IN DE „PRONK VAN DEN JORDAAN”

De Jordaanvallei, eigenlijk een breede vulkanische kloof, is een der

merkwaardigste verschijnselen in Palestina. De rivier heeft een zeer

sterk verval. De bron ligt 520 meter boven, de Doode Zee ligt 393 meter

beneden den zeespiegel. Het geheele verval is dus 913 meter. En de

heele afstand is niet meer dan 220 kilometer. Dit verbazend sterke

verval heeft mede ten gevolge gehad de tallooze kronkelingen, zoodat de

werkelijke loop der rivier bijna driemaal zoolang is als de

hemelbreedte die hij doorloopt. Aan den bovenloop stroomt de rivier

tusschen dicht aansluitende rotswanden door. Verder Zuidelijk treden de

bergen verder terug en ontstaat een veel breeder bedding van kalk en

leem. Daarin vormt de rivier een dubbele bedding: eerst een stroombed,

van ongeveer een half uur breed, met bijna loodrechte wanden, en daarin

weer de tegenwoordige bedding van ongeveer 30 meter breed met zeer

scherpe bochten. Zelfs bij den hoogsten waterstand vult de rivier niet

de oude breede bedding. Bijna overal is het Jordaandal alleen te

bereiken langs steile en haast onbegaanbare paden. De breedte van het

dal zelf is zeer verschillend; in de nabijheid van Jericho is ze ’t

grootst, ongeveer 3 uur gaans. Het water, dat bij het verlaten van de

zee van Tiberias nog helder is, neemt uit den bodem zoovele

bestanddeelen op, dat het troebel en chocolade-kleurig wordt. Door de

diepe ligging is het dal voor de koele vochtige winden niet bereikbaar,

en heerscht er een tropisch klimaat, vooral naar het Zuiden toe, waar

de rivier zich ten slotte in de Doode Zee uitstort. De temperatuur is

hier van dien aard dat de 6 millioen tonnen water, die de rivier

dagelijks in de Doode Zee zendt, daar verdampen, want de Doode Zee

heeft geen uitwatering. De Doode Zee vormt een 915 vierkante kilometer

groot verdampingsoppervlak, waarvan naar berekening dagelijks een

waterlaag van ruim 13 millimeter water verdampt. Volgens sommigen

hebben die berekeningen echter weinig waarde, daar men onderstelt dat

aan de Westzijde van de Doode Zee op den zeebodem bronnen zijn, die

misschien dezelfde hoeveelheid water toevoeren als de Jordaan en de

bij-riviertjes. Is dit inderdaad zoo dan zou de hoeveelheid water dat

door verdamping wordt opgelost, nog veel grooter zijn. Ten gevolge dier

buitengewoon sterke verdamping, bevat het water der Doode Zee ongeveer

25 % vaste stoffen. Op sommige plaatsen iets minder, op andere iets

meer. Het water is daardoor zoo zwaar dat een versch ei er niet alleen

in drijft, maar zelfs nog een derde deel er van boven water uitsteekt.

Een mensch kan zonder eenige moeite aan de oppervlakte blijven drijven,

en niet dan met groote moeite duiken. In het water der Doode Zee komen

geen levende wezens voor, en zeevisschen die men er in loslaat, sterven

na korten tijd, maar de bewering dat in de nabijheid geen levend wezen

bestaan kan, noch een vogel er over vliegt, is een legende. Wel is de

plantengroei in den omtrek uiterst karig, wat door gebrek aan zoet

water in de nabijheid te verklaren is. Ook ziet men geen schip op het

water, zoodat de heele toestand dezer watervlakte den naam „Doode Zee”

inderdaad rechtvaardigt.

Anders is het met de oevers van den Jordaan. De langwerpig ronde

Jordaanvallei, tusschen 7.5 en 18 kilometer breed, een sterk uitgerekt

ovaal is wel de oorzaak van den hebreeuwschen naam kikkar, in Gen. 13 :

10 en 11 vertaald door „vlakte der Jordaan”. Een andere naam is arabah,

drooge vlakte, steppe, met welken naam vroeger werd aangeduid het heele

dal van de zee van Tiberias af tot den Elanitischen zeeboezem toe, maar

die nu meestal gebruikt wordt voor de Zuidelijke helft, terwijl het

Noordelijk gedeelte Gòr, inzinking, heet. Uit Gen. 13 : 10 is te zien

wat een weelderigen aanblik de Jordaanvallei van de heuvels van Bethel

uit, moet hebben geboden, want als Lot „zijne oogen ophief”, en zag de

gansche vlakte van den Jordaan, begeerde hij die tot weide voor zijn

vee.

Gedeeltelijk tengevolge van de jaarlijksche overstrooming, gedeeltelijk

door de tropische hitte, verschijnt aan beide oevers der rivier een

rijke sub-tropische plantengroei van bamboe, ineengestrengelde

struiken, slingerplanten en riet van 12 tot 15 voet hoog. Deze wilde,

verwarde en eenzame vegetatie bood en biedt nog heden ten dage een

natuurlijke schuilplaats voor wilde dieren. Die jaarlijks na elke

overstrooming met veelsoortige planten en veelkleurige struiken zich

sierende Jordaanstrook, scherp afstekend tegen de omgevende dorre

landstreek, heet in den Bijbel „de pronk der Jordaan”. Het Hebreeuwsche

woord gaôn wordt in de Statenvertaling soms weergegeven door

„verheffing”, soms door „hoogmoed” der Jordaan. In vroeger dagen

huisden daar meer wilde dieren dan tegenwoordig. Jer. 49 : 19

beschrijft den inval der Chaldeeën: zie hij zal komen als een leeuw uit

de pronk der Jordaan. Zoo in tal van plaatsen, waar de leeuw wordt

vermeld als een gevreesd roofdier. Tegenwoordig is hij in Palestina

niet meer te vinden; sedert de dichte bosschen werden verwoest, vindt

hij geen schuilplaats genoeg, en kan zich voor de vervolgingen der

menschen niet meer bergen. Sedert heeft hij zich tot achter den

Euphraat teruggetrokken. De beer heeft zich sedert lang teruggetrokken

in de bergkloven van den Hermon. Ook de ontembare wilde ezel, eens het

beeld voor de nakomelingen van Ismaël (Gen. 16 : 12), wiens hand tegen

ieder zou zijn en de hand van een ieder tegen hem, vindt men er niet

meer, behalve misschien op de bergen van Basan. Daarentegen is het

luipaard nog heden ten dage het gevreesde roofdier, niet alleen in de

bergen van Gilead, maar ook in de „pronk der Jordaan” vindt hij zijn

schuilplaats. Hier blijkt tevens dat de Statenvertaling, die onder

„verheffing des Jordaans” blijkbaar bedoelde het wassen van het water,

waardoor de leeuwen uit hun schuilplaats werden verdreven, de

uitdrukking gaôn hebben misverstaan. Overigens neemt Jer. 12 : 5 elken

twijfel dienaangaande weg. De profeet zegt: Wanneer gij met voetgangers

geloopen hebt, en zij hebben u afgemat, hoe zult gij dan met de paarden

gelijken tred houden? In een vredig land waart gij gerust, maar hoe

zult gij het maken in de pronk des Jordaans? Hier is dus het „vredig

land” tegenovergesteld aan de pronk des Jordaans, de ontoegankelijke,

door roofdieren bedreigde wildernis, de schuilplaats van leeuwen en

luipaarden. Trouwens uit Zach. 11 : 3 „de pronk des Jordaans is

vernield”, is het bovendien duidelijk dat niet het wassen der rivier

kan zijn bedoeld.

Onze plaat teekent ons deze „pronk des Jordaans” tegen den avond. Op

den voorgrond twee luipaarden, gereed om een hert en een gazelle te

bespringen, die hun dorst komen lesschen. Deze dieren, luipaard of

panther, in het Oude Testament bekend onder den naam namar, is voor

Palestina, wat de Bengaalsche tijger voor Indië is, hoewel minder

gevaarlijk voor de menschen. Hij moet vroeger zeer veelvuldig zijn

voorgekomen, zooals sommige Palestijnsche plaatsnamen doen zien, bv.

Beth-Nimrah letterlijk: panterhuis, (Nimr of Namr is de Arabische naam

voor het dier) en het riviertje Nakr-Nimrim, letterlijk: panterstroom.

Tegenwoordig komt hij weinig meer voor en bijna uitsluitend in de

omgeving van de Doode Zee en in Gilead en Basan, een enkele maal ook in

Syrië. Des avonds komt het dier uit zijn schuilhoek te voorschijn, en

sluipt rond, loerend op zijn prooi; men zegt dat de nachtelijke tochten

zich soms uren gaans uitstrekken. De inwoners vertellen, dat het dier

zich nooit langer dan drie nachten op dezelfde plek ophoudt, dan gaat

het weer verder, roof zoekende. In de bekende schildering der

Messiaansche eeuw Jes. 11 : 6 zien we dat dit dier gold als hèt type

van een roofdier; dat „het luipaard bij den geitenbok” zal nederliggen

is het teeken van volkomen vreedzaamheid. Zulke beelden spraken

natuurlijk te sterker in dagen toen deze roofdieren in grooten getale

voorkwamen, en ze ’s nachts loerende slopen om steden en dorpen (Jer. 5

: 6), en de vlugheid en onhoorbaarheid hunner bewegingen als beeld werd

gebruikt, zooals Hab. 1 : 8: hunne paarden zijn vlugger dan luipaarden,

wordt daar van de snelheid der Chaldeeuwsche strijdrossen gezegd. In

Dan. 7 : 6 dient het beeld van een gevleugeld luipaard om het Perzische

rijk te schilderen, dat snel als een luipaard om zich heen grijpt.

Oostersch leven · 第 8 / 18 题