hinderlaag te Kissimmee, waarover kapitein Howick met Gilbert Burbank,
tijdens hunne ontmoeting in het woud, gesproken had.
Zij vernam dus toen evenals de Spanjaard voor het eerst, hoe die
overval geschied was en dat slechts een twaalftal dier zeelieden aan
den dood ontkomen waren en de tijding van die ramp aan den Commodore
hadden kunnen overbrengen.
»Mooi!... Mooi zoo!..." riep Texar uit. »Dat is eene gelukkige
weerwraak, genomen op de inname van Jacksonville. O, dat het ons nog
meermalen gelukken moge die vervloekte Noordelijken in de binnenlanden
van ons Florida te lokken. Zij zullen er dan van lusten! Tot den
laatsten man zullen zij afgemaakt worden!"
»Ja, tot den laatsten!" herhaalde de ander, »vooral wanneer zij zich
te midden van de moerassen van de Everglades zullen wagen. En juist,
nu ik er aan denk... wij zullen ze weldra zien verschijnen."
»Wat wilt ge zeggen?"
»Luister: Dupont heeft gezworen, dat hij den dood zijner officieren
en manschappen zou wreken. Eene nieuwe expeditie is dan ook naar het
zuidelijk gedeelte van het graafschap Sint John gezonden."
»Dus de Federalisten komen herwaarts?"
»Ja; maar talrijker en goed gewapend. Zij marcheeren zeer omzichtig
en omgeven hunne troepen met de meest mogelijke voorzorgsmaatregelen,
ten einde de hinderlagen op te sporen en tijdig te kunnen ontgaan."
»Hebt gij eene ontmoeting met hen gehad?"
»Neen; want al had ik ook een zeker aantal onzer partijgangers bij mij,
zoo waren wij niet sterk genoeg om het gevecht aan te gaan. Daarom
moesten wij terugtrekken. Maar door dat wijken, lokten wij hen
langzamerhand. Wanneer wij al de militie-troepen vereenigd zullen
hebben, die in den omtrek rondzwerven, dan zullen wij hen overvallen
en dan zal geen hunner ons ontkomen."
»Van welke uitgangspunten zijn zij vertrokken?"
»Van Mosquito Inlet."
»En langs welken weg komen zij?"
»Door het cypressen-bosch."
»Waar kunnen zij zich thans bevinden?"
»Op een afstand ongeveer van veertig mijlen van het eiland Garneral."
»Zoo?" zei Texar. »Men moet hen ongehinderd zuidwaarts laten
trekken. Maar er valt geen tijd te verliezen, om de militie-troepen
bijeen te brengen. Wanneer wij er toe gedwongen mochten worden,
dan zullen wij reeds morgen vertrekken, om eene schuilplaats in de
nabijheid van de zeeëngte van Bahama op te sporen..."
»En mochten zij ons daar te nabij op de hielen zitten, alvorens
wij onze mannen bijeengebracht hebben, dan vinden wij een veilig
toevluchtsoord op die Engelsche eilanden."
De verschillende onderwerpen, welke bij dat gesprek behandeld werden,
waren uiterst belangrijk voor Zermah. Zou Texar, wanneer hij er toe
overging om het eiland te verlaten, zijne gevangenen medevoeren, of
zou hij haar onder bewaking van Squambo in de wigwam achterlaten? In
het laatste geval ware het verkieselijk, de poging tot ontvluchting
tot na het vertrek van den Spanjaard uit te stellen. De kansen van
slagen zouden dan voorzeker gunstiger staan. En alles wel beschouwd,
ware het niet mogelijk dat het federalistisch detachement, hetwelk
beneden-Florida doorkruiste bij het meer Okee-cho-bee, in het gezicht
van het eiland Garneral aanlandde?
Maar die hoop, welke Zermah voor een oogenblik bezielde, werd al
dadelijk de bodem ingeslagen.
En inderdaad, op de vraag welke hem gesteld werd: wat hij met de
mestiesche vrouw en het kind dacht uit te voeren, antwoordde Texar
zonder aarzelen:
»Als het moet, zal ik ze meevoeren tot op de Bahama-eilanden."
»Zal het kleine kind de vermoeienissen van dien nieuwen tocht kunnen
verdragen?"
»Ja, daar sta ik voor in. Daarenboven zal Zermah haar die
vermoeienissen onderweg wel weten te besparen!..."
»Maar wanneer dat kind kwam te overlijden..."
»Beter dat, dan dat zij aan hare ouders weergegeven werd!"
»Gij haat die familie Burbank dan wel zeer!..."
»Ik haat haar, zooals gij doet! Niets meer, niets minder."
Zermah was haren toorn niet meer meester. Zij was op het punt om de
deur open te stooten, ten einde die twee mannen van aangezicht tot
aangezicht te zien, die elkander, niet alleen door de stem, maar ook
door de slechtheid van inborst en door het totale gemis van geweten
en hart, zoo gelijk waren. Gelukkig wist zij zich te bedwingen. Het
was beter dat zij ten einde toe dat gesprek afluisterde, hetwelk
tusschen Texar en zijnen medeplichtige gewisseld werd. Ja, zeker, dat
was beter. Misschien zouden die twee aterlingen, wanneer hun gesprek
afgeloopen zoude zijn, zich ter ruste leggen en inslapen... Dan
was de tijd daar om, vóórdat het voorgenomen vertrek aanvaard was,
de ontvluchting te ondernemen.
De Spanjaard verkeerde blijkbaar in den toestand van iemand, die
alles te vernemen heeft van hem met wien hij sprak. Hij was dan ook
onuitputtelijk in zijne ondervragingen.
»Welke nieuwstijdingen zijn er van het noorden?" vroeg hij.
»Geen belangrijke. Toch schijnt het ongelukkiglijk, dat de Federalisten
de overhand hebben en houden. Het is dan ook te vreezen, dat de
slavernij als eene verloren zaak kan beschouwd worden."
»Nu ja, wat kan dat schelen?" hernam Texar met een gebaar van
onverschilligheid.
»Zeker, het kan ons niet schelen," hernam de ander. »Of de Noordelijken
of de Zuidelijken de overhand hebben..."
»Wat ons wel schelen kan en waarop wij nauwkeurig letten moeten,
dat is dat wij ons, terwijl de beide partijen elkander bestrijden
en verscheuren, steeds aan dien kant bevinden, waarbij het meest te
verdienen valt!"
Door zoo te spreken, openbaarde Texar de snoodheid van zijne inborst
geheel en al. In het troebele water van den burgeroorlog visschen,
daaruit munt te slaan, voordeelen te behalen, ziet, dat was het eenige,
wat die aterlingen beoogden.
»Maar," zoo vervolgde hij, »wat is er gedurende de laatste week
bepaaldelijk in Florida voorgevallen?"
»Niets wat gij niet reeds weet. Stevens beheerscht met zijne
kanonneerbooten de Sint John tot Piccolata toe."
»En schijnt hij den stroom niet verder te willen opstevenen?"
»Naar mijne gissing, neen; want de oorlogsvaartuigen volvoeren geene
verkenning in zuidelijke richting van het graafschap. Daarenboven, ik
voor mij geloof dat die inbezitname van de rivier haar einde nadert
en in dat geval zou het geheele stroomgebied weer in handen van de
geconfedereerden vallen."
»Hoe bedoelt gij?"
»Het gerucht verbreidt zich, dat Dupont voornemens is Florida te
verlaten en dat hij slechts twee of drie vaartuigen zal achterlaten,
om de kusten te blokkeeren."
»Zou dat mogelijk zijn?"
»Ik herhaal, dat er sprake van is. En in dat geval zal Sint Augustijn
door de Noordelijken spoedig ontruimd worden."
»En Jacksonville?..."
»Jacksonville ook."
»Drommels! Ik zou daar dan kunnen terugkeeren om onze regeering te
herstellen, om de plaats weer in te nemen, waarvan de Federalisten
mij verjaagd hebben! O, vervloekte Noordelijken, dat het mij vergund
zij de macht weer in handen te krijgen, dan zult gij eens zien,
welk gebruik ik er van zal maken!"
»Mooi gezegd!"
»En als James Burbank Camdless-Bay met zijn huisgezin niet verlaten
heeft, wanneer hij zich niet door de vlucht aan mijne wraakneming
zal onttrokken hebben, dan zal geen hunner mij ontsnappen!"
»Ik hecht aan dat alles mijne goedkeuring; want alles wat gij door
toedoen van die familie geleden hebt, heb ik ook ondergaan! Wat
gij wilt, wil ik ook! Wien gij haat, haat ik ook! Wij beiden vormen
slechts één!..."
»Ja!... slechts één!" antwoordde Texar.
Het gesprek werd gedurende een poos afgebroken. Het aanstooten met
glazen bracht Zermah op de hoogte, dat de beide aterlingen te zamen
dronken.
De brave mestiesche vrouw was diep ter neergeslagen. Uit hetgeen
zij daar vernomen had, scheen het, dat die beide mannen een gelijk
aandeel gehad hadden in al die misdaden, welke in den laatsten tijd
in Florida, maar voornamelijk ten opzichte van de familie Burbank
gepleegd waren. Dat werd haar nog duidelijker, toen zij nog gedurende
een half uur luisterde. Zij vernam toen eenige bijzonderheden omtrent
het vreemdsoortige bestaan van den Spanjaard. En steeds deed zich
diezelfde stem hooren, welke de vragen stelde en de antwoorden
gaf, even alsof Texar slechts alleen in het vertrek was en zich
met praten onledig hield. Er bestond daar een geheim, hetwelk de
mestiesche vrouw groot belang had om te ontdekken. Maar wanneer die
ellendelingen slechts gissen konden, dat Zermah een gedeelte van hun
geheim ontdekt had, dan voorwaar zouden zij niet aarzelen haar leven
aan hunne veiligheid ten offer te brengen. En wat zou dan van het kind,
van het meisje terecht komen, wanneer Zermah vermoord zoude zijn?
Het kon toen ongeveer elf uur in den avond zijn. Het weer was er niet
op verbeterd. Het was eerder afschuwelijk geworden. De wind huilde en
de regen kletterde onophoudelijk. Texar en zijn metgezel zouden zich
onder die omstandigheden voorzeker niet buiten wagen en zouden den
nacht in de wigwam doorbrengen. Bijgevolg zouden zij hunne plannen
eerst den volgenden ochtend ten uitvoer brengen.
Zermah twijfelde daaromtrent niet meer toen zij Texar's medeplichtige
hoorde vragen:
»Welnu, welk besluit nemen wij?"
»Ziehier," antwoordde de Spanjaard. »Morgen zullen wij gedurende de
ochtenduren met onze lieden eene verkenning ondernemen in de omstreken
van het meer. Wij zullen het cypressenbosch over eene uitgestrektheid
van vier of vijf mijlen doorzoeken, na eerst diegenen onzer makkers
vooruitgezonden te hebben, die het woud het best kennen. En onder
dezen behoort voornamelijk Squambo. Wanneer niets de nadering van
het federalistisch detachement aanduidt, dan komen wij hier terug
en dan zullen wij verblijven totdat het oogenblik gekomen zal zijn
om terug te trekken. Doet zich evenwel de toestand als dreigend in
de naaste toekomst voor, dan zal ik mijne partijgenooten en mijne
slaven bijeentrekken, en dan zal ik Zermah naar de Bahama-zeeëngte
vervoeren. Neemt gij tot taak op u, om de in beneden-Florida verspreide
militie-troepen bijeen te brengen?"
»Dat is afgesproken," antwoordde de ander. »Morgen, terwijl gij die
verkenning zult uitvoeren, zal ik mij in het meest boschrijke gedeelte
van het eiland verschuilen. Want niemand mag ons ooit te zamen zien."
»Voorzeker niet," riep Texar uit. »De duivel verhoede, dat wij
ooit zoo'n onvoorzichtigheid zouden begaan, die ons geheim aan het
licht zoude brengen. Dus wij zullen u eerst den volgenden nacht hier
in de wigwam weerzien. En wanneer ik zelf genoodzaakt werd in den
loop van den dag te vertrekken, dan moogt gij het eiland eerst na
mij verlaten. Onze nieuwe plaats van samenkomst zal alsdan bij de
Zandkaap zijn."
Zermah gevoelde alsnu, dat er van hare bevrijding door de
federalistische troepen geen spraak meer kon zijn.
En inderdaad, het stond nu vast, dat de Spanjaard, wanneer hij kennis
zoude krijgen van de nadering van het detachement, het eiland zou
verlaten en haar en het kind met zich zou voeren...
De mestiesche vrouw kon dus, wat hare redding betreft, slechts alleen
op haar zelve rekenen, hoe gevaarlijk, hoe onmogelijk eene ontsnapping
in de gegeven omstandigheden ook mocht geoordeeld worden.
En toch, met welken moed zou zij die onderneming niet op zich genomen
hebben, wanneer zij slechts geweten had, dat master James Burbank,
dat zijn zoon Gilbert en Mars zich met eenige gewezen slaven van
de plantage op weg begeven hadden, na haar briefje ontvangen te
hebben, hetwelk hen de streek aangaf werwaarts hunne nasporingen
uit te strekken, dat het troepje van James Burbank reeds de Sint
John opgestevend was, dat het reeds een groot gedeelte van het
cypressenbosch doorgetrokken was, dat het kleine troepje van
Camdless-Bay zijne vereeniging met het detachement van kapitein
Howick bewerkstelligd had, dat het Texar, Texar in persoon was,
die beschouwd werd als de bewerker van de hinderlaag te Kissimmee,
dat die ellendeling nadrukkelijk en zonder verpoozing zou achtervolgd
en dat hij zonder vorm van proces zoude opgehangen worden, wanneer
hij gevangen genomen werd!...
Maar Zermah wist niets en kon niets weten. Zij kon en mocht geen hulp
vanwaar ook verwachten. Zij was dan ook stellig en onwrikbaar besloten,
alles te wagen, alles op het spel te zetten, om het eiland Garneral
te ontvluchten.
Evenwel was zij genoodzaakt, hoewel de nacht zeer donker en derhalve
voor eene ontsnapping gunstig was, de uitvoering van haar plan
vier-en-twintig uren uit te stellen. De partijgangers toch, die
geene schuilplaats onder het geboomte van het woud gezocht hadden,
bezetten het omliggend terrein van de wigwam. Men hoorde heen en weer
drentelen op den oever van het eiland, terwijl zij zich verder met
praten en rooken onledig hielden. Er was niet aan te denken onder
die omstandigheden de hut te kunnen verlaten, want werd zij ontdekt,
werd haar plan doorzien, dan zou de arme vrouw in veel erger doen
verkeeren; want dan zou zij zeer zeker aan de gewelddadigheden van
Texar blootstaan.
Daarenboven, zoude de volgende dag niet beter gelegenheid tot
ontvluchting aanbieden? Had de Spanjaard niet gezegd, dat zijne
makkers, dat zijne slaven, dat de Indiaan Squambo zelf hem zouden
vergezellen, om het federalistisch detachement te gaan verkennen? Zou
zich dan geene geschikte gelegenheid voordoen, waarvan Zermah
behendig partij zou kunnen trekken, om hare kansen van slagen te
vermeerderen? Wanneer het haar gelukte het kanaal te overschrijden
zonder gezien te worden, wanneer zij eenmaal het woud bereikt zoude
hebben, dan twijfelde zij er niet aan, dat zij met Gods hulp gered
zoude worden. Door zich zorgvuldig te verbergen, zou zij wel weten
te vermijden andermaal in handen van Texar te vallen. De kapitein
Howick kon toch niet meer ver af zijn. Hij rukte toch naar het meer
Okee-cho-bee op, en er bestond dus wel kans, dat zij door hem bevrijd
zoude worden.
Het was dus geraden tot den volgenden dag te wachten. Maar een toeval
kwam het geheele geraamte vernietigen, waarop Zermah de hoop harer
redding gebouwd had. Dat toeval zou daarenboven, hare verhouding
tegenover Texar geheel wijzigen.
Er werd in dit oogenblik aan de deur van de wigwam geklopt. Het
was niemand anders dan Squambo, die het herkenningsteeken met zijn
meester wisselde.
»Kom binnen," zei de Spanjaard.
Squambo trad het vertrek binnen.
»Hebt gij bevelen voor dezen nacht te geven?" vroeg hij.
»De waakzaamheid moet stipt betracht worden," antwoordde Texar, »en
bij het bespeuren van iets verdachts, moet ik dadelijk gewaarschuwd
worden."
»Dat neem ik op mij," hernam de Indiaan.
»Morgenochtend zullen wij het cypressenbosch over eene uitgestrektheid
van verscheidene mijlen verkennen."
»En hoe zal het dan met de mestiesche vrouw en met Dy gaan?"'
»Die zullen als gewoonlijk bewaakt worden. Zorg nu Squambo, dat
niemand de rust in den omtrek van de wigwam stoort."
»Daar zal ik voor zorgen."
»Wat voeren onze lieden uit?"
»Zij drentelen heen en weer, en schijnen weinig geneigd om rust
te genieten."
»Dat geen hunner zich verwijdere."
»Geen enkele, wees gerust."
»Hoe staat het met het weer?..."
»Iets beter. Het houdt op met regenen, en de windvlagen beginnen ook
al te bedaren."
»Goed."
Zermah had dit geheele gesprek afgeluisterd en het scheen blijkbaar
een einde te zullen nemen, toen eensklaps een onderdrukte zucht,
een soort van gesmoord gerochel vernomen werd.
De mestiesche vrouw ontstelde zeer; het was als voelde zij al het
bloed in haar lichaam naar het hart stroomen.
Zij sprong op en ijlde naar het nachtleger van gras, en boog zich
over het meisje...
De kleine Dy was zooeven ontwaakt; maar helaas, in welken staat! Schor
en fluitend ontsnapte de ademhaling aan haar lippen. Zij maakte
bewegingen met hare kleine handen, alsof zij de lucht naar haren mond
wilde toevoeren. Zermah kon slechts de woorden opvangen:
»Te drinken!... te drinken!"
Het rampzalige kind was het stikken nabij. Zij moest dadelijk buiten
gedragen worden. Zermah, door angst schier waanzinnig, nam het meisje
in die diepe duisternis op, om haar met haren eigen ademtocht te
helpen. Zij voelde haar in een soort van zenuwtoeval stuiptrekken. Zij
stiet een kreet uit... duwde de deur van hare kamer open, en...
Twee mannen stonden daar tegenover Squambo... maar die mannen waren
elkander door gelaat en gestalte zoodanig gelijk, dat Zermah onmogelijk
zou hebben kunnen aanwijzen, wie hunner Texar was.
XIII.
EEN DUBBELGANGER.
Weinige woorden zullen voldoende zijn, om tot helderheid te brengen,
wat tot nu toe onverklaarbaar in deze geschiedenis is voorgekomen.
Die twee mannen, voor wie Zermah plotseling verschenen was, waren
broeders, waren tweelingen.
Waar waren zij geboren? Dat wisten zij zelven niet nauwkeurig aan te
duiden; waarschijnlijk in een klein dorp van Texas, en daaraan was
ongetwijfeld die naam van Texar, door verandering van de eindletter
van dien naam, ontleend.
Men weet dat Texas een uitgestrekt grondgebied is, hetwelk ten zuiden
van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en langs de golf van Mexico
gelegen is.
Nadat de Texanen tegen de Mexicanen opgestaan waren, bij welken
onafhankelijkheidsoorlog zij door de Noord-Amerikanen geholpen werden,
werden zij in 1845 bij de Groote Republiek, die toen door den president
John Tyler bestuurd werd, ingelijfd.
Vijftien jaren vóór die inlijving, werden twee kinderen in een dorp
van het Texaansche kustland verlaten gevonden. Zij werden opgenomen
en door de openbare liefdadigheid opgevoed.
De aandacht was eerst op die twee kinderen gevestigd geworden door
de bewonderenswaardige gelijkenis, welke tusschen hen bestond. Zij
hadden dezelfde gebaren, dezelfde stem, dezelfde gestalte, dezelfde
lichaamshouding, dezelfde gelaatstrekken, en er kan bijgevoegd worden:
zij hadden ook dezelfde geaardheid, die evenwel van eene vroegtijdige
maar diepe verdorvenheid getuigde.
Hoe werden zij opgevoed? Welk onderwijs viel hun ten deel?
Dat wist niemand. Evenmin kon iemand aangeven tot welke verwantschap
zij behoorden. Misschien stamden zij af van eene dier nomadische
familieën, welke het land na de onafhankelijkheidsverklaring afliepen.
Zoodra de gebroeders Texar, die door een onweerstaanbaren aandrift tot
vrijheid, of beter tot ongebondenheid bezield werden, vermeenden zelf
in hun onderhoud te kunnen voorzien, verdwenen zij uit de buurt waar
zij opgevoed waren. Zij telden toen te zamen vier-en-twintig jaren.
Van dat tijdstip af bestonden hunne middelen van bestaan uit de
opbrengsten van de diefstallen, welke zij op de akkers en in de
pachthoeven pleegden. Hier waren het vruchten, welke zij kaapten,
elders ontvreemdden zij brood. Zoo bereidde hunne kindsheid en hunne
jongelingschap hen voor, om later gewapenderhand tot plundering en tot
rooftochten langs de groote wegen te kunnen overgaan en bewezen zij
van die voorbereiding op uitmuntende wijze partij getrokken te hebben.
Om kort te gaan, men zag hen niet meer terug in de Texaansche dorpen
en gehuchten, waarin zij gewoon waren zich te vertoonen in gezelschap
van boosdoeners, die toen reeds de gelijkenis der tweelingbroeders
tot misdadige doeleinden aanwendden.
Vele jaren gingen voorbij.
De gebroeders waren spoedig vergeten; zelfs de naam van Texar wischte
zich in de herinnering der inwoners uit. En hoewel die naam later
eene betreurenswaardige vermaardheid in Florida zoude verkrijgen,
bestond er niets, waaruit op te maken viel, dat zij hunne prille
jeugd op de kustplaatsen van Texas hadden doorgebracht.
Hoe zou dat ook anders hebben kunnen zijn, daar niemand sedert hunne
verdwijning, ten gevolge van eene verstandhouding tusschen die beiden
beraamd, ooit van twee Texars had hooren spreken. Het was zelfs
door deze verstandhouding, dat zij de mogelijkheid gevonden hadden,
om een menigte misdrijven te plegen, die zoo moeielijk ja onmogelijk
te bewijzen schenen en daardoor straffeloos bleven.
En inderdaad vernam men--toen later dat tweelingschap behoorlijk
bewezen en vastgesteld was--dat die beide broeders gedurende een
geruimen tijd, van hun dertig- tot hun veertigjarigen leeftijd van
elkander gescheiden leefden. Zij trachtten een vermogen te verwerven,
onverschillig op welke wijze. Zij ontmoetten elkander slechts uiterst
zeldzaam en dan nog slechts wanneer zij er zeker van waren, dat geen
oog hen kon bespieden. Die ontmoetingen hadden niet alleen in Amerika
plaats, maar ook in ieder ander werelddeel, waarheen hen hun misdadig
gesternte voerde.
Men vernam ook, dat de een of de andere--welke der twee kon niet
bepaald worden, misschien waren zij beiden schuldig--het bedrijf
van slavenhaler uitoefende. Zij voerden geheele ladingen slaven van
de Afrikaansche kusten naar de Zuidelijke Staten van de Unie over,
of beter gezegd, zij deden die overvoeren. Want bij dergelijke
operatiën vervulden zij slechts de rol van middelaars tusschen de
slavenhouders van het land en de kapiteins der vaartuigen, welke tot
dien afschuwelijken, onmenschelijken handel gebezigd werden.
Maakten zij zaken met dat afgrijselijke bedrijf? Niemand wist dat. Toch
valt het te betwijfelen. Zooveel is zeker, dat die handel merkelijk
verminderde en eindelijk geheel ophield, toen de slavenhandel,
gebrandmerkt als eene daad van gruwelijke barbaarschheid, langzamerhand
in de beschaafde landen afgeschaft werd. Toen waren de beide broeders
wel verplicht, die soort van zaken op te geven.
Intusschen was dat vermogen, hetwelk zij zoozeer wenschten te bezitten
en dat zij het koste wat het wilde, poogden te bemachtigen, nog niet
verworven en moest dat nog verdiend worden.
Toen was het dat die twee gelukzoekers besloten, om hunne buitengewone
gelijkenis te benutten.
In de meeste gevallen gebeurt het, dat die gelijkenis van tweelingen
zich later merkbaar wijzigt, wanneer de kinderen den volwassen leeftijd
bereikt hebben.
Met de beide Texars was dat geenszins het geval. Men kon niet zeggen
dat hunne gelijkenis, naarmate zij in leeftijd vorderden, toenam
of duidelijker werd, want dat was onmogelijk; maar zij bleef wat
zij was, namelijk volmaakt, zoowel wat betreft het karakter als het
uitwendige. Het was onmogelijk, ja totaal onmogelijk den een' van den
anderen te onderscheiden, niet alleen afgaande op de gelaatstrekken
of den lichaamsbouw, maar ook op hunne gebaren of op de buiging
hunner stem.
De beide broeders besloten die natuurlijke bijzonderheid, welke
hen beschoren was, te benutten, om de meest verfoeielijke daden
te plegen. Zij hadden de mogelijkheid spoedig genoeg ingezien, dat
wanneer een hunner beschuldigd werd, een alibi kon gesteld worden, om
zijne onschuld aan het hem ten laste gelegde te bewijzen. Zij gingen
daarbij dan ook zoo te werk, dat terwijl de een de vooraf besprokene
misdaad volvoerde, de ander zich op de een of andere plaats in het
publiek vertoonde en wel zoo, dat door middel van dat alibi de niet
schuldigheid ipse facto bewezen was.
Hier behoeft voorzeker niet bijgevoegd te worden, dat zij hunne
geheele sluwheid aanwendden, om zich nimmer op heeterdaad te laten
betrappen of te vatten. Natuurlijk zou zich de gevangene dan niet op
een alibi kunnen beroepen, en dan zou het geheele goochelspel weldra
ontdekt zijn.
Toen de beide broeders zoo hun levensdoel vastgesteld hadden,
vertrokken zij naar Florida, waar geen hunner bekend was. Wat
hen daarheen lokte, dat waren de talrijke gelegenheden om in een
Staat, alwaar de Indianen, de oorspronkelijke bewoners des lands,
een hardnekkigen oorlog tegen de indringers, de Amerikanen en de
Spanjaarden voerden, in troebel water te visschen.
Het was in het jaar 1850 of 1851, dat de beide Texars voor het eerst
op het Floridasche schiereiland verschenen. Wij hadden moeten zeggen:
Texar en niet Texars; dat zou juister geweest zijn. Want overeenkomstig
hun programma, werden zij nooit te zamen gezien. Nimmer ontmoette
men hen beiden op denzelfden dag en op dezelfde plaats. Nimmer vernam
iemand, dat twee personen van dienzelfden naam bestonden.