Aangelegde weiden, zooals wij die kennen, bestaan in het Oosten niet.
Men zaait geen graszaad om opzettelijk weiland te krijgen, en men
zamelt geen hooi in tot voeder voor het vee des winters. Waar wij hooi
gebruiken, neemt de Oosterling gekneusd stroo, dat onder de dorschslede
zacht geworden is. Men noemt dit stroo teben precies als in Salomo’s
dagen, 1 Kon. 4 : 28, waar wij lezen dat des konings beambten koren en
teben verzamelen voor de paarden. Wanneer er dus sprake is van
„grasrijke weiden”, dan hebben wij daarbij aan iets anders dan onze
toestanden te denken. De „weiden” waarop men het vee, vooral schapen
drijft om voedsel te zoeken, zijn hoofdzakelijk van tweeërlei aard.
Allereerst de achtergrond rondom ieder dorp die gedurende eenige
maanden van het jaar door het vee mag betreden worden. Maar dit land
wordt niet bedoeld als de bijbel van „weiden” spreekt. Dan worden
bedoeld de groote eenzame heuvelachtige steppe, midbar, welk woord in
den bijbel meestal door „woestijn” is vertaald, maar dat toch niet
uitdrukt, wat wij onder „woestijn” plegen te verstaan. Uit Gen. 37 : 22
zien wij dat Jozefs broeders de schapen weiden in de midbar, eveneens 1
Sam. 17 : 28. In Palestina is natuurlijk geen woestijn in den zin dien
wij aan dat woord hechten, maar van een midbar is herhaaldelijk sprake.
Op de meeste plaatsen zouden wij het dan ook beter kunnen vertalen door
„steppe”. ’t Zijn de groote vlakten, zooals in Palestina veelvuldig
voorkomen en die gedurende het droge heete jaargetijde dor en doodsch
liggen, enkel bedekt met wat stekelige distelsoorten en hard taai gras
en houtachtige planten, maar die in den regentijd plotseling een heel
ander aanzien vertoonen. Dan breekt als door een wonder een weelderige
plantengroei los: uitgestrekte grasweiden, bezaaid met veelkleurige
bloemen, waaronder de purperroode anemone, geven het land een
feestelijk aanzien. Deze anemone is waarschijnlijk wel de „lelie des
velds”, waarvan Jezus zeide (in Matth. 6 : 28 vv.) dat zij schooner
bekleed is dan Salomo was. Er is overigens geen onbelangrijk verschil
in plantengroei tusschen de hooger gelegen steppen en de lagere vlakten
met moerasachtigen bodem. Vroeg in het voorjaar begint deze gelukkige
tijd. Dan werpen de kudden, en vloeit de melk rijkelijk. De Mohammedaan
spot dan met de Christenen die, wegens den vastentijd, dan juist geen
melk mogen nuttigen: „De melk van Maart is aan de ongeloovigen
verboden.”
De kleine man, die maar enkele schapen of geiten houden kan, laat ze
grazen in de onmiddellijke nabijheid van zijn huis, en drijft ze ’s
avonds terug naar den stal. De grootere kuddenbezitter laat ze door
herders verder weg voeren, waar ze jaar in jaar uit leven in het vrije
veld, ’s winters meer in de warmere dalen der wadi’s en valleien, voor
zoover deze nl. nog niet voor den landbouw in gebruik zijn genomen, ’s
zomers gaan ze naar meer bergachtige streken, waar de gesteldheid van
den bodem het eetbare groen langer handhaaft, en waar bovendien
allerlei struikgewas groeit, waarvan de bladeren en kleinere takjes het
weidend vee tot voedsel dienen zoodra het gebrek aan gras begint. Deze
manier van doen heeft voor den plantengroei van Palestina
allerverderfelijkste gevolgen, want daar vooral de geiten, op hun
achterpooten staande, zelfs tamelijk opgeschoten boompjes tot aan den
top bereiken kunnen, bijten ze de jonge toploten af, en beletten het
welig opschieten. Het gevolg daarvan is dat uren in de rondte een flink
opgeschoten houtgewas haast niet te vinden is, daar het jonge hout zich
nu zijwaarts uitbreidt, en het meest niet verder brengt dan
struikgewas. Van overheidswege wordt tegen deze bosch-verdelgende
methode geen enkele maatregel genomen, en de bevolking zelf ziet
blijkbaar niet, hoe zij handelt tegen haar eigen belang in. In die
streken van ons land waar heideschapen worden gehouden (vooral Drenthe)
wordt elke nieuwe aanplanting van dennen en ander hout zorgvuldig voor
schapen enz. afgesloten totdat het houtgewas zoo groot is dat de top
niet meer door de dieren bereikt kan worden. Zulke maatregelen zijn ook
in Palestina hoog noodig, maar—ze worden niet genomen. Men moet in
Palestina wèl onderscheiden tusschen den dorpsherder, dien men
half-nomade zou kunnen noemen, en den eigenlijken herder-bedoeïen. Deze
laatste leidt een geheel nomadisch leven, terwijl de dorpsherder met
zijn schapen- en geitenkudden de omgeving van het dorp doorkruist, en
bij slecht weer zijne toevlucht neemt in een der tallooze spelonken der
rotswanden. Meestal heeft hij in het dorp een huis, dat zijne familie
bewoont, terwijl hijzelf of anders leden zijner familie met de kudden
rondzwerven.
Onze plaat laat ons zien een herder, die de schapen uitgedreven heeft
uit den stal en die nu „voor hen henen gaat”. Het is dus Joh. 10 : 4 in
beeld gebracht. De plaat geeft ons aanleiding tot verschillende
opmerkingen. De bodem laat zien al de kaalheid en dorheid van het droge
jaargetijde in de midbar. De plaat verplaatst ons dan ook niet in de
nabijheid van een dorp maar in de steppe, zooals bovendien blijkt uit
de op den achtergrond zichtbare herderstent. De herders nl. aan wie de
zorg voor de schapen het geheele jaar door is toevertrouwd, en die met
de kudde in het veld blijven ook ’s nachts—men denke aan Gen. 37 : 14,
waar Jakob zijn zoon Jozef zendt om onderzoek te doen naar den welstand
zijner andere zonen en zijner kudden—leven daar niet in hutten, maar in
tenten, terwijl de schapen werden gedreven in een door steenen omheinde
ruimte, met een vierkant gat als deur (zie de plaat). Zulke „stallen”,
van boven open, worden in de Schrift herhaaldelijk genoemd, en meestal
door „schaapskooien” vertaald. Meestal zijn ze van ruwe onbehouwen
stukken bergsteen, zóó in elkaar gelegd, dat ze zoo goed mogelijk
sluiten, maar kalk of cement wordt niet gebruikt. Overigens doet hunne
constructie denken aan wat de bouwkundigen noemen „cyclopen-verband”.
Daar geen kalk wordt gebruikt, noch fundamenten gegraven, wordt de
stevigheid bevorderd door ze van onder dikker te maken dan van boven;
zoodat de dwars-doorsnede van zoo’n muur een pyramidalen vorm vertoont.
Vroeger schijnt het een tamelijk algemeen gebruik geweest te zijn tot
meerdere veiligheid daarbij nog een wachttoren te bouwen. 2 Chron. 26 :
10 wordt van Uzzia verteld, dat hij „torens in de woestijn” bouwde,
omdat hij vele kudden had. Daarmee worden ongetwijfeld zulke
wachttorens ter bescherming der kudden bedoeld.
Het komt wel voor dat verschillende kudden, d.w.z. van meer dan één
herder in zoo’n schaapskooi overnachten. Bij het uitdrijven roept dan
de herder zijne schapen en zij volgen hem (Joh. 10 : 1 v.v.). Een
vreemde „zullen ze geenszins volgen, overmits zij de stem des vreemden
niet kennen”. Wij voelen wat een vriendelijk beeld dat is, door Jezus
gebruikt om de verhouding tusschen hem en de zijnen aan te duiden. Die
hem kennen als hun herder, loopen geen anderen na, vergissen zich niet
als een stem hen tot volgen roept.
De herder is zeer eenvoudig gekleed. Over zijn grijs-kleurig hemd
draagt hij een pels van schapen- of geitenvel. Wanneer men het haar of
de wol er op laat zitten, dan draagt men hem ’s winters met de haren
naar binnen. Soms ook worden eerst de haren verwijderd. Hebr. 11 : 37
blijkt voldoende dat deze kleeding werd gerekend als armoedige
bedekking: onder de beproevingen, ondergaan door de geloovigen van den
ouden dag wordt o.a. genoemd, dat ze gewandeld hebben in schaapsvellen
en in geitenvellen.
Verder houdt hij in zijn linkerhand de staf, sjebet, met een haak aan
het boveneind. Deze staf is ons ook uit den bijbel welbekend, als
zinnebeeld voor het regeeren Gods over zijn volk. Ik herinner hier
alleen aan Micha 7 : 14: weid uw volk met uw staf, de kudde uwer
erfenis. En een bizonder mooi beeld Ps. 23 : 4, waar de Statenvertaling
niet geheel den juisten zin getroffen heeft, en waar gelezen moet
worden: al ging ik ook in een stikdonker dal, ik zou niet vreezen, want
gij zijt met mij, Uw staf en Uw stok voeren mij opwaarts. De gedachte
is dus dat het schaap dat in een rotsspleet of diepe vallei is geraakt,
door den herder wordt opgezocht en er uit gevoerd naar de hoogte. Nog
een andere interessante toespeling op het gebruik van den staf vinden
wij in Ezech. 20 : 37. Wanneer nl. de herder des avonds zijne kudde
naar den stal voert, pleegt hij bij de deur staande ze te tellen door
zijn staf over de binnengaande schapen uit te strekken, zoodat zij
„onder den staf doorgaan”. In Jer. 33 : 13 wordt dat beeld gebruikt in
deze woorden: In de steden van het gebergte, in de steden der laagte,
en in de steden van het zuiden, en in het land van Benjamin, en in de
plaatsen rondom Jeruzalem en in de steden van Juda zullen de kudden
wederom onder de handen des tellers doorgaan, zegt de Heer. Daar wordt
dus alleen van het tellen gesproken, niet van den uitgestrekten staf.
Dit laatste vinden wij Ezech. 20 : 34–38, waar niet meer van kudden
maar van Israël sprake is, in deze prachtige beeldspraak: ik zal u
leiden uit de volkeren, u verzamelen uit de landen, waarin gij
verstrooid zijt, met sterke hand en uitgestrekten arm, en door het
uitstorten van gramschap. Ik zal u brengen in de steppe (—midbar) der
volkeren, en u daar oordeelen, van aangezicht tot aangezicht. Zooals ik
uwe vaderen geoordeeld heb in de steppe van Egypteland, zoo zal ik het
u doen, spreekt de Heere Heer. En dan volgt: ik zal u onder den staf
doen doorgaan, en u hoofd voor hoofd binnenleiden. De uitdrukking:
onder den staf doen doorgaan beteekent dus dat de Heer zorgen zal dat
ze allen binnenkomen, dat niet één verloren gaat. Wie denkt hier niet
aan de gelijkenis van het verloren schaap? Als de herder zijne schapen
onder den staf doet doorgaan en één ontbreekt, dan zal hij uitgaan om
dat ééne schaap te zoeken, „totdat hij het vindt”.
Deze uitdrukking werpt ook licht op een andere plaats der Schrift, nl.
Levit. 27 : 32: Aangaande al de tienden van runderen en klein vee,
alles wat onder den staf zal door gaan, het tiende zal den Heer heilig
zijn. Hier is de uitdrukking: onder den staf doorgaan niet alleen de
aanduiding voor: al het vee, maar geeft meteen te kennen op welke wijze
die tiende werd uitgekozen. Joodsche schrijvers vertellen nl. dat het
de gewoonte was dat kudden, waaruit de tienden zouden genomen worden,
werden saamgedreven in een omheinde ruimte, en dan een voor een door de
nauwe opening werden uitgelaten, terwijl de herder bij de deur stond
met zijn staf, waarvan het einde gedoopt was in een roode verf. Bij elk
tiende schaap liet de herder zijn staf neer op dit dier en kleurde zijn
rug rood, en de aldus gekleurde schapen waren dan de tienden. Wanneer
genoemde joodsche schrijvers gelijk hebben en dit inderdaad de manier
was om de tienden uit te zoeken wordt de bedoelde bijbelplaats
inderdaad zeer sprekend.
Verder draagt de herder in zijn rechterhand zijn slinger, een eenvoudig
door hem zelf gemaakt werptuig: een stuk touw met in het midden een
zakvormige verbreeding, waarin de slingersteen gelegd werd. Dit wapen
wordt gebruikt om de kudde bijeen te houden. Dwaalt een schaap te ver
af, dan legt de herder een steentje in den slinger en mikt daarmee,
niet op het dier zelf, maar op diens onmiddellijke nabijheid, waardoor
het beest verschrikt terugloopt naar de troep. Het werptuig dient dus
voor hetzelfde doel waarvoor de herders b.v. in Drenthe een klein
schopje gebruiken met zeer langen steel. Ze steken daarmee een brokje
aarde uit den grond—ter grootte van een eetlepel—en werpen er de
afgedwaalde dieren mee. Na eenige oefening kan men het verwonderlijk
ver brengen in de juistheid van treffen, zelfs op zeer grooten afstand.
Ook de Palestijnsche schaapherders weten met groote handigheid hun
steenen te slingeren: bijna alle schaapherders zijn uitstekende
slingeraars. We denken daarbij natuurlijk aan David, die van achter de
kudden komende, met een slingersteen den reus Goliat doodde. En van den
stam Benjamin lezen wij in Richt. 20 : 16 dat daar waren „700
uitgelezen mannen, welke linksch waren; deze allen slingerden met een
steen op een haar, dat het hun niet miste.” Wij zouden in zoo’n geval
zeggen: 700 scherpschutters. Ook elders in Israëls geschiedenis vinden
we telkens melding gemaakt van de diensten die de slingeraars in den
oorlog bewijzen.
Op onze plaat zien wij den herder bovendien gewapend met een knots, die
aan zijn kleeren is opgehangen. Natuurlijk was zoo’n wapen in vroeger
dagen meer noodig dan nu, maar op de groote vlakten en heuvelruggen van
Palestina is het toch niet geheel zonder oorzaak dat dit primitieve
wapen uit de oudheid is bijgehouden.
De kudde schapen en geiten worden eigenlijk alleen gehouden om de wol
en de melk, vooral de melk. In ’t voorjaar, als de vroege regen de
groote vlakten in frisch-groene weide heeft herschapen, begint de
melkovervloed, en meteen de bereiding van boter, zure melk en kaas. De
zoete melk wordt in een geitenvel gedaan, opgehangen in de tent—ten
minste bij de bedoeïenen doet men ’t zoo—en dan gedurende eenigen tijd
krachtig heen en weer gestooten. De daardoor zich afscheidende boter
wordt evenals de achterblijvende karnemelk, die leben heet, op allerlei
wijze als voedsel gebruikt. Ook wat wij dikke melk noemen, wordt direct
uit de zoetemelk bereid, door ze te koken, er wat zure melk bij te
doen, dan in goed gedekte vaten te laten staan, en na ongeveer een dag
is het voor gebruik gereed. Uit de overtollige melk wordt kaas bereid,
of ook z.g.n. kisjk d.i. gedroogde dikke melk. De kaasbereiding is heel
eenvoudig: de dikke melk wordt uitgedrukt, daarna met zout vermengd,
tot platte schijven gekneed en dan in de lucht gedroogd. De boter wordt
bij de bedoeïenen meestal gekookt om ze duurzamer te maken, daar men
anders het grootste deel van het jaar van boter zou verstoken zijn. Erg
smakelijk is de aldus bewerkte „boter” niet, een Westerling vindt er
bovendien allerlei dingen in die hij liever in boter niet vindt:
geitenhaar is wel ’t meest onschuldige dat men er overvloedig in
aantreft, meteen een sprekend bewijs dat het „natuurboter” is.
Tweemaal per jaar is het de tijd van het jongen werpen der schapen. De
eerste tijd is December. Die heeten dan de „vroegelingen”. Deze
lammeren zijn het krachtigst, daar zij tegen den regentijd, de
vruchtbaarste tijd van het jaar, naar het veld gaan, en de voorwaarde
voor hunne ontwikkeling het gunstigst is. Veel minder waard zijn de
„laatgeborenen” (in Juni) die in het droge jaargetijde ter wereld
komen. Uit dit oogpunt laat zich de handelwijze van Jakob verstaan, die
de streepsgewijze geschilde jonge twijgen juist bij de „vroegelingen”
in de drinkbakken legt, Gen. 30 : 41, waardoor hij niet alleen véél vee
krijgt, maar tevens de beste exemplaren.
De herder is voor het goed gedijen zijner kudde aansprakelijk. Reeds in
de Oud-testamentische wetgeving (Ex. 22 : 9–12) en in het wetboek van
Chammurapi was bepaald, dat de herder het weggeraakte moest vergoeden.
En wij zien dan ook in Gen. 31 : 39 dat Jakob zich tegenover Laban er
op beroept, dat hij al wat er is weggeraakt, zoolang hij de kudde
weidde, door hem „geboet” is. Alleen als de herder bewijzen kon dat het
schaap door een wild dier was verscheurd, ging hij vrij uit. Dat kon
natuurlijk geschieden door dat hij, zooals Am. 3 : 12 zegt „een
oorlapje” uit den muil van het roofdier redt, en zijn meester toont.
Vandaar ook de teedere zorg voor de schapen, die ook werd in de hand
gewerkt doordat de herder niet enkel in geld zijn loon ontving, maar
een deel der kudden. Wij herinneren ons de vriendelijke beelden,
waaronder het Evangelie schildert, hoe de herder voor zijn schapen
zorgt: het gewonde verpleegt, het afgedwaalde op zijn schouder legt,
het zieke verzorgt. Het brengen der eerstelingen, uit het Oude
Testament welbekend, is nog in gebruik. Alleen dat de Mohammedaansche
herder de eerstelingen meestal aan een of anderen heilige wijdt, b.v.
Elia of Mozes. Zoo ligt ten Westen van de Doode Zee een heiligdom van
Nebi Mûsa (Mozes). Daar worden vele eerstelingen ten offer gebracht. Is
het wegens den afstand te bezwaarlijk de dieren aan het heiligdom zelf
te offeren, dan kan men de dieren ook in naam van den heilige dooden
aan de deur zijner tent. Meestal besprenkelt men dan de overige dieren
der kudde met het bloed van het geslachte dier.
Een dergelijk offer voor het welzijn der kudde, komt ook overigens wel
voor. Onder bepaalde ceremoniën wordt een dier geslacht en met het
bloed worden de belhamels bestreken; ook strijkt men gaarne van het
bloed aan de deurposten. Zoo’n geslacht dier geldt dan als fedu, d.i.
losprijs, voor de heele kudde.
Het schapenscheren was in oude dagen een soort feest. In 1 Sam. 25
blijkt hoe dan zelfs naburige stammen bij zoo’n gelegenheid hun
gelukwensch kwamen brengen, zooals David bij Nabal deed. Dan werd een
feestmaal aangericht en de scheerders feestelijk onthaald. Van dat oude
feest van het schapenscheren is niet anders overgebleven dan dat de
scheerders—ten minste bij de grootere kuddebezitters—nog worden
onthaald. De tijd van het scheren is afhankelijk van de meerdere of
mindere warmte in het voorjaar. De eigenlijke tijd is einde April of
begin Mei—in ons land met zijn kouder klimaat is het wat later,—en niet
alle kuddenbezitters rekenen evenveel met het koude lijden der dieren.
Een schaap, dat zoo pas van zijn dikke vacht is ontdaan staat vaak te
trillen van koude. Ook de handeling van het scheren zelf is voor het
dier alles behalve aangenaam (men denke aan de uitdrukking uit Jes. 53
van het schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders),
vooral als het wat ruw gebeurt. Het is zelfs in Nederland geen
bizonderheid als men ziet hoe de scheerder niet alleen de wol afknipt,
maar tegelijk een heel stuk van de plooiige huid, zoodat een bloedende
wonde ontstaat. Niet vergeefs vinden we in de Schrift tal van
waarschuwingen tegen hardvochtigheid tegenover weerlooze dieren.