INTERIEUR VAN EEN FELLAHWONING.

Het eerste wat op onze plaat de aandacht trekt, is de eigenaardige

welving, waaronder de fellah-vrouw zit en koren maalt. Het is noodig

allereerst iets te zeggen over den bouw der huizen, en het daarvoor

gebruikte materiaal. Dat materiaal is nog tegenwoordig hetzelfde als

vroeger: in de vlakten leem, in bergstreken kalksteen, die overal

voorkomt. Men kent daarvan verschillende soorten: de kakoeli is een

geelachtig gekleurde steen die zoo zacht is dat hij met een mes kan

uitgesneden worden, maar die, aan de lucht blootgesteld, spoedig

verhardt, evenwel niet zoo dat men er duurzame huizen mee bouwt. Deze

steen is te vergelijken met de bekende Limburgsche steen te Valkenburg,

die met een zaag aan groote stukken als koek wordt uitgesneden in de

groote onderaardsche grotten, maar eenmaal als muur opgemetseld spoedig

verhardt. Deze steen wordt in Palestina gaarne gebruikt voor een tweede

verdieping omdat hij zoo licht is. Een hardere soort steen is de

malaki, die voor den bouw der betere huizen wordt gebruikt. In de buurt

van Bethlehem gebruikt men tegenwoordig ook veel een nog hardere steen,

terwijl in de omgeving van Nazareth een zeer poreuze kalksteen wordt

gebruikt, die ook overigens voor ovens uitstekend dienst doet, omdat

hij tegen de vuurhitte kan zonder te barsten. Bij de zee van Tiberias

en de Doode Zee, waar de bodem rijk is aan bazalt, wordt deze zwarte

steensoort veel gebruikt, die aan de huizen hun somber aanzien geeft.

Heeft men een ruïne in de nabijheid, dan worden kapiteelen en andere

stukken steen daar vandaan gehaald en in het te bouwen huis ergens

onder gebracht, want op symmetrie en schoonheid wordt niet gelet: als

’t maar een veilige bedekking geeft tegen regen en hitte. Zoo’n huis

ziet er uit de verte meer uit als een steenhoop dan als een huis, en

een fellah-dorp dat niet omgeven is door tuinen of palmboomen, maar op

de kale vlakte staat, is uit de verte gezien van een groep steenhoopen

niet te onderscheiden. Het armelijkst zijn wel die huizen die uit

gedroogde baksteen of leem met gehakt stroo vermengd, gebouwd zijn. Zoo

vindt men ze meest in de groote vlakten. Zulke huizen zijn al heel

weinig duurzaam. Zoo komt het ook dat tal van plaatsen, wier namen in

den Bijbel genoemd worden, spoorloos verdwenen zijn: als de bewoners ze

verlaten hebben, keeren ze in korten tijd terug tot een vormelooze

massa, terwijl bij nauwkeurig toezien een eigenaardig afgeronde steen

verraadt dat hij eens als molensteen dienst deed, en daar dus een huis

of misschien wel een geheel dorp stond.

In bergstreken, waar steen genoeg te krijgen is, bouwt men gaarne in

koepelvorm, waarboven het platte dak dat dikwijls aan den straatkant

voorzien is van een borstwering, zooals reeds Deut. 22 : 8 bevolen

werd. Meestal bestaat zoo’n borstwering uit een meter-hoogen muur met

gaten om door te zien, zoodat wie zich op het dak bevindt, op de straat

kan zien, zonder zelf gezien te worden. Wanneer de armoede het bouwen

van een gewelf verbiedt, dan worden de vier muren met ruwe boomstammen

en twijgen bedekt. Daarover wordt dan een voet dik aarde gelegd en goed

aangestampt, en daarover heen giet men een uit leem en gehakt stroo

bereiden dikken brei, die aan de lucht blootgesteld, hard wordt. Hier

en daar begint in den laatsten tijd een soort van tegels (dakpannen) in

gebruik te komen. Voor het begin van den regentijd moet die deklaag

worden vernieuwd, anders lekt het door, of zelfs wordt het door de

zwaarte gevaarlijk voor de inwoners. Zulk een dak hebben wij ons

waarschijnlijk in Mark. 2 : 4 te denken, dat door vier mannen wordt

opengebroken om een zieke door te laten. Op zulk een dak groeit in het

voorjaar gras, en soms loopt er een geit op te grazen. Door ’t

opstellen en neerleggen van matten maakt men er in een oogenblik een

logeerkamer van, waar men even veilig en in elk geval frisscher logeert

dan in huis. 1 Sam. 9 : 25 vermeldt zoo’n geval. Meer welgestelde

bewoners hebben vaak op het dak nog een verdieping, de z.g.n. ollije,

die dient als logeerkamer voor aanzienlijke gasten, en waar de huisheer

met vrienden vrij kan converseeren zonder dat hij voor luistervinken

behoeft te vreezen. Zoo lezen wij Richt. 3 : 20, dat Eglon, de koning

der Moabieten, in die „koele opperzaal” Ehud ten gehoore ontvangt. Deze

„opperzaal” is meestal ook wat netter afgewerkt, de vloer gecementeerd

en de wanden glad. De rest van het dak dient dan tot balkon, behoorlijk

gelambrizeerd, waar de bewoners graag des avonds en des morgens vroeg

wat koelte opvangen. In de groote vlakten ziet men in de plaats daarvan

op het dak der leemhutten een soort groote twijgen-kooien, uit matten,

takken en loof in mekaar gewerkt, waar de bewoners vooral des nachts,

gedurende den zomer, tegen de drukkende hitte en het ongedierte

bescherming zoeken. De eigenlijke woning is dan bijna onbewoonbaar en

onze westersche „woningwetten” zouden in Palestina toegepast, handen

vol werk leveren.

Bij den bouw van een huis, vooral bij gewelfbouw, is het een zaak van

belang er op te letten, dat de fundamenten op vasten grond rusten,

liefst op een rots, en men graaft op de berghellingen vaak even diep in

den grond als het huis zich boven den grond verheft, en is niet eer

gerust, voor men rotsbodem heeft. De oorzaak daarvan is natuurlijk in

de eerste plaats de lompe zware bovenbouw, maar verder ook de massa’s

regenwater die in den winter zoo diep in den bodem dringen, dat ze een

„huis, op zandgrond gebouwd”, door verweeking en verzakking van den

bodem zouden ondermijnen. Van hier uit valt een verklarend licht op de

bekende woorden van Jezus, Matth. 7 : 24 vg., over het huis op een

steenrots. Ook bouwt men om dezelfde reden de dorpen gaarne op de

helling of den top van een heuvel, daar de aanhoudende regens de dalen

vaak in ondoorwaadbare poelen veranderen. Tevens zijn ze op de hoogte

beter tegen de aanvallen van bedoeïenen-horden beschermd. Op deze

bouw-wijze zinspeelt Jezus’ woord over „een stad op een berg” liggende,

die niet kan verborgen zijn.

Een groote rol speelt bij den bouw van een huis het bijgeloof. Zoowel

bij stedelingen als bij fellahs vindt men de meening dat onder den

deurdrempel booze geesten wonen, die men bezweren moet. Wie een huis

laat bouwen, verzuimt niet tegenwoordig te zijn bij het leggen van den

drempel, en dan legt hij daaronder een muntstuk—niet van koper—om den

geest te bevredigen. Verder wordt vaak een haan—liefst een

witte—geslacht, en diens bloed laat men op den drempel uitstroomen, of

de deurposten worden er mee bestreken. De bedoeling daarvan is, door

zulke riten den boozen geesten het wonen onder of aan den drempel

onmogelijk te maken. Is straks het gewelf gereed, dan wordt boven de

deur een been, meest een kameel-kinnebakken, opgehangen, of groote

blauwe glasstukken, of knoflook of aluin. Een gebruik dat overigens ook

bij de boerenbevolking ten onzent hier en daar nog in gebruik is. Dat

alles dient tot afwending van het „booze oog”. Vooral de blauwe kleur

is in dat opzicht heilzaam. Ook vindt men vaak boven de deur een blauw

gekleurde hand geschilderd, van reusachtige afmetingen, als

kwaadafwerend symbool. In vroeger dagen verkreeg men datzelfde

resultaat—afweren der booze geesten—door het z.g.n. bouwoffer. De

opgravingen in Palestina hebben aangetoond hoe algemeen dit gruwelijk

gebruik vroeger was. In en onder de muren vindt men telkens

kinderlijkjes ingemetseld. In Gezer werd o.a. gevonden het lijk van een

vrouw en een kind, ingemetseld in de muur. Uit dat oogpunt is 1 Kon. 16

: 34 te verstaan: toenmaals bouwde Hiel van Bethel de stad Jericho weer

op, op Abiram, zijn eerstgeborenen zoon, heeft hij haar gegrondvest, en

op Segub, zijnen jongsten zoon, heeft hij hare poorten gesteld. Men

heeft langen tijd gemeend, dat dit beeldsprakig was te verstaan; nù

weten wij dat het letterlijk is bedoeld: ze werden levend ingemetseld.

Later toen de zeden verzachtten, verzachtte ook dit gebruik: men

offerde een dier of, zooals nog heden in Bulgarije: men offert de

schaduw van een mensch in den muur. „Ieder huis wil zijn doode hebben”,

hetzij man, vrouw, kind of dier, zegt men nog heden in het Oosten,

opdat de anderen te beter leven kunnen. Vraagt men nader naar de

bedoeling, dan wordt het verschillend omschreven: „om des zegens wil”

zegt de een; „opdat niet iemand van de familie sterft”, zegt de ander;

„opdat het huis niet boven de bewoners instorte”, verklaart een derde.

Het geslachte dier is in alle geval de „fedu an el-beit” d.i. de

losprijs voor het huis. Dat woord fedu, hebreeuwsch pada komt in het

Oude Testament telkens voor in den zin van verlossing, en de

Nieuw-Testamentische uitdrukking, rantsoen of losprijs, gaat er op

terug. Een Moslim zeide: gewoonlijk heeft de fedu betrekking op de

toekomst, om een kwaad af te weren, ieder huis moet door een dieroffer

worden losgekocht, opdat de menschenlevens worden behoed. Men giet

daarom dikwijls het bloed van het geofferde dier op de fundamenten uit.

Bij de bouwlieden bestaat een spreuk: geen bouwwerk zonder

bloedvergieten! Het is God welgevallig en brengt zegen. ’t Zelfde

gebruik past men tegenwoordig zelfs toe bij de opening van een nieuwen

spoorweg. De priester van een heiligdom te Homss zeide: Bij het

betrekken van een nieuwe woning doodt men in den eersten nacht, dien

men in het huis doorbrengt, de fedu, en laat het bloed voor Gods

aangezicht vloeien; het is losgeld voor de heele familie en houdt

ongeluk en djinns (= booze geesten) weg. Dit gebruik gaat zelfs zoo

ver, dat dorpbewoners, die gedurende den oogsttijd hunne huizen

verlaten en op het land in holen wonen, bij het betrekken van zulk een

tijdelijke hol-woning soms nog een dier slachten voor den heer van dat

hol, een djinn, opdat hun eigen leven veilig zij.

Het geldt hier duidelijk het plaatsbekleedend sterven, een gedachte aan

het Oude Testament ontleend, en die niet alleen bij den bouw van

huizen, maar bij tal van andere gelegenheden wordt aangetroffen. Zoo

wordt bv. een schaap geslacht, de belhamels der kudde met het bloed

bestreken: „dat is de verlossing voor de heele kudde tot behoud van

alle”.

In dorpen waar de bevolking meer welvarend is, zijn de huizen ook veel

gecompliceerder dan de alleenstaande, één verdieping hooge, ruwe

steenklompen der fellah-woningen, hoewel ook dan nog alle elegantie en

bevalligheid verre te zoeken is. Men kan ’t niet beter omschrijven dan

door zich te denken ettelijke fellah-woningen tegen elkander aan en op

elkaar gezet, en het geheel omgeven door een hoogen, dikken muur, vaak

met een open plein in het midden, terwijl de afzonderlijke kamers

rusten op logge dikke pilaren. Zoo’n heel complex heet dan dàr en de

enkele vertrekken beit. Binnen dien muur is plaats voor ’t vee. Eenige

tientallen van zulke dàr’s vormen samen een dorp, en daar de huizen

familiegewijze bij elkaar staan, precies zooals de bedoeïenententen,

krijgt men vanzelf de indeeling in wijken, die „van huis uit” bij

mekaar behooren. ’t Zijn dus geen rijen huizen, met straten

daartusschen, maar woninggroepen, waaromheen de straat loopt. Zoo’n

wijk of kwartier ligt niet zelden met de aangrenzende wijk of kwartier

in jarenlangen twist. Iedere wijk heeft dan zijn eigen moskee, welks

voorhof vaak meteen als herberg dienst doet, en zijn eigen kerk. Dan is

er tusschen de verschillende wijken van een dorp niet de minste

gemeenschap. Het bezit van één herberg en één kerk voor het heele dorp

kan gelden als bewijs voor vreedzame verhouding der bewoners. In

dorpen, waar de moskee ontbreekt, dient de herberg meteen als

verzamelplaats der geloovigen.

De deur van het huis schijnt reeds in oud-Israël met eenzelfde soort

slot geopend en gesloten te worden als nog tegenwoordig. Daarvoor dient

nl. een houten toestel van aanzienlijke grootte, zoo groot dat men hem

op den schouder dragen kan. Vergelijk daarvoor Jes. 22 : 22, waar

sprake is van het dragen van den sleutel op den schouder, wat ons

verklaarbaar wordt als we zien de afmetingen van dit voorwerp, zooals

het nog heden dienst doet.

Nu we den bouwtrant en uiterlijke verschijning van een Palestijnsche

fellah-woning kennen, gaan we aan de hand van onze plaat het inwendige

bezien. Het vertrek, waar de vrouw koren zit te malen, is het eenige

vertrek van het huis, en dient tegelijk als ontvangkamer, slaapkamer,

eetkamer, veestal enz. Op de plaat zien we dat het vee staat en ligt in

een lager gedeelte van het vertrek, terwijl het hooger gelegene deel

voor woning dient. De deur die altijd open staat, wanneer de bewoners

thuis zijn en het niet al te koud is—een gesloten deur, terwijl de

bewoners aanwezig zijn, zou het vermoeden wekken dat men daarbinnen

iets uitvoerde wat het licht niet mag zien,—de deur dan geeft

allereerst toegang tot het lagere gedeelte, waar de verschillende

diersoorten, die de fellah er op na houdt, ’t zij vreedzaam, ’t zij in

oneenigheid bij elkaar wonen. Een koe, alleen bij de meer welgestelden

te vinden, de ezel, „der Geist der stets bejaht”, een geit, een paar

schapen, soms kippen en een kat. Daar het vee lager huist dan de

mensch, is het hooger gelegene deel van het vertrek, vaak met een soort

cement-vloer voorzien, gemakkelijker rein te houden, doordat men alle

onreinheid eenvoudig in den „stal” veegt. De deur binnenkomende, gaat

men dus door den „stal” het steenen trapje op naar de woonkamer, dat

door de familie wordt bewoond. Voor een gast legt men daar een mat of

een kussen—stoelen zijn onbekend—en de vreemdeling moet dan wennen aan

het half of drie kwart-donker van het vertrek—want als venster dienen

alleen een paar kleine openingen, zonder glas, die bovendien gedurende

het koude jaargetijde nog worden „dichtgespijkerd”—en als dan de rook

niet al te dicht is en het zien onmogelijk maakt, kan men langzamerhand

een en ander onderscheiden, en het ontvangsalon in oogenschouw nemen.

Als de rook niet al te dicht is, want een schoorsteen is onbekend, en

de rook moet maar zien hoe hij door de reten, deur en „vensters” een

uitweg vindt. Daar bovendien het vuur meestal gevoed wordt met niet al

te droog hout of onkruid of met gedroogde schapen- en rundermest—beide

brandstoffen die veel rook verspreiden—krijgen de wanden van het

woonvertrek op den langen duur een natuurlijk zwart glanzend behang,

door de vaste stoffen die de rook er op afzet; maar wat erger is, de

bezoeker zit er neer met tranen in de oogen, en hoest alsof hij een

keelaandoening had. Door een en ander te bedenken, valt op sommige

bijbelsche uitdrukkingen een eigenaardig licht. B.v. de oostersche

spreekwijze: als rook voor de oogen, zoo is de luiaard dengenen die hem

uitzenden.

Mede om den hinder van den rook wordt het vuur alleen, bij erge koude

den heelen dag brandende gehouden, maar als het even kan, dooft men het

uit omdat het haast niet uit te houden is, den heelen dag in den rook.

Daarop wordt gezinspeeld in Jes. 65 : 5, waar God van de goddeloozen

zegt: deze zijn een rook in mijn neus, een vuur den ganschen dag

brandende.

Bij gebrek aan voldoende hoeveelheid hout of gedroogde mest, brandt men

ook het om het dorp groeiende onkruid, struiken, dor gras en alles wat

maar branden wil. Daarom spreekt Jezus Matth. 6 : 30 van het gras des

velds dat heden is en morgen in den oven geworpen wordt.

In de eerste plaats bevinden zich in dit vertrek eenige door de vrouwen

zelf uit leem vervaardigde etagères met tal van vakjes, waarin kannen,

vaten enz. tot het bewaren van levensmiddelen. Tegenwoordig worden die

gaandeweg vervangen door gekochte blikken bussen, vaak leege

petroleumbussen enz. En verder een kist waar de meest heterogene

zelfstandigheden in ongestoorden vrede bijeen liggen: een zak met

suiker, houten lepels, kleedingstukken, schotels, geld en sieraden. In

een hoek een groot aarden vat voor drinkwater. Al deze benoodigdheden

staan een eindje van den muur, zoodat daarachter voldoende ruimte

blijft voor een rommelkamer, waar allerlei mogelijke en onmogelijke

dingen door en over mekaar liggen.

Links op de plaat zien we een ovaalrond koepelvormig voorwerp: dat is

de oven, die bij iedere eenigszins welgestelde familie te vinden is.

Brood behoort tot de dagelijksche levensbehoeften van de fellah’s, en

hij eet het alle dagen versch. ’s Morgens is het eerste teeken van

leven dat in een fellah-dorp gehoord wordt, het knarsend geluid der

molens, door fellah-vrouwen bewogen, waarin het koren wordt gemalen, en

binnen een half uur is het brood gereed. Wanneer daar is „een nederig

geluid der maling”, d.i. als de knarsende molens slechts zelden en

flauw worden gehoord, dan is dat een bewijs dat de familie is verarmd,

en de verkondiging dat „het geluid der molens” zal worden weggenomen

(Jer. 25 : 10), of dat „geen geluid des molens meer zal gehoord

worden”, dan is dat een overdrachtelijke uitdrukking, die verwoesting

of verbanning aanduidt. In den oven bevindt zich een uit leem gevormde

plaat, die met kiezelsteentjes wordt belegd, en daarop weer een deksel

met langen greep. Moet nu gebakken worden, dan wordt op dat deksel een

hoeveelheid gedroogde koe-, paarden- of schapenmest gelegd en

aangestoken. Na eenige minuten is het deksel en zijn vooral de

kiezelsteentjes gloeiend heet. Dan wordt het deeg op die heete

kiezelsteenen gelegd, waar het in weinige minuten gebakken is. Na het

wegnemen van het brood wordt de nog gloeiende koemest op het deksel

weer in den oven gedaan, om zoodoende des winters een voortdurend

brandende „kachel” te hebben. F. A. Klein vertelt dat eens een moeder,

die haar kind eens lekker koesteren wou, het wicht op een mat in een

verwarmden oven legde, toen zij later het kind er weer uit wou nemen,

was de kleine al dood en half geroosterd: de oven was te warm geweest.

Wat de gedroogde koemest als brandstof betreft, is het misschien niet

ondienstig te verwijzen naar Ezech. 4 : 12–15, een plaats, die, zooals

ze in de Statenvertaling gelezen wordt, de gedachte wekt aan walchelijk

eten. Inderdaad is niets anders bedoeld, dan dat het brood bereid wordt

door verbranden van gedroogde meststoffen.

In den allerlaatsten tijd vestigden zich hier en daar, ook op de

dorpen, beroepsbakkers, en op hen is het spreekwoord bekend: „geef uw

deeg aan den bakker, ook al eet hij er de helft van op.” Hun

eerlijkheid schijnt dus niet boven bedenking. Ook in ons land was het

hier en daar tot voor korten tijd nog gewoonte het deeg naar den bakker

te brengen ten einde het door hem tegen een kleine vergoeding te doen

bakken. Men was niet altijd overtuigd dat men al het deeg als brood

terug ontving. Misschien werkte dat wantrouwen mee om de gewoonte in

onbruik te brengen.

De fellah-vrouw op de plaat is bezig koren te malen. In de steden is

dat het werk van de laagstgeplaatsten en als men zeggen wil: van den

koning af tot den slaaf toe, d.w.z. allen, dan heet het (Ex. 11 : 5):

alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao’s

eerstgeborene af, die op zijnen troon zitten zou, tot de eerstgeborene

der dienstmaagd, die achter den molen is. De uitdrukking:

„eerstgeborene der dienstmaagd” herinnert ons er aan dat wij hier niet

te doen hebben met ons begrip: dienstbode, die zich voor geld bij een

ander verhuurt, maar aan een gehuwde vrouw. ’t Is nl. aan een ongehuwd

meisje niet toegestaan als dienstbode ergens in dienst te treden: alle

vrouwelijke dienstboden zijn gehuwde vrouwen of weduwen. Op onze plaat

is het blijkbaar de fellah-vrouw zelf, die dezen zwaren arbeid

verricht. Zware arbeid, want de molen bestaat uit twee groote

bazaltsteenen, de onderste steen ligt vast, heeft soms een opstaanden

rand en in het midden een pen, die door een opening in het midden van

den bovensten steen steekt, zoodat ook deze op zijn plaats blijft en

tevens draaien kan. Het koren wordt in de opening rondom de pen met de

hand gestrooid, valt dan tot op den ondersten steen, en wordt door het

draaien van den bovensten gekneusd. Wegens de zwaarte van het werk

wordt het dikwijls door twee vrouwen gehanteerd. Op dat gebruik wordt

o.a. Matth. 24 : 41 gezinspeeld. Koren te moeten malen is wel de

diepste vernedering die eene aanzienlijke oostersche vrouw kan worden

aangedaan. Als de profeet het oordeel aan Babel aankondigt, zegt hij

(Jes. 47 : 1 en 2): daal af, en zit in het stof, gij jonkvrouw, dochter

van Babel! zit op de aarde, er is geen troon meer, gij dochter der

Chaldæën! want gij zult niet meer genoemd worden de teedere, noch de

wellustige. Neem den molen en maal meel!.... En als in de Klaagliederen

(5 : 13) gejammerd wordt om de ellende des volks dan komt daaronder

voor de klacht: zij hebben de jongelingen weggenomen om te malen; voor

een jongeling des te onteerender, omdat het malen, evenals het halen

van water sjoegal niswan, vrouwenwerk is.

Hoewel al dit zware en minderwaardige werk tot de taak der vrouw

behoort, kan men toch niet zonder meer zeggen dat ze de slavin is van

den man. De eigenlijke grond voor de minderwaardige positie van de

vrouw ligt wel in de polygamie, waarover later. Maar daaruit vloeit

meteen voort, dat door het steeds meer in zwang komen van het monogame

huwelijk de positie der vrouw verbetert, en ze als huismoeder vaak

hooge achting geniet. In Mohammedaansche steden is de vrouw meer een

luxe-voorwerp van den man, met al de narigheid die daaruit voortvloeit;

in de dorpen is ze de levensgezellin, die naast hem arbeidt voor het

gezin en zijn leed en vreugde deelt. Dat vindt goeddeels zijn oorzaak

daarin dat op het platteland de vrouw ongesluierd gaat, èn niet minder

hierin dat de armoede vanzelf het hebben van meer vrouwen tegengaat. De

monogamie bij de Mohammedanen is dus niet het gevolg van een hooge

zedelijke opvatting betreffende de vrouw als mensch, maar

noodgedrongen. En een arme fellah ziet niet zelden met afgunst naar

zijn rijken buurman, die zich de luxe van meer vrouwen kan veroorloven.

Maar nog tegenwoordig laat men de meisjes vrijwel zonder onderwijs

opgroeien: zij hebben het niet noodig.

De stadbewoner, soms ook de fellah, roept zijne vrouw door ja masa, o

vrouw!—welke uitdrukking tegenover een vrouw niets beleedigends

inhoudt: vergelijk de woorden van Jezus tot Maria: vrouw wat heb ik met

u te doen?—of ook ja hurme, o verbodene, een uitdrukking die heenwijst

op de afgesloten positie der vrouw tegenover vreemden. Men zou niet

verwachten dat er in de gegeven omstandigheid, ergens in het Oosten een

„pantoffelheld” gevonden werd. Toch schijnt dat volstrekt geen

uitzondering te zijn. Men zegt zelfs dat bij de fellah’s een gebruik

bestaat dat de bruidegom zijn bruid een slag op het hoofd geeft, ten

teeken dat hij niet „onder den pantoffel” wil. Wij zouden zoo zeggen:

door zóó te doen heeft hij het spel al verloren.

Een dame die langen tijd in Palestina woonde, vertelt van een

fellah-vrouw, die twist kreeg met haar man, die zoo hoog liep dat de

man haar met de daarvoor gebruikelijke formule haar congé gaf. Spoedig

kreeg hij echter berouw van zijn overhaaste daad, en wenschte de wettig

ingetreden echtscheiding ongedaan te maken. Zijn vrouw bewilligde, op

voorwaarde dat ze dan opnieuw haar „bruidschat” hebben moest. De man

stemde toe, en daar de bruidschat eigenlijk is de som waarvoor een

fellah zijne vrouw koopt, was hij door de vrouwelijke list gedwongen te

erkennen dat zijn vrouw wel een dubbele som waard was. De verhaalster

voegt er aan toe: blijkbaar was ze dat ook!

Maar in ’t algemeen genomen is de vrouw de dienares van den man en is

al tevreden als ze door hem als een groot kind vriendelijk behandeld

wordt. Behalve het malen van het koren en het bakken van brood, is ook

het melken van het vee haar werk. De overtollige melk wordt door de

vrouwen in steenen of blikken vaten gedaan, deze in groote manden

gezet, en zoo op het hoofd naar de stad gedragen. Dikwijls hangt

bovendien nog een zuigeling in een soort hangmat op den rug. Anderen

doen hetzelfde met allerlei „groenten”, vruchten, eieren, vogels, hout

enz. Het is ongeloofelijk, welke reusachtige hoeveelheden koopwaar een

fellah-vrouw in één keer naar de stad draagt. Ik zag een fotografie van

zoo’n Palestijnsche boerin die zooveel bloemkoolen op haar hoofd en

langs haar lichaam had hangen, dat ze sprekend geleek op één groote

wandelende bloemkool. In de stad gekomen, wordt deze waar op de markt

of op de straat verkocht. Hebben ze geen „zaken” in de stad te doen,

dan bezorgen of verwaarloozen ze thuis haar eigen huishouding. Met

wasschen van kleedingstukken maken ze zich niet druk, want

zindelijkheid is juist niet haar fort, maar ’t kan toch zoo erg worden

dat het noodig is met de door vuil ontoonbare kleedingstukken naar de

bron te gaan om ze schoon te maken. Ze nemen daar een grooten platten

steen voor zich, leggen het eerst natgemaakte goed daarop als een bal,

houden dien met de eene hand vast, en slaan met een knuppel of steen er

op, aldoor het goed met water besprenkelend, zoolang, tot dat het eerst

koffie-kleurig vocht dat er uitgeslagen wordt, een meer doorschijnende

kleur krijgt.

In Juli begint voor vele vrouwen den tijd om hun geschonden of gebroken

huisgereedschap te herstellen of door ander te vervangen. Met

opgestroopte mouwen hanteeren ze het leem tot fabrikatie van nieuwe

vaten en potten, welke bezigheid veelal op het dak plaats vindt. De

vaten worden uit een mengsel van leem en haksel vervaardigd en door de

zonnewarmte gedroogd. Hier en daar worden de vaten bovendien gebakken,

door ze in een gat in den grond te plaatsen, met gedroogden mest te

omgeven, dit aan te steken, en de pottebakkersoven is in werking.

Het hardste lot hebben die fellah-vrouwen die als weleer Ruth, wegens

gebrek aan werk te huis, naar ’t Oostjordaanland trekken en daar van

April tot Juni beproeven een zuur stukje brood te verdienen, door of

als dagloonster te werken voor geld of voor een ellendig bundeltje

koren. Ook lezen ze (vg. Ruth 2 : 3) op het afgemaaide land de aren op,

die ze ’s avonds met een stok uitkloppen.

Op onze plaat zien we vooraan op het verhoogde deel der vloer aan

weerszijden van de trap een soort kribbe, voederbak voor ’t vee. Zulke

voederbakken zijn of ruw uit hout getimmerd, of, zooals op onze plaat,

uitgehold in den steenen vloer, waarin we het gekneusde stroo, dat als

veevoeder dient, zien liggen.

Over één ding op onze plaat sprak ik nog niet: op den achtergrond zien

we een hangmat, waarin een slapend kind. De eigenaardige manier waarop

dit kind „verpakt” is vraagt om eenige opmerkingen betreffende de

behandeling en opvoeding der jeugd. Een der hartelijkste wenschen van

een Oosterling is, veel kinderen, en vooral veel zonen te hebben. Een

man die veel zonen, kleinzonen en achterkleinzonen heeft, geniet

daardoor niet alleen den noodigen steun op zijn ouden dag, daar de

zonen meestal in of bij het ouderlijk huis blijven wonen, maar elk

mannelijk lid zijner familie vertegenwoordigt een stuk invloed en macht

bij zijne dorpsgenooten. Eigenaardig is dan ook dat men de talrijkheid

van een familie pleegt te tellen naar het getal bawardiye, schutters.

Een familie van 200 „schutters” heeft uiteraard in den dorpsraad heel

wat meer te zeggen dan een van 50. Een kleine familie is in den regel

eene van weinig invloed, de groote deelen de lakens uit. Daarom ziet de

vader met trots op zijn zonen neer, en een dochter des huis geniet als

ze van haar „broers” vertellen kan. Het is feest in huis als een zoon

geboren is, en de verwanten en vrienden komen met hun gelukwensch:

mubarak ma adsjak, gezegend zij wat tot u kwam! En trotsch en blij

beantwoordt de gelukkige vader den groet: allah jebarek fik, God zegene

u! Een kop koffie wordt gepresenteerd—de Oosterling is dol op koffie—,

en als het „Christenen” zijn volgen ze de „christelijke” gewoonte en

drinken een borrel. Droevig dat de „Christenen” overal de beste

importeurs van jenever zijn geweest. Men vergelijke overigens het op

blz. 22 gezegde ter kenschetsing van het Palestijnsche „Christendom”.

Is de jonggeborene een meisje, dan is ’t al mooi als de vader niet boos

en heftig uitvalt, maar een feest is hem de geboorte van een dochter

niet, tenzij hij al een heele rij zonen heeft. Ook nemen vrienden en

verwanten geen notitie van de geboorte van een dochter. Worden iemand

eenige dochters geboren, dan komt het voor dat hij zulk een schepseltje

Temâm noemt, d.w.z.: nu is ’t genoeg! Ook uit de talrijke

spreekwoorden, waarin smadelijk over dochters gesproken wordt, blijkt

diezelfde voorstelling. B.v.: „wie veel dochters heeft, die neemt ten

slotte nog honden als schoonzonen”, d.w.z. tegen elken prijs wil hij ze

uithuwelijken. Nog erger is dit: „het graf is de beste schoonzoon”. Dit

spreekwoord doelt blijkbaar op de zede, de dochters levend te begraven.

Aan een bedoeïenen-sheik werd gevraagd, hoeveel kinderen hij had. Hij

antwoordde: Allah gaf mij zes kinderen. De waarheid was, dat hij zes

zonen had, benevens eenige dochters. Maar die laatsten telde hij niet

mee. Een Engelsche consul speelde eens een partij schaak met een

aanzienlijk Arabier. Daar komt een slaaf van den Arabier aanloopen, en

zegt tot zijn meester: Mijnheer, u is een zoon geboren! Deze spoedde

zich naar huis en vond zijne vrouw in tranen: het was maar een dochter!

De slaaf had in tegenwoordigheid van vreemden niet durven zeggen dat

het een meisje was! Oostersche meisjes weten dat alles zeer wel. En als

ze willen zeggen dat iets hun maar heel matig plezier doet, zeggen ze

b.v.: ’t Is een blijdschap als op den dag mijner geboorte. Toch heeft

een Oosterling liever dochters dan heelemaal geen kinderen, want gelijk

de geboorte van een zoon voor de familie beteekent toename van eer en

invloed, zoo beteekent de geboorte van een meisje toename van kapitaal.

Zoodra het meisje nl. kan uitgehuwelijkt worden, ontvangt de vader een

niet onaanzienlijke som geld voor zijn dochter, die hem door den

bruidegom in zekeren zin moet worden afgekocht. Men zegt zelfs dat het

voorkomt dat iemand aan een vader van b.v. vier dochters een niet

onaanzienlijk crediet verleent op dien basis.

Bij de geboorte wordt het kind ingewreven met fijngestooten zout. Dit

wordt geregeld gedurende eenige weken herhaald en men zegt dat het kind

daardoor gehard wordt. Maar ook kwade gevolgen zijn niet zeldzaam. F.

A. Klein vertelt van een knaap te Bethlehem die door het onzinnige

inwrijven met zout reeds als zuigeling zijn gezicht verloor, daar de

scherpe pekel hem in de oogen vloeide. Maar over ’t algemeen schijnt

het geen kwaad te doen, want ondanks verregaande verwaarloozing,

ondoelmatige voeding, ongeloofelijke onreinheid, sterke wisseling van

temperatuur en ons ondoeltreffend schijnende zout-inwrijvingen groeien

de kleine, vuile, half of heel naakte fellah-tjes als kool—alle

hygiënische theorieën ten spijt. Evenwel, hoe groot het getal der

vroegstervende kinderen is, kan niet worden nagegaan, of liever, kon

tot nog toe niet, want sedert eenigen tijd is van gouvernementswege

bevolen de geboorte van een kind bij den „burgerlijken stand” aan te

geven, terwijl op het nalaten boete is gesteld. Maar de kleinen die er

dóór komen, zijn in elk geval sterk en taai van gestel. Verwend worden

de kleinen niet: uren en uren moet het kind van nog geen acht dagen oud

daar liggen in lompen, totdat de moeder, die den 4en of 5en dag na de

bevalling alweer met de waterkan op ’t hoofd naar de bron loopt, weer

terug is. Trouwens zulke dingen gebeuren niet alleen in Palestina.

Schrijver dezes herinnert zich een geval uit Drenthe, waar de moeder ’s

morgens haar vierjarig kind vastbond in de wieg, het vuur wat opstookte

opdat het warm zou blijven in het vertrek en toen den heelen dag uit

werken ging. Toen ze ’s avonds terugkwam, lag haar zoden hut in puin,

ze was met kind en al verbrand! Vooral door de tallooze vliegen en

andere insecten lijden de kinderen ontzaglijk veel. Werpt de moeder een

doek over ’t hoofd van de kleine, dan dreigt het door gebrek aan lucht,

te stikken, laat ze het na, dan verzamelen zich zwermen van die dieren

op oogen, neus, mond en ooren. De kleine gilt en trapt, maar kan er

niets tegen doen, evenmin als de moeder: straks schikt het kind zich in

het onvermijdelijke, en doet geen poging meer de insecten te verjagen.

Zoo komt het dat ze, grooter geworden, op de straat en vuilnishoopen

spelende, om ieder oog een kring van vliegen kunnen hebben zitten,

zonder de minste poging om ze te verjagen: een mensch kan aan alles

wennen.

De kinderen worden, indien even mogelijk, door de moeders niet korter

dan twee jaren gezoogd, en soms veel langer. Men zegt dat het gebeurt,

dat jongens van 5 jaar, die op straat en in den modder rondkruipen met

een „boterham” in de vuist, moeder ziende, naar haar toeloopen en om

een massa d.i. een „slokje” vragen. Want vooral als het jongens zijn,

vindt de moeder er een eer in ze zoolang mogelijk te zoogen. Op haar

manier verzorgen de Palestijnsche moeders dus hunne kinderen zoo goed

mogelijk, en met verontwaardiging hoorden ze door een Europeeschen

reiziger vertellen dat hier in Europa instellingen bestaan, die ten

doel hebben kinderen tegen de verwaarloozing hunner ouders te

beschermen (de kinderwetten!). Het feit dat een dronken fellah-vrouw

feitelijk tot de onmogelijkheden behoort, zal wel mee een oorzaak zijn,

dat zij nog geen „kinderwetten” noodig hebben. Van hieruit ontvangt het

verhaal uit 1 Sam. 1 : 22–28 en 2 : 11 een zekere belichting. Daar

wordt gezegd dat Hanna haar kind Samuel volgens hare gelofte, naar den

tempel bracht, zoodra hij gespeend was, en dat Samuel daar den Heer

diende voor het aangezicht van den priester Eli (2 : 11). Dat wordt

begrijpelijk, wanneer wij bedenken dat dit spenen pas zoo laat plaats

had of ten minste kon hebben. Hanna heeft haar kind zeker tot zijn

vijfde jaar bij zich gehouden, en toen pas gespeend en naar den tempel

gebracht. Mogelijk was hij nog wel ouder. Zoo zal ook Mozes’ moeder

haar zoon niet maar een maand of wat, maar ettelijke jaren bij zich

gehouden hebben (Ex. 2 : 7–10). Ook Matth. 21 : 16: Uit den mond der

kinderen en der zuigelingen hebt gij U lof toebereid, komt daardoor tot

zijn juiste beteekenis. ’t Zijn dan geen kinderen die nog geen woord

kunnen zeggen, maar kinderen die kunnen loopen en praten.

Zoolang de kleinen nog geheel hulpeloos zijn, worden ze ingepakt op de

wijze, waarop onze plaat het aangeeft. Ze hebben dan de gedaante van

een worst met een hoofd er op of van een kleine mummie. Reeds in Ezech.

16 : 4 vinden we deze gewoonte vermeld, trouwens dat vers bevat een

heel repertoire voor bakers: ten dage als gij geboren waart, werd uw

navel niet afgesneden, en gij zijt niet met water gewasschen, gij zijt

ook niet met zout ingewreven, noch in windselen gewonden. De profeet

wijst er op hoe de onreinheid en gebrek aan goede behandeling in

Jeruzalems jeugd—het goddelooze Jeruzalem wordt hier bij een pasgeboren

meisje vergeleken, dat door de ouders niet behoorlijk wordt verzorgd,

omdat ze zich van het schepseltje willen ontdoen: vs. 5 het wordt te

vondeling gelegd—nog nawerkt, en tevens om te laten zien hoe God zich

over dit verwaarloosde kind ontfermde, toen Hij het vond bij den weg,

en alzoo Jeruzalem alles aan den Heer te danken heeft. Dat inwikkelen

gebeurt zeer soliede. De voeten worden tegen elkaar gelegd, de armen

tegen het lichaam en zoo wordt het omwonden tot het geen vinger meer

verroeren kan. Meestal hoort daarbij een band onder de kin en over het

hoofd, waardoor het kind niet met open mond kan slapen zoodat geen

ongedierte in den mond kruipt.

Een eigenaardigheid is nog dat na de geboorte van een zoon de naam van

den vader dikwijls wordt veranderd, hij heet voortaan naar zijn zoon.

Ook van de moeder geldt het menigmaal. Hem naar een meisje te noemen,

zou een beleediging zijn. Dat gebruik noemt men kunja. Men doet dat

zoo, dat de vader den naam van zijn zoon krijgt met voorvoeging van

abu: vader. B.v. een man wiens zoon Izaäk is genoemd, heet voortaan abu

Izaak, waarvoor dan nog menigmaal zijn eigen naam mee genoemd wordt.

Ook wordt een zoon vaak genoemd met denzelfden naam als zijn vader en

er ibn: zoon, voorgevoegd. Overigens hebben zelden bepaalde ceremoniën

plaats bij de naamgeving van het kind. Alleen dit dat de vader, zoodra

hij den naam van het kind noemt, er bismillah, „in den naam van Allah”,

bij zegt. Een eigenaardigheid is, dat men er algemeen op gesteld

schijnt, in één familie, één en denzelfden naam onder allerlei vormen

te dragen, een gebruik dat ook in Nederland op ’t platteland voorkomt.

Zoo ken ik een boerenfamilie met een zestal kinderen, waar bijna

uitsluitend de naam Jan in allerlei variaties voorkomt: Jan, Jantje,

Jansje, Jantien, Johan, Jannes, Janus. Om het opgroeiende kind voor het

„booze oog” en allerlei andere onheilen te beschermen, worden zijne

haren dikwijls aan een heilige gewijd. Zoodra het een of twee jaar oud

is, volgt een bedevaart naar een of andere heilige plaats, waar de

haren van het kind worden afgeschoren onder bepaalde ceremoniën.

Bovendien hangt men de kleine graag allerlei amuletten om, om het voor

booze invloeden te beschermen. Ook hier speelt het bijgeloof een groote

rol. Zoolang de kleine nog niet loopen kan draagt de moeder het in een

soort hangmat op den rug overal heen, en het kind verlaat die verheven

zitplaats dikwijls ook niet als de moeder haar werk doet.

Een groot feest is de besnijding, welke plechtigheid plaats vindt in ’t

6e of 7e jaar, of nog later. Het kind dat besneden moet worden, wordt

in feestelijken optocht door de straten gevoerd, zittende op een voor

die gelegenheid geleend en met allerlei moois opgepoetst paard, gevolgd

door een heelen stoet belangstellenden, en voorafgegaan door een

barbier of rondreizenden „dokter” mohel genoemd, die de handeling van

het besnijden verricht, en muzikanten. De knaap is prachtig uitgedoscht

in vrouwenkleeren en veel blinkend metaal. Deze versiering dient om de

aandacht van hem zelf af te trekken en op al die kostbaarheden te

vestigen, terwijl hij zelf een doek voor den mond houdt. Dit alles uit

vrees voor het „booze oog”, dat hem kwaad zou doen. Om de kosten van

zulk een optocht minder kostbaar te maken en het toch nog al wat te

doen lijken, voegen zich vaak twee of drie families, waarvan een kind

moet besneden worden, bijeen, of ook, men sluit zich bij een

bruiloftstoet aan, en deelt op die manier op goedkoope wijze in de

algemeene belangstelling.

Over de bijgeloovigheden die achter deze en dergelijke handelingen

schuilen, zal bij de volgende plaat meer worden meegedeeld.

Oostersch leven · 第 10 / 18 题