De plaat stelt voor een slapende fellah-familie. Het slaapvertrek is
hetzelfde dat wij op de vorige plaat als woonvertrek leerden kennen.
Maar we zien het hier van de andere zijde. Bij de vorige plaat stond de
toeschouwer bij de deur in het lager gelegen gedeelte. Hier is dat
lager gelegen gedeelte op den achtergrond, waar de ezel staat. De oven,
op de vorige plaat geheel boven den grond staande, is hier voor een
deel onder den bodem verborgen. In het koude jaargetijde slaapt men
gaarne in een ronden kring rondom den oven, met de voeten naar den oven
gekeerd. Op deze plaat zien we waarom het in Luk. 11 : 7 een bezwaar
wordt geacht bij nacht op te staan en den vriend brood te leenen: mijne
kinderen zijn met mij te bed. (De Statenvertaling heeft hier niet
geheel juist: in de slaapkamer. Het grieksche woord duidt veeleer aan
de plaats waar men neerligt). Wanneer niet de heele familie ligt in één
vertrek, maar ieder zijn eigen slaapkamer heeft, zelfs een eigen
ledikant, zou het geen zin hebben als bezwaar aan te voeren: mijne
kinderen en ik zijn te bed. Maar op de wijze als onze plaat aangeeft,
spreekt het vanzelf dat het opstaan, ’t zoeken van het brood, het
openen van de deur, de heele familie wekken zou. Hier moet evenwel
dadelijk worden bijgevoegd dat in meer welgestelde kringen men wel
degelijk afzonderlijke slaapkamers heeft, en ook vroeger reeds had,
waarom bv. in 2 Sam. 4 : 7 sprake is van het liggen op het bed in de
slaapkamer.
Op de plaat zien wij verder dat de Oosterling zich niet ontkleedt bij
het naar bed gaan, maar men doet alleen den mantel af, maakt den gordel
los en trekt de schoenen uit. Dikwijls dient de mantel, dien men daags
draagt, ’s nachts als deken. Daarom wordt Ex. 22 : 26 en Deut. 24 : 12,
13, 17 bevolen een in pand genomen kleed voor den avond terug te geven:
indien gij uws naasten kleed te pand neemt zoo zult gij het hem
wedergeven, eer de zon ondergaat, want dat is zijn eenige bedekking.
Het doet weldadig aan, wanneer we reeds in die oude dagen zulke humane
geboden vinden als bekend onder het volk. Door deze wijze van gaan
slapen is het mogelijk dat in deze huizen met één vertrek, waar de
heele familie slaapt, men toch gasten logeeren kan zonder eenig
bezwaar.
Het bed zelf bestaat uit een soort dunne matras, zeer licht en
buigzaam, die na gebruik gemakkelijk kan worden opgerold, onder den arm
weggedragen en opgeborgen. Zoo wordt ons in de Evangeliën (Matth. 9 :
6; Mark. 2 : 11) van den geraakte verteld, hoe hij op Jezus’ bevel zijn
„bed” opneemt en wegdraagt. Reizigers vertellen, dat een Oosterling
zelden den heelen nacht doorslaapt: nadat men een paar uur heeft
geslapen, staat men op, rookt bv. een sigaret, drinkt wat water, en
legt zich dan weer te slapen. Maar dit schijnt speciaal de stedelingen
te betreffen. In het heete jaargetijde brengt men dikwijls den nacht op
het dak door, waar ’t veel frisscher is dan in de bedompte woningen.
Lane zegt dat velen tengevolge van het blootgesteld zijn aan de
nachtelijke lucht, oogziekten opdoen, een opmerking die bij ons
Westerlingen minder gereedelijk ingang vindt, dan wanneer hij zeide dat
de berookte benauwde atmosfeer in de schoorsteenlooze vertrekken dat
gevolg had.
Midden in het vertrek zien we op een soort schraag een lampje
brandende. Nog tegenwoordig heeft de lamp der fellah’s ongeveer
denzelfden vorm als die van 3000 jaar geleden: een aarden schotel,
waarvan de randen naar elkaar toegebogen zijn, terwijl op één plaats de
rand tot een soort tuit is bijeengedrukt, zoodat het geheel een
schelpvormig karakter heeft. In die „tuit” wordt de pit gelegd, zoodat
het eene einde in de olijfolie ligt, waarmee het bakje gevuld is.
Verscheidene van zulke lampen zijn in Palestina uitgegraven, waaronder
er zijn, die dateeren uit den voor-Israëlietischen tijd.
De lamp brandt den heelen nacht door. Niemand slaapt in donker, behalve
de bedelaars. De uitdrukking: „hij slaapt in duister” beteekent: hij is
geruïneerd. Een van de eerste plichten der huisvrouw is te zorgen dat
er olie in de lamp is. Zoo wordt Spreuk. 31 : 18 als een der
eigenschappen van een goede vrouw genoemd: hare lamp gaat des nachts
niet uit. Een Palestijnsche vrouw, die voor het eerst in haar leven in
Europa kwam, en daar langen tijd logeerde, werd op zekeren dag
gevraagd, wat haar in onze westersche levenswijze het meest getroffen
had. Zonder aarzelen zei ze: twee dingen, in de eerste plaats dat ik
als vrouw, hier overal veilig rondloopen kan, en in de tweede plaats:
uwe vreeselijke gewoonte om zonder licht te slapen. Duisternis is voor
den Oosterling een schrikkelijk ding, en het verwondert niet, in den
Bijbel te zien, hoe vaak de duisternis wordt gebruikt als beeld van de
gruwzaamste ellende. Een paar bijbelplaatsen ten bewijze. Jes. 47 : 5
wordt het oordeel over Babel in dezen vorm gegeven: ga heen in
duisternis, gij dochter der Chaldeën. Psalm 35 : 6 wordt den
goddeloozen toegewenscht: hun weg zij in duisternis. En in Job 17 : 13
klaagt de lijder: in duisternis spreid ik mijn bed. Ook in het Nieuwe
Testament is de plaats des oordeels een plaats der duisternis, en van
de plaats der gezaligden heet het: er zal aldaar geen nacht zijn. Men
kent in het Oosten den „schrik des nachts” (Psalm 91 : 5). Daar
tegenover is het licht altijd het beeld van leven en kracht en
heerlijkheid.
Om nu die nachtelijke duisternis te ontkomen, brandt den heelen nacht
door de lamp. En wij verstaan Petrus beeldspraak zoo goed als hij zegt
(2 Petr. 1 : 19) dat het profetisch woord is een lamp, schijnende in de
duisternis. Zoo is de lamp dikwijls het beeld voor leven, en iemands
lamp uitblusschen is: hem dooden of ten minste verdrijven uit zijn
huis. Job 18 : 6 heet het van den goddelooze: zijn lamp zal worden
uitgebluscht. Nog sterker Job 21 : 17: hoe dikwijls geschiedt het dat
de lamp der goddeloozen uitgebluscht wordt, en hun verderf overkomt. Op
dezelfde wijze beteekent „iemand een lamp geven”: zijn huis bevestigen
(2 Kon. 8 : 19; 1 Kon. 15 : 4).
Die vrees der Oosterlingen voor de donkerheid van den nacht vindt
goeddeels haar oorsprong in bijgeloof, nl. de vrees voor booze geesten,
waaronder de meest voorkomende wel zijn de z.g.n. djinns. Men gelooft
dat ze geschapen zijn eerder dan de menschen, en dat ze een
tusschen-positie innemen tusschen engelen en menschen. Vaak vindt men
de meening dat ze geschapen zijn uit vuur, en de macht hebben in
allerlei vormen te verschijnen, als menschen, wilde beesten, enz. Ook
kunnen ze zich naar believen onzichtbaar maken. Ze eten, drinken,
planten zich voort, dit laatste zelfs door vereeniging met menschen, en
zijn sterfelijk, hoewel ze soms eenige honderde jaren leven. Hun
eigenlijke woonplaats is de Kaf, d.i. een bergketen die de aarde
omgeeft, maar ze dwalen, vooral bij nacht, overal rond. De boosaardigen
onder hen heeten sjeitan d.i. duivels; hun hoofd is Iblis, satan.
Overal moet men voor hen op zijn hoede zijn. Ze omringen de menschen
aan alle kanten en bewerken onverwacht allerlei onheil, ziekte en dood.
In ’t algemeen worden alle onbegrepen verschijnselen aan de djinns
toegeschreven. Lane vertelt van een Oosterling, die in Europa werd
meegenomen naar een schouwburg, waar plotseling alle lampen werden
uitgedaan, zonder dat er iemand aanraakte (’t was electrisch licht), en
deze oostersche bezoeker schreef dat aan den invloed der djinns toe.
Een krankzinnige wordt beschouwd als speciaal in de macht van een of
meer djinns, maar ook overigens wordt elke ziekte aan hunne werking
toegeschreven.
Daar de Oosterling zich door tallooze geesten omringd acht, is hij er
op bedacht zich tegen hunne grillen te wapenen. Tal van gebruiken in
het dagelijksch leven vinden hunne verklaring als maatregelen tegen
booze geesten. Als het meest werkzame middel geldt: het noemen van den
naam van Allah. Bijna bij elke handeling spreekt de Mohammedaan den
naam van Allah uit. Het begint al dadelijk bij de eerste bezigheid in
den morgen, het malen van het koren. Als een vrouw koren giet in de
opening van den molen, dan zegt ze: smalla d.i. naam van Allah. Bakt ze
iets op de gloeiende kolen, dan zegt ze: „gaat weg (nl. gij daemonen)
opdat gij U niet brandt”, enz. Vooral in donker zijn ze te vreezen.
Daarom is het voorzichtig bij het binnengaan van een donkere kamer den
naam van Allah uit te spreken. Intusschen zijn de maatregelen tegen de
djinns lang niet alle van zoo’n onschuldigen aard. Zoo gebeurde het in
het dorp el-Chadr in de buurt van Jeruzalem, dat in een zekere familie
alle kinderen jong stierven, behalve een kind, dat Ali heette. De
ouders kwamen daardoor op de gedachte dat in Ali een daemon huisde die
de andere kinderen doodde, en besloten dien daemon er uit te drijven.
Daartoe hingen ze Ali met het hoofd naar beneden, boven een put, en
ranselden hem zoolang tot de daemon uit zijn lichaam in de put was
ontweken. Maar Ali was door deze kunstbewerking bewusteloos. Dat ze hem
juist boven een put hingen, vindt zijn oorzaak hierin, dat daemonen
graag in putten huizen, en deze daemon dus wel het rustig wonen in de
put verkiezen zou boven het doodgeslagen worden. Niet het minst bij de
opvoeding der kinderen speelt het daemonengeloof een groote rol. Zoo
geeft men b.v. een bizonder mooi of voordeelig ontwikkeld kind bij
voorkeur een afschuwelijken naam, of kleedt het opvallend leelijk en
slordig, of geeft de leeftijd eenige jaren te hoog op, opdat het niet
een voordeelig ontwikkeld kind schijne enz. Trouwens de meeste van
zulke maatregelen vindt men terug bij alle „animistische” volken,
d.w.z. bij al die volken waar het geestengeloof een groote rol speelt.
Gedurende de maand Ramadan, d.i. de 9e maand van het mohammedaansche
jaar, de maand waarin een strenge vasten is voorgeschreven gedurende
den heelen dag van zonsopgang tot zonsondergang, zijn de djinns in de
gevangenis opgesloten, volgens de moslims. Die theorie vindt zijn
oorsprong in de gewoonte om zich ’s nachts dubbel schadeloos te stellen
voor het honger en dorst lijden des daags. Men kan dan veilig eten en
drinken en feestvieren gedurende den nacht. Daar de djinns na afloop
van den vastentijd weer loskomen, is het hier en daar gewoonte dat de
vrouwen aan het einde dier maand zout strooien op den vloer om de
djinns het binnentreden te beletten. Ze spreken daarbij de bekende
formule: in den naam van God den genadige en barmhartige.
Een bepaald soort van djinns zijn de Ghoels, die liefst in de gedaante
van monsterdieren, kerkhoven en eenzame wegen opzoeken, van lijken
leven, nachtelijke reizigers doen verdwalen en in het ongeluk storten.
Een mohammedaansche traditie zegt dat djinns, die zooals we boven zagen
de bergen rondom de aarde bewonen en vandaar gemakkelijk den ondersten
hemel kunnen bereiken, probeeren stilletjes af te luisteren wat Allah
in den hemel spreekt, door Allah met steenworpen worden weggejaagd (die
steenen zijn de vallende sterren), komen ze dan op ’t vaste land
terecht, dan zijn het Ghoels.
Nog tal van andere spook-achtige wezens zijn er volgens het
fellah-geloof, die we hier niet zullen noemen. Het spreekt vanzelf dat
al deze wezens bij voorkeur de nachtelijke duisternis benutten voor
hunne werkzaamheden. En vandaar dat de Oosterling de duisternis vreest,
en bij het gaan slapen licht ontsteekt. Ook daar waar dergelijk
bijgeloof niet meer heerscht, blijft natuurlijk die gewoonte toch in
zwang.
Eene in Palestina wonende dame vertelt een aardig verhaal dat duidelijk
laat zien hoezeer het geestengeloof het leven der fellah’s beheerscht.
Het komt hierop neer: In een dorp woonde een jong echtpaar;
aanvankelijk in goeden doen, nam gaandeweg hun vermogen af, zonder dat
ze er een verklaring voor konden vinden, daar beide zeer zuinig
leefden, en geen enkele buitensporige uitgave deden. Sommige
huishoudelijke artikelen raakten op onverklaarbare wijze zoek, en zelfs
miste de man op een goeden dag zijn paard. Hij en zijne dorpsbewoners
gingen zoeken in alle richtingen, vergeefs. De man, die zijn paard niet
missen kon, besloot er alleen op uit te gaan, en den omtrek af te
reizen, daar hij vermoedde dat rondtrekkende bedoeïenen zijn paard
hadden gestolen. Bij zijn vertrek waarschuwde hij zijn vrouw dat hij
mogelijk vele dagen van huis zou zijn. Op den eersten dag zwierf hij
door een omgeving, die rijk was aan holen en spelonken, waarin zich de
herders met hunne kudden ’s nachts plegen op te houden. Tegen den nacht
langs zulk een hol komende, zag hij daarbinnen licht. Hij vermoedde dat
daar herders waren, en besloot er binnen te gaan en te vragen of ze
zijn paard ook hadden gezien, en anders gastvrijheid voor den nacht bij
hen te ontvangen. Hij trad de grot binnen, en stond daar plotseling
voor een gezelschap djinns die hem uitnoodigden, den nacht bij hen door
te brengen. Uit vrees hen boos te maken, nam hij hunne uitnoodiging
aan, hoewel hij veel liever het hazenpad gekozen zou hebben. Ze
noodigden hem uit deel te nemen aan den maaltijd, die juist beginnen
zou. Hij weigerde, vast van plan te ontsnappen, zoodra de gelegenheid
zich maar voor deed. Maar zij drongen sterk aan, zeggende, dat alles
wat hij hier om zich zag, immers zijn eigendom was. Daar de
Oosterlingen dat dikwijls zeggen tot hun gasten, louter als een
beleefdheidsvorm, zooals wij zeggen: doe alsof ge thuis waart, meende
hij dit ook enkel als vriendelijke zegswijze te moeten opvatten. Hij
liet zich echter niet overhalen. Toen vroegen hem de djinns, wat hij
zoo laat op ’t veld uitvoerde, waarop hij vertelde het droevig verhaal
van het gestolen paard. O, zeiden ze, dat treft goed, want wij hebben
uw paard, en tegelijk gaf de overste bevel, het paard te brengen.
Aangenaam verrast herkende de man dadelijk zijn eigen paard. Welnu
zeide de overste, ge kunt dus gerust zijn, ik zal ook uw paard laten
voederen, en ge ziet dat ge in goed gezelschap zijt, en kunt rustig met
ons mee eten. De man liet zich nu den maaltijd der djinns, die precies
was toebereid als die in zijn eigen huis, goed smaken. Zelfs zijn
lievelingsgerecht ontbrak niet.
Toen hij verzadigd was, stond hij op en bedankte met de gewone formule:
Allah jekattir cherkom, d.i. Allah vermeerdere uw welvaart. Maar de
gastheer antwoordde: mijn waarde, ge behoeft in het geheel niet te
bedanken, want de rijst en de boonen, ook het voer voor uw paard, het
is alles uw eigendom. De man hield ook die woorden voor niets anders
dan beleefdheidsphrasen, waarmee de Oosterling zoo kwistig is, bedankte
nogmaals en reed goedsmoeds op zijn paard naar huis. Tegen middernacht
kwam hij daar aan, tot groote verrassing van zijne vrouw het verloren
paard medebrengend. Zij zette hem in de blijdschap van haar hart een
schotel met zijn lievelingsmaal voor. De man was verbaasd, want hij
meende precies denzelfden schotel bij de djinns in de grot te hebben
gezien, en die verwondering steeg nog, toen de deksel er werd
afgenomen, en het bleek, dat juist den handvol, die hij bij de djinns
uit dien schotel genomen had, hier ontbrak. Zijne vrouw zei: o
excuseer, ik dacht dat ik den schotel had toegedekt, maar ik zie dat de
kat er van gesnoept heeft. Maar de man antwoordde: neen, vrouw, niet de
kat heeft dat gedaan, dat heb ik vannacht zelf gedaan, en nu begrijp
ik, waarom de djinns zeiden, dat alles wat ik at, mijn eigendom was. De
djinns die mijn paard gestolen hebben, hebben ook van onze rijst en
onze gerst gestolen, en mij mijn eigendom voorgezet. Verschrikt liep de
vrouw naar haar voorraad koren, en zag dat inderdaad ook daarvan wat
ontbrak. Nu wist het echtpaar meteen, waaraan hun achteruitgang te
danken was: de djinns ontstalen hen hun goed. De man zeide: ik mag u
geen verwijt maken, want ’t is mijn schuld evengoed als de uwe. Ik had,
dadelijk toen ik u trouwde, moeten vragen: bitsammi? d.w.z. pleegt gij
bij al uwe handelingen de naam van Allah uit te spreken? Voortaan
zullen we altijd bij alles wat we doen, den naam van Allah noemen. Zoo
geraakte dit echtpaar weer tot vroegere welvaart.
Dit verhaal is leerzaam om te weten hoe de fellahs leven in
voortdurende vrees voor booze geesten, en hoe, behalve het vermijden
van de duisternis, door den heelen nacht de lamp te branden, het noemen
van den naam van Allah een werkzaam middel is, om aan hunne listen te
ontkomen.