Daarna verdwenen allen met Squambo, de Indiaan, die door den speurhond

vergezeld was, aan het hoofd, achter de reusachtige rietstengels van

den oever en tusschen de struiken en onder de kruinen van het bosch.

Een der negers had voorzeker de pont naar de overzijde teruggevoerd,

om te beletten dat iemand naar het eiland zou kunnen oversteken. De

mestiesche vrouw kon het vaartuig evenwel niet ontwaren en moest in

de meening verkeeren, dat het den oever van het kanaal gevolgd had.

Toen aarzelde zij niet meer.

De kleine Dy was zooeven wakker geworden. Haar vermagerd lichaampje

was pijnlijk om aan te zien onder hare kleertjes, die ten gevolge

der doorgestane vermoeienissen zeer veel geleden hadden en op vele

plaatsen deerlijk versleten waren.

»Kom, lieve," zei Zermah.

»Waarheen?"

»Kom maar."

»Ik wou toch weten waarheen, goede Zermah," herhaalde het meisje met

zachte stem, maar toch met een soort van eigenzinnigheid, aan kinderen

zoo eigen.

»Daarheen... daar in het bosch... Daar zullen wij waarschijnlijk uw

vader en uw broeder aantreffen."

»O, dat is heerlijk!" kreet Dy.

»Shut!... Zachter!... Maar Dy, zult ge niet bang in dat bosch zijn?"

»Zeker niet! Als ik bij u ben, goede Zermah, ben ik nooit bang."

»Kom dan."

De zelfopofferende vrouw opende toen met de meest mogelijke voorzorgen

de deur. Daar zij geen gerucht in het belendende vertrek vernomen had,

kon zij veronderstellen, dat Texar niet in de wigwam was.

En inderdaad, er was niemand.

Al dadelijk keek Zermah naar eenig wapen uit, dat zij gebruiken kon,

en waarvan zij ook vast besloten was gebruik te maken, wanneer iemand

haar het vluchten zou willen beletten. Op de tafel bespeurde zij een

van die dolken met breed lemmet, waarvan de Indianen zich bij hunne

jachtpartijen bedienen. Zij greep dien dolk en verborg hem onder hare

kleeding. Zij nam ook eenige reepen gedroogd vleesch mede, die hare

voeding gedurende eenige dagen moesten uitmaken.

Thans kwam het er op aan om de wigwam te verlaten. Zermah tuurde

door de reten van de gevlochten omwanding in de richting van het

kanaal. Geen enkel levend wezen bewoog zich op dat gedeelte van het

eiland; zij zag zelfs den speurhond niet, die tot bewaking van de

woning achtergelaten was.

Eenigermate gerustgesteld poogde toen de mestiesche vrouw de buitendeur

te openen. Deze evenwel bood aan die poging weerstand; zij was aan

den buitenkant gegrendeld.

Zermah keerde toen dadelijk met het kind naar hare kamer terug. Er

bleef haar toen niets anders te doen over dan het gat te benutten, dat

reeds in de omwanding bestond en onder hare vingeren reeds eenigszins

verwijd was.

Die arbeid was niet moeielijk. De koene vrouw kon den dolk gebruiken

om de bindrotting door te snijden, welke het vlechtwerk te zamen

bond. Zij vorderde dan ook spoedig, zonder merkbaar gerucht te maken.

Maar al bespeurde Zermah den waakhond thans niet, zou dat ook zoo

blijven, wanneer zij naar buiten zou treden? Zou het dier dan niet

toeijlen, om zich op haar en op het kind te werpen? Als zij daaraan

dacht, dan scheen het haar verkieselijker toe, een tijger te ontmoeten.

Toch mocht zij niet aarzelen. Toen het gat in de omwanding groot genoeg

was, trok zij het kind tot zich en drukte het met eene hartstochtelijke

beweging aan de borst. Wederkeerig kuste en liefkoosde het meisje

haar met innigheid. Zij had begrepen dat zij vluchten moesten,

vluchten door dat gat.

Zermah kroop door de gemaakte opening. Eerst keek zij scherp links

en rechts uit, en luisterde aandachtig. Geen enkel geluid werd

vernomen. Toen kroop de kleine Dy door het gat.

In dit oogenblik liet het hondengeblaf zich hooren. Het scheen zeer

verwijderd van den westkant van het eiland te komen. Zermah had het

kind gegrepen. Het hart klopte haar in de borstkas, alsof het die uit

elkander wou doen springen. Zij begreep dat aan geene betrekkelijke

veiligheid te gelooven viel, alvorens zij achter de rietbosschen op

den anderen oever zoude verdwenen zijn.

Maar het moeielijkste en gevaarlijkste van de geheele onderneming

was, de ruimte van ongeveer honderd pas zee over te steken, welke

de wigwam van het kanaal scheidde. Men liep er groote kans om door

Texar of door een der slaven, die op het eiland achtergebleven waren,

bespeurd te worden.

Gelukkig verhief zich rechts van de wigwam een dicht boschje van

boomachtige struiken, met biezen vermengd, hetwelk zich tot op den

oever van het kanaal, tot op weinige meters slechts van de plek waar

de pont moest liggen, uitstrekte.

Zermah besloot, zich te midden van den dichten plantengroei van dat

boschje te begeven, en weldra had zij dat voornemen uitgevoerd. De

meer dan twee meter hooge gewassen verleenden doortocht aan de

beide vluchtelingen, en hun gebladerte sloot zich achter haar aan

elkander. Van hondengeblaf werd niets meer vernomen.

Dat sluipen door die struiken geschiedde evenwel niet zonder moeite

en inspanning. De arme schepsels moesten zich soms tusschen de dunne

stammen en takken der boompjes, die slechts eene betrekkelijke ruimte

aanboden, als het ware wringen. Weldra waren de kleeren van Zermah aan

flarden gescheurd en waren hare handen vol bloed. Maar wat kon haar

dat schelen! Als zij er maar in slaagde het kleine kind te vrijwaren

voor de scherpe lange doornen, welke die gewassen in groote menigte

overdekten. Die prikken, die verwondingen konden der moedige vrouw

geen kreet, zelfs geen gebaar van pijn afdwingen. Toch gebeurde het

dat, in weerwil van hare opoffering, in weerwil van hare zorgen, de

kleine Dy aan handjes en armpjes verwond werd. Maar het lieve kind

liet geen klacht hooren.

Hoewel de af te leggen afstand slechts kort was, een zestig meter

ongeveer, was er toch een vol half uur noodig om den oever van het

kanaal te bereiken.

Zermah hield toen halt en tuurde tusschen de biezenstengels door,

eerst in de richting van de wigwam, daarna in de richting van het woud.

Niemand werd onder het hoog geboomte van het eiland ontwaard. Ook

op den anderen oever werd niets bespeurd van Texar en zijne makkers,

die zich toen op een afstand van een of twee mijlen in het innerlijke

van het bosch moesten bevinden. Wanneer zij geene ontmoeting met de

Noordelijken hadden, dan zouden zij niet dan over ettelijke uren naar

het eiland wederkeeren.

Intusschen kon Zermah nog maar niet gelooven, dat zij in de wigwam

alleen achtergelaten was. Het was toch ook niet te veronderstellen,

dat die der beide broeders Texar, welke daags te voren met een

troep partijgenooten aangekomen was, het eiland dienzelfden nacht

verlaten had, noch dat de hond hem gevolgd was. Daarenboven,

de arme vluchtelinge had het geblaf duidelijk gehoord en was dat

voor haar een bewijs, dat de speurhond nog tusschen de struiken

ronddoolde. Ieder oogenblik kon zij den een of den ander zien te

voorschijn komen; misschien was het mogelijk, wanneer zij zich haastte,

het Cypressenbosch te bereiken.

De lezer zal voorzeker niet vergeten hebben, dat Zermah, terwijl

zij den overtocht van het kanaal door de makkers van den Spanjaard

bespiedde, zij door de hoogte van de biezen, die op de oevers groeiden,

en ook door de verhevenheid der oevers zelven, de pont niet had kunnen

zien, wanneer die overvoer.

Nu twijfelde Zermah er niet aan, dat die pont door een der slaven

naar het eiland teruggebracht was. Dat kwam haar voor de veiligheid

van de wigwam noodzakelijk voor, voor het geval dat de soldaten van

kapitein Howick er in slaagden de Zuidelijken om te trekken.

En toch was het ook mogelijk, dat de pont bij den tegenovergestelden

oever gebleven was. Dat kon voorzichtig heeten, om den terugtocht van

Texar en de zijnen te verzekeren, wanneer zij door de Federalisten

op den voet achtervolgd werden. De arme vrouw bedacht dat thans

ook.... Maar wat zou zij in dat geval moeten doen, om den anderen oever

te bereiken? Zou zij dan eene schuilplaats te midden van de wildernis

zoeken? En zou zij daar moeten wachten totdat de Spanjaard verjaagd

werd en naar de Everglades zoude vertrekken, om zich daar te bergen?

Maar al besloot hij daartoe ook, dan zou hij niet daartoe overgaan

zonder al het mogelijke in het werk gesteld te hebben, om Zermah en

het kind weer te vinden. Alles zou dus daarin alleen eene oplossing

vinden, indien de vluchtelinge de pont vond, om daarmede het kanaal

over te steken.

Zermah sloop over eene uitgestrektheid van vijf of zes meters tusschen

de biezen door. Bij den oever gekomen, bleef zij staan....

De pont bevond zich aan de overzijde.

XV.

DE BEIDE BROEDERS.

De toestand was voorwaar wanhopig. Hoe toch dat kanaal over te

steken? Een koene zwemmer zou zich niet te water kunnen begeven zonder

gevaar te loopen twintig malen het leven er bij in te schieten. Ja,

het is waar, het kanaal was slechts een honderd voet breed, van den

eenen oever tot den anderen gemeten. Maar toch was de overtocht zonder

vaartuig onmogelijk. Hier en daar toch staken driekante koppen boven

het water uit en men kon de waterplanten onder den druk der kruipende

dieren zien bewegen.

De kleine Dy, schier waanzinnig van angst, sloot zich dicht tegen

Zermah aan. O, wanneer het voldoende geweest ware om het kind te

redden, dat de mestiesche vrouw zich te midden van die monsters te

water begaf, die haar als eene reusachtige poliep met hare duizenden

vangarmen zouden aangevat en omkronkeld hebben, inderdaad zij zou

geen oogenblik geaarzeld hebben!

Maar om hier redding aan te brengen, zou waarlijk de tusschenkomst

der Voorzienigheid noodig zijn. Ja, der Voorzienigheid; want hier kon

God slechts helpen! Zermah zag geen heil meer dan in en door Hem. Zij

knielde neer op den oever en smeekte de Almacht, die alles en dus ook

het toeval in zijne hand heeft en waarvan Hij zich meestal bedient

als uitvoerder van zijn Goddelijken wil.

Intusschen konden van het eene oogenblik tot het andere eenige der

makkers van Texar uit den rand van het woud te voorschijn treden. Ook

kon die Texar, welke op het eiland achtergebleven was, naar de wigwam

terugkeeren. Hij zou Dy en Zermah missen en dadelijk zijne nasporingen

beginnen....

»O God..." zuchtte de rampzalige vrouw. »Mijn God hebt toch

medelijden."

Hare blikken zwierven zoekend rond, terwijl zij zoo bad.... Plotseling

vestigde haar oog zich naar den rechter-oever van het kanaal.

Het water stroomde zachtkens naar het noordelijk gedeelte van het

meer, waar eenige spruiten vlieten van de Caloosahatchee, een der

riviertjes, die in de Golf van Mexico uitmonden, maar waardoor

het meer Okee-cho-bee, bij de groote maandelijksche springvloeden

watertoevoer krijgt.

Een boomstam, die met den stroom afdreef, was met een tak aan den wal

blijven haken. Zou die stronk niet dienen kunnen om het kanaal over

te steken? Door den invloed van een bocht, zette de stroom toch naar

de overzijde en zou hen tot bij het Cypressenwoud voeren. Dat was te

beproeven. In ieder geval, al dreef die boomstam ook weer naar het

eiland terug, dan zou de toestand niet erger kunnen worden dan hij

reeds was.

Zonder verder nadenken en als bij instinct ijlde Zermah op den

drijvenden boomstam toe. Wanneer zij tijd tot overwegen had genomen,

dan ware zij waarschijnlijk teruggedeinsd bij de gedachte, dat

waterplanten dat vervoermiddel konden weerhouden in het midden

van het kanaal, waarin slangen en ander ongedierte als het ware

krioelden. Jawel! Jawel! maar alles, hoe vreeselijk ook was te

verkiezen boven het verblijven op het eiland! Zermah greep dan ook

Dy, tilde haar op, en na zich goed met de eene hand aan de takken

vastgegrepen te hebben, werkte zij den boomstam van den oever los.

Deze volgde onmiddellijk den stroomdraad en toonde neiging naar den

anderen oever over te trekken.

Zermah poogde intusschen zich te midden der takken van den gevallen

woudreus te verbergen. Dat was zoozeer niet noodig, daar de beide

oevers van het kanaal eenzaam en verlaten waren. Geen geluid, noch van

den kant van het eiland, noch van den kant van het Cypressenwoud, werd

vernomen. De mestiesche vrouw zou, wanneer zij maar eenmaal het kanaal

overgetrokken was, wel eene schuilplaats tot het vallen van den avond

vinden, totdat zij zonder gevaar van ontdekt te worden, het bosch zou

kunnen binnendringen. De hoop was in haar hart weergekeerd. Zij dacht

ternauwernood meer aan de slangen, welker koppen ter weerszijden van

den boomstronk gezien werden en die tot in de lage takken kropen en

wiemelden. Het kleine kind had van angst de oogen gesloten. Zermah

klemde haar met de eene hand tegen hare borst, met de andere hield

zij zich gereed op die monsters toe te steken. Maar, hetzij dat die

ondieren verschrikt op het gezicht van den dolk, die hen dreigde,

hetzij dat zij slechts onder water te duchten waren, zij klommen niet

tegen den boomstam op.

Eindelijk bereikte de drijvende stronk het midden van het kanaal,

vanwaar de stroom schuins naar het Cypressenwoud overstak. Wanneer

hij niet in de waterplanten verward raakte, dan zou hij, alvorens een

kwartier verloopen zoude zijn, den anderen oever bereikt hebben. En

dan... dan... hoe groot en menigvuldig de gevaren dan ook nog waren,

dan waren zij, volgens berekening van Zermah, buiten het bereik

van Texar.

Plotseling klemde de arme vrouw het kind steviger in hare armen.

Verwoed geblaf werd plotseling op het eiland vernomen. Bijna

onmiddellijk daarop verscheen een hond op den oever van het kanaal,

dien hij in vollen ren volgde.

Zermah herkende den speurhond, die door den Spanjaard ter bewaking

van de wigwam achtergelaten was.

Ter gewilde hoogte gekomen, scheen de hond met overeindstaande haren,

met van woede flikkerende oogen, gereed te zijn, in het water te

springen, in weerwil van de slangen, die aan de oppervlakte wiemelden.

In dat oogenblik verscheen een man op den oever van het eiland.

Dat was die der twee Texars, die achter gebleven was. Door het geblaf

van den hond gewaarschuwd, kwam hij aangeloopen.

Welke woede hem bezielde, toen hij Dy en Zermah op dien boomstam

drijvende zag, is onmogelijk te beschrijven. Hij kon hen niet

achtervolgen, omdat de pont aan de overzijde van het kanaal

vastgemaakt lag. Om haar weer in handen te krijgen, bestond maar één

middel, namelijk Zermah te dooden, op gevaar af ook het kind op te

offeren. Texar had bij het vernemen van het hondengeblaf in der haast

een geweer gegrepen. Dat wapen bracht hij thans aan den schouder en

mikte op de mestiesche vrouw, die het kleine kind met haar lichaam

poogde te dekken.

Plotseling sprong de hond, die aan eene doldriftige opwinding ten

prooi was, in het kanaal. Texar was van meening, dat hij dien maar

al vast moest laten begaan.

De hond zwom met spoed naar den boomstam. Zermah hield het gevest van

den dolk in hare vastklemmende hand en was gereed toe te stooten... Dat

was evenwel niet noodig.

In een ondeelbaar oogenblik hadden de slangen den hond, in weerwil

dat hij hunne giftige beten met zijne machtige tanden poogde te

beantwoorden, omkronkeld en verdween hij weldra onder de waterplanten.

Texar had den dood van zijn hond moeten aanzien zonder hem hulp te

kunnen bieden... Zermah was op het punt te ontsnappen.

»Sterf dan, verwenscht wijf!" gromde hij.

Andermaal bracht hij het geweer aan den schouder, mikte gedurende

een zeer korte poos en vuurde, maar de boomstam raakte juist in

dat oogenblik den overoever en schokte hevig, waardoor de kogel der

mestiesche vrouw slechts licht aan den schouder kwetste.

Weinige seconden later lag de boomstam zoo dicht langs den oever, dat

Zermah met het kind in hare armen op den oever sprong en te midden van

de dichte bergen verdwenen was. Natuurlijk was het geheel overbodig,

haar een tweeden kogel na te zenden. Die zou haar toch niet geraakt

hebben. In weinige oogenblikken had zij het uitgestrekte cypressenwoud

bereikt.

Intusschen, al had de mestiesche vrouw niets meer te vreezen van

diengeen der twee Texars, die op het eiland achtergebleven was, zoo

sloot dat de mogelijkheid niet uit, dat zij diens broeder ontmoeten

en in zijn handen vallen kon.

Hare eerste zorg was dan ook, om zich zoo spoedig en zoo ver mogelijk

van het eiland Garneral te verwijderen. Wanneer de nacht ingevallen

zoude zijn, zou zij hare schreden naar het Washington-meer richten. En

te baat nemende alles wat zij aan lichamelijke kracht en zedelijke

geestkracht bezat, liep, vloog zij eerder dan dat zij voortstapte,

waarbij zij, terwijl zij het kind, dat haar niet zou kunnen volgen

zonder haar te vertragen, op de armen droeg, op goed geluk de een

of andere richting insloeg. De kleine en nog zwakke beentjes van

Dy zouden haar lichaam niet hebben kunnen torsen, wanneer zij over

dien ongelijken bodem had moeten voortstappen, te midden van de

moeraskuilen, die allerwege aangetroffen werden en die, als waren

het wolfskuilen voor het oog verborgen, zeer gevaarlijk waren, te

midden van die boomstronken en wortelknoesten, die wild en woest door

elkander gegroeid, even zoovele onuitwarbare hinderpalen vormden.

Zermah stapte dus voort met haren dierbaren last op hare armen,

waarvan zij de zwaarte niet scheen te achten. Soms stond zij stil--niet

zoozeer om weer bij adem te komen, dan wel om het oor te spitsen,

ten einde al de geluiden van het woud waar te kunnen nemen.

Nu eens meende zij geblaf te hooren en zou dat van geen ander

dier afkomstig zijn, dan van den anderen speurhond, die door Texar

medegenomen was; dan weer vernam zij in de verte geweerschoten. Zij

vroeg zich dan af, of de partijgangers der Zuidelijken niet handgemeen

waren met het federalistisch detachement. Maar wanneer zij dan later

inzag, dat al die geluiden slechts veroorzaakt werden òf door den

een of anderen nabootsenden vogel, òf door het knappen van droge

takken, die door het afbreken hunner vezels een knal als van een

pistoolschot lieten vernemen, dan hervatte zij haren slechts voor

een poos gestoorden marsch.

Thans nu zij met hoop bezield was, wilde zij, vóórdat zij de bronnen

der Sint John-rivier bereikt had, geen der gevaren zien, die haar

bedreigden.

Zoo stapte zij gedurende een vol uur moedig en vastberaden in

oostelijke richting voort, waarbij zij zich van het meer Okee-cho-bee

verwijderde, ten einde dichter bij den Atlantischen Oceaan te

geraken. Zij redeneerde alzoo en met reden: dat de vaartuigen van

het smaldeel van den Commodore Dupont op de kusten van Florida zouden

kruisen, om het detachement af te wachten, hetwelk onder de bevelen

van kapitein Howick naar den wal gezonden was. En zou het nu onder

die omstandigheden onmogelijk geacht kunnen worden, dat eenige sloepen

langs die kust op brandwacht lagen?...

Zermah bleef plotseling stil staan. Neen, ditmaal vergiste zij zich

niet. Een woedend geblaf werd onder het geboomte van het woud vernomen

en naderde, naar het geluid te oordeelen, zeer snel. Zermah herkende

de stem van het dier, die zij zoo dikwijls gehoord had, wanneer de

beide speurhonden rondom het blokhuis in de Zwarte Kreek doolden.

»O God," dacht zij, »die hond is ons op het spoor, en Texar kan thans

niet meer ver af zijn."

Haar eerste zorg was dan ook, naar eenig dicht struikgewas uit te

zien, om zich daarin met het kind te verschuilen. Maar zou zij aan

het reukorgaan van een dier ontsnappen, dat zoo slim als wreedaardig

en daarenboven op de jacht der gevluchte slaven gedresseerd was en

hen dadelijk op het spoor kwam?

Het geblaf naderde al meer en meer, en weldra werd in de verte reeds

geschreeuw vernomen.

Een oude cypresboom, welks stam door ouderdom uitgehold was en

waaromheen de klimplanten en de banen een dik kleed van groen

gevlochten hadden, verhief zich op een kleinen afstand van daar.

Zermah verborg zich in allerijl in die uitholling, welke ruim genoeg

was, om haar en het meisje te bevatten. Toen zij er ingekropen waren,

vielen de lianenstengels en klimopranken als een gordijn voor de

opening neder.

Maar de speurhond was haar op het spoor. Slechts weinige minuten later

ontwaarde Zermah hem voor de opening. Hij blafte met klimmende woede

en ijlde met een sprong vooruit, om de opening binnen te dringen.

Een dolkstoot deed hem afdeinzen, terwijl hij verschrikkelijk jankte.

Bijna onmiddellijk daarna werd het geluid van voetstappen vernomen;

herhaaldelijk geroep en het antwoord daarop weerklonk door het bosch,

en onder de stemmen, die zich het meest deden gelden, kwamen die van

Texar en van Squambo het duidelijkst uit.

Het waren inderdaad de Spanjaard en zijne makkers, die het meer

trachtten te bereiken, om aan het federalistisch detachement te

ontsnappen. Zij hadden dat plotseling in het cypressenbosch ontmoet;

maar daar zij zich niet sterk genoeg gevoelden, hadden zij in allerijl

den terugtocht aangenomen. Texar poogde het eiland Garneral langs den

kortsten afstand te bereiken, om het breede kanaal tusschen hem en de

federalisten te stellen. Daar deze dat breede vaarwater niet zonder

vaartuig zouden kunnen oversteken, zouden zij door dien hinderpaal

opgehouden worden. Dan zouden de partijgenooten van Texar van dat

oogenblik van uitstel gebruik maken, om den anderen oever van het

eiland te bereiken, om vandaar, wanneer de nacht ingevallen zoude

zijn, de pont te gebruiken, om op den zuidelijken oever van het meer

te ontschepen.

Toen Texar en Squambo bij den cypressenboom waren aangekomen, waarvoor

de hond nog steeds stond te janken, zagen zij bloedvlekken op den

grond, en bij nader inzien bespeurden zij, dat het dier belangrijk

in de zijde verwond was.

»Die hond is gekwetst," riep Texar.

»Ja, door een messteek, en dat nog slechts weinige oogenblikken

geleden. Kijk, het bloed rookt nog."

»Wie zou dat...?"

In dit oogenblik sprong de hond weer op het gordijn van groen terug,

dat Squambo met zijn geweer optilde.

»Zermah!" riep hij uit.

»En het kind!" schreeuwde Texar. »Hoe hebben zij kunnen

ontvluchten? Ter dood, dat wijf ter dood!"

De uitgeputte vrouw werd door Squambo ontwapend op het oogenblik, dat

zij op Texar toesteken wilde. Daarna werd zij zoo woest en wild uit

hare schuilplaats gesleurd, dat het kind haar ontviel en te midden

van die reuzen-paddestoelen rolde, te midden van die perisen, welke

zoo overvloedig in de Amerikaansche cypressenbosschen voorkomen.

Bij den ondervonden schok barstte een dier paddestoelen los alsof

het een vuurwapen ware geweest. Een fijn lichtgevend stof vermengde

zich in de lucht. Op hetzelfde oogenblik sprongen andere perisen op

hun beurt open. Het was een spektakel alsof daar in dat bosch een

groot vuurwerk afgestoken werd, waarvan de vuurpijlen en voetzoekers

elkander kruisten.

Texar, door die myriaden van sporen verblind, die plotseling de lucht

vervulden, was verplicht geweest Zermah, die hij gegrepen en ter aarde

gedrukt had en boven wie hij zijn dolk reeds opgeheven had, los te

laten, terwijl Squambo zich in dezelfde noodlottige positie bevond

en zich ook de oogen stond te wrijven. Gelukkig dat de mestiesche

vrouw en het kind, welke op den grond uitgestrekt lagen, door die

sporen, welke boven hunne hoofden uit de paddestoelen losbarstten,

niet bereikt werden.

Toch zou Zermah onmogelijk Texar hebben kunnen ontkomen. De lucht toch

werd, nadat de laatste losbarsting een korte poos geleden geschied was,

weder inadembaar.

Maar toen werden andermaal losbarstingen vernomen--ditmaal

losbarstingen van vuurwapenen.

Het was het federalistisch detachement, hetwelk de partijgangers

der Zuidelijken zoo ter juister tijd aantastte. Deze laatsten waren

in een ondeelbaar oogenblik omsingeld door de zeelieden van kapitein

Howick, en moesten de wapens afgeven. In dat oogenblik stootte Texar,

die Zermah andermaal aangegrepen had, den dolk in de volle borst.

»Het kind!... ontvoer het kind!" riep hij Squambo toe.

De Indiaan had het kind gegrepen en vluchtte reeds naar den kant van

het meer, toen plotseling een geweerschot weerklonk. Door een kogel

in het hart getroffen, welke Gilbert Burbank op hem afgezonden had,

stortte hij dood op den grond.

Allen waren thans vereenigd in dat cypressenbosch: master James

Burbank, Gilbert Burbank, Edward Carrol, Mars, de negers van

Camdless-Bay, de mariniers van kapitein Howick, die met aangelegd

geweer de Zuidelijken bedreigden. Texar stond met opgeheven hoofd

naast het lijk van Squambo.

Eenige der partijgangers hadden evenwel kunnen ontvluchten en waren

naar den kant van het eiland Garneral geijld.

De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar · 第 17 / 18 段