Marholm amuseerde zich zooals nog nooit te voren.

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN VRIEND DER ONGELUKKIGEN.

In de vestibule van de kleine deftige villa van Lord Lister, in het

Regent Park, had zich tegen den avond van dienzelfden dag een groote

menigte menschen van verschillenden stand en leeftijd verzameld.

Allen hadden een telegram in de hand en spraken op fluisterenden toon

over den merkwaardigen inhoud van deze depêches, die alle denzelfden

tekst bevatten:

„Kom dadelijk bij mij, ten einde op bevredigende wijze uwe zaken af te

doen met bankier Gordon.

Lord Lister, Regent Street 2”.

Een deur werd geopend.

Een slanke jonge man van ongeveer 30-jarigen leeftijd betrad vanuit een

der binnenkamers van het huis de ruime vestibule: het was Lord Lister,

gevolgd door zijn jongeren particulieren secretaris, die een gevulde,

lederen portefeuille droeg.

De aanwezigen keken uitvorschend den jongen Lord aan en vooral de

vrouwen, die zich ook daar bevonden, gevoelden dadelijk de grootste

sympathie voor hem.

Een regelmatige, prachtig gebouwde gestalte en een frisch gelaat,

waarop tegelijkertijd trots en edelmoedigheid lagen uitgedrukt. Met een

welwillenden blik uit zijn groote, zwarte oogen keek hij naar de

aanwezigen en met zijn welluidende stem sprak hij:

„Ik ontving hedenmiddag deze portefeuille van den bankier Gordon, met

het verzoek, aan de verplichtingen welke hij jegens u heeft, te

voldoen”.

Er ontstond een pauze.

Daarop naderde een oude man in wien men den vroegeren officier

herkende, Lord Lister en antwoordde:

„Gij veroorlooft u waarschijnlijk een grap. Bankier Gordon heeft geen

verplichtingen jegens ons—het tegendeel is helaas waar!”

„God moge dezen gemeensten woekeraar van geheel Londen vervloeken!”

riep een vrouw uit en een derde sprak op luiden toon:

„Ik vloek het uur, waarin de noodzakelijkheid om mijn familie te redden

mij in de klauwen van dien bloedzuiger dreef en evenals mij is het

allen gegaan, die met hem in aanraking kwamen.”

Met luide kreten betuigden de aanwezigen hun bijval.

Lord Lister keek hen zwijgend aan.

De meesten hadden sporen van zorg en kommer op het gelaat.

Om de lippen van den edelman verscheen een fijn lachje, toen hij sprak:

„Even als gij allen ken ik de reputatie van dezen woekeraar. De wet is

helaas niet in staat om dergelijke menschen te straffen. Zij zijn

echter veel grooter misdadigers dan die, welke in de gevangenissen

worden opgesloten, want zij weten hun schandelijk bedrijf uit te

oefenen onder bescherming van de wet.

Daarom ook herhaal ik u, dat bankier Gordon verplichtingen jegens u

allen heeft, waaraan ik heden een einde zal maken!

Hier, mijn vrienden, overhandig ik u allen de wissels en schuldbrieven,

die gij met uw hartebloed en zielsrust hebt onderteekend.

God moge u ervoor bewaren, in de toekomst nog eens in de handen van

dergelijken schurk te vallen.

Open de portefeuille, Charly!”......

Als in een droom stonden de ongelukkigen voor den jongen Lord. Het kwam

hun zoo onbegrijpelijk voor,—als een wonder van hoogerhand!

Aarzelend namen zij de papieren in ontvangst, nauwkeurig bekeken zij de

onderteekeningen, als twijfelden zij aan de echtheid.

Maar geen dwaling was mogelijk.

Allen kregen hun schuldbrieven en wissels terug die zij den bloedzuiger

eens hadden gegeven.

Een gevoel van oneindige dankbaarheid jegens den hun onbekenden

weldoener Lord Lister, maakte zich van hen meester.

Maar toen zij hem de hand wilden drukken met tranen van dankbaarheid in

de oogen, was hij verdwenen.

Alleen zijn secretaris stond nog op dezelfde plek en verzocht hun, naar

huis te gaan.

Langzaam stroomde de vestibule leeg en spoedig heerschte groote rust in

de kleine villa.

Bij den haard in zijn werkkamer zat Lord Lister in een gemakkelijken

fauteuil, de hem nooit ontbrekende sigarette te rooken.

Zijn fijnbesneden gelaat, dat meestal een ernstige, melancholieke

uitdrukking had, blikte nadenkend in de vlammen.

Dichtbij hem zat zijn particuliere secretaris en vriend Charly Brand.

De werkkamer was eenvoudig, maar voornaam en elegant ingericht.

Een breede schuifdeur leidde naar het slaapvertrek; links van deze deur

stond een oud-Hollandsche klok van meer dan manshoogte, terwijl zich

aan de rechterzijde een brandkast bevond.

Een bediende trad binnen en overhandigde Lord Lister met een diepe

buiging de avondbladen.

De eerste bladzijde reeds, welke de Lord opsloeg droeg in vette letters

het opschrift:

Raffles aan den arbeid!

Scotland Yard beetgenomen!

De nieuwste daad van den beroepsdief!

Een Londensch bankier, die niet wil weten, dat hij bestolen is!

Lord Lister lachte zachtjes en gaf zijn vriend, nadat hij de berichten

had doorgezien, de couranten.

Terwijl Charly Brand de sensatienieuwtjes las, bestudeerde de edelman

met gespannen aandacht het gelaat van zijn vriend; hij zag, hoe dit

verbleekte.

De Lord stak een nieuwe sigarette aan.

Toen hij een paar trekjes had gedaan, sprak Charly Brand:

„Edward, in welke relatie sta jij met den bankier Gordon?”

Lord Lister lachte opnieuw, daarop wierp hij de asch van zijn sigarette

in het haardvuur, haalde onverschillig de schouders op en antwoordde:

„Ik? In eenige relatie? Hoe meen je dat?”

„Ja, heb je gelezen, Edward, dat die man vanmiddag bestolen is? En

hijzelf ontkent het! Zoo iets geheimzinnigs heb ik nog nooit gehoord!”

„Als ik Sherlock Holmes was, zou ik dat raadsel heel spoedig hebben

opgelost!” antwoordde Lord Listen

„Hoe dan?”

Charly Brand Keek zijn vriend in gespannen aandacht aan.

„Heel eenvoudig,” sprak deze, „de bestolene heeft ongetwijfeld reden te

over om niet met de politie in aanraking te willen komen.”

„Jij zoudt een uitstekend detective zijn geweest!”

„Zeker,” stemde de Lord toe, „een jaar geleden, toen mijn gewone leven

mij begon te vervelen, dacht ik er over na of ik niet met Sherlock

Holmes zou gaan samenwerken.

Na rijp beraad kwam ik echter tot de conclusie, dat het veel

interessanter moet zijn om, inplaats van den jager, het wild te zijn,

of liever gezegd: inplaats van detective misdadiger te wezen.

Begrijp mij goed Charly, ik beschouw de zaak alleen uit een oogpunt van

sport.

Zoo’n misdadiger moet de dubbele portie energie, slimheid en dergelijke

eigenschappen bezitten, als de detective.

Hij staat alleen tegenover de groote massa”.

„Als men je hoort spreken, Edward, zou men gelooven, dat jij veel

belang stelt in dien onbekenden Raffles!”

„O ja, Raffles is geen misdadiger in de gewone beteekenis van het

woord, maar hij voert een voortdurenden strijd tegen die kapitalisten,

welke ondanks alle mogelijke wetten, de grootste woekeraars ter wereld

zijn en hij doet met het gestolene oneindig veel meer goed dan alle

Londensche weldadigheidsvereenigingen te zamen.”

„Een merkwaardig mensch!” sprak Charly Brand nadenkend.

Er werd geklopt en de oude kamerdienaar Fred trad binnen, zijn meester

op een zilveren blad een visitekaartje aanbiedend.

Een trek van vreugde verscheen op het gelaat van den Lord.

„Breng de dame hier!” sprak hij. „En jij, Charly, laat mij nu alleen.

Ik ben vanavond verhinderd nog met je samen te studeeren!”

Charly Brand stond op, gaf zijn vriend een hand en nam afscheid.

Toen hij de kamer had verlaten, trad een dichtgesluierde jonge dame

binnen.

„Miss Walton, het verheugt mij, u te zien!”

Met uitgestrekte handen begroette de Lord het jonge meisje.

Galant drukte hij een kus op haar kleine, blanke hand, daarop sprak

hij:

„Ik was zoo vrij, u te schrijven. Ik moest u terugzien en het doet mij

oneindig veel genoegen, dat gij gekomen zijt.”

„Ik ben u veel dank verschuldigd,” antwoordde zij eenvoudig. Daarop

sloeg zij haar voile terug en vertoonde een wonderschoon gezichtje,

waaruit twee groote blauwe kinderoogen den jongen Lord aankeken. Een

zeldzaam contrast daarmede vormde het blauwzwarte haar.

Lord Lister bood haar een stoel aan en nam tegenover haar plaats.

„Ik heb uw hulp noodig”, sprak zij, terwijl haar schoone oogen zich met

tranen vulden. „Mijn moeder is ernstig ziek en haar laatste eigendommen

zijn verkocht. Ik heb op alle manieren geprobeerd, werk te krijgen. Gij

weet, hoe het mij in mijn laatste betrekking is gegaan. En zooals bij

Brown ging het overal, zoodat ik nu zonder eenige verdienste ben.”

„Arm kind!” fluisterde Lord Lister, „ik ken dergelijke ellendelingen,

die gegeeseld moesten worden. Doch laten wij dit onverkwikkelijke

onderwerp liever laten rusten. Ik heb u geschreven omdat ik morgen voor

eenige maanden op reis ga, mijn lieve juffrouw, en het zou mij

aangenaam zijn als gij gedurende dien tijd een groot werk voor mij

wildet copieeren; hieraan hebt gij voor eenige maanden werk, dat gij in

uw eigen huis kunt verrichten, zoodat gij tegelijkertijd uw zieke

moeder kunt verplegen.”

Hij ging naar een boekenkast en nam daaruit vijf dikke boeken over

wereldgeschiedenis.

„Mijn bediende zal u deze hedenavond bezorgen en ik verzoek u, nu ik

toch voor onbepaalden tijd op reis ga, dit geld aan te willen nemen als

voorschot op uw honorarium.”

Hij haalde een portefeuille uit zijn borstzak te voorschijn, nam een

enveloppe en deed daarin eenige banknoten.

Daarna sloot hij de envelop en gaf haar met een hoffelijke buiging aan

het jonge meisje.

Zij wilde zijn hand kussen, maar hij trok deze haastig terug en sprak

op vasten toon:

„Neen juffrouw, dat mag niet! Ga naar huis om uw moeder te verplegen.

Als het honorarium u misschien bijzonder hoog voorkomt, dan deel ik u

bij dezen mede, dat ik steeds gewend ben, goede salarissen te geven.”

Een dienaar trad binnen.

„De politiecommissaris van Scotland Yard”, kondigde hij aan.

„Baxter?” vroeg Miss Walton met een uitdrukking van angst op het

schoone gelaat.

Lord Lister keek haar verbaasd aan.

„Wat scheelt eraan, Miss Walton?”

Bevend antwoordde zij:

„Sta mij toe, dit huis te verlaten, voordat die man mij ziet! Hij is

een bloedverwant van mij, een koud, egoistisch mensch, die mij de deur

gewezen heeft, toen ik hem om hulp voor mijn moeder kwam smeeken.”

„Een net mensch”, antwoordde Lord Lister op smalenden toon.

Toen bemerkte hij, dat Miss Waltons oogen zich met tranen hadden

gevuld. Met een vriendelijk lachje trad hij op haar toe en streelde

haar zachtjes over het haar.

Een behagelijk gevoel doorstroomde het jonge meisje. Lord Lister kwam

haar niet meer als een vreemde voor.

„Hoe zal ik u danken?” fluisterde zij en haar oogen keken hem liefdevol

aan.

Hij gevoelde, dat zij willoos al zijn wenschen zou hebben ingewilligd.

Een oogenblik kwam het verlangen in hem op, het mooie jonge meisje in

zijn armen te sluiten en haar roode lippen te kussen.

Zoo iemand, dan had hij daarop alle recht.

Seconden lang keken zij elkander diep in de oogen en tusschen hen

beiden werden nauwe liefdesbanden geknoopt.

Maar al spoedig kreeg Lord Lister alle zelfbeheersching terug.

Hij boog zich voorover en drukte een zachten kus op het voorhoofd van

het schoone meisje.

Toen sprak hij:

„Ga nu naar huis, Miss Helene, misschien heb ik nog eens uw hulp

noodig!”

Hij drukte het meisje de hand, schelde den kamerdienaar en zei dezen

Miss Walton door een zijgang het huis uit te brengen.

Zijn gelaat werd ernstig.

Hij ging zitten in zijn fauteuil en stak een sigaret op. Toen hij een

paar trekken gedaan had, schelde hij den dienaar opnieuw, klemde zijn

monocle in het oog en wachtte in onverschillige houding de komst van

commissaris Baxter van Scotland Yard af.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE INBRAAK.

„Ik kom om u te beschermen”, sprak de commissaris, toen hij tegenover

Lord Lister stond.

Een spotlach speelde om den mond van den gentleman, toen hij vroeg:

„Om mij te beschermen? Dat is heel interessant. Ik wist waarlijk niet

dat ik bescherming noodig had. Zie ik daar misschien naar uit?”

Hij rekte zijn fraai gebouwde, athletische gestalte, die een eind boven

die van den politieman uitstak.

„’t Is ook niet voor uwe persoonlijke bescherming!”

„Dat begrijp ik! Ik zou niemand raden, met mij te vechten! Ik heb

verscheidene prijzen in boksen en worstelen gewonnen en ben in mijn

club bekend als de beste vechter en schutter. Ik schiet u een halve

penny tusschen duim en wijsvinger weg.”

„Ik zei u toch al, dat het niet om uw persoon, maar om uw bezittingen

gaat.”

Lister wees naar zijn brandkast.

„Mijn eigendom ligt daar uitstekend bewaard!”

„Maar ondanks dat alles zal vandaag een gevaarlijk Londensch inbreker u

een bezoek brengen om te probeeren, uw eigendommen te rooven.”

Lord Lister lachte luid.

„Dat is grappig! Hoe weet ge, dat men bij mij wil inbreken?”

„Scotland Yard hoort en weet alles! Wij zijn bekend als de beroemdste

rechercheurs der wereld!”

„Zeer zeker!” lachte Lord Lister met lichten spot.

Baxter merkte het op.

Op ietwat zenuwachtigen toon sprak hij:

„Uwe Lordschap schijnt met een beetje geringschatting op ons beroep

neer te zien sinds onze laatste mislukking met dien onbekenden

Raffles.”

„Zeker”, antwoordde de gevraagde, „niemand zal ook kunnen beweren, dat

ge u daarbij heel roemrijk hebt gedragen.”

„Dat geef ik toe, maar wij hebben hier ook met een bijzonderen inbreker

te doen en wonderlijk genoeg, worden wij in dezen strijd tegen den

onbekende niet geholpen door onzen genialen Sherlock Holmes. Deze zou

waarschijnlijk dien aartsschelm allang onschadelijk hebben gemaakt.”

Lord Lister blies de rookwolkjes voor zich uit en sprak na eenigen

tijd:

„Om op onze zaak terug te komen, zou de inbreker, die mij hedennacht,

zooals gij beweert, met een bezoek wil vereeren, een goeden slag slaan,

daar ik juist gisteren met beursspeculaties 20,000 pond sterling heb

verdiend en dit geld nog niet aan de Bank heb afgedragen. De eene helft

ligt daar in de brandkast, de andere helft is in mijn slaapkamer

weggeborgen onder mijn bed.”

„Heel verstandig”, zei Baxter, „maar het is best mogelijk, dat de dief

alles weghaalt.”

„Ook al goed!” beweerde de heer des huizes op onverschilligen toon, „ik

ben tegen inbraak en diefstal verzekerd en maak mij dus niets bezorgd.

Alle schade wordt mij vergoed.”

„Voor mij en Scotland Yard is het aanhouden van den dief van het

grootste belang en ik verzoek u om mij en mijn beambten toe te staan,

dezen nacht uw huis te bewaken!”

„Uitstekend”, knikte de Lord, „mijn woning is tot uw dienst. Het is nu

kwart voor acht, om acht uur heb ik een afspraak met een vriend. Mijn

kamerdienaar zal u voorzien van alles wat ge noodig hebt. Weet ge

misschien ook Mr. Baxter, wat dat voor een soort inbreker is, die mij

bestelen wil?”

„Zeker, het is de beroemde Raffles.”

„Raffles? Alle duivelsch! Dien kerel zou ik wel willen leeren kennen.

Ik zal mijn vriend schrijven dat ik vanavond verhinderd ben en ik zal u

gezelschap houden. Misschien gelukt het ons met elkander, den inbreker

eindelijk onschadelijk te maken.”

„Uitstekend”, antwoordde Baxter.

„Tenminste als hij komt”, beweerde de Lord. „Ik rijd nu dadelijk in

mijn auto naar den schouwburg om mijn vriend persoonlijk te zeggen, dat

ik vanavond niet vrij ben. Ik ben om tien uur weer hier.”

„En ik zal mijn beambten waarschuwen”, sprak Baxter. Hij zag nog, hoe

Lord Lister naar zijn slaapkamer ging en daar van een fauteuil een

pelsjas nam. Toen verliet de commissaris de kamer. In de vestibule

wachtten vier beambten, dezelfden, waarmede hij destijds den bankier

Gordon had opgezocht.

Zij beraadslaagden met elkander dat hij dien nacht in Lord Listers

studeerkamer zou blijven, twee der mannen posteerden zich in de

vestibule, een voor het huis, de vierde in een der bovenkamers.

Op deze wijze was dus de villa zeer streng bewaakt.

De inspecteur riep nu den kamerdienaar en ging met dezen naar de

studeerkamer.

Lord Lister moest deze reeds verlaten hebben, daar het electrische

licht in beide kamers reeds was uitgedraaid. De detective draaide het

licht weer op.

De beide mannen stonden vlak bij den schoorsteenmantel en gingen het

slaapvertrek nu doorzoeken. Een breede schuifdeur, die naar twee kanten

in den muur rolde, scheidde slaap- en studeerkamer.

In de eerstgenoemde was slechts een klein venster, waarvoor ijzeren

tralies. Hier vandaan voerde links een kleine deur naar de badkamer.

Slaapkamer noch badkamer hadden een anderen uitgang en waren dus alleen

van de studeerkamer uit te bereiken.

De rechercheur onderzocht alles nog eens nauwkeurig, lichtte de dekens

op, opende kasten en deuren, en nam de kleeren er uit om zich te

overtuigen, dat niemand was binnengeslopen.

De kamerdienaar had grooten schik in al deze voorzorgsmaatregelen en

hij kon de opmerking niet bedwingen: „Ik geloof waarempel, dat gij

ieder stofje optilt.”

„Dat geloof ik ook”, antwoordde Baxter met trotsch gebaar. „Ons ontgaat

zelfs geen vloo!”

„Wenscht ge nog iets?” vroeg de dienaar en toen de rechercheur hierop

ontkennend antwoordde, verliet hij het studeervertrek.

De rechercheur ging in den leunstoel bij den haard zitten en begon het

avondblad te lezen. Hij had daarvoor ongeveer een uur noodig, legde

toen de krant weg, haalde uit zijn zak een electrische

veiligheidslantaarn te voorschijn, overtuigde zich, dat deze goed in

orde was en zette haar op den schoorsteenmantel.

Lord Lister No. 0001: De Groote Onbekende · 第 1 / 4 段