Maar hoe moeielijk moest de af te leggen afstand tusschen het

Washington-meer en de Everglades geweest zijn! Geen rivier meer om

die arme vrouw en dat teere meisje de ontzettende vermoeienissen

en inspanningen, daaraan verbonden, te besparen. Voorzeker zou de

mestische vrouw de kleine Dy in hare armen gedragen hebben. Maar

de gedachte alleen, wat die arme Zermah bij dien tocht te lijden

zal gehad hebben, doet onwillekeurig ijzen. Want gedwongen als zij

was om die mannen te volgen, die aan dergelijke tochten door dat

moeielijke terrein gewoon waren, zullen haar geene beleedigende

woorden, geen gewelddadigheden, geen slagen gespaard zijn geworden,

om haar te dwingen hare schreden te verhaasten. Hoe dikwerf zou zij

niet gevallen zijn bij hare pogingen, om, zonder aan zich zelve te

denken, het kleine meisje te beveiligen. Dat alles zweefde onzen

veldontdekkers levendig voor den geest. En als Mars er aan dacht aan

welk lijden, aan welke martelingen zijne echtgenoote blootgesteld

was, dan beefde hij van woede, dan verbleekte hij van toorn en dan

ontsnapte aan zijne lippen de woorden:

»O, ik zal Texar dooden!"

Hoezeer wenschte hij om reeds op het eiland Garneral aangekomen te

zijn, om zich van aangezicht tot aangezicht te bevinden met den

aterling, wiens kuiperijen zooveel lijden aan de familie Burbank

veroorzaakt hadden en die daarenboven Zermah, zijne echtgenoote,

ontvoerd had.

Het kampement was op het uiteinde van eene kleine kaap, welke zich

in het noordelijk gedeelte van het meer uitstrekte, opgeslagen. Het

zou niet met eene doelmatige voorzichtigheid gestrookt hebben,

wanneer men een nachtelijken tocht op dat onbekende terrein,

waarbij de blik slechts een beperkten gezichtskring kon overzien,

zoude aanvaarden. Men had dan ook, na eene korte beraadslaging,

besloten, dat men den dageraad zoude afwachten alvorens den tocht te

hervatten. Het gevaar om te verdwalen te midden van dat dichte woud

was te groot, om zich daaraan te mogen blootstellen.

De nacht ging zonder eenig meldenswaardig voorval voorbij. Tegen vier

uur, toen de eerste lichtstralen zich baan begonnen te breken, werd

het sein van vertrek gegeven. De helft van het personeel, waaruit de

expeditie bestond, was voldoende om de vrachten levensmiddelen en de

kampementsbenoodigdheden te dragen en te vervoeren. De negers konden

elkander bij die corvee dus aflossen.

Allen, zoowel meesters als dienaren, waren gewapend met

Miniékarabijnen, die met een kogel en vier zware hagelkorrels geladen

waren, en met Colt-revolvers, welker gebruik sedert den secessiekrijg

bij beide partijen der oorlogvoerenden zoo veelvuldig geworden

was. Onder deze omstandigheden mocht onze troep in staat geacht worden,

om met hoop op goeden uitslag het hoofd te kunnen bieden aan eene bende

van zestig Seminool-Indianen, ja zelfs om Texar aan te kunnen vallen,

al ware hij ook door een gelijk aantal zijner partijgangers omgeven.

Men had het doelmatig geacht, om zoolang zulks doenlijk was, langs

en evenwijdig aan de Sint John te marcheeren. De hoofdstrekking der

rivier was steeds naar het zuiden, dus in de richting van het meer

Okee-cho-bee. Zij deed den dienst van Ariadne-draad te midden van

het doolhof in het woud gespannen. Men kon dien draad volgen, zonder

gevaar te loopen verdwaald te raken. En zoo deed men dan ook.

Trouwens dat ging gemakkelijk genoeg. Op den rechter-oever vertoonde

zich toch een voetpad--een soort van jaagpad, waarlangs het mogelijk

was een heel licht vaartuig tegen den bovenstroom op te halen. Men

marcheerde met vluggen pas voorwaarts, Gilbert Burbank en Mars voorop,

daarna master Perry te midden zijner negers, die elkander bij het

dragen der levensmiddelen en kampementsbenoodigdheden om het uur

aflosten, en daarachter master James Burbank en Edward Carrol. Men had,

alvorens te vertrekken, een flink ontbijt genoten. Men zou tegen het

middaguur halt maken, om te dineeren, tegen zes uren om te avondmalen;

men zou kampeeren wanneer het nachtelijk duister niet meer veroorloven

zoude om den tocht voort te zetten; men zou den marsch hervatten,

wanneer het bleek mogelijk te zijn zich een weg door het woud te

banen. Zoodanig was het plan dat men ontworpen had en dat stipt

opgevolgd zoude worden.

Vooreerst had men den oostelijken oever van het Washington-meer te

volgen. Die oever was over het algemeen geheel vlak en bestond zijn

bodem gedeeltelijk uit mul zand. Wel bestonden er bosschen, maar

die waren, noch wat uitgestrektheid, noch wat dichtheid betreft,

te vergelijken met diegenen, welke men later aantreffen zoude. De

reden daarvan lag geheel in de geaardheid zelve dier gewassen.

Men ontmoette veel struikgewas, dat den marsch zeer vertraagde;

maar tegen den avond was dat doorgeworsteld en betrad men het groote

cypressenbosch, dat zich tot bij de Everglades uitstrekt.

Men had gedurende dien eersten dag ruim twintig mijlen

afgelegd. Gilbert vroeg dan ook aan zijne tochtgenooten, of zij zich

niet te zeer vermoeid gevoelden.

»Wij zijn gereed om verder te trekken," antwoordde een der negers,

die in naam zijner makkers sprak.

»Maar loopen wij geen gevaar gedurende den nacht te verdwalen?" vroeg

Edward Carrol.

»Geenszins," antwoordde Mars, »daar wij steeds bij de Sint John

blijven."

»Bovendien," meende de jeugdige officier, »de nacht zal helder zijn,

daar de hemel geheel wolkeloos is. De maan, die tegen negen uur opgaat,

zal den geheelen nacht schijnen. Daarenboven is de bladerenkruin der

cypressen zeer dun, zoodat de duisternis in dit woud zoo erg niet is

als in ieder ander."

Men vertrok dus. Toen de dag aanbrak, maakte de kleine troep halt

aan den voet van een buitengewoon dikken cypresboom, om te ontbijten.

Gedurende dien tweeden dag werd geen enkel spoor waargenomen, dat op

de tegenwoordigheid van benden Zuidelijken of van zwervende troepen

Seminool-Indianen kon duiden. Ook werd niets omtrent Texar of zijne

makkers vernomen. Het was mogelijk dat de Spanjaard den linker-oever

der rivier gevolgd had. Maar wat zou dat? Dat zou geen hinderpaal

opleveren. Men begaf zich, of men den eenen of den anderen oever der

Sint John volgde, even direct naar dat gedeelte van Beneden-Florida,

hetwelk door het briefje van Zermah aangeduid werd.

Toen de avond viel, hield het troepje van James Burbank halt, en

rustte gedurende zes uren.

Na middernacht werd de marsch in allerijl voortgezet. Niets deed zich

voor, wat vertraging kon veroorzaken. Het woud was eenzaam en stil. De

maan, die reeds den sikkelvorm vertoonde, wierp vreemde schaduwen door

het ijle loof van het hooge geboomte. Het water der rivier murmelde

zachtkens. Vele zandbanken werden aan de oppervlakte ontwaard, en

het kwam allen voor, dat het niet moeielijk kon zijn den overkant

der rivier te bereiken, wanneer dat noodig mocht geoordeeld worden.

Den volgenden morgen hervatte de troep, na eene rust van twee uren,

den tocht steeds in zuidelijke richting. Intusschen raakte men dien

dag den geleiddraad, dien men tot nu toe gevolgd had, kwijt. En

inderdaad, de Sint John, die nog slechts een onbeduidend sprankje

was, verdween onder een boschje kinaboomen, die zich aan zijne bron

laafden. Verderop strekte zich het onmetelijke cypressenwoud uit en

bedekte het drie vierde gedeelte van den omtrek van den gezichteinder.

Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken

godsdienst bekeerd waren en tot in den dood trouw aan het Katholieke

geloof gebleven waren. Hier en daar verhieven zich bescheiden eenige

kruisen, sommigen van steen, anderen van hout, maar allen geplant

op eene lichte zoeling van den grond, die de plaatsen der graven

tusschen de boomen aanduidden. Hier en daar ontwaarde men enkele

begraafplaatsen boven den grond. Dat waren lijken of geraamten, die

aan in den grond geplante takken vastgebonden waren en naar den drang

van den luchtstroom heen en weer wiegelden.

»Het bestaan van een kerkhof in deze streek," merkte Edward Carrol op,

»duidt op de nabijheid van een dorp of een gehucht..."

»Dat evenwel niet meer bestaat," antwoordde Gilbert, »daar men er

geen spoor van op onze kaarten vindt. Die verdwijning van geheele

dorpen komt maar al te dikwijls in Beneden-Florida voor, hetzij dat

zij door hunne bewoners verlaten werden, hetzij zij door de Indianen

verwoest werden."

»Gilbert," vroeg James Burbank, »hoe zullen wij thans handelen,

nu wij de Sint John niet meer tot gids hebben?"

»Wij moeten thans op het kompas marcheeren, vader," antwoordde de

officier. »Hoe uitgebreid en hoe dicht dit woud ook moge wezen,

is het onmogelijk dat wij daarin verdwalen."

»Welnu, voorwaarts dan, master Gib!" riep Mars uit, die vooral

gedurende de halten en rusttijden ongeduldig en onrustig was. »Welnu,

voorwaarts en dat God ons geleide!"

Toen men het Indiaansche kerkhof een halve mijl achter den rug had,

trok de kleine troep het woud in, alwaar men slechts met behulp van

het kompas kon marcheeren. De richting bleef zuidelijk.

Gedurende het eerste gedeelte van dien dag viel niets meldenswaardigs

voor. Tot nu toe had niets dien onderzoekingstocht vertraagd of ook

maar hinderpalen in den weg gelegd. Zou dat zoo tot het einde toe

blijven? Zou men het doel, waarnaar men streefde, bereiken, of zou

de familie Burbank aan de wanhoop ten prooi blijven? Het zou toch

eene voortdurende marteling moeten heeten, wanneer de kleine Dy en

Zermah niet gevonden werden, terwijl men wist aan welke ellende, aan

welke vernederingen, aan welke beleedigingen zij blootgesteld waren,

en dan zich bewust te zijn haar niet te kunnen verlossen!

Tegen het middaguur werd halt gemaakt.

Gilbert, die zorgvuldig den afstand berekende, dien men van het

Washington-meer af had afgelegd, giste dan dat men zich nog op

vijftig mijlen van het meer Okee-cho-bee bevond. Men was nu acht dagen

onderweg sedert men Camdless-Bay verlaten had, en in die acht dagen

had men driehonderd mijlen of ruim honderdveertig uren gaans afgelegd,

hetgeen eene buitengewone snelheid mag genoemd worden. Het is waar,

dat men op de rivier tot in de nabijheid harer bronnen en daarna in

het cypressenbosch geene noemenswaardige hinderpalen of vertragingen

had ondervonden. Gelukkig waren geene stortregens gevallen, die de Sint

John door buitengewonen watertoevoer onbevaarbaar hadden kunnen maken,

en de terreinen verderop hadden kunnen doorweken. Gelukkig hadden

zij slechts heldere nachten en zeer veel nut van het maanlicht gehad;

zoodat alles zoo gunstig mogelijk was medegeloopen.

Thans scheidde hen nog maar een betrekkelijk kleine afstand van het

eiland Garneral. Men hoopte dat doel binnen tweemaal vier-en-twintig

uren te bereiken. En dan zou de ontknooping, die evenwel niet te

voorzien was, wel volgen.

Maar al had hun goed gesternte hen tot nu toe voor wederwaardigheden

behoed, zoo moest master James Burbank er op bedacht zijn, dat men

gedurende het tweede gedeelte van dien dag op bijna onoverkomelijke

moeielijkheden zou kunnen stuiten.

De tocht was, nadat men het middagmaal genuttigd had, onder den

gewonen marschvorm hervat geworden. Niets ongewoons werd betrekkelijk

de geaardheid van het terrein ontwaard.

Intusschen hield Mars des namiddags tegen vier uur ongeveer, plotseling

halt. Toen zijne tochtgenooten hem ingehaald hadden, maakte hij hen

opmerkzaam op voetstappen, die in den moerassigen grond afgedrukt

waren. Men onderzocht die sporen ten nauwkeurigste.

»Er valt niet aan te twijfelen," zei master James Burbank, »een troep

menschen is hier kort geleden voorbijgekomen."

»Een talrijke troep," vulde Edward Carrol aan.

»Van welken kant komen die voetstappen en waarheen richten zij

zich?" vroeg Gilbert.

»Ja, van welken kant en waarheen? Dat is zoo gemakkelijk niet na te

gaan," merkte master James Burbank op.

»En het is toch noodzakelijk, dat dit ten nauwkeurigste opgespoord

worde," antwoordde zijn zoon.

»Waarom?" vroeg Edward Carrol.

»Omdat wij zonder stipte inlichting dienaangaande geen besluit

kunnen nemen."

Dat begreep iedereen en de gevorderde nasporingen werden met de

grootste nauwkeurigheid verricht.

Over een afstand van meer dan vijfhonderd meters en zelfs verder kon

men de indrukken van die voetstappen volgen. Het werd onnoodig geacht

hen verder op te sporen. Uit de richting van die voetstappen bleek,

dat een troep van ongeveer honderdvijftig tot tweehonderd man, na

de kuststreek van den Atlantischen Oceaan verlaten te hebben, dit

gedeelte van het cypressenwoud doorgetrokken was. Die sporen werden

in westelijke richting waargenomen en wendden zich naar de Golf van

Mexico, zoodat die troep blijkbaar het geheele Floridasche schiereiland

doorgetrokken was, dat op deze breedte niet minder dan tweehonderd

mijlen uitgestrektheid van zee tot zee meet. Men merkte tevens op,

dat dit detachement juist op dezelfde plek, die door Master James

Burbank en zijne tochtgenooten thans bezet was, halt gemaakt en rust

genoten had en dat het den marsch in dezelfde richting vervolgd had,

welke onze opspoorders volgen moesten.

Gilbert Burbank waarschuwde zijne makkers, om tegen iedere verrassing

waakzaam, tegen iederen overval op hunne hoede te zijn. Hij plaatste

op een paar punten schildwachten, om het terrein voortdurend te

overzien. Daarna ging hij, vergezeld van Mars, op verkenning uit,

en kon, nadat hij even een kwart mijl door het bosch was gemarcheerd,

constateeren, dat die voetstappen zich beslist in zuidelijke richting

uitstrekten.

Ziet hier wat Gilbert Burbank rapporteerde, toen hij met Mars van

zijne veldontdekking in het kampement teruggekomen was.

»Een troep menschen is ons vooruit, die van het Washington-meer af

nauwkeurig denzelfden weg van ons volgt. Die troep is gewapend en

het bewijs daarvan hebben wij gevonden in papieren patroonhulzen,

die men gebezigd heeft, om de wachtvuren aan te maken, waarvan wij

de asch en de gebluschte houtskolen aangetroffen hebben."

»Wie zijn die mannen?" vroeg zijn vader hem.

»Dat weet ik niet," antwoordde Gilbert Burbank. »Wat zeker is, dat

is dat zij talrijk zijn en dat zij naar de Everglades marcheeren."

»Kunnen het geene zwervende Seminool-Indianen zijn?" vroeg Edward

Carrol.

»Neen," antwoordde Mars beslist.

»Waaruit maakt gij dat op?"

»Hun voetafdruk wijst er duidelijk op, dat het Amerikanen zijn..."

»Misschien wel Floridasche militie-troepen?" merkte master James

Burbank vragend op.

»Dat is inderdaad te verwachten," antwoordde de administrateur Perry.

»Waarom zou dat eerder te verwachten zijn dan de ontmoeting met

Seminool-Indianen?" vroeg Edward Carrol.

»Omdat die Indianen slechts bij kleine troepen rondzwerven. En zooals

gij ziet, is de troep, die hier voorbijtrok, vrij talrijk. Het kan

zelfs de bende partijgangers van Texar niet zijn."

»Waarom niet?"

»Omdat ook die zoo talrijk niet is," antwoordde master Perry.

»Het zou toch kunnen zijn, dat zich een detachement militie-troepen

bij hem en zijne partijgangers aangesloten had," meende Edward Carrol,

»in welk geval die troep een paar honderd man sterk kon zijn..."

»Tegenover zeventien!..." zuchtte de administrateur.

»Om het even!" riep Gilbert Burbank uit. »Niemand onzer zal

terugdeinzen, niet waar, hetzij wij aangetast worden, hetzij wij

aanvallenderwijs te werk moeten gaan."

»Neen!... niemand onzer..." riepen de moedige tochtgenooten van den

jeugdigen officier.

Dat werd geantwoord in een oogenblik van natuurlijke geestdriftvolle

vervoering. En toch bij eenig nadenken moest een ieder tot het besef

komen van den hachelijken toestand, waarin men zich bevond en hoeveel

gevaren de omstandigheden konden doen geboren worden.

Toch verminderde die gedachte, in weerwil zij in ieders brein

ontkiemde, niemands moed. Maar zoo'n hinderpaal zoo dicht bij het doel

te ontmoeten, was dat niet om wanhopig te worden? En welke hinderpaal

nog! Een detachement Zuidelijke troepen, misschien partijgangers

van Texar, die poogden zich in de Everglades bij den Spanjaard te

voegen, ten einde het gunstige oogenblik af te wachten om weer in

het Noordelijk gedeelte van Florida te kunnen optreden.

Ja, dat was het, wat men voorzeker te duchten had. Dat gevoelden

allen. Toen het eerste oogenblik van geestdrift voorbij was, zwegen

dan ook allen stil en schenen, terwijl zij den jeugdigen aanvoerder

aanstaarden, in nadenken verzonken en zich af te vragen, welke bevelen

hij zou verstrekken.

Ook Gilbert was onder den indruk van de algemeene bekommering

geraakt. Hij echter verhief fier het hoofd.

»Voorwaarts!" beval hij.

X.

ONTMOETING.

Ja! men moest voorwaarts marcheeren.

Evenwel, tegenover de schrikkelijke gebeurlijkheden, die men tegemoet

trad, moesten alle mogelijke voorzorgsmaatregelen getroffen worden. Het

mocht voor onontbeerlijk gelden, dat de marsch behoorlijk verkend werd,

dat geen verdachte stam van het cypressenwoud ononderzocht bleef,

maar vooral dat men op iedere eventualiteit voorbereid bleef.

De wapens werden dus met de meeste zorg nagezien en in slagvaardigen

toestand gebracht, gereed om ieder oogenblik benut te worden. Bij het

geringste onraad zouden de eenmansvrachten op den bodem neergelegd

worden, zoodat allen aan eene werkdadige verdediging deel konden nemen.

Wat de indeeling van het personeel gedurende den marsch betreft,

deze onderging geene wijziging. Gilbert Burbank en Mars bleven

de voorhoede uitmaken; zij bewogen zich evenwel op een grooteren

afstand van den hoofdtroep, om ieder verrassend optreden van de

tegenpartij bij tijds te kunnen verijdelen. Ieder was ten volle

gereed zijn plicht te vervullen, ofschoon die brave lieden het hart

in de borstkas ineenkromp, wanneer zij aan den hinderpaal dachten,

die zich tusschen hen en hun doelwit had gesteld.

De marsch was niet vertraagd geworden. Intusschen had men het

voorzichtig geoordeeld, niet de voetsporen te volgen, die steeds

helder en duidelijk afgedrukt, bespeurd werden. Het werd beter geacht,

niet op het detachement te stooten, dat dezelfde richting naar de

Everglades volgde. Ongelukkig ontwaarde men al spoedig, dat dit pogen

zeer moeielijk was. Want inderdaad, dat detachement marcheerde niet

in rechtlijnige richting. De voetsporen duidden onwraakbaar aan,

dat het vele wendingen ter rechter- en ter linkerzijde beschreef,

waaruit de gevolgtrekking voortvloeide, dat er eene zekere aarzeling

bij den marsch bestond.

Toch was de algemeene richting naar het Zuiden.

Andermaal was een dag voorbijgegaan, zonder dat zich iets

meldenswaardigs had voorgedaan. Geen enkele ontmoeting had master

James Burbank genoopt den marsch te staken. Men was met vluggen en

stevigen tred voortgestapt en won blijkbaar op den troep, die zoowat

in het cypressenwoud ronddwaalde. Dat ontwaarde men duidelijk uit de

veelvuldige sporen, die zich van uur tot uur scherper en duidelijker

afgedrukt vertoonden op dien plastischen bodem.

Niets was gemakkelijker geweest, dan het getal halten te bepalen,

die hetzij om het middagmaal te gebruiken, hetzij om te rusten,

gemaakt waren. In het eerste geval duidde het kruisen der sporen op

een heen en weer geloop in alle richtingen; in het andere geval kon

men aannemen, dat men den marsch slechts kortstondig gestaakt had,

om over de te volgen richting te beraadslagen.

Gilbert Burbank en Mars beijverden zich die sporen met de meeste

nauwkeurigheid na te gaan. Daar die sporen hen zeer veel wetenswaardigs

konden mededeelen, sloegen zij ze met evenveel zorg gade als de

Seminool-Indianen, die zoo scherpzinnig de geringste aanwijzingen op

de terreinen, die zij bij hunne jacht- of krijgstochten doorkruisen,

waarnemen.

Het was na een van die nasporingen, dat Gilbert Burbank in staat was

stellig te verklaren:

»Vader, wij hebben thans de stellige zekerheid, dat noch Zermah noch

mijne zuster deel uitmaken van den troep, die voor ons uit marcheert."

»Waaruit leidt gij dat af, Gilbert?" vroeg master James Burbank.

»Er wordt geen enkele afdruk van den hoef van een paard

aangetroffen. Wanneer Zermah zich bij dien troep bevond, dan had zij

te voet moeten gaan, terwijl zij mijn zusje in hare armen droeg. De

afdrukken van hare voeten zouden dan gemakkelijk herkenbaar zijn

geweest, alsook die van Dy, die toch gedurende de halten op den

grond neergezet zoude zijn. Maar geen enkele afdruk van een vrouwen-

of een kindervoet is waargenomen."

»Niet?"

»Neen, vader. Eene andere opmerking is, dat het ontwijfelbaar geacht

moet worden, dat dit detachement van draagbare vuurwapens voorzien

is. Op vele plaatsen waren toch de afdrukken der geweerkolven op

den grond niet te miskennen. Ik heb zelfs opgemerkt, dat die kolven

zeer veel overeenkomst met die der marine-geweren van de Noordelijken

hebben. Het is dus waarschijnlijk, dat de Floridasche militie-troepen

gewapend zijn geworden met geweren van datzelfde model. Anders is

die bijzonderheid volkomen onverklaarbaar."

»En hebt gij nog meer opgemerkt, Gilbert?"

»Ja, vader, ook nog, en helaas dat is maar al te zeker, dat die

troep op zijn minst genomen in getalsterkte tienmaal den onzen

overtreft. Dus wij moeten, naarmate wij hem meer en meer naderen,

met de meeste omzichtigheid te werk gaan!"

Er bleef niets anders over dan die aanwijzingen van den jeugdigen

officier stipt op te volgen. Dat werd dan ook gedaan. Wat Gilbert's

gevolgtrekkingen omtrent de talrijkheid en den vorm der indrukken

betreft, die moesten nauwkeurig zijn. Dat de kleine Dy en Zermah

geen deel uitmaakten van dat detachement, kon als stellig en zeker

aangenomen worden, en was het wonder, dat men daaruit opmaakte, dat men

zich niet op het spoor van den Spanjaard bevond? De mannen toch, die

van de Zwarte-Kreek herwaarts gekomen waren, konden noch zoo talrijk,

noch zoo goed gewapend zijn. Het scheen dus niet twijfelachtig te zijn,

dat het een sterk detachement der Floridasche militie-troepen was,

dat daar vooruitmarcheerde en zich naar de zuidelijke streken van

het schiereiland, en dus naar de Everglades richtte, alwaar Texar

zeer waarschijnlijk sedert gisteren of eergisteren was aangekomen.

Hoe men de zaak ook beschouwde, die troep, die daar vooruitmarcheerde,

was voor master James Burbank en zijne tochtgenooten zeer te duchten.

Bij het vallen van den avond hield men halt in eene open plek van het

woud. Die plek moest eenige uren vroeger bezet zijn geweest, zooals

aangeduid werd door de overblijfselen van wacht- en keukenvuren,

welker asch den tijd niet gehad had om af te koelen. Alles wees er op,

dat die plek tot kampeerplaats gediend had.

Men kwam toen tot het besluit, om den tocht niet te hervatten dan

wanneer de nacht gevallen zoude zijn. Het uitspansel, dat zwaar bewolkt

was, zou zeer donker zijn. De maan, die in het laatste kwartier was,

kwam eerst zeer laat op. Dat alles zoude veroorloven, het detachement

onder de meest gunstige omstandigheden te kunnen naderen. Misschien zou

het mogelijk zijn het te verkennen, zonder zelf bespeurd te worden,

het om te trekken, terwijl men zich in het dichtste van het bosch

verscholen hield, het vooruit te komen om in zuidwestelijke richting

te marcheeren, ten einde het eerste het meer Okee-cho-bee en daarin

het eiland Garneral te bereiken.

De kleine troep, die Gilbert Burbank en Mars steeds tot voorhoede had,

vertrok tegen half negen en trok zoo stil mogelijk onder de loofkruinen

der boomen en te midden eener dikke duisternis voort. Zoo stapte men

gedurende twee uren ongeveer door, waarbij de voorzorg gebruikt werd

de voeten zoo zacht mogelijk neer te zetten, om zich niet te verraden.

Het was zoo omstreeks half elf, toen master James Burbank, die

zich met den administrateur Perry aan het hoofd van den hoofdtroep

bevond, met een enkel woord het sein gaf om halt te houden. Gilbert

en Mars waren toch in allerijl op den hoofdtroep teruggeweken. Allen

wachtten ongeduldig maar volkomen bewegingloos de verklaring van dien

plotselijken terugtocht af.

Die verklaring liet niet op zich wachten.

»Wat is er, Gilbert?..." vroeg master James Burbank.

»Shut!" waarschuwden de officier en Mars tot stilte.

»Maar wat hebt gij ontdekt?" vroeg James Burbank met gedempte stem.

»Een kampement onder de boomen opgeslagen en waarvan de vuren duidelijk

zichtbaar zijn."

»Ver hier vandaan verwijderd?..." vroeg Edward Carrol.

»Op honderd passen ternauwernood."

»Hebt gij de lieden kunnen verkennen, die dat kampement betrekken?"

»Neen, want men begon de vuren uit te dooven," antwoordde Gilbert

Burbank. »Maar ik geloof, dat wij ons niet vergissen, wanneer wij

hunne sterkte op tweehonderd man schatten."

»Slapen zij, Gilbert?"

»Ja, voor het meerendeel, evenwel niet zonder wachtposten uitgesteld

te hebben. Wij hebben eenige schildwachten bemerkt, die, met het

geweer op schouder, tusschen de cypressen heen en weer wandelen."

»Wat moeten wij doen?" vroeg Edward Carrol, het woord tot den jeugdigen

officier richtende.

»Vooraf moeten wij trachten dat detachement meer afdoend te verkennen,"

antwoordde Gilbert Burbank, »alvorens dat wij beproeven het om te

trekken."

De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar · 第 12 / 18 段