IN EEN BEDOEÏENENTENT

De bedoeïenentent, door de bewoners zelf wel eens „haren huis” genoemd,

is gemaakt uit een zeer sterk weefsel van geiten- of kameelenhaar en

doorgaans zwart of donkerbruin gekleurd. Dit tentdoek is geheel

waterdicht, en bovendien een uitstekende bedekking voor de heete

stralen der oostersche zon, daar ’t niets doorlaat. Zulke tenten zijn

dus veel beter beschermers dan de witte linnen tenten, door Europeesche

reizigers gebruikt. Een bedoeïenentent heeft den vorm van een

parallelogram, terwijl de lengte meestal varieert tusschen 4 tot 15

meter. Meestal rust zoo’n tent op een negental palen, in groepen van

drie bij elkaar geplaatst, welk getal natuurlijk grooter is, bij een

tent van groote lengte. Over die palen heen wordt de haren tentdoek

gespannen door middel van sterke koorden, die aan pinnen vastgemaakt

worden, waardoor het geheel zoo stevig komt te staan, dat zelfs vrij

hevige rukwinden er geen vat op hebben. De vorm van zoo’n tent is als

’t dak van een huis: daar de middelste stang gewoonlijk wat langer is

dan de andere, loopt het tentdak naar weerszijden schuin af, en geeft

het regenwater gelegenheid tot wegvloeien. Aan de voorzijde blijft een

opening van ongeveer een manshoogte. Door dien vorm van het tentdak

wordt de hemel vergeleken bij een uitgespannen tent, Jes. 40 : 22. Een

bedoeïenendorp bestaat uit gemiddeld een dertigtal van zulke tenten,

soms meer, soms minder naar gelang van de grootte van den stam. Deze

tenten staan niet maar wild door elkaar maar in bepaalde orde,

vierhoekig, driehoekig of ook hoefijzervormig, terwijl dan de „deur der

tent” naar de binnenzijde van den kring is gekeerd. Zoo’n groep

groezelig zwarte tenten maakt in de verte een indruk waarop reeds de

dichter van ’t Hooglied (1 : 5) zinspeelt.

Talloos zijn de bijbelsche beelden, ontleend aan het leven in tenten.

Uit de aartsvadergeschiedenissen weten wij trouwens dat ook zij reeds

in tenten leefden, en menig liefelijk tooneel staat ons uit het Oude

Testament voor den geest. Wie denkt niet aan de vriendelijke ontvangst

door Abraham den drie vreemdelingen bereid? Maar ook in later tijd,

toen Israël vaste woonplaatsen had, bleven tal van uitdrukkingen in de

taal de herinnering aan dien ouden tijd bewaren, toen Israël nog in

tenten woonde. Als in Rehabeams tijd het volk van dezen koning geen

verlichting van lasten verkrijgen kan, breken ze met hem onder den

uitroep: wat deel hebben wij aan David? ja geen erve hebben wij aan den

zoon van Isaï, naar uwe tenten, o Israël! (1 Kon. 12 : 16). Het is

duidelijk dat Israël toen sinds lang niet meer in tenten woonde. Maar

de uitdrukking „tent” voor „huis” was gebleven. Tal van bijbelplaatsen

krijgen op deze wijze duidelijke belichting. Zoo wordt in Jes. 22 : 23

de tentpinnen, die met een hamer in den grond werden gedreven—op onze

plaat is op den voorgrond zulk een hamer en tentpinnen zichtbaar—als

beeld gebruikt voor vastigheid en zekerheid. Daar wordt nl. omtrent den

koning van Israël gezegd: ik zal hem als een tentpin (jated) inslaan in

een vaste plaats. In Jes. 33 : 20 wordt Jeruzalem genoemd: een tent die

niet zal ternedergeworpen worden, welker pinnen in der eeuwigheid niet

zullen worden uitgerukt, en van welker touwen er geen verscheurd zal

worden. En Jer. 10 : 20 is de klacht van een verlatene: mijne tent is

verstoord, en al mijne zeelen zijn verscheurd.... er is niemand meer

die mijne tent uitspant, en mijne gordijnen opricht. Bij dergelijke

uitdrukkingen wordt niet aan eigenlijke tenten gedacht: de uitdrukking

is geheel beeldsprakig; de koorden der tent is de „levensdraad”, die

wordt afgesneden enz. Zeer duidelijk is dat ook Jes. 54 : 2: maak de

plaats uwer tent wijd.... maak uwe koorden lang en steek uwe pinnen

vast in. Daarmee wordt aangeduid de Messiaansche tijd, als Israël zal

„zeker wonen”. Ezra gebruikt hetzelfde beeld bij den terugkeer der

ballingen naar Jeruzalem, als hij zegt dat de Heer heeft gegeven een

tentpin in zijne heilige plaats, d.w.z. een plaats om te wonen. De in

de Statenvertaling volkomen onverstaanbare tekst van Job 4 : 21 wordt

duidelijk als wij weten dat er zal moeten gelezen worden: wordt hunne

tentpin uitgetrokken, dan sterven zij, zonder dat zij weten, hoe.

In den regel is een bedoeïenentent door het spannen van een doek in

tweeën verdeeld: een mannen- en een vrouwenafdeeling. Op onze plaat is

die „scheidingsmuur” duidelijk te zien. Alleen de rijke stamhoofden

hebben soms voor hunne vrouwen aparte tenten. Zoo wordt Gen. 24 : 67

van Sara’s tent, en Gen. 31 : 33 van Lea’s tent als van een

afzonderlijke tent gesproken. Maar de gewone bedoeïen heeft één tent,

in tweeën gedeeld. De mannentent is in den regel rechts, de vrouwentent

links, en deze laatste is, in onderscheiding van die der mannen, vaak

aan den voorkant dicht, zoodat niemand in het vrouwenverblijf kan zien.

Het inwendige der tent is zeer eenvoudig, maar naar gelang van den

welstand van den eigenaar weet men ze van allerlei te voorzien. Soms

liggen er stroomatten op den grond, soms een soort van karpet, of

kussens. Als stoel wordt of de grond gebruikt of ’t kameelzadel,

waarover men een deken werpt. Voor tafel dient meestal een stroomat, of

een stuk dierenhuid. Sommige stammen vormen een soort tafel door een

metalen plaat op een onderstel te leggen. Een gat in den grond in de

mannenafdeeling of een vierkante ruimte door een stuk of wat steenen

gevormd, dienen voor vuurhaard. Zakken, uit dierenhuiden in elkaar

genaaid, dienen tot het bewaren van vloeistoffen als water en melk. De

„melkflesch” van Jaël, waarvan Richt. 4 : 19 spreekt, is zulk een

lederen zak. Verder de handmolen tot het malen van koren, een paar

pannen en een paar schotels—dat is alles wat een gewone bedoeïenentent

bevat. Behalve het karpet en de kussens, die de „heeren der schepping”

voor zich zelf wel makkelijk vinden, wordt alles in de

vrouwenafdeeling, die tevens als rommelkamer dient, onder dak gebracht,

en voor den dag gehaald als men ze noodig heeft. Uit een oogpunt van

westersche galanterie tegenover de vrouwen valt op een en ander nog wel

wat aan te merken. Als Gen. 31 : 34 Rachel op een kameelzadel zit in

hare tent, hebben wij ons dus waarschijnlijk niet voor te stellen dat

dit meubelstuk voor haar gerief in hare afdeeling is geplaatst, maar om

de bovengemelde reden. De mannenafdeeling is meteen de ontvangkamer. In

de vrouwenafdeeling worden vreemdelingen nooit toegelaten, maar de

vrouwen—mogelijk zijn de bedoeïenenvrouwen met nòg minder recht dan de

westersche dames van de hebbelijkheid, nieuwsgierig te zijn, te

betichten—kunnen natuurlijk alles hooren, daar hun afdeeling enkel door

het straks genoemde gespannen doek van die der mannen gescheiden is. De

bedoeïenenvrouw op onze plaat schijnt aan het hooren niet eens genoeg

te hebben, met vrouwelijke handigheid heeft ze zich misschien wel

staande op het kameelzadel, zoo hoog weten op te werken, dat ze over

den „muur” kan heenzien, en deelnemen aan het gesprek der beide mannen.

Ook van Sara lezen wij, Gen. 18 : 9–15, dat zij van uit haar tent

hoorde wat de engel tot Abraham zeide, hoewel zij zelf zich schuil

hield. Die vrouwenafdeeling heet de harîm, waarover later nog zal

gehandeld worden. Hoewel bedoeïenenvrouwen wel den hoofdsluier, maar

niet den aangezichtssluier dragen, zijn ze evengoed als elke andere

oostersche vrouw harîme d.i. onaantastbaar, en van den omgang met

vreemde mannen afgesloten. Het spreekt van zelf dat op het land, dus

bij de fellah’s en bedoeïenen die afsluiting niet zoo hermetisch zijn

kan als in de stad, waar de vrouw niet uitgaat, dan na zich zoo te

hebben ingehuld, dat ze op een wandelende schim gelijkt, terwijl van

haar aangezicht of handen geen stipje te zien is. We zien dat vrijere

in den omgang bij fellahs en bedoeïenen b.v., wat de eerste betreft,

uit Joh. 4, het gesprek van Jezus met de Samaritaansche vrouw, want,

hoewel de discipelen zich verwonderen „dat hij met een vrouw sprak” is

de mogelijkheid van het alleen spreken met een fellah-vrouw dus niet

uitgesloten. Wat de bedoeïenen betreft, wijs ik op de bekende

geschiedenis uit Richt. 4: Jaël en Sisera. James Neil, aan wiens boek

onze plaat is ontleend, houdt naar aanleiding daarvan een zonderlinge

redeneering. Hij zegt dat het dooden van Sisera door Jaël een der

grootste moeielijkheden was van de studie van het Oude Testament, welke

moeilijkheid hij nu wegruimen wil. Met die moeilijkheid bedoelt hij

dit, dat, waar, zooals we boven zagen, een die zijn toevlucht zoekt in

een tent der bedoeïenen, daar veilig is en bescherming vindt, en dit

gastrecht allen bedoeïenen heilig is, Jaël zich niet ontziet hem die

bij haar schuilplaats zoekt, verraderlijk te dooden. Uit het oogpunt

der oostersche gastvrijheid is dat de verraderlijkste daad die een

bedoeïen zou kunnen doen, en Neil voelt zich bezwaard, zulk een

verraderlijke en lage daad aan Jaël toe te schrijven, en beredeneert nu

het gebeurde aldus: Sisera, zoekende schuilplaats in Hebers tent,

vlucht de vrouwenafdeeling binnen, daar de mannenafdeeling, als zijnde

van voren open, geen voldoende schuilplaats, bood. Maar het doordringen

van een man in de vrouwenafdeeling is een met den dood strafbare

misdaad, en zoodra Jaëls man thuis kwam, zou hij onmiddellijk den

vreemden indringer tegen den grond hebben geslagen, en Jaël zelf zou

haar rechtvaardige straf niet hebben ontgaan. Daarom doodt zij den

vreemden indringer en redt daardoor tevens haar eigen eer en leven. Het

valt aanstonds op, hoe gewrongen en onnatuurlijk die opvatting is. Jaël

komt immers den vluchtenden man tegemoet buiten de tent, en noodigt hem

binnen, onthaalt hem als gast, verleent hem gastvrijheid en als hij

niets kwaads vermoedende, zich neerlegt, slaat ze hem verraderlijk een

tentpin door het hoofd. We behoeven ons niet in allerlei bochten te

wringen om Jaël van verraad vrij te praten: haar daad was gemeen,

verraderlijk, was al mee het ergste wat een bedoeïenenvrouw kon doen,

maar niettemin werd Israël er door van een gevaarlijken vijand verlost.

’t Is ’t zelfde als wanneer Jozefs broeders hem als slaaf verkoopen, en

dat het middel wordt „om een groot volk in het leven te behouden,”

omdat God uit het kwade het goede deed voortkomen, maar daardoor wordt

het kwade zelf nog niet goed.

Meest alle bedoeïenen hebben slechts ééne vrouw. De Mohammedaansche wet

laat overigens de polygamie in zooverre toe, dat één man vier vrouwen

mag hebben, maar dat komt in de praktijk heel zelden voor, omdat het

veel te kostbaar is. Maar deze eene vrouw wordt alleen als moeder

geëerd; overigens is zij in elk opzicht de slavin van den man, ze eet

niet samen met den man, maar afzonderlijk, mengt zich niet in zijn

zaken, zelfs niet in zijn gesprekken, en gehoorzaamt hem als haar heer.

Is zij kinderloos, dan is haar positie nòg onaangenamer. Onder geen

voorwaarde mag een vreemdeling den bedoeïen naar den welstand zijner

vrouw vragen: dat geldt als hoogst ongepast. De eenige taak der vrouw

is: kinderen voort te brengen, liefst zonen, ander nut heeft ze niet.

Ongehuwde vrouwen komen dan ook niet voor. Heeft een bedoeïenenvrouw

zich aan overspel schuldig gemaakt, dan wordt ze, meestal door hare

naaste verwanten, wreedaardig vermoord. Doen deze dat niet, dan wordt

de heele stam onteerd, en zouden de meisjes uit dien stam niet eens

meer een eervol huwelijk kunnen aangaan. Men kan dat wreedaardig

vinden, maar het getuigt toch van een hoogere zedelijke opvatting van

het huwelijk dan tegenwoordig in sommige „beschaafde” kringen ten

onzent gangbaar is, waar op zedelijk gebied ongeveer alles geoorloofd

schijnt.

Op onze plaat zien we de beide mannen liggen rondom een vuur in het

midden der mannenafdeeling, terwijl boven het vuur op een

geïmproviseerde drievoet een pot hangt. Het hoofdvoedsel is brood en

melk, vleesch eten ze zelden; komt onverwacht een gast, dan wordt snel

een schaap of geit van de kudde gehaald en een vleeschmaaltijd gereed

gemaakt (Gen. 18 : 7). Ook is soep een geliefkoosd eten, waarvoor de

meest verschillende „groenten” moeten dienst doen. „Alle planten zijn

eetbaar”, zou eens een bedoeïen hebben gezegd. Daar de bedoeïen bijna

uitsluitend op de veeteelt is aangewezen, en de van het vee verkregen

producten niet alleen sterk afhankelijk zijn van de aanwezigheid van

goede weide, en deze weer van de hoeveelheid regen, maar ook zeer sterk

wisselen volgens den tijd van het jaar, kent de bedoeïen naast tijden

van overvloed—de tijd dat de kameelen „nieuwmelkt” geworden zijn, niet

minder zijn tijden van gebrek, ja van honger. Gedurende een langen tijd

van het jaar moet hij zich met zeer schrale kost vergenoegen; gedroogde

kaas, dadels, en alleen als hij dicht bij het kultuurland leeft, kan

hij zich brood verschaffen.

De Schrift spreekt nog van een ander soort voedsel o.a. door Johannes

den Dooper gegeten: de sprinkhaan. Deze zijn in en om Palestina zeer

talrijk, men telt wel een 40 soorten. Vooral die soorten, die als

trekvogels van de eene plaats naar de andere vliegen en grenzeloos

vraatzuchtig zijn, zijn om hun verwoestende gevolgen gevreesd. Waar ze

zich neerlaten, blijft niets over. Als een vijandelijk leger—zie de

mooie beschrijving bij Joël 2 : 2–11—laten ze zich neer in zwermen die

den hemel zelfs verduisteren. Sommige soorten van deze sprinkhanen zijn

eetbaar, men zegt dat ze aan garnalen doen denken, maar zijn minder

smakelijk. Ook worden ze in zakken verzameld, de vleugels worden

uitgetrokken, de ingewanden uitgehaald, dan worden ze op het dak gelegd

om te drogen, ingezouten en dikwijls fijngemalen en tot brood gebakken.

Maar we moeten het er voor houden, dat het toch altijd een brood der

armoede is, al wordt het om zijn goeden smaak geprezen. In elk geval

wordt Matth. 3 : 4 het eten van sprinkhanen en wilden honig door

Johannes den Dooper, meegedeeld als bewijs voor zijn sobere

levenswijze. Ook het manna dient nog heden ten dage als voedsel. Het is

een product van een soort tamariskenstruiken. Een insect steekt een

kleine opening in den bast van den boom, dan vloeit er een soort hars

uit, dat, aan de buitenlucht blootgesteld, verstijft, en kleine korrels

vormt, die worden opgezameld en gegeten. Alleen als er voldoende regen

valt, is op een mannaoogst te rekenen. Ook kwakkelen zijn nog heden ten

dage een gewild voedsel, en verschillende reizigers verzekeren dat ze

daarvan een inderdaad smakelijk maal weten te maken.

De voornaamste drank is natuurlijk water, maar de bedoeïen is dol op

koffie, en een „kopje koffie” is wel het eerste waarmee ze een

aangekomen gast eeren. Eerst worden de boonen in een pan geroosterd,

dan in een door jarenlang gebruik en vuilheid groezelig-viezen houten

bak fijngestooten, welke bezigheid in een bepaalden rythmus en met een

begeleidend neurie-wijsje wordt volbracht, dan wordt het grove meel in

een kan gekookt, zoo dat de koffie als een drabbig vocht wordt

ingeschonken, een soort dunne brij. Er schijnt geen beter middel om den

dorst te verslaan.

De bedoeïen houdt verder bizonder veel van rooken. Iedere bedoeïen

heeft zijn pijp, en rooken, koffiedrinken en vertellen breekt de

eentonigheid van het leven dezer kinderen der woestijn.

In een der reisbeschrijvingen vond ik een vergelijking tusschen het

leven in de woestijn en het rondtrekken van Israël in diezelfde

streken. De schrijver zegt: „Hoe dikwijls zeide ik niet tot mij zelf:

Ziedaar Israël! Als men den armen Sheik, die thans in schamele kleeding

ons met zijn twee kameelen begeleidde, schapen en runderen en kameelen,

dienstknechten en dienstmaagden had gegeven, waarom zou hij er dan niet

uitgezien hebben, zooals Abraham in zijn tijd? Zouden Izaäk en Ismaël

niet juist zoo getwist hebben als die twee kloeke bedoeïenen-jongens

het thans voor onze tent deden? Van Abraham af komen over het algemeen

in de woestijn de bijbelsche verhalen ons natuurlijker en

begrijpelijker voor dan de vroegere, waarmee wij minder vertrouwd zijn.

De harem-geschillen van den grooten Sheik Ibrahim, zooals Abraham ook

thans nog wel genoemd wordt, en van Jakob, zijn zeer gemakkelijk te

verklaren in dit land, en onder dit volk. Het wonderschoone verhaal van

de ontmoeting tusschen Izaäk en Rebekka ademt niet alleen een echt

morgenlandschen geest, maar die gewoonte komt ons ook gemeenzaam en

vanzelfsprekend voor in deze omgeving. Op de raadselachtige

geschiedenis van de besnijdenis van Mozes valt, als men die in verband

met een oud-Arabische opvatting beschouwt, een nieuw licht. Of wanneer

de bedoeïenen, als wij hun van ons geconserveerd vleesch wilden geven,

voordat ze er van durfden eten, eerst angstvallig vraagden of daar geen

chansir, varkensvleesch, bij was, dan werd men vanzelf herinnerd aan

het Israëlietische gebod, betreffende de reine en onreine dieren.”

In het bovenstaand bijschrift is ons, hoewel wij die vergelijking niet

trokken, ieder oogenblik de juistheid dezer woorden gebleken.

Oostersch leven · 第 6 / 18 题