volgehouden geheimzinnig waas omringden, hadden zij ook met veel zorg
eene geheimzinnige verblijfplaats opgespoord, die hen op een gegeven
oogenblik tot schuilplaats kon dienen.
Zooals de lezer weet, hadden zij die in de Zwarte Kreek gevonden. Het
centrale eiland in die halfvorming en het verlaten fortje ontdekten
zij bij hunne nasporingen, welke zij langs de oevers der Sint John
volvoerden. Daarheen brachten zij eenige slaven over, aan wie zij het
geheim hunner gelijkenis niet mededeelden. Alleen Squambo de Indiaan
was volledig ingelicht omtrent hun dubbel bestaan. Hij was vervuld met
eene toewijding jegens de beide broeders, die elke beproeving tartte;
daarenboven was hij bescheiden en wist te zwijgen, omtrent alles wat
de beide Texars aanging; zoodat hij een uitmuntende vertrouweling
was en ook als onverbiddelijke uitvoerder hunner wilsuitingen kon
aangemerkt worden.
De lezer zal wel begrepen hebben, dat de twee broeders zich nimmer te
zamen in de Zwarte Kreek vertoonden. Wanneer zij de een of andere zaak
te bepraten hadden, dan waarschuwden zij elkander schriftelijk. En
men heeft kunnen bemerken, dat zij bij zulke gelegenheden zich niet
van de post bedienden. Een briefje werd in een blad gerold, dat blad
werd aan een tak van een tulpboom bevestigd, die in een naburig moeras
van de Zwarte Kreek groeide; meer was niet noodig.
Squambo begaf zich iederen dag, evenwel niet dan na de grootste
voorzorgen genomen te hebben, naar die plek. Wanneer hij overbrenger
was van een brief van diengeen der Texars, die in de Zwarte Kreek
verblijf hield, dan bevestigde hij hem aan den tulpboom; wanneer het
de andere tweeling was, die geschreven had, dan nam hij den brief
van de vooraf besproken plaats en bracht hem naar het blokhuis.
Die beide ellendelingen waren nog niet lang in Florida, of zij waren
in gemeenschap getreden met het liederlijkste gedeelte van de bevolking
van het schiereiland. Vele boosdoeners werden hunne medeplichtigen bij
tal van diefstallen, welke in dat tijdperk gepleegd werden. Die dieven
en helers werden later hunne partijgenooten, toen de twee broeders
besloten eene rol in den gruwelijken secessie-oorlog te spelen.
Nu eens stelde zich de een, dan weer de ander aan het hoofd van den
misdadigen troep, waarvan niemand in het minst vermoedde, dat twee
personen dien naam van Texar voerden.
Thans zal de lezer wel begrijpen, hoe bij de vervolging van zoo
verscheidene misdaden, de beide Texars steeds zeer gevat zich op
onwraakbare alibi's konden beroepen, en waarom die als onweerlegbaar
in de gedingen aangenomen moesten worden. Het was evenzoo gegaan
met misdaden, die gedurende het tijdperk vóór het begin van deze
geschiedenis bij het gerecht aangegeven waren, waar onder meer anderen
de brandstichting eener pachthoeve moest gerekend worden.
Hoewel master James Burbank en de mestiesche vrouw Zermah den Spanjaard
bepaald als den dader van de brandstichting herkend hadden, was deze
toch door de rechtbank van Sint Augustijn vrijgesproken, toen hij
bewezen had, dat hij zich op het oogenblik dat de misdaad gepleegd
werd, te Jacksonville in de tienda van Torillo bevonden had. Dat werd
toch door een groot aantal getuigen onder eede bevestigd.
Zoo was het ook gegaan met betrekking tot de verwoesting van de
plantage Camdless-Bay.
Hoe zou het toch mogelijk geweest zijn, tegelijkertijd de plunderaars
bij den stormaanval op Castle House aan te voeren en de kleine Dy en
Zermah te ontvoeren, terwijl hij zich toen onder de krijgsgevangenen
bevond, die de Federalisten te Fernandina gemaakt hadden en aan boord
van een der oorlogsschepen van het noordelijk eskader in verzekerde
bewaring gebleven waren?
De krijgsraad was dus genoodzaakt geweest hem, in weerwil van de
vele bewijzen, in weerwil van de getuigenis, door miss Alice Stannard
onder eede afgelegd, vrij te spreken.
En zelfs, al neemt men aan dat de beide Texars als dubbelgangers
erkend werden, dan nog zou men zeer waarschijnlijk nimmer te weten
komen, wie hunner persoonlijk de bedoelde misdaden pleegde of daaraan
deelnam. Maar, waren zij, alles wel beschouwd, beiden niet evenzeer
schuldig aan, evenzeer medeplichtig aan, evenzeer de voornaamste
bewerkers van alle die aanslagen, die sedert zoovele jaren op het
Floridasche grondgebied ten uitvoer gelegd werden?
Voorzeker, en de straf, waartoe de een of de ander, of wel beiden
verwezen zouden worden, zou wel verdiend zijn.
Wat de gebeurtenissen aangaat, die onlangs te Jacksonville voorgevallen
waren, het was zeer waarschijnlijk, dat de beide broeders beurtelings
dezelfde rol gespeeld hadden, nadat het rechtmatige gezag door den
opstand van het gepeupel omvergeworpen was. Als Texar I de stad
verliet, om een andere vooraf beraamde onderneming ten uitvoer te
leggen, dan verving Texar II hem bij de uitoefening zijner waardigheid,
en dat zonder dat hunne medeplichtigen of partijgangers omtrent die
persoonsverwisseling eenige gissing koesterden.
Hieruit mag dus besloten worden, dat zij beiden evenveel schuld
hadden aan de uitspattingen, welke zoowel tegen de planters, die
van de Noordelijke Staten afkomstig waren, als tegen hen, die in de
Zuidelijke Staten geboren, den slavenhandel gunstig gestemd waren,
gepleegd werden.
Beiden waren, zooals de lezer wel zal begrijpen, steeds behoorlijk op
de hoogte van hetgeen in de centrale Staten van de Unie voorviel. Zij
hadden daardoor dan ook een zekeren invloed op de halfblanke
bevolking, zoo ook op het schuim der bevolking verkregen. In de
gegeven omstandigheden hadden zij veel briefwisseling, en herhaalde
geheime samenkomsten met elkander moeten houden, ten einde omtrent de
leiding hunner ondernemingen te beraadslagen. Daarna waren zij weer van
elkander gegaan, ten einde hunne toekomstige alibi's voor te bereiden.
En zoo gebeurde het, dat terwijl de een op een oorlogsschip der
Noordelijken krijgsgevangen zat, de ander op hetzelfde oogenblik den
verwoestingstocht tegen Camdless-Bay aanvoerde. De lezer vernam hoe
hij deswege door den krijgsraad van Sint Augustijn wegens het gestelde
alibi van iedere vervolging ontslagen werd.
Hiervoren werd reeds gezegd, dat die verwonderingbarende gelijkenis
der twee broeders, door het vorderen in leeftijd ongeschonden was
gelaten. Toch was het zeer goed mogelijk, dat een toeval van physieken
aard, eene verwonding of iets dergelijks die gelijkenis zou kunnen
verstoren, doordat den een of ander een merkbaar teeken zoude bedeeld
worden. Zoo iets zou voldoende geweest zijn, om het welslagen hunner
zaakbetrekkelijke spitsvondigheid in gevaar te brengen. En bij het
avontuurlijke leven, hetwelk zij leidden, waarbij zij aan zoovele
kwade kansen blootgesteld waren, liepen zij veel gevaar hier of daar
eene verwonding op te doen, die, wanneer zij onherstelbaar ware,
hen de mogelijkheid ontnomen had, voor elkander op te treden.
Waren echter die toevallen herstelbaar, dan zou natuurlijk de
gelijkenis daardoor niet te lijden hebben.
Zoo gebeurde het eens dat een der Texars, korten tijd nadat zij in
Florida aangekomen waren, diens baard door een geweerschot, hetwelk
rakelings op hem afgevuurd was, verbrand werd. Dadelijk schoor zich
de andere tweeling de kin kaal, om baardeloos als zijn broeder te zijn.
Een ander feit, dat ook wel een nadere verklaring verdient. Men
heeft voorzeker niet vergeten, dat Zermah op een nacht, terwijl zij
nog in de Zwarte Kreek gevangen was, den Spanjaard zich den arm zag
tatoueeren. Dat geschiedde omdat zijn tweelingbroeder eens bij een
tocht door een bende Seminool-Indianen opgelicht en toen zoo met dat
onuitwischbaar merk op den linkerarm geteekend was geworden. Deze had
dadelijk eene nauwkeurige teekening van die tatoueering naar het fortje
gezonden, waar Squambo haar even nauwkeurig had kunnen overbrengen. De
identiteit onderling der beide tweelingen bleef dus ongeschonden.
En waarlijk, het zou niet gewaagd zijn te verzekeren, dat wanneer
Texar I een arm of een been kwijt raakte, Texar II niet aarzelen zou,
zich het overeenkomstige lichaamsdeel te laten afzetten.
Om kort te gaan, gedurende een groot tiental jaren gingen de gebroeders
Texar voort dat dubbelgangersleven te voeren, maar zij gingen daarbij
met zulke behendigheid, met zulke voorzichtigheid te werk, dat zij er
in geslaagd waren aan alle vervolgingen van de Floridasche rechterlijke
macht te ontkomen.
Hadden de beide tweelingen met hunne bedrijven eenig vermogen
verworven? Binnen zekere grenzen, ja. Eene vrij aanzienlijke som gelds,
welke zij van de opbrengsten hunner diefstallen en plunderingen
bespaard hadden, was in een geheim hoekje van het blokhuis in de
Zwarte Kreek zorgvuldig opgeborgen. Dat geld was evenwel bij wijze
van voorzorgsmaatregel door den Spanjaard medegenomen geworden,
toen hij besloot naar het eiland Garneral af te reizen, en men kan
er zeker van zijn, dat hij het niet in de wigwam zou achterlaten,
wanneer hij genoodzaakt zoude worden, naar de overzijde van het
Bahama-kanaal te vluchten.
Dat vermogen scheen hen evenwel onvoldoende toe. Zij trachtten het
dan ook te vermeerderen, alvorens er zonder gevaar hier of daar in
Europa of Noord-Amerika van te gaan genieten.
Daarenboven, toen zij vernamen dat de Commodore Dupont voornemens was
om Florida weldra te ontruimen, was het den beiden broeders duidelijk
geworden, dat de gelegenheid geopend zoude worden om zich nog meer te
verrijken; want dan zouden zij de planters, die voor de Noordelijken
gezind waren, die bezetting van weinige weken van Florida door de
federalistische troepen, duur laten betalen. Zij besloten dus op
zien komen te spelen. Wanneer zij maar eenmaal te Jacksonville terug
zouden zijn, zouden zij met behulp van hunne partijgenooten en met
behulp van allen, die zich door hunne sympathieën voor de Zuidelijken
gecompromitteerd hadden, weldra den toestand weten te beheerschen en
de standplaats hernemen, die zij bij een volksoploop veroverd hadden
en die een volksoploop hen weergeven kon.
De beide Texars hadden daarenboven nog een middel in hun bezit, een
beproefd middel, om datgene te erlangen wat hen nog ontbrak om rijk
te kunnen heeten, en zelfs rijker dan zij ooit gedroomd hadden.
En inderdaad, waarom leenden zij het oor niet aan de voorstellen,
welke Zermah aan een hunner gedaan had? Waarom haastten zij zich
niet, de kleine Dy aan hare wanhopige ouders weer te geven? Master
James Burbank zou voorzeker zijn geheele vermogen willen opofferen,
om zijn arm kind terug te krijgen. Hij zou zich voorzeker wel willen
verbinden, geen klacht in te brengen, geene vervolging jegens den
Spanjaard uit te lokken.
Maar bij de beide Texars had de haat grooter macht dan het
eigenbelang. En waren zij er op uit om zich te verrijken, dan werd
die wensch overheerscht door de gedachte, dat zij zich over de familie
Burbank gewroken zouden hebben alvorens Florida te verlaten.
De lezer weet thans alles wat hij nopens de broeders Texar weten
moet. Wij kunnen thans tot de ontknooping van deze geschiedenis
overgaan.
Het zal onnoodig zijn mede te deelen, dat Zermah alles begreep, toen
zij zich plotseling in tegenwoordigheid van die twee mannen bevond. Al
het gebeurde van vroeger kwam haar oogenblikkelijk voor den geest. Zij
stond daar ontzet, terwijl zij hen aankeek. Zij stond daar bewegingloos
met het kleine meisje in hare armen, alsof hare voeten in den bodem
wortel geschoten hadden. Gelukkig dat de meer frissche lucht in die
kamer, ieder gevaar van verstikking van het kind verwijderd had.
Maar de verschijning van de arme vrouw in tegenwoordigheid van de
beide broeders, dat geheim hetwelk zij daar onverwachts ontdekt had,
was een doodvonnis voor haar.
XIV.
ZERMAH AAN HET WERK.
Hoezeer de beide Texars zich ook in gewone omstandigheden wisten
te beheerschen, zoo was het hun thans onmogelijk om zich te
bedwingen. Sedert hunne kindsheid als het ware, was het de eerste maal
dat zij door een derde persoon te zamen gezien werden. En die persoon
was hun ergste vijandin. Zij stoven dan ook in het eerste oogenblik
van hunnen toorn op, zij wilden zich op haar werpen om haar te dooden,
ten einde het geheim van hunnen dubbelgang te redden...
Het kind had zich in de armen van Zermah opgericht en riep, terwijl
het de kleine handjes uitstak:
»Ik ben bang!... Ik ben bang!"
Op een gebaar der beide broeders stapte Squambo vol ijver op de
mestiesche vrouw toe, pakte haar bij de schouders en drong haar in
hare kamer terug, waarvan de deur achter haar dichtklapte.
Squambo keerde toen bij de beide Texars terug. Zijne houding duidde
genoeg aan, dat hij slechts bevelen wachtte, dat hij uitvoeren zou
wat men hem zou gelasten. Maar het onverwachte van dat tooneel had
de beide broeders meer geschokt, dan men wel veronderstellen zou,
wanneer men hun stoutmoedig en gewelddadig karakter in aanmerking
nam. Zij raadpleegden elkander met den blik.
Zermah was intusschen in een hoek van hare kamer gekropen, nadat zij
het kind op de bladeren legerstede had neergelegd. Hare koelbloedigheid
kreeg weer de overhand. Zij sprong op, naderde de deur om te kunnen
hooren, wat thans gesproken zoude worden. Haar lot zou ongetwijfeld
binnen weinige oogenblikken beslist zijn. Maar de beide Texars en
Squambo waren buiten de wigwam getreden, zoodat hunne woorden haar
oor niet meer konden bereiken.
Ziehier evenwel welke gesprekken die drie aterlingen voerden:
»Zermah moet sterven!"
»Ja, dat moet!"
»Wanneer zij er in slaagde te ontsnappen, of wanneer de Federalisten
haar bevrijdden, dan waren wij reddeloos verloren. Zij sterve dus!"
»Dadelijk!" antwoordde Squambo.
En hij wilde reeds met een dolk in de hand op de wigwam toetreden,
toen een der beide Texars hem tegenhield.
»Laten wij nog wachten," zei deze.
»Wachten?"
»Ja, wij zullen altijd Zermah kunnen doen verdwijnen, niet waar? Thans
zijn hare zorgen noodig voor het kind; ten minste tot zoolang wij haar
niet door eene andere vervangen zullen hebben... Laten wij beginnen met
ons rekenschap van den toestand te geven. Volgens een bevelschrift van
den Commodore Dupont doorkruist thans een detachement der Noordelijke
marinetroepen het cypressenbosch. Welnu, laten wij eerst de omstreken
van het eiland en van het meer doorzoeken. Niets bewijst dat die
troepenafdeeling, welke naar het zuiden marcheert, herwaarts zal
komen. Wanneer het hierheen komt, dan is het tijd om te vluchten. Richt
het zijn marsch niet naar dezen kant, dan blijven wij stil hier en
laten hen de moeraslanden van Florida verder binnentrekken. Daar zal
het aan onze genade of ongenade overgeleverd zijn; want wij zullen
dan den tijd hebben om het grootste gedeelte der militie-troepen, die
op het grondgebied ronddolen, bijeen te verzamelen. Wij zullen hen,
in plaats van te vluchten, dan vervolgen; wij zullen dat met goed
gevolg kunnen, want wij zullen dan verreweg de overmacht hebben. Wij
zullen hen den terugtocht afsnijden en... zijn er ettelijke zeelieden
aan het bloedbad van Kissimmee ontsnapt, hier in de Everglades zal
geen enkele Noordelijke den noodlottigen dans ontkomen."
In de gegeven omstandigheden was dat wel de beste partij die te kiezen
was. Een groot aantal aanhangers der Zuidelijken waren thans in de
streek vereenigd en wachtten slechts op eene gelegenheid om tegen de
Federalisten op te treden. Wanneer een der Texars met zijne makkers
de omstreken zoude verkend hebben, dan zou besloten kunnen worden,
of zij het eiland Garneral zouden kunnen blijven bezetten, of dat
zij naar de omstreken van de Zandkaap zouden terugtrekken. Dat zou
men den volgenden dag reeds weten.
Wat Zermah betreft, daaromtrent was men het eens. Onverschillig
welken uitslag de verkenningstocht zoude hebben, Squambo zou de
opdracht ontvangen, zich door middel van een dolkstoot van hare
stilzwijgendheid te verzekeren.
»Wat het kind betreft," ging een der tweelingen voort, »het is van het
grootste belang voor ons, dat het in het leven blijft. Het meisje heeft
onmogelijk gevat, wat Zermah begrepen heeft. Zij kan den prijs van
ons losgeld worden, voor het geval wij in handen van kapitein Howick
vallen. Om zijn dochtertje terug te hebben, zou master James Burbank
ieder voorstel aannemen, dat ons in het hoofd zoude komen om hem op
te leggen; niet alleen zijne borgstelling; voor onze straffeloosheid,
maar ook de prijs waarop wij de invrijheidstelling van zijn kind
zouden bepalen."
»Maar is het niet te vreezen," vroeg de Indiaan, »dat wanneer Zermah
dood zal zijn, het kleintje bezwijken zal?"
»Neen," antwoordde een der Texars.
»Waarom niet?"
»Omdat het kind geene zorgen zullen ontbreken."
»Hoe zoo? Verklaar u nader."
»Wel, ik zal gemakkelijk eene Indiaansche vinden, die de mestiesche
wel zal vervangen."
»Het zij zoo. Waar het vooral op aan komt, is, dat wij niets meer
van Zermah te duchten hebben."
»Juist."
»Welnu, wat er ook gebeure, zij zal weldra den laatsten snik gegeven
hebben."
Met die woorden werd het gesprek der tweelingen besloten.
Zermah hoorde hen binnen de wigwam wederkeeren.
Maar welken nacht bracht de rampzalige vrouw door!
Zij wist dat zij veroordeeld was; maar zij dacht aan zich zelve
niet. Omtrent haar lot bekommerde zij zich al heel weinig; zij was
met de gedachte vertrouwd, steeds gereed te zijn haar leven voor hare
meesters veil te hebben.
Maar dacht zij niet aan zich zelve, dan dacht zij des te meer aan
de kleine Dy. Wat zou van het teere schepseltje worden, wanneer zij
verlaten achterbleef te midden van die meedoogenlooze kerels. En
al nam zij ook al aan, dat die ellendelingen er belang bij hadden,
dat het kind bleef leven, zou het tengere meisje niet bezwijken,
wanneer Zermah er niet meer zou zijn, om haar hare zorgen te wijden?
Die gedachte, of wel die vraag werd eene ware marteling voor haar. Zij
kon haar niet verdrijven. Zij keerde steeds hardnekkig weder. Onbewust
werd zij ten gevolge van die hardnekkigheid door eene andere gedachte
ingenomen, als het ware bezeten, namelijk deze: dat zij vluchten wilde,
vóórdat Texar haar van het kind zoude gescheiden hebben.
De rampzalige mestiesche vrouw dacht gedurende dien eindeloozen nacht
aan niets anders dan aan de uitvoering van dat plan.
Intusschen, van het afgeluisterde gesprek was haar bijgebleven,
dat een der beide Texars den volgenden ochtend de omstreken van
het meer met zijne metgezellen zou gaan verkennen. Klaarblijkelijk
was men van meening, het federalistisch detachement weerstand
te bieden, wanneer men het ontmoette. Maar de mogelijkheid moest
daartoe bestaan. En om die mogelijkheid bestaanbaar te maken, zou
Texar zich doen vergezellen zoowel door zijn geheele personeel als
door de partijgangers zijns broeders. Deze laatste zou alleen op het
eiland achterblijven ongetwijfeld, zoowel om niet herkend te worden
en het geheim van den dubbelgang niet te verraden, als om de wigwam
te bewaken.
Dan zou Zermah pogen te ontvluchten. Misschien zou zij er in slagen,
een of ander wapen te vinden of te bemachtigen, en was dat het
geval... dan zou zij bij voorkomende gelegenheid, wanneer de nood
daartoe dwong, niet aarzelen er gebruik van te maken.
De nacht spoedde onder deze overdenkingen en bij het beramen van deze
plannen ten einde.
Tevergeefs had Zermah beproefd eenige gevolgtrekking te bouwen op
de verschillende geluiden, welke op het eiland vernomen werden. En
onbestemd werkte de hoop daarbij mede, welke zij koesterde, dat de
troep van kapitein Howick kon aankomen om zich van Texar meester
te maken.
Weinige oogenblikken vóór het aanbreken van den dag, ontwaakte het
kind, hetwelk een weinig rust genoten had. Zermah reikte haar wat
drinkwater toe, hetgeen haar scheen te verkwikken. Daarna keek zij het
kind met eene aandacht aan, alsof zij het niet meer zou weerzien en
sloot het onstuimig aan hare borst. Wanneer iemand in dit oogenblik
binnengetreden was, met het doel haar van het kind te scheiden, dan
zou zij het met de verwoedheid van een wild dier, waaraan men zijne
welpen ontnemen wil, verdedigd hebben.
»Wat is er toch, goede Zermah?" vroeg het kind.
»Niets... niets!" prevelde de arme vrouw.
»Jawel, er scheelt u iets. Kom zeg het mij, wat is het?"
»Neen, niets Dy, niets!"
»En mama..."
»Mama, vraagt ge?"
»Ja, Zermah, wanneer zullen wij die weerzien?"
»Weldra," antwoordde de mestiesche aarzelend.
»Weldra?" vroeg het kind met nadruk.
»Ja, weldra... misschien heden nog... Ja lieve... Ik hoop dat wij
heden verre zullen zijn..."
»En die mannen, die ik hedennacht gezien heb?..."
»Hebt ge die mannen goed bekeken, Dy?" vroeg Zermah.
»Ja... maar o! wat was ik bang voor hen!"
»Maar gij hebt ze toch goed bekeken?"
»Ja zeker."
»Hebt gij opgemerkt, hoezeer ze op elkander geleken?"
»Ja, Zermah!"
»Welnu, onthoud dat goed. Vergeet niet aan uwen vader, aan uwen broeder
te zeggen: dat het twee broeders zijn... hoort ge: twee broeders Texar,
die zoodanig op elkander gelijken, dat men hen niet onderscheiden kan."
»Maar gij zult dat ook zeggen, niet waar?" vroeg het kind.
»Ja... ik zal dat ook zeggen... Maar, intusschen... mocht ik er niet
zijn, dan moogt gij dat niet vergeten, hoort ge?..."
»En waarom zoudt gij er niet zijn?" vroeg het arme kind, terwijl zij
hare armpjes om den hals der mestiesche vrouw sloeg. »Waarom zoudt
gij er niet zijn?"
»Ik zal er ook zijn, ja, zeker zal ik er zijn, mijn lief kind,"
hernam Zermah met stokkende stem.
»Dan is het goed."
»Maar, daar wij, wanneer wij vertrekken, een langen weg af te leggen
hebben... zult gij krachten moeten opdoen. Kom, ik zal uw ontbijt
gereed maken. En dan moet gij u eens flink te goed doen."
»En gij?"
»O, ik heb ontbeten terwijl gij sliept, lieve. Waarlijk, ik heb geen
eetlust meer."
De waarheid was, dat Zermah onmogelijk eten kon, al was het nog zoo
weinig, in den toestand van opwinding, waarin zij zich bevond.
Na ontbeten te hebben, ging het kind weer op hare legerstede van
bladeren liggen en sliep een poos in.
Zermah nam toen plaats bij eene opening of eene reet, welke in den
hoek van het vertrek tusschen het riet van de gevlochten omwanding
bestond. Van uit dien hoek sloeg zij gedurende een vol uur alles gade,
wat daarbuiten voorviel. En dat zij dat met de grootste stiptheid
volvoerde, is te begrijpen, daar dat voor haar van het grootste belang
kon zijn.
Alras bemerkte zij, dat men daar voorbereidende maatregelen tot
vertrek trof.
Een der broeders Texar--een enkele slechts--liet zich zien en
gaf bevelen met betrekking tot de formatie van den troep, die het
cypressenbosch onder zijne leiding zoude onderzoeken. De andere,
wien niemand gezien had, hield zich waarschijnlijk in de wigwam of
op eene plek elders op het eiland verborgen.
Zoo dacht Zermah er ten minste over, nu zij met hun geheim bekend
was en nu zij kon gissen, welke zorg zij aan den dag legden, om hun
dubbelgang verborgen te houden. Zij begreep ten volle daarenboven,
dat hem der beide broeders, die op het eiland achterbleef, de taak
ten deel viel, om het kind en haar te bewaken.
Zermah vergiste zich niet, zooals de lezer weldra bemerken zal.
De partijgangers en slaven waren intusschen bijeen geroepen en
stonden--een vijftigtal sterk--voor de wigwam, de bevelen van hun
opperhoofd af te wachten.
Het was ongeveer negen uur in den ochtend, toen de troep aftrok en
zich naar den rand van het bosch begaf. Het vereischte evenwel eenigen
tijd alvorens dien te bereiken, daar de pont, welke hen overvoeren
moest, slechts vijf of zes man te gelijk kon overzetten. Zermah zag
hen met kleine groepen in het vaartuig afdalen en tegen den anderen
oever opklimmen. Van haar standpunt achter de gevlochten omwanding,
kon zij niet bemerken hetgeen op de oppervlakte van het kanaal,
dat veel lager dan het maaiveld van het eiland gelegen was, voorviel.
Texar, die tot het laatst achtergebleven was, verdween op zijne beurt,
gevolgd door een zijner honden, welks instinct hij bij de expeditie
wenschte te benutten. De andere waakhond keerde op een wenk van zijn
baas naar de wigwam terug, alsof hij alleen met de bewaking daarvan
belast ware.
Een oogenblik later zag Zermah Texar den tegenovergestelden oever
beklimmen, alwaar hij zich voor een oogenblik ophield om zijn troep
behoorlijk op te stellen.