gelukkig. Lag toch het kleine kind, het verloren meisje niet in de
armen haars vaders, die haar vol vreugde maar toch angstig omklemde,
alsof hij vreesde dat zij hem andermaal ontrukt zoude worden. Gilbert
Burbank en Mars waren op een knie naast Zermah neergezeten en
poogden hare levensgeesten op te wekken. De arme vrouw ademde nog,
maar kon niet spreken. Mars ondersteunde haar hoofd, riep haar,
omhelsde haar....
Zermah opende de oogen. Zij zag het kind in de armen van haren vader,
zij herkende Mars, die haar met kussen overdekte, zij glimlachte hen
toe. Daarna sloot zij de oogen weer.
Mars stond op en zag toen eerst Texar. Hij sprong op hem toe, terwijl
hij de woorden uitkreet, die hem zoo dikwijls ontvallen waren:
»Texar dooden!... Texar dooden!"
»Laat af, Mars," zei kapitein Howick. »Laat het aan ons over dien
ellendeling recht te plegen en hem zijn verdiend loon te geven!"
Daarop zich tot den Spanjaard wendende:
»Gij zijt Texar, van de Zwarte Kreek?" vroeg hij.
»Ik heb daarop niet te antwoorden," hernam Texar.
»Master James Burbank, de luitenant Gilbert, Edward Carrol en Mars
kennen en herkennen u."
»En wat zou dat?"
»Gij zult doodgeschoten worden!"
»Ga uw gang!"
Toen riep de kleine Dy tot verwondering van allen uit, terwijl zij
zich tot haren vader wendde:
»Vader," zei zij, »het zijn twee broeders.... twee booze mannen... die
op elkander gelijken."
»Twee mannen?..."
»Ja!... Zermah heeft mij zeer op het hart gedrukt, u dat te zeggen."
Het zou uiterst moeielijk geweest zijn te begrijpen, wat deze
zonderlinge woorden van het kind moesten beteekenen. Maar de
verklaring werd er als het ware dadelijk van gegeven en wel op de
meest onverwachte wijze.
Texar was toch naar den voet van een boom geleid. Daar stond hij
eene sigarette te rooken, die hij, zonder de minste vrees te laten
blijken, aangestoken had en keek master James Burbank onbeschaamd
in het gezicht. Plotseling, toen het executie-peloton, dat hem zou
doodschieten, reeds aangetreden en gericht stond, sprong een man te
voorschijn, die zich naast den veroordeelde plaatste.
Dat was de tweede Texar, wien de ontvluchte partijgangers op het
eiland Garneral de gevangenneming van zijn broeder medegedeeld hadden.
Het gezicht van die twee mannen, wier gelijkenis zoo treffend juist
was, verduidelijkte thans de woorden, door het meisje gesproken. Men
had thans de onthulling voor zich van dat misdadige leven, dat als
het ware door onverklaarbare alibi's beschermd was geworden.
En thans verrees het geheele verleden der Texars, door hun beider
tegenwoordigheid voldoende verklaard en getuigde tegen hen.
Intusschen veroorzaakte toch de tusschenkomst van den laatst aangekomen
broeder eene zekere aarzeling bij de ten uitvoerlegging der bevelen
van den Commodore.
Inderdaad, de last om Texar dadelijk dood te schieten, door Dupont
verstrekt, gold slechts den schuldige aan de verraderlijke hinderlaag,
waarbij de officieren en zeelieden van de federalistische sloepen
te Kissimmee omgekomen waren. Wat den schuldige aan de plundering
en brandstichting van Camdless Bay en aan de ontvoering der beide
vrouwelijke wezens betrof, die moest naar Sint Augustijn overgevoerd
worden, om daar voor een krijgsraad terecht te staan.
En toch, kon men de beide broeders niet als even schuldig beschouwen
aan die lange reeks van misdaden, die zij ongestraft hadden kunnen
bedrijven?
Voorzeker! Maar uit eerbied voor de wet, rekende kapitein Howick zich
verplicht, hen de volgende vraag te stellen:
»Wie uwer bekent de schuldige te zijn aan de slachting te Kissimmee?"
Geen antwoord.
De beide Texars waren klaarblijkelijk vast besloten, om niet te
antwoorden op de vragen, die hen gesteld zouden worden.
Zermah alleen zou aanwijzingen hebben kunnen geven omtrent ieders
aandeel in de gepleegde misdaden. Inderdaad, diegene der twee broeders,
die bij haar op den 22sten Maart in de Zwarte Kreek gebleven was,
kon de dader niet zijn van den overval, dienzelfden dag op een afstand
van honderd mijlen in het zuiden van Florida gepleegd, maar deze, de
ware schuldige aan de ontvoering, deze zou door Zermah ongetwijfeld
herkend worden.... Maar was de arme vrouw niet dood?...
Neen, dat was zij niet. Ondersteund door haren echtgenoot, verscheen
zij in dien kring van mannen. Daar aangekomen, sprak zij met nauw
verstaanbare stem:
»Hij, die schuldig aan de ontvoering van de kleine Dy en van mij is,
is op den linkerarm getatoueerd...."
Bij die woorden zag men een glimlach van minachting op het gelaat
der beide broeders ontluiken. Zij stroopten hun mouw op en vertoonden
hun linkerarm, die van beiden getatoueerd was.
Tegenover deze nieuwe onmogelijkheid, om hen den een van den ander te
onderscheiden, vergenoegde kapitein Howick zich deze vraag te stellen:
»Wie is de dader van den overval te Kissimmee? Die moet gefusilleerd
worden."
»Ik," antwoordden beide broeders tegelijkertijd.
Op dat antwoord legde het executie-peloton op de veroordeelden aan,
die elkander voor het laatst omhelsden.
De kommandeerende officier gaf een teeken. Slechts één knal werd
vernomen. Met de hand in elkander geklemd, vielen beiden.
Zoo eindigde het leven van die twee mannen, met misdaden beladen,
welke hunne buitengewone gelijkenis hen veroorloofd had gedurende
een geheele reeks van jaren straffeloos te bedrijven.
Het eenige menschelijke gevoel, dat zij ooit ondervonden hadden, was
die onbedwingbare vriendschap van den eenen broeder voor den anderen,
die hen bezield had en tot in den dood gevolgd was.
XVI.
BESLUIT.
De burgeroorlog ging voort met afwisselende kansen te woeden.
Eenige gebeurtenissen hadden plaats gegrepen, waarvan master James
Burbank, sedert zijn vertrek van Camdless-Bay, geen kennis had kunnen
bekomen, maar die hij bij zijn terugkeer op de plantage vernam.
Het scheen dat, alles bij elkander genomen, de geconfedereerden,
die gedurende dat tijdperk zich rondom Corinthe geconcentreerd hadden
en tegenover de federalisten de stelling Pittsburg Landing willende
bezetten, in het voordeel waren.
Het leger der secessionisten had tot algemeen aanvoerder de generaal
Johnston, en deze had tot onderbevelhebbers de generaals Beauregard,
Hardie, Braxton-Bagg en de bisschop Polk, die vroeger leerling op de
militaire school te West Point was. Dat leger maakte behendig gebruik
van de zorgeloosheid der Noordelijken.
Den 5den April hadden deze laatstbedoelden zich te Shiloh laten
overvallen, hetgeen ten gevolge had gehad, dat de brigade Peabody
uiteengejaagd werd en dat generaal Sherman den terugtocht moest
aannemen.
Intusschen betaalden de geconfedereerden dat succes zeer duur; hun
aanvoerder toch, de heldhaftige generaal Johnston sneuvelde aan het
hoofd zijner troepen, terwijl hij het federalistische leger terugdrong.
Zoo was het op den 5den April, dien eersten dag van den veldslag
toegegaan.
Den 7den April werd het gevecht over de geheele linie hervat, en
gelukte het Sherman, om Shiloh te heroveren. Toen moesten de soldaten
van het geconfedereerde leger wijken voor de troepen van generaal
Grant. De veldslag was zeer bloedig; want van de tachtig duizend
man, die in het vuur gebracht werden, werden twintig duizend gewond
of sneuvelden.
Dat was de laatste gebeurtenis op het terrein des oorlogs, welke
master James Burbank en zijne makkers daags na hunne aankomst te
Castle House vernamen.
Die terugkeer in het heerenhuis van de plantage Camdless-Bay had in
den ochtend van den 7den April plaats gehad.
En inderdaad waren zij, nadat de beide broeders Texar doodgeschoten
waren, kapitein Howick gevolgd, die zijn detachement en zijne
krijgsgevangenen naar het Floridasche kustland geleidde. Een der
schepen van het smaldeel, hetwelk die kust bekruiste, lag bij kaap
Malabar ten anker en wachtte de landingstroepen op. Dat vaartuig
nam hen aan boord en voerde hen naar Sint Augustijn over. Vandaar
vertrokken de bewoners van Castle House naar Piccolata, vanwaar eene
kanonneerboot hen naar de pier van Camdless-Bay overvoerde.
Allen waren dus op Castle-House terug. Allen, ja allen, zelfs Zermah,
die hare verwondingen overleefd had. Zij was door Mars en zijne makkers
aan boord van het federalistisch oorlogsschip overgebracht, en daar
hadden de goede zorgen haar niet ontbroken. Wat evenwel het meest tot
de genezing der brave vrouw bijbracht, was het zalige bewustzijn,
de kleine Dy gered en al diegenen, welke zij liefhad, weergevonden
te hebben. Hoe zou zij onder zulke gezegende omstandigheden kunnen
sterven?
De lezer zal beseffen, welke vreugde de familie Burbank thans,
na zoovele en zoo wreede beproevingen genoot. Haar ledental was
nu geheel vereenigd, om niet meer gescheiden te worden. Met de
gezondheid van mevrouw Burbank ging het, nu zij haar kind weer bij
zich had, aanmerkelijk vooruit. Hoe kon het anders! Haar echtgenoot,
haar zoon, miss Alice Stannard, die op het punt stond haar dochter
te worden, Dy, Zermah en Mars omringden haar en gevoelden zich
tevreden en gelukkig. En wat nog het meest er toe bijbracht,
om het liefderijke hart van de zoo innig bedroefde vrouw vrede en
gerustheid te verschaffen, was het stellige bewustzijn, dat zij van
den ellendeling--of beter gezegd: van de beide ellendelingen,--wier
medeplichtigen zich in handen der federalistische autoriteiten
bevonden, bevrijd was.
Men zal evenwel niet vergeten hebben, dat zich intusschen een gerucht
verbreid had, waarvan trouwens in het gesprek der beide broeders Texar,
zooals men zich wel herinneren zal, op het eiland Garneral gewaagd
werd, namelijk dat de bezettingstroepen der Noordelijken Jacksonville
zouden ontruimen, dat de Commodore Dupont zijne bedrijvigheid tot het
blokkeeren der Floridasche kusten zou bepalen en derhalve de noodige
maatregelen wilde treffen, om de kanonneerbooten, die de veiligheid
op de Sint John verzekerden, bij zijn eskader aan te trekken.
Dat plan kon klaarblijkelijk de veiligheid der kolonisten, wier
sympathie voor de anti-slavengezinden men kende, in gevaar brengen. En
onder die behoorde in de eerste plaats master James Burbank.
Het gerucht was gegrond.
Inderdaad, op den 8sten April, dus daags na den terugkeer van de
geheele familie op Castle-House, volbrachten de federalistische
troepen de ontvoering van Jacksonville.
Het gevolg daarvan was, dat eenige bewoners van de hoofdplaats van
Florida, die zich Noordelijkgezind betoond hadden, zich niet meer
veilig achtten, en de wijk hetzij naar Port Royal, hetzij naar
New-York namen.
Master James Burbank evenwel vermeende hun voorbeeld niet te moeten
volgen.
De negers waren op de plantage weergekeerd, evenwel niet als in
slavernij, maar als vrijgelatenen, als vrije arbeiders, en hunne
tegenwoordigheid bracht er veel toe bij, om de veiligheid van
Camdless-Bay te verzekeren. Daarenboven, de Secessieoorlog was een
tijdperk ingetreden, dat gunstig voor de Noordelijken kon heeten. Dit
veroorloofde ook aan den luitenant Gilbert Burbank, om eenigen tijd
te Castle-House te kunnen verwijlen, ten einde zijn huwelijk met miss
Alice Stannard te voltrekken.
De werkzaamheden van de plantage waren dus hervat geworden en de
exploitatie van dat heerlijke landgoed was weldra in vollen gang.
Er was natuurlijk geen quaestie meer, om master James Burbank
te noodzaken het dwaze besluit ten uitvoer te leggen, waarbij de
vrijgelaten slaven van het grondgebied van Florida verbannen werden.
Texar en zijne partijgangers waren er niet meer, om het schuim der
bevolking in opstand te brengen. Daarenboven, de kanonneerbooten,
die toch nog op de kust verwijlden, zouden zoo spoedig mogelijk de
rivier binnenstevenen, om de rust te Jacksonville te herstellen,
wanneer die mocht gestoord worden.
Wat de oorlogvoerenden betreft, die zouden nog gedurende drie jaren
strijd voeren. En zelfs Florida was bestemd, om er andermaal den
weeromstuit van te ondervinden.
Inderdaad verschenen de vaartuigen van den Commodore Dupont in de
maand September van hetzelfde jaar ter hoogte van Sint-Johns-Bluffs,
stevenden de riviermonding in, om Jacksonville aan te tasten. Die
hoofdplaats werd toen voor de tweede maal ingenomen.
In 1868 kwam generaal Seymour aan het hoofd van eene federalistische
legerafdeeling haar voor de derde maal bezetten, bij welke operatie
hij geen ernstigen weerstand ondervond.
Bij proclamatie van Abraham Lincoln, President der Vereenigde Staten
van Noord-Amerika, werd onder dagteekening van 1 Januari 1863 de
slavernij over de geheele uitgestrektheid van de groote Republiek
afgeschaft.
De oorlog eindigde evenwel eerst op 9 April 1865.
Op dien datum gaf Lee, generaal der geconfedereerden, zich met zijne
geheele legermacht bij verdrag, dat voor beide partijen eervol was,
aan Generaal Grant der Noordelijken over.
Er had dus gedurende vier volle jaren een hardnekkige oorlog tusschen
het Noorden en het Zuiden geheerscht.
Die oorlog heeft gekost aan geld twee milliard en zevenhonderd
millioen dollars, of in Nederlandsche munt de som van zesduizend,
zevenhonderd vijftig millioen guldens, en aan menschenlevens meer
dan een half millioen.
Maar de slavenhandel was dan ook over de geheele uitgestrektheid van
Noord-Amerika afgeschaft.
Zoo werd de ondeelbaarheid van de Republiek der Vereenigde Staten
bevestigd, dank zij de kracht van die Amerikanen, wier voorouders eene
eeuw vroeger hun land in eenen roemrijken onafhankelijkheidsoorlog
vrij vochten.
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] De Nederlanders moeten maar eens denken aan hunnen heilloozen
Atjeh-oorlog.--Vert.
[2] Des krijgsmans zelfverloochening is een zwaarder lijdenskruis
dan dat van den martelaar. Men moet het lang getorst hebben, om er
de verhevenheid en het gewicht van te beseffen.--Vert.
[3] Volgens J. Verne schijnt het bij de Amerikanen reçu, dat de
luitenants de kapiteins ondervragen.--Vert.
End of Project Gutenberg's De strijd tusschen Noord en Zuid, by Jules Verne