staande terreinen uit, die slechts nauwe doorgangen vertoonen, die zeer
moeielijk te verkennen en te vinden zijn. En hoeveel hinderpalen biedt
die landstreek bovendien niet aan! Vooreerst de kleiachtige grond,
die den voet vasthoudt alsof hij in een kleefmiddel neergezet was,
dan de buitengewoon groote boomstronken, die daar kris kras in de
modder neerliggen en een muffe lucht van vergaan hout verspreiden,
welke de adembare lucht ontneemt en stikken doet! Daar groeien ook
ontzettende gewassen, waaronder eene soort van bladerbloem, waarvan de
aanraking venijniger is dan die van den netel of van den distel, waar
vooral duizenden van die kiemoliezwammen, eene soort van reusachtige
paddestoelen, die ontploffen kunnen alsof zij met schietkatoen of met
dynamiet geladen zijn. En inderdaad, bij den geringsten schok van een
dier zwammen volgt eene hevige losbarsting. In een ondeelbaar oogenblik
is de omringende dampkring vervuld met uiterst kleine roodachtige
zaden. Die fijne stof dringt in den neus en in de keel, veroorzaakt
daar eene hevige ontsteking, gevolgd door branderige en etterende
puisten. Het is dus zeer onvoorzichtig, die nadeel-verwekkende
gewassen aan te raken; integendeel, men moet ze uit den weg gaan,
zooals men gevaarlijke dieren zoowel uit de bestaande fauna als uit
de fabelwereld zoude ontwijken.
Texar's woning was niets meer of minder dan eene oude Indiaansche
wigwam, vervaardigd van stroovlechtwerk onder de beschutting der
loofkruinen van hooge boomen, en was gelegen in het oostelijke
gedeelte van het eiland. Zij was geheel in het groen verscholen, en
zelfs van den meest nabijzijnden oever kon men haar niet ontwaren. De
beide speurhonden bewaakten haar met denzelfden ijver als zij bij
de bewaking van het blokhuis in de Zwarte Kreek ontwikkelden. Zij
waren vroeger op de menschen-jacht gedresseerd en zouden ieder vreemd
menschelijk wezen verscheurd hebben, die de wigwam naderde.
Daar was het, dat Zermah en de kleine Dy sedert twee dagen gebracht
waren. De reis, die vrij gemakkelijk gevallen was, zoolang men de
Sint John tot het Washington-meer had kunnen opstevenen, was daarna,
toen de weg door het cypressenwoud voerde, zeer moeielijk geworden,
zelfs voor krachtvolle mannen, die aan dat ongezonde luchtgestel en
aan die lange marschen door bosschen en moerassen gewoon waren! Men
oordeele dus wat die vrouw en dat meisje hadden moeten lijden. Zermah
was evenwel weer gezond, krachtig, moedig en vol toewijding. Gedurende
den geheelen tocht over land droeg zij Dy, wier voetjes al heel
gauw bij zoo'n reis verwond zouden zijn geraakt. Zermah zou zich op
de knieën voortgesleept hebben, als dat moest, om het lieve kind
de geringste vermoeienis te besparen. De krachten der brave vrouw
begaven haar schier dan ook, toen zij op het eiland Garneral aankwam.
En nu, was het wonder, dat zij, na alles wat gebeurd was, sedert
het oogenblik dat Texar en Squambo haar van de Zwarte Kreek ontvoerd
hadden, bijna vertwijfelde?
Helaas, zij wist toch niet, dat het briefje, hetwelk zij aan den
jongen slaaf toevertrouwd had, master James Burbank in handen
gekomen was. Daarentegen wist zij wel, dat de daad van toewijding,
welke die arme drommel om haar te redden had willen begaan, hem het
leven gekost had. Hij was toch overvallen geworden op het oogenblik,
dat hij het eilandje had willen verlaten om zich naar Camdless-Bay
te begeven, en toen doodelijk gewond. En toen meende de mestiesche
vrouw overtuigd te kunnen zijn, dat master James Burbank nimmer zou
vernemen, wat zij van den ongelukkigen neger was te weten gekomen,
namelijk dat de Spanjaard en zijn personeel zich gereed maakten, om
naar het eiland Garneral te vertrekken. En hoe zou men haar thans in
die gegeven omstandigheden op het spoor komen?
Die arme Zermah kon dus zelfs geen zweem van hoop overhouden. Bovendien
zou ieder uitzicht op redding weldra in die landstreek verdwijnen,
waarvan zij de ijzingwekkende woestheid van hooren zeggen kende.
Zij wist en begreep het maar al te goed; daar behoorde eene
ontvluchting tot de onmogelijkheden.
Het kleine meisje verkeerde bij aankomst in een toestand van volslagen
uitputting. In weerwil van Zermah's voortdurende zorgen, had zij toch
noodzakelijk vermoeienissen moeten doorstaan; dan ook had de invloed
van dat verfoeielijke klimaat niet gemist en had hare gezondheid
diep geschokt. Zij zag er bleek en vermagerd uit, alsof zij door
de uitwasemingen der moerassen vergiftigd ware geweest. Zij had de
kracht niet meer, om overeind te blijven en ternauwernood om eenige
woorden uit te brengen, die dan nog maar gesproken werden om naar
hare moeder te roepen. Helaas, Zermah kon haar niet meer antwoorden,
zooals zij gedurende de eerste dagen na hare aankomst in de Zwarte
Kreek deed, dat zij weldra mevrouw Burbank zoude weerzien, dat haar
vader, hare moeder, dat miss Alice, dat Mars niet dralen zouden,
om haar te komen opzoeken. Met haar zoo vroeg ontwikkeld verstand,
nog gerijpt door het ongeluk, door de schrikkelijke tooneelen, welke
zij bij de verwoesting der plantage had bijgewoond, begreep Dy dat
zij aan het ouderlijke huis ontvoerd was geworden, dat zij zich in
handen van een slecht mensch bevond, en dat zij, wanneer men haar
niet te hulp kwam, Camdless-Bay niet meer weer zoude zien.
Thans wist Zermah niet meer wat op de vragen van Dy te
antwoorden. Helaas, zij zag dat het arme kind, in weerwil van hare
toewijding, in weerwil van hare zorgen, wegkwijnde.
De wigwam was, zooals gezegd is, niets anders dan eene ruwe,
onbebouwde hut, die voor het winterseizoen zeer onvoldoende had
moeten gerekend worden. Dan zouden regen en wind zich ruimen toegang
tot hare binnenruimte verschaft hebben. Maar in het zomerseizoen,
welks invloed zich reeds onder deze breedte deed gevoelen, kon zij
hare bewoners toch beschutten tegen de brandende zonnestralen.
Die wigwam was in twee vertrekken van ongelijke grootte verdeeld. Het
eene daarvan, vrij klein, was ternauwernood verlicht en had geene
onmiddellijke gemeenschap met het buitenhuis, daar de deur toegang
tot de andere kamer verleende. Deze laatste was vrij ruim, had een
vriendelijk voorkomen, terwijl hare deur in den voorgevel ingesneden
was en uitzicht op den kanaaloever verleende.
Aan Zermah en Dy was de kleine kamer aangewezen, waarin slechts
weinige meubels tot hare beschikking gesteld waren, terwijl hun bed
slechts uit een paar bossen gras bestond.
De andere kamer was door Texar betrokken en door den Indiaan Squambo,
die zijn meester nimmer verliet. Daarin bevonden zich op het gebied van
meubilair, slechts eene tafel, waarop eenige kruiken brandewijn, eenige
glazen en borden, dan nog eene soort provisiekast en een boomstam, die
ternauwernood vierkant bekapt was en tot bank diende. Ook hier bestond
het geheele beddegoed uit slechts een paar bossen gras. Het vuur, dat
noodig werd geoordeeld, om de spijzen gereed te maken, werd gestookt
in een steenen vuurhaard, die in een hoek der wigwam opgetrokken
was. Die haard was voldoende voor de behoeften eener voeding, die
slechts bestond uit gedroogd vleesch, uit wild, dat een jager op het
eiland gemakkelijk kon bemachtigen, uit groente en uit schier wilde
vruchten, in één woord: juist voldoende om niet van honger te sterven.
Wat de slaven betreft, die Texar van de Zwarte Kreek medegenomen
had, zij waren een twaalftal sterk en sliepen, evenals de twee
honden, buiten de wigwam, en evenals deze moesten zij die woning
bewaken. Hunne eenige beschutting waren de kruinen der groote boomen,
welker benedentakken zich dicht boven hun hoofd kruisten en in
elkander slingerden.
Intusschen hadden Dy en Zermah van den dag van aankomst af volle
vrijheid om heen en weer te wandelen. Zij werden niet in hare kamer
opgesloten; het eiland Garneral diende haar tot gevangenis. Men
vergenoegde zich, haar niet uit het oog te verliezen, hetgeen
vrij overbodig was, eenvoudig, omdat het onmogelijk was het kanaal
over te steken zonder de pont, en deze steeds door een der negers
bewaakt werd. Terwijl Zermah zoo met de kleine rondwandelde, kon
zij zich rekenschap geven, welke moeielijkheden eene ontsnapping
zoude opleveren.
Dien eersten dag van aankomst ontmoette Zermah Texar niet, maar
werd daarom door Squambo niet uit het oog verloren. Toen de nacht
evenwel aangebroken was, hoorde zij de stem van den Spanjaard, die
eenige woorden met Squambo wisselde, om hem eene stipte waakzaamheid
aan te bevelen. En weldra waren allen, met uitzondering van Zermah,
in de wigwam in slaap gedompeld.
Tot nu toe was Zermah er niet in geslaagd, een enkel woord uit Texar
te halen. Tevergeefs had zij getracht, terwijl men de Sint John naar
het Washington-meer opstevende, hem uit te hooren omtrent hetgeen hij
met het kind wilde uitvoeren. Herhaaldelijk had zij daarbij smeekingen
en bedreigingen gebezigd.
De Spanjaard vergenoegde zich, terwijl zij sprak, zijnen kouden en
dreigenden blik op haar te vestigen. Daarna de schouders met minachting
ophalende, maakte hij een gebaar alsof dat gebazel hem verveelde en
hij het geen antwoord waard achtte.
Intusschen liet Zermah niet los. Zij gaf het zoo gauw niet op en
rekende zich niet voor overwonnen. Bij aankomst op het eiland Garneral
nam zij het besluit Texar aan te spreken, ten einde zijn medelijden
op te wekken, was het niet voor haar, dan toch voor het ongelukkige
kind. En mocht medelijden niets uitwerken, dan zou zij zich tot zijn
eigenbelang wenden.
De gelegenheid liet zich niet te lang wachten.
Den volgenden ochtend richtte Zermah, terwijl het meisje sliep,
hare schreden naar het kanaal.
Texar wandelde in dat oogenblik op den oever. Hij was vergezeld van
Squambo en gaf eenige bevelen aan zijne slaven, die bezig waren met de
reiniging van het vaarwater, een arbeid die hoogst noodzakelijk was,
daar de ophooping van waterplanten den gemeenschapsdienst der pont
zeer bezwaarlijk maakte.
Twee negers sloegen gedurende dat werk de oppervlakte van het water
met lange staken, om de kruipende dieren te verschrikken, welker
koppen boven het water zichtbaar waren.
Squambo verliet een oogenblik later zijn meester en deze wilde zich
toen ook verwijderen, maar Zermah trad regelrecht op hem toe.
Texar liet haar naderen en stond stil toen de mestiesche vrouw in
zijne nabijheid gekomen was.
»Texar," sprak Zermah op bedaarden toon, »ik moet u spreken. Het is
ongetwijfeld voor de laatste maal, maar ik smeek u mij aan te hooren."
Geen antwoord.
De Spanjaard stak eene sigarette op en blies stilzwijgend den rook
voor zich uit.
Toen Zermah eenige oogenblikken gewacht had, vervolgde zij:
»Texar, wilt gij mij zeggen, wat gij met Dy Burbank wilt uitvoeren?"
Geen antwoord.
»Ik zal uw medelijden niet trachten op te wekken," vervolgde de
mestiesche vrouw, »ten opzichte van mijn eigen lot. Maar ik wijs u
op dat kind, welks leven in gevaar is, en dat u weldra zal ontsnappen."
Texar beantwoordde die betuiging met een gebaar, hetwelk zijn volkomen
ongeloof moest uitdrukken.
»Ja, weldra," hernam Zermah, »is het niet door de vlucht, dan zal
het door den dood zijn."
De Spanjaard deed langzaam nog eenige trekken aan zijne sigarette,
wierp daarna bedaard het overgebleven eindje weg en vergenoegde zich
met te antwoorden:
»Bah! het meisje zal na eenige dagen rust herstellen. En ik reken
op uwe goede zorgen, Zermah, om dat kostbare bestaan als onderpand
te behouden."
»Neen, ik herhaal het, Texar. Dat kind zal binnenkort overleden zijn,
overleden zonder eenig voordeel voor u."
»Zonder eenig voordeel," hernam Texar grinnikend, »wanneer ik haar
verwijderd houd van hare stervende moeder, verwijderd van haren vader,
van haren broeder, die wanhopig zijn."
»Dat is zoo!" zei Zermah. »Mij dunkt dan ook, dat gij u genoeg
gewroken hebt, Texar. Geloof mij, gij zult er meer voordeel van
plukken, wanneer gij dat arme kind aan hare ouders teruggeeft, dan
wanneer gij haar hier houdt."
»Wat meent gij?"
»Ik meen, dat gij James Burbank genoeg hebt doen lijden. Ik meen dat
gij nu uw eigenbelang moet laten spreken."
»Mijn eigenbelang?..."
»Ja, zeker, uw eigenbelang, Texar," antwoordde Zermah, die opgewonden
geraakte. »De plantage Camdless-Bay is verwoest geworden, mevrouw
Burbank is stervende, misschien is zij wel dood op het oogenblik dat ik
tot u spreek, zijne dochter is verdwenen en haar vader zoekt tevergeefs
haar op het spoor te komen. Al die misdaden zijn door u bedreven,
Texar; dat weet ik. Ik heb het recht om u dat in het aangezicht te
werpen. Maar pas op. Die misdaden zullen eens ontdekt worden. Welnu,
denk aan de straf, die u dan treffen zal. Ja, uw belang gebiedt u,
medelijden te hebben. Ik spreek voor mij niet. Om het even, wanneer
mijn echtgenoot mij bij zijne terugkomst niet weder vindt. Neen,
ik smeek u slechts voor dat arme kind, dat sterven gaat. Houd mij
hier als gij dat verkiest, maar zend dat kind naar Camdless-Bay,
geef het aan hare moeder terug. Men zal u nimmer rekenschap omtrent
het verleden vragen. En zelfs wanneer gij geldzuchtig zijt, met goud
zal men u de vrijheid van dat meisje betalen. Texar, ik neem op mij om
hen dien ruil voor te slaan, ik sta er u borg voor; want ik ken het
hart van master James Burbank en van al de zijnen. Zij zouden alles
opofferen, ik weet het, alles, hun geheel vermogen, om dat kind te
redden, en ik roep God tot getuige, zij zullen de belofte houden die
door hunne slavin gedaan werd!"
»Hunne slavin?"... riep Texar hoonend uit. »Op Camdless-Bay zijn geen
slaven meer."
»Gij vergist u, Texar; want om bij mijn meester te blijven, heb ik
mijn vrijbrief geweigerd."
»Waarlijk, Zermah, waarlijk!" antwoordde de Spanjaard. »Welnu, als u
de vrijheid zoo weinig waard is, wanneer het u niet tegenstaat slavin
te zijn, dan kunnen wij elkander verstaan. Zes of zeven jaren geleden
wilde ik u van mijn vriend Tichborne koopen. Ik heb toen voor u,
voor u alleen eene zeer hooge som geboden. En gij zoudt mij sedert
dat tijdstip toebehoord hebben, wanneer James Burbank niet hooger
geboden had. Thans heb ik je en ik zal je houden."
»Welnu, het zij zoo, Texar," antwoordde Zermah, »ik zal uwe slavin
zijn. Maar geef dat kind aan hare..."
»Het kind van James Burbank," hernam de Spanjaard met eene stem,
die van den bittersten haat getuigde, »die dochter aan haren vader
weergeven?... Nooit!"
»Ellendeling!" riep Zermah uit, die hare verontwaardiging niet
vermocht te bedwingen. »Welnu, als haar vader er niet in slaagt,
dan zal God haar aan uwe handen ontvoeren!"
De Spanjaard sprak geen woord. Hij grinnikte slechts en trok de
schouders op. Dat was zijn eenig antwoord. Hij had intusschen eene
andere sigarette gerold, die hij rustig aanstak aan een lucifer, welke
hij afstreek, en verwijderde zich langs den oever van het kanaal,
zonder Zermah zelfs een blik te gunnen.
Ongetwijfeld zou de moedige en verontwaardigde mestiesche vrouw hem,
had zij maar een wapen in haar bezit gehad, op gevaar af van door
Squambo en zijne spitsboeven vermoord te worden, als een gevaarlijk
wild dier afgemaakt hebben. Maar zij kon niets doen. Zij stond daar
roerloos en keek met starend oog de negers aan, die op den oever
arbeidden. Nergens ontwaarde zij het gelaat van een vriend. Zij
zag niets dan woeste gezichten van verdierlijkte wezens, die tot de
menschheid niet schenen te behooren. Zij keerde naar de wigwam terug,
om hare moederlijke zorgen aan het kind te wijden, dat haar met zwakke
stem riep.
Zermah trachtte het arme schepseltje, dat zij in hare armen
nam, te troosten. Hare omhelzingen verlevendigden het lieve kind
eenigermate. Zij bracht haar bij den haard en bereidde toen een warmen
drank, dien zij haar toediende. Zij verstrekte haar alle zorgen,
voor zoover de omstandigheden van hulpeloosheid en verlatenheid,
waarin zij zich bevond, dat toelieten. Dy bedankte haar met een
glimlach... Maar welk een glimlach?... Hij was nog treuriger dan
wanneer haar de tranen langs de wangen biggelden!
Dien geheelen dag zag Zermah den Spanjaard niet weer. Zij poogde
trouwens niet, hem andermaal te ontmoeten. Waartoe zou dat
dienen? Hij zou wel niet tot andere gevoelens te brengen zijn,
en verdere gesprekken en beschuldigingen zouden den toestand maar
kunnen verergeren.
Want al waren haar en het kind tot nu toe, zoowel gedurende haar
verblijf in de Zwarte Kreek, als sedert hare aankomst op het eiland
Garneral, de mishandelingen gespaard gebleven, zoo mocht zij toch
niet uit het oog verliezen, dat van een kerel als Texar alles te
verwachten was. Een aanval van woede was voldoende, om hem tot de
uiterste gewelddadigheid te doen overslaan. Want geen medelijden kon
die bedorven ziel beroeren, en nu zijn eigenbelang den haat niet had
kunnen overwinnen, moest Zermah iedere hoop in de toekomst laten varen.
En wat de makkers van den Spanjaard betreft, wat te verwachten van
Squambo, wat van de slaven? Zouden die menschelijker dan hun meester
wezen? Zij wisten welk lot hem wachtte, die slechts een weinig
deernis met de arme verlaten vrouwen zoude betoond hebben. Dus ook
van dien kant was niets te hopen. Zermah was dus aan zich zelve
overgelaten. Haar besluit was weldra genomen. Zij zou pogen te
ontvluchten en dat reeds den volgenden nacht inderdaad.
Maar hoe? Moest zij niet den overkant bereiken van het water, hetwelk
het eiland Garneral omgaf? Al was de strook van het meer voor de
wigwam slechts van geringe breedte, zoo kon zij dien toch niet met
het kind zwemmende oversteken. Er bleef dus slechts een enkele kans
over, namelijk om zich van de pont meester te maken, ten einde naar
de overzijde van het kanaal over te steken.
De avond kwam, daarna viel de nacht in, die zeer donker, zelfs guur
zoude wezen, want het begon te regenen en de wind dreigde zijne vlagen
over het moeras te ontketenen.
Zermah bedacht dat het onmogelijk zoude zijn, de wigwam door de deur
van de groote kamer te verlaten. Maar wellicht zou het zoo moeielijk
niet zijn, een gat in de plantaardige omwanding der hut te maken. En
gelukte dat, dan kon zij zich immers door dat gat werken; zij zou de
kleine Dy ook er door trekken. En eenmaal buiten, welnu, dan zou zij
verder weten te handelen.
Toen het ongeveer tien uren was, vernam zij niets anders meer dan het
gehuil der windvlagen. Texar en Squambo sliepen. De honden hadden
eene schuilplaats onder den een of anderen dichten struik gezocht,
zoodat zij niet rondom de woning zwierven.
Het oogenblik was dus uitermate gunstig.
Zermah begon nu, terwijl Dy sliep, zachtkens het stroo en de biezen
uit te trekken, welke door elkander gevlochten de zijomwanding van
de wigwam uitmaakten.
Toen zij gedurende een uur gewerkt had, was er onder hare handen een
gat ontstaan, dat evenwel nog niet groot genoeg was, om haar en het
meisje doortocht te verleenen. Zij was op het punt om haren arbeid
te hervatten, toen een gerucht haar plotseling deed ophouden.
Dat gerucht werd buiten te midden der dikke duisternis veroorzaakt. Het
waren de speurhonden die aansloegen en welker geblaf een gaan en
komen op den oever verraadde. Texar en Squambo, zoo plotseling uit
den slaap gewekt, verlieten in allerijl hunne kamer.
Toen werden stemmen vernomen. Klaarblijkelijk was een troep mannen
op den tegenovergestelden oever van het kanaal aangekomen. Zermah was
verplicht hare poging tot ontvluchting, die thans onuitvoerbaar was,
op te geven.
Weldra weerklonken, in weerwil van het gehuil der windvlagen, talrijke
stappen op den grond.
Zermah luisterde met gespitste ooren aandachtig toe. Wat viel er
toch voor? Zou de Voorzienigheid zich harer erbarmen? Zond zij hulp,
waarop de arme vrouwen niet meer durfden rekenen?
Neen, en dat begreep zij. Want, zou er in dat geval niet een
gevecht ontstaan zijn tusschen de nieuw aangekomenen en Texar's
lieden? De overgang zou toch aanvallenderwijs en gewelddadig moeten
geschieden. Geroep, geschreeuw, geweerschoten hadden moeten zijn
gehoord. En van dat alles had niets plaats gegrepen. Doch het was
eerder eene versterking, die aan de bezetting van het eiland Garneral
toegevoegd werd.
Zermah bespeurde dat twee personen een oogenblik later de wigwam
binnentraden. De Spanjaard was door een ander man vergezeld, die
Squambo niet was, daar de stem van den Indiaan nog buiten naar den
kant van het kanaal vernomen werd.
Toch waren twee mannen het vertrek binnengetreden. Zij hadden een
gesprek met gedempte stem begonnen, toen beiden eensklaps zwegen.
Een hunner trad met een lantaarn in de hand naar Zermah's kamer
toe. Deze had ternauwernood den tijd zich op het gras neder te werpen,
dat haar tot legerstede diende, hetgeen zij evenwel zoodanig deed,
dat zij het gemaakte gat in den muur met haar lichaam verborg.
Texar--want hij was het--opende de deur op een kier en keek in de
kamer rond. Toen hij de mestiesche vrouw bij het meisje uitgestrekt
zag liggen en beiden schenen te slapen, trok hij de deur weer toe en
ging weg. Zermah sprong ras op en vatte post bij die deur.
Het is waar, zij kon niet zien wat in die kamer gebeurde, zij kon ook
den persoon, die bij Texar was, niet herkennen; maar zij kon alles
hooren, wat gesproken werd.
En ziehier wat zij vernam.
XII.
WAT ZERMAH VERNAM.
»Gij hier op het eiland Garneral?"
»Ja, sedert eenige uren."
»Ik meende dat gij nog te Adamsville waart, of u in de nabijheid van
het meer Apopka bevondt."
»Daar was ik nog acht dagen geleden."
»En waarom zijt ge herwaarts gekomen?"
»Ik werd er toe genoopt."
»Gij weet, wij moeten elkander nimmer ontmoeten dan in de Zwarte
Kreek en dan nog slechts wanneer gij mij door middel van een briefje
gewaarschuwd hadt."
»Ik herhaal, dat ik genoopt werd te handelen zooals ik deed. Ik
ben overhaast moeten vertrekken, om in de Everglades een veilige
schuilplaats te zoeken."
»Waarom?"
»Dat zult gij vernemen."
»Maar stelt gij ons niet in gevaar ontdekt te worden?"
»Neen! Ik ben bij nacht aangekomen en geen uwer slaven heeft mij
kunnen zien."
Zermah begreep geen woord van dat gesprek. Zij kon ook niet gissen,
wie die onverwachte gast in de wigwam kon zijn. Daar waren twee
mannen bij elkander, die praatten; maar het was of slechts een
enkel man sprak, die vragen deed en zelf antwoord gaf. Het was
dezelfde stembuiging, hetzelfde toongeluid. Men zou gezegd hebben,
dat al de gesproken woorden uit een en denzelfden mond kwamen. Zermah
trachtte tevergeefs door eenige reten der deur te gluren. De kamer,
die slechts flauw verlicht werd, was in een halfduister gedompeld,
dat niet veroorloofde iets te ontwaren. De mestiesche vrouw moest zich
dus bepalen tot de poging, om zooveel maar mogelijk was te vernemen
van dat gesprek, dat voor haar zeer belangrijk kon zijn.
De beide mannen vervolgden, na een poos gezwegen te hebben, aldus. Het
was Texar die zijn metgezel ondervroeg:
»Gij zijt niet alleen gekomen?"
»Neen, eenige onzer partijgangers hebben mij naar de Everglades
vergezeld."
»Hoeveel kwamen met u mede?"
»Een veertigtal."
»En vreest gij niet dat zij te weten zijn gekomen, wat wij zoo lang
zorgvuldig geheim hielden?"
»Volstrekt niet; zij zullen ons nimmer bij elkander zien. Wanneer
zij het eiland Garneral verlaten zullen, zullen zij niets vernomen
hebben en niets zal aan ons levensprogramma veranderd zijn."
Zermah meende in dit oogenblik een gerucht te hooren als van twee
handen die elkander drukten.
Daarop werd het gesprek volgenderwijs voortgezet:
»Wat is er sedert de inneming van Jacksonville gebeurd?"
»Eene vrij ernstige zaak. Gij weet dat Dupont Sint Augustijn bemachtigd
heeft?"
»Ja, dat weet ik en gij zult ongetwijfeld niet onbekend zijn gebleven
waarom ik dat weten moet?"
»Inderdaad! Het gebeurde met den trein van Fernandina is juist
ter geschikter tijd voorgevallen om u in staat te stellen, u op een
alibi te beroepen, waardoor de krijgsraad verplicht is geweest u vrij
te spreken."
»En toch had die raad daar weinig lust in! Maar bah!... Het is de
eerste maal niet dat wij ons op die wijs redden..."
»En het zal de laatste keer ook wel niet zijn. Maar wellicht weet gij
niet welk doel de Federalisten met de bezetting van Sint Augustijn
beoogden? Dat was niet zoozeer om de hoofdplaats van het graafschap
Sint John te bedwingen, dan wel om de blokkade langs de kusten van
den Atlantischen Oceaan effectief te maken."
»Dat heb ik hooren zeggen."
»Welnu, het kwam Dupont zeer onvoldoende voor, de kust van de Sint
John-monding af tot de Bahama-eilanden in het oog te houden. Hij
wilde de oorlogs-contrabande tot in de binnenlanden van Florida
vervolgen. Daartoe zond hij twee sloepen af met een detachement
zeelieden aan boord, die aangevoerd werden door twee officieren van
het eskader. Waart gij in kennis gesteld van die expeditie?"
»Neen."
»Maar op welken datum hebt gij dan toch de Zwarte Kreek
verlaten?... Eenige dagen na uwe invrijheidstelling?..."
»Ja, op den 22sten van deze maand."
»Inderdaad, het gebeurde viel op den 22sten voor."