»Ik ben gereed op kondschap uit te gaan," betuigde Mars.

»En ik zal u vergezellen," zei master Perry.

»Neen, dat neem ik op mij," antwoordde Gilbert Burbank. »Ik mag mij

op niemand anders vertrouwen dan op mij zelven...."

»Gilbert," zei master James Burbank, »er is niemand onzer die niet

gereed is zijn leven voor het algemeen welzijn veil te hebben. Maar

om niet opgemerkt te worden, om eenigen kans te hebben die verkenning

met welslagen uit te kunnen voeren, moet de verkenner alleen zijn...."

»Het is ook alleen, dat ik wensch te gaan," sprak Gilbert Burbank

met eenige drift.

»Neen, mijn zoon," antwoordde master James Burbank, »ik verzoek je

bij ons te blijven. Mars zal die verkenning volvoeren."

»Ik ben gereed, master," sprak deze.

En zonder verder een bevel af te wachten, verdween de mesties in

de duisternis.

Terzelfder tijd stelde master James Burbank zijn troep slagvaardig op,

gereed om iederen aanval te weerstaan. De eenmansvrachten werden op

den grond gelegd. De dragers grepen naar de wapens. En allen, met het

geweer in de hand, stelden zich verspreid achter de cypressenstammen

verdekt op, evenwel zoo dat zij in een oogwenk bij elkander konden

zijn, wanneer de omstandigheden gebieden mochten gezamenlijk op

te treden.

Van de plek, die door master James Burbank en de zijnen betrokken was,

kon men het kampement niet zien. Men moest ongeveer een vijftigtal

passen naderen, om de vuren, die bijna verdoofd waren, in het oog te

krijgen. Daaruit werd de noodzakelijkheid geboren, de terugkomst van

den mesties af te wachten, alvorens die beschikkingen te kunnen nemen,

welke de omstandigheden zouden medebrengen.

In zijn ongeduld was de jeugdige officier eenige meters vooruit

getreden, alsof hij van daar de lieden beter kon voeren.

Mars was intusschen met de grootste omzichtigheid vooruitgeslopen. Hij

dekte zich voortdurend achter boomstammen, en verliet den eenen niet

dan om achter een anderen eene schuilplaats te zoeken. Zoo naderde

hij, zonder veel gevaar te loopen ontdekt te worden. Hij hoopte

zoo nabij genoeg te kunnen naderen, om de gesteldheid van de plaats

waar te kunnen nemen, het getal mannen te kunnen ramen, maar vooral

de partij te kunnen bestemmen, waartoe zij behoorden. Dat zou zoo

gemakkelijk niet gaan. De nacht was zeer donker en de bivouacvuren

gaven geen licht meer. Om te slagen, moest hij tot bij het kampement

sluipen. Nu was Mars volstrekt niet van stoutmoedigheid misdeeld,

ook niet van vaardigheid, om de waakzaamheid der schildwachten,

die op post stonden, te misleiden.

De mesties won inmiddels veld. Hij had, om door niets belemmerd te

kunnen worden, noch geweer noch revolver medegenomen. Hij was slechts

gewapend met eene korte enterbijl, want het was noodzakelijk iedere

ontploffing te vermijden en zich slechts te verdedigen, als dat noodig

was, zonder gerucht te maken.

Eindelijk was de moedige kerel tot op zeer korten afstand van een der

schildwachten genaderd, die zelf slechts op een afstand van zeven of

acht meters van het kampement geplaatst was. Alles was stil. Blijkbaar

waren die mannen ten gevolge van een zwaren marsch zeer vermoeid en

thans in een diepen slaap gedompeld. Slechts de schildwachten waren

waakzaam op hun post, doch niet allen in gelijke mate, waarvan Mars

weldra de overtuiging kreeg.

Inderdaad, de mesties, die een hunner sedert eenige oogenblikken

nauwkeurig gadesloeg, bemerkte dat hij wel is waar overeind stond,

maar zich volstrekt niet bewoog. Zijn geweer lag op den grond. Hij

zelf stond met gebukt hoofd tegen een cypresboom geleund en scheen

aan den slaap geen weêrstand te kunnen bieden. Het zou misschien

niet onmogelijk zijn, achter hem om te sluipen en zoo het kampement

te bereiken.

Mars naderde den schildwacht langzaam, toen het gekraak van een droog

takje, dat hij met den voet deed knappen, zijne tegenwoordigheid

verraadde.

Dadelijk richtte de man zich op, verhief het hoofd, boog zich voorover,

keek scherp rechts en links, om te ontwaren, wie of wat het gerucht

kon veroorzaakt hebben, dat gedurende zijne dommeligheid zijn oor

getroffen had.

Hij ontwaarde voorzeker iets verdachts, want hij greep zijn geweer,

maakte dat vaardig en bracht het aan den schouder...

Maar vóórdat hij vuur had kunnen geven, had Mars hem het wapen,

dat op zijne borst gericht was, ontrukt en had hij den schildwacht,

na hem zijn breede hand op den mond geklemd te hebben, om hem het

schreeuwen te beletten, op den grond geworpen.

Dat alles was in een ondeelbaar oogenblik geschied. Toen Mars dien

man gekneveld en hem een prop in den mond geduwd had, pakte hij hem

met ijzersterken arm op en droeg hem, hoewel hij zich tevergeefs

trachtte te verzetten, in allerijl naar de open plek in het woud,

waar master James Burbank en de zijnen met ongeduld stonden te wachten.

Niets was van dat alles door de andere schildwachten, die het kampement

bewaakten, bespeurd, een bewijs dat zij zeer onvoldoende hun plicht

betrachtten. Mars kwam weinige oogenblikken later met zijne vracht

aan en legde die aan de voeten van zijn jongen meester neder.

In minder dan een oogwenk waren de negers rondom master James Burbank,

zijn zoon Gilbert, Edward Carrol en den administrateur Perry in

een dichten kring te zamen gedrongen. De krijgsgevangene, die half

gestikt was, zou geen enkel woord, zelfs zonder prop in den mond,

hebben kunnen uiten. De duisternis was zoo groot, dat het onmogelijk

was zijn gelaat waar te nemen of zijne kleederen te onderscheiden,

ten einde te weten te komen, of hij al of niet tot de Floridasche

militie-troepen behoorde.

Mars verwijderde de prop, die hem den mond sloot, maar men moest

geduldig wachten tot hij eenigszins bijgekomen was, alvorens hem te

kunnen ondervragen. Eindelijk riep hij:

"Help!... help!..."

"Geen kik," waarschuwde hem master James Burbank, terwijl hij hem de

hand op den mond legde. »Gij hebt van ons niets te vreezen."

»Wat wil men van mij?"

»Niets dan dat gij ons openhartig antwoordt."

»Het zal er van afhangen, wat gij mij vragen zult," antwoordde de man,

die eenigermate eene zekere geruststelling herkreeg. »Vooreerst zijt

gij voor de Zuidelijken of voor de Noordelijken gestemd?"

»Voor de Noordelijken."

»Vraag dan maar op. Dan ben ik gereed te antwoorden."

Toen vervolgde Gilbert de ondervraging.

»Hoe sterk is het detachement, dat daar ginds kampeert?" vroeg hij.

»Bijna tweehonderd man."

»En waarheen trekt het?"

»Naar de Everglades."

»Wie is zijn aanvoerder?"

»De kapitein Howick."

»Wat, de kapitein Howick?"

»Ja."

»De kapitein Howick, een der officieren van de Wabash!" riep Gilbert

Burbank uit.

»Dezelfde."

»Dat detachement bestaat dus uit zeelieden van het eskader van den

Commodore Dupont?"

»Ja; wij zijn Federalisten, Noordelijken, anti-slavengezinden,

unionisten," antwoordde die man, trotsch er op, die verschillende

benamingen op te sommen, die de partij der goede zaak zoo dikwerf

als scheldnamen aanduidden.

Dus in stede van een detachement Floridasche militie-troepen, die

master James Burbank en zijne tochtgenooten meenden dat voor hen

uit marcheerden, in stede van eene bende partijgangers van Texar,

was men op vrienden gestooten, op wapenbroeders, welker versterking

voorwaar zeer te pas kwam.

»Hoerah! hoerah!" schreeuwden allen met zulk een geestdrift, met zulk

een kracht, dat het geheele kampement er van ontwaakte.

Dadelijk schitterde het licht van flambouwen in het nachtelijk

duister. Men kwam naar elkander toe, men vereenigde zich in de open

plek van het woud, en nog vóórdat eenige verklaring gegeven werd,

drukte kapitein Howick den jeugdigen luitenant, dien hij volstrekt niet

dacht op zijn weg naar de Everglades te ontmoeten, met warmte de hand.

De verklaringen en uitleg van zaken waren noch lang, noch moeielijk.

»Kunt gij mij mededeelen, kapitein," vroeg Gilbert Burbank, »wat gij

in Beneden-Florida komt uitvoeren?"

»Waarde luitenant Burbank," antwoordde kapitein Howick, »wij zijn op

expeditie gezonden door den Commodore Dupont."

»En vanwaar komt gij?"

»Van Mosquito Inlet, vanwaar wij ons dadelijk naar New Smyrna, in de

binnenlanden van het graafschap gelegen, begeven hebben."

»Mag ik u ook vragen, kapitein, wat het doel van uwen tocht is?"

»Het doel daarvan is een bende partijgangers der Zuidelijken te

tuchtigen, die twee onzer sloepen in eene hinderlaag gelokt hebben. Wij

willen den dood van onze brave krijgsmakkers wreken!"

Ziehier wat kapitein Howick dienaangaande verhaalde en wat master

James Burbank onmogelijk weten kon; want de feiten waren twee dagen

na zijn vertrek van Camdless-Bay gebeurd.

Men heeft niet vergeten, dat de Commodore Dupont zich toen onledig

hield met het tot stand brengen van de daadwerkelijke blokkade van de

Floridasche kuststrook. Daartoe moest zijne flottilje dat gedeelte van

de zee, begrepen tusschen het eiland Anastasia, ten noorden van Sint

Augustijn, en de noorder-monding van het kanaal, dat de Bahama-eilanden

van de Zandkaap, de Zuidelijke spits van Florida, scheidt, bewaken

en doorkruisen. Maar dat kwam hem niet afdoende genoeg voor. Daarom

besloot hij de vaartuigen der Zuidelijken tot in de kreken en kleine

rivieren van het schiereiland te vervolgen en aan te vallen.

Met dat doel werd eene expeditie afgezonden, bestaande uit twee

sloepen van het eskader met een detachement mariniers aan boord,

onder de bevelen van twee officieren, die, in weerwil van hun beperkt

aantal, niet aarzelden de rivieren van het graafschap in te stevenen.

Maar de partijgangers der Zuidelijken sloegen die handelingen der

Federalisten nauwgezet gade. Zij lieten die sloepen ongehinderd zich

begeven in dit woeste gedeelte van Florida, hetgeen eene daad van

betreurenswaardige onvoorzichtigheid moest genoemd worden, daar die

geheele streek zoowel door Seminool-Indianen als door militie-troepen

bezet was. De gevolgen bleven niet uit. De sloepen werden bij het

Kissimmee-meer, gelegen op tachtig mijlen ten westen van kaap Malabar,

in een hinderlaag gelokt. Daar werden zij door talrijke partijgangers

aangevallen en daar sneuvelden de twee commandanten, die de noodlottige

expeditie aanvoerden, aan het hoofd van het grootste gedeelte hunner

ondergeschikten. Slechts weinigen ontsnapten als het ware door een

wonder aan het bloedbad. De Commodore Dupont verstrekte dadelijk,

toen hij die ramp vernam, de noodige bevelen, om de Floridasche

militie-troepen onverwijld en rusteloos te vervolgen, ten einde den

dood der gesneuvelde Federalisten te wreken.

Een detachement van tweehonderd zeelieden, onder de bevelen

van kapitein Howick, ontscheepte derhalve in de nabijheid van

Mosquito-Inlet, en had weldra het stadje New-Smyrna, op eenigen

afstand van de kust gelegen, bereikt. Na aldaar de onontbeerlijke

inlichtingen ingewonnen te hebben, hernam kapitein Howick zijnen

marsch in zuidwestelijke richting.

Hij rekende inderdaad er op, de bende, aan wie de hinderlaag, te

Kissimmee gespannen, toegeschreven moest worden, in de Everglades

te ontmoeten. Het was dus daarheen, dat hij zijn marsch richtte. En

thans was hij daar niet ver meer van verwijderd.

Dat was de gebeurtenis, welke master James Burbank en zijne

tochtgenooten niet kenden, toen zij in dit gedeelte van het

cypressenwoud op het detachement van kapitein Howick stieten.

Vragen en antwoorden kruisten zich thans bliksemsnel tusschen den

kapitein en den luitenant. Natuurlijk golden zij uitsluitend hun

tegenwoordigen toestand, en wat zij in de toekomst te wachten hadden.

»Ik kan u al dadelijk mededeelen," zei Gilbert Burbank, »dat wij ook

naar de Everglades marcheeren."

»Gij ook?" vroeg de kapitein, vrij verbaasd over deze mededeeling. »Wat

gaat gij daar uitvoeren?"

»Wij vervolgen eene bende boosdoeners, om hen te tuchtigen, zooals

gij met de sluipmoordenaars van Kissimmee wilt doen."

»Wat zijn dat voor boosdoeners?"

»Veroorloof mij, kapitein," antwoordde Gilbert Burbank, »alvorens u

te antwoorden, eene vraag [3] te doen."

»Welke?"

»Sedert wanneer hebt gij met uw detachement New-Smyrna verlaten?"

»Sedert acht dagen."

»En hebt gij geen enkel partijkorps der Zuidelijken in de binnenlanden

van het graafschap ontmoet?"

»Geen enkele, waarde Gilbert," antwoordde kapitein Howick. »Maar

wij hebben uit vertrouwbare bron vernomen, dat sommige detachementen

militie-troepen eene toevlucht in Beneden-Florida gezocht hebben."

»Wie is de aanvoerder van dat detachement, hetwelk gij vervolgt?"

»Wie die aanvoerder is?"

»Ja, kent gij hem ten minste?"

»Volkomen. En ik kan er bijvoegen, dat wanneer wij er in slagen hem

gevangen te nemen, master James Burbank dat niet betreuren zal."

»Wat wilt gij zeggen?"... vroeg de eigenaar van Camdless-Bay den

kapitein Howick met eenige drift.

»Eenvoudig dit," antwoordde de officier, »dat die aanvoerder juist

dezelfde Spanjaard is, die kort geleden door den krijgsraad te Sint

Augustijn, wegens gebrek aan bewijzen, ter zake van het gebeurde op

uwe plantage vrijgesproken werd."

»Texar?"

»Texar?"

»Texar?"

Allen, èn James Burbank, èn Gilbert, èn Edward Carrol, èn Perry hadden

gelijktijdig dien naam uitgekreten. Zal het mogelijk zijn een denkbeeld

te geven van de gewaarwordingen, welke een ieder bezielden?

»Hoe," riep Gilbert uit, »is Texar de aanvoerder van die partijgangers,

welke gij tracht te bereiken?"

»Hij zelf! Hij is de bewerker van de hinderlaag te Kissimmee, van dien

laaghartigen moord, gepleegd door een vijftigtal boosdoeners van zijn

gehalte, die hij in persoon aanvoerde. En zooals wij te New-Smyrna

uit zekere bron vernomen hebben, heeft hij zijne toevlucht in de

Everglades gezocht."

»En wanneer gij er in slaagt dien ellendeling gevangen te

nemen?"... vroeg Edward Carrol.

»Dan wordt hij op de plaats doodgeschoten," antwoordde kapitein

Howick. »Zoo luidt het formeele bevel van den Commodore, en wees

er van overtuigd, master James Burbank, dat bevel zal onmiddellijk

uitgevoerd worden."

Men zal zich gemakkelijk kunnen voorstellen, welke uitwerking die

mededeeling op master James Burbank en de zijnen hebben moest. Met

de versterking der strijdmacht, die door kapitein Howick bijgebracht

werd, kon men bijna zeker op de bevrijding van de kleine Dy en van

Zermah rekenen. Ook kon men op de gevangenneming van den Spanjaard en

zijne medeplichtigen vertrouwen. Die zouden de straf hunner misdaden

niet ontgaan.

Er werden dan ook veelvuldige handdrukken tusschen de zeelieden van

het federalistisch detachement en de negers van Camdless-Bay gewisseld,

en vele hoera's weerklonken vol geestdrift door het cypressenwoud.

Gilbert Burbank stelde toen kapitein Howick op de hoogte van hetgeen

zijne tochtgenooten in het zuiden van Florida kwamen uitvoeren. Hunne

voorname taak was, de bevrijding van Zermah en het meisje, die naar het

eiland Garneral ontvoerd waren, zooals door het briefje der mestiesche

vrouw aangeduid was. De kapitein vernam toen ook, dat het alibi, door

den Spanjaard voor den krijgsraad bepleit, niet had moeten aangenomen

worden, hoewel men er niet in geslaagd was om te begrijpen, hoe dat

alibi gesteld had kunnen worden.

Maar nu hij zich èn omtrent de ontvoering der twee vrouwen, èn omtrent

den moord te Kissimmee te verantwoorden had, scheen het moeielijk

dat Texar ontsnappen kon aan de straf voor die dubbele misdaad.

Intusschen opperde toch master James Burbank eene onverwachte

bedenking, die hij aan kapitein Howick mededeelde.

»Kunt gij mij zeggen," vroeg hij, »op welken dag de sloepen te

Kissimmee in hinderlaag gevallen zijn?"

»Zelfs zeer nauwkeurig, master Burbank," antwoordde de kapitein. »Die

moord onzer zeelieden is op den 22sten Maart geschied."

»Welnu," antwoordde master James Burbank, »op den 22sten Maart was

Texar nog in de Zwarte Kreek en maakte hij zich eerst gereed om

te vertrekken."

»Onmogelijk, master Burbank!"

»Dat zeg ik ook: onmogelijk heeft Texar deel kunnen nemen aan een

moord, die op tweehonderd mijlen afstand bij het meer Kissimmee

gepleegd werd! Vindt gij niet?"...

»Ja, maar..." stamelde de kapitein.

»Neen, ik herhaal dat Texar die bende Zuidelijken niet heeft kunnen

aanvoeren, die uwe sloepen overvallen en uitgemoord hebben."

»Gij vergist u, master Burbank," hernam kapitein Howick. »De Spanjaard

is behoorlijk gezien en herkend geworden door de zeelieden, die aan

het bloedbad ontkomen zijn. Den zeelieden heb ik zelf ondervraagd."

»Maar zij kennen Texar waarschijnlijk niet?"

»Zij kennen hem zeer goed; zij hebben te Sint Augustijn gelegenheid

genoeg gehad om hem te zien."

»Dat kan niet, kapitein," antwoordde master James Burbank. »Het

briefje, door Zermah geschreven en wat zich in onze handen bevindt,

bewijst dat Texar op den 22sten Maart nog in de Zwarte Kreek was."

»Ongeloofelijk, master Burbank!" meende kapitein Howick te moeten

protesteeren.

Gilbert Burbank had die woordenwisseling aangehoord, zonder te trachten

met een enkel woord tusschenbeiden te komen. Hij begreep dat zijn vader

gelijk had, hij gevoelde dat hij gelijk moest hebben. De Spanjaard

kon onmogelijk op den dag van den moord zich in de nabijheid van het

Kissimmee-meer bevonden hebben.

»Laten wij daarover niet redekavelen," sprak hij eindelijk. »In het

bestaan van dien man doen zich zulke onverklaarbare daadzaken voor,

dat ik maar niet pogen zal ze op te lossen. Den 22sten Maart was hij,

volgens de verklaring van Zermah, nog in de Zwarte Kreek, en op den

22sten Maart bevond hij zich, volgens uwe verzekering, kapitein Howick,

die gij geput hebt uit het rapport uwer zeelieden, aan het hoofd

van een Floridaasch partijgangerskorps op tweehonderd mijlen daar

vandaan. Die tegenstrijdigheid vermogen wij voor het oogenblik niet

op te lossen. Het zij zoo! Maar wat zeker, wat boven allen twijfel

verheven moet geacht worden, is, dat hij zich thans in de Everglades

bevindt. En nu kunnen wij hem binnen tweemaal vier-en-twintig uren

bereikt hebben."

»Ja, luitenant Burbank," antwoordde kapitein Howick, »gij hebt

gelijk, en hetzij schuldig aan de ontvoering der twee vrouwen,

hetzij schuldig aan het spannen der hinderlaag, zal, volgens mij,

wanneer die ellendeling doodgeschoten wordt, het vonnis rechtvaardig

geveld zijn. Kom, voorwaarts vrienden!"

»Ja, voorwaarts!" antwoordden allen.

Het gestelde feit was daarom evenals zooveel anderen, die betrekking

op het niet openbare leven van Texar hadden, volkomen onverklaarbaar

en bleef dat. Daarin school ook alweer een niet te begrijpen

alibi. Waarlijk, men zou gezegd hebben dat Texar, die ellendige kerel,

een dubbelganger had, of beter, dat hij het vermogen bezat op twee

plaatsen tegelijkertijd te zijn.

Zou dat geheim eenmaal opgelost worden? Wie zou dat durven

verzekeren? Maar het mocht zijn zooals het wil, men moest Texar

zien in handen te krijgen, en tot dat doel zouden de zeelieden

van kapitein Howick, met de tochtgenooten van master James Burbank

krachtig medewerken.

XI.

IN DE EVERGLADES.

Eene landstreek, die Everglades, die tegelijkertijd afschuwelijk en

verrukkelijk is! Gelegen in het zuidelijk gedeelte van Florida, strekt

zij zich tot de Zandkaap, het laatste punt van het schiereiland, uit.

Die streek vormt, om der waarheid nauwkeurig getrouw te blijven,

slechts een uitgestrekt moeras, dat bijna in het waterpas van den

Atlantischen Oceaan gelegen is en zich slechts zeer weinig daarboven

verheft. De golven der zee overstroomen haar met groote hoeveelheden

water, wanneer zij door de stormen van de wereldzee of van de Golf

van Mexico met ontembare woede opgezweept worden. Dat zilte water

blijft dan vermengd met het regenwater, hetwelk in het winterseizoen

bij stroomen, als waren het stortvloeden, uit het dikke wolkendak

nederstort.

Daarin is de oorzaak gelegen, dat de bodem van die landstreek half

vloeibaar, half vast is, welke toestand op zijne beurt de oorzaak

van hare onbewoonbaarheid is.

Die moeraspoelen hebben eene omlijsting van wit zand, die hunne sombere

kleur te scherper doet uitkomen en zoo talrijke spiegels vormen,

waarin slechts de vlucht der ontelbare vogels weerkaatst wordt,

die over hare oppervlakte vliegen. Die poelen zijn niet vischrijk,

maar wemelen daarentegen van slangensoorten.

Men moet niet van de meening uitgaan, dat het algemeen karakter van

die landstreek den stempel van dorheid of onvruchtbaarheid zoude

dragen. Neen, integendeel. Aan de oppervlakte juist dier eilanden,

welke door de onreine en ongezonde wateren dier meren en poelen

omgeven waren, hernam de natuur hare rechten. De malaria-verpestingen

werden getemperd, ja overwonnen, door de heerlijke geuren welke de

bewonderenswaardige bloemen dezer plantenwereld verspreidden. De

dampkring dier eilanden en eilandjes is als het ware doortrokken

door de lucht van duizenden gewassen, die overheerlijk krachtig

ontwikkelen en den naam van Floridaasch schiereiland met recht aan

die streek verleenen. Het is ook in die frissche en gezonde eilandjes

der Everglades, die als zoovele oasen verschijnen, dat de zwervende

Indianenstammen bij voorkeur verwijlen bij hunne halten, welker duur

nimmer zeer lang kan zijn.

Wanneer men dat grondgebied over eene uitgestrektheid van eenige mijlen

binnengedrongen is, dan ontmoet men een uitgestrekt waterbekken,

het meer Okee-cho-bee, hetwelk een weinig ten zuiden van den

zeven-en-twintigsten breedtegraad gelegen is. In een hoek van dat

meer werd het eiland Garneral aangetroffen, waar Texar zich eene

schuilplaats ingericht had, die de scherpzinnigste vervolgers kon

trotseeren.

Die landstreek was alsof zij voor Texar en zijne schandgenooten

geschapen was en hunner in allen deele waardig. Toen Florida toch

nog onder de heerschappij der Spanjaarden stond, was het daarheen

voornamelijk dat de misdadigers van blank ras vluchtten, om aan de

nasporingen der gerechtigheid van hun vaderland te ontsnappen. Daar

sloten zij huwelijken met de vrouwen der inlandsche bevolking, in

wier aderen onmiskenbaar Caraïbisch bloed aangetroffen wordt, en

werden zoo de stamvaders van de Creeks, van de Seminolen, zwervende

Indianenstammen, die nimmer het hoofd voor het juk der beschaving

gebogen hebben, maar die men na een langdurigen en bloedigen oorlog

heeft ten onder gebracht, maar welker onderwerping, dagteekenende van

1845, nimmer diepe wortels geschoten heeft, nooit oprecht geweest

is en slechts door voortdurende ontwikkeling van militaire macht

gehandhaafd kon worden.

Intusschen heeft het eiland Garneral geheel en al het uiterlijke alsof

het voor iederen aanval gevrijwaard is. Het is waar, zijn oostelijke

oever is slechts door een smallen rivierarm of beter door een smal

kanaal van den oosterwal gescheiden, namelijk wanneer men die benaming

mag geven aan het moerassige land, hetwelk het meer omringt. Dat kanaal

is slechts honderd voet breed; toch is er eene pont noodig, om er over

te komen. Die pont bestond in den vorm van een onhandig, ruw en log

vaartuig. Overigens was er geen ander gemeenschapsmiddel aanwezig. De

ontsnapping, door middel van zwemmen langs dien kant, was totaal

onmogelijk. Wie zou zich durven wagen te midden van dat modderige

water, dat gevuld was met lang gras, hetwelk iedere zwembeweging

belemmerde, terwijl het tevens van kruipend gedierte krioelde.

De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar · 第 13 / 18 段