Na hetgeen wij bij plaat 4 over het herdersberoep hebben gezegd, kan
ons bijschrift bij deze plaat kort zijn. Ze verplaatst ons in de
woestijn van Juda, in een der daar talrijk voorkomende ravijnen of
rotsspleten, van welke sommige dienen als doorgang of schuilplaats voor
heen en weer trekkende bedoeïenen, maar waaronder er ook zijn, die
vooral in vroeger dagen onveilige en zelfs gevaarlijke schuilhoeken
waren voor tal van roofdieren. Sommige dezer ravijnen zijn zeer grillig
van vorm waar door bodemverschuivingen enz. loodrechte of zelfs
overhangende rotswanden zijn ontstaan, die honderden voeten hoog zich
verheffend, maar weinig daglicht ontvangen, en door mensch en dier
worden vermeden. Een dier donkere dalen stelt onze plaat voor. Een
eenzaam schaap is van de kudde weggedwaald en in dit diepe dal
terechtgekomen, en daar omringd door hongerige hyena’s, en overgegeven
aan een wissen dood.
Wij moeten deze gesteldheid van de woestijn van Juda in het oog houden
om het sprekende der beelden te zien, zooals die in Oud- en Nieuw
Testament voorkomen, ontleend aan het herdersleven. Onze plaat is een
illustratie zoowel bij Psalm 23 : 4, als bij de gelijkenis van het
verloren schaap. In Psalm 23 heeft de Statenvertaling: dal der schaduw
des doods. Die vertaling is verkregen door een onjuiste vocalisatie.
Daar men nl. in het Hebreeuwsch niet de klinkers schrijft, maar alleen
de medeklinkers, is het mogelijk een bepaald woord op verschillende
manieren te lezen door er telkens andere klinkers tusschen te voegen.
Soms krijgt men daardoor een geheel anderen zin. Nu las de
Statenvertaling tsel-mawet, dus twee woorden (wat mogelijk is doordat
in het oud-hebreeuwsch tusschen de verschillende woorden van een zin
geen open ruimte werd gelaten zooals bij ons), en vertaalde: schaduw
des doods. Beter is het echter te lezen één woord nl. tsalmut en te
vertalen: duisternis. De bedoeling komt natuurlijk ongeveer op
hetzelfde neer. Wat de dichter met zoo’n dal der duisternis bedoelde,
zien wij op onze plaat. Wee het schaap dat er verdwaalt, want dat dal
der duisternis wordt hem een dal des doods!
Maar nu verstaan wij ook de krachtige geloofsuiting, die uit Psalm 23
spreekt. Zelfs al ging ik door zulk een dal der duisternis, zegt de
dichter, al werd ik aan alle kanten door doodsgevaren omringd, dan nog
zou ik niet vreezen, want Gij, o Heer zijt met mij. Uw stok en Uw staf,
die voeren mij opwaarts. Voor de bedoeling van de woorden stok en staf
verwijs ik naar het gezegde bij plaat 4. Die woorden duiden dus aan het
grootst mogelijke gevoel van veiligheid, daar de psalmist zich geborgen
weet bij zijn God. Het is de veiligheid, die zich ook uitspreekt in het
bekende:
Als gevaren mij omringen
Wil ik zingen
Van genade trouw en macht
of van dat andere: de Heer is mijn Herder, ’k Heb al wat mij lust. En
de Israëliet, die van nabij wist wat een doodsgevaar en angst er ligt
uitgedrukt in dat „dal der duisternis”, moest bij het hooren en het
zingen van dien Psalm 23 wel zeer sterk onder den indruk komen van de
trouw en hulpe Gods.
De andere bijbelplaats, die sprekend wordt toegelicht door onze plaat,
is de gelijkenis van het verloren schaap. We zien in gedachten den
herder van het schaap, dat in de ravijn geraakt is, zijne honderd
schapen tellen, en—hij mist er een. Dan laat hij de 99 aan hun plaats,
zoekt zijn knots (zie plaat 4) en gaat de woestijn in, al is het tegen
den avond, om het verlorene te zoeken. Allerlei overwegingen, die ten
minste een schijn van recht zouden hebben, als: ik vind het toch niet,
of: ’t is mogelijk al verslonden door wilde dieren, of: ik begeef mij
zelf in levensgevaar, vinden bij hem geen plaats, hij gaat er op uit,
en zoekt, en treft het misschien aan, zooals het schaap op onze plaat,
omgeven door wolven of hyena’s. Maar, zegt Jezus, de goede herder stelt
zijn leven voor de schapen, hij waagt zich er aan. Hij zegt niet, dat
één van de honderd toch zoo erg niet is, hij vlucht niet voor „den
wolf”, maar valt de dieren aan, en verjaagt of doodt ze, en redt zijn
schaap uit hun muil. Dan „neemt hij het op zijne schouders, verblijd
zijnde”, en met gejuich brengt hij zijn schaap dat verloren was, terug
in den stal, in veiligheid.
Wij moeten ons dat alles indenken om te verstaan de diepte en
schoonheid van het beeld, door den Heer gebruikt om aan te duiden zijne
liefde voor de zondaren, die hij komt redden uit de verdelgende macht
van zonde en dood. Het is dan ook niet te verwonderen dat het beeld van
schaap en herder een der meest geliefkoosde beelden is, waarin de
Schrift zoowel het verloren zijn van den zondaar als de reddende liefde
Gods pleegt uit te drukken.
Dat de hyena in vroeger dagen niet zelden voorkwam in Palestina schijnt
vrij zeker uit het feit dat sommige plaatsnamen aan dit dier
herinneren. Het dal van Zeboïm b.v. heet bij de tegenwoordige Arabieren
sjuk ed-Dubba d.w.z. ravijn der hyena’s. Tegenwoordig schijnen ze in
het eigenlijke Palestina zoo goed als verdwenen te zijn.