scheepvaartbeweging, die er gewoonlijk ten dienste der naburige
plantages waargenomen werd, was sedert de inname van Jacksonville
geheel vernietigd. Wanneer eenig vaartuig den stroom nog opstevende of
afzakte, dan geschiedde dat uitsluitend ten dienste der federalistische
troepen, of om de gemeenschap te onderhouden met de kanonneerbooten
van het eskader der Noordelijken.
En het was meer dan waarschijnlijk, dat wanneer men Piccolata
voorbijgestevend zoude zijn, ook die scheepvaart-beweging zoude
ophouden.
De expeditie van master James Burbank kwam tegen zes uur in den
avond bij dit plaatsje aan. De pier van de aanlegplaats was door een
detachement der Noordelijke troepen bezet. De sloep werd gepraaid en
moest bij de kade aanleggen.
Daar maakte Gilbert Burbank zich bekend aan den officier die te
Piccolata bevel voerde.
Op vertoon van den geleidebrief, die hem door den commandant Stevens
overhandigd was, werd hem alras vergunning verleend zijne reis te
vervolgen.
Dat oponthoud had slechts weinige oogenblikken geduurd.
Daar de vloed weer begon door te staan, kon men de roeiriemen met rust
laten en schoot het vaartuig met snelheid tusschen de uitgestrekte
bosschen door, die zich op beide oevers der rivier verheffen. Op den
linkeroever evenwel zoude het woud eenige mijlen boven Piccolata,
door moerassen vervangen worden.
Wat de bosschen op den rechteroever betreft, die vertoonen zich
dichter en dieper, en schijnen onmetelijk uitgestrekt, ja zonder
einde te zijn. Men zou inderdaad het George-meer bereiken, zonder
het einde er van te zien. Daar verwijderen zij zich eenigermate
van den rivieroever en laten een breede strook vrij, die door den
landbouw in beslag genomen is. Daar ziet men uitgestrekte rijstvelden,
suikerrietvelden, indigovelden, katoenaanplantingen, die allen eene
schitterende getuigenis afleggen ten gunste van de vruchtbaarheid
van het Floridasche schiereiland.
Een poos na zes uur hadden master James Burbank en zijne makkers
den roodachtigen toren, die het oude Spaansche fort kroonde, achter
een uitspringenden hoek van den stroom uit het oog verloren. Dit
fort was sedert meer dan eene eeuw verlaten en ontmanteld, maar in
weerwil daarvan stak die toren nog altijd boven de hooge kruinen der
palmboomen van den oever uit.
»Mars," vroeg toen master James Burbank, »vreest gij niet om bij
nacht de Sint John verder op te varen?"
»Neen, master James," antwoordde de mesties.
»Kent gij het vaarwater volkomen?"
»Ja, tot bij het George-meer."
»En verder op?"
»Dan zullen wij zien. Wij hebben daarenboven geen oogenblik te
verliezen. De tijd is kostbaar. En daar de vloed ons begunstigt,
moeten wij er van profiteeren."
»Maar zal die vloed lang doorstaan?"
»Hoe verder wij komen, master James, hoe minder hij zijn invloed doet
gevoelen. Daarom juist moeten wij de reis nacht en dag voortzetten."
Dat voorstel van Mars werd door de omstandigheden geboden. Daar
hij voor de vaart instond, moest men zich aan zijne behendigheid
toevertrouwen. Men zou trouwens geen reden hebben daarover berouw
te gevoelen.
Het vaartuig stevende gemakkelijk den geheelen nacht de Sint John
op. De vloed hielp nog gedurende een paar uren, daarna moesten de
negers elkander op de roeiriemen aflossen, en zoo won men nog een
goede vijftien mijlen in zuidelijke richting.
Men hield halt noch dien nacht, noch den daaropvolgenden dag van den
22sten, die daarenboven door geen enkel voorval gekenmerkt werd. Men
stevende ook nog gedurende de volgende twaalf uren verder. De bovenloop
van den stroom scheen geheel verlaten. Men stevende als het ware te
midden van een onmetelijk woud van oude ceders, wier bladermassa's
elkander nu en dan over de Sint John heen ontmoetten en zoo een dicht
gewelf van groen vormden. Geen enkel dorp werd ontwaard. Ook geen
bouwland noch eenzaam staande woning. De oeverstreken leenden zich
tot geen enkele soort van bebouwing. Het kon geen enkelen kolonist
in het hoofd komen, daar eene landbouwonderneming aan te leggen.
Op den 23sten, bij het aanbreken van den dag, verbreedde de rivier
en werd aan een groot waterbekken gelijk, welks oevers eindelijk van
het onafzienbare woud bevrijd werden. De landstreek was zeer vlak en
liet een gezichteinder ontwaren, die zich over eene oppervlakte van
vele mijlen uitstrekte.
Dat was een meer--het George-meer, dat door de Sint John, die er van
het zuiden naar het noorden doorheen stroomt, gevormd wordt en waarin
de stroom het grootste gedeelte zijner wateren uitstort.
»Is dat het George-meer, Mars?" vroeg master James Burbank aan den
mesties.
»Inderdaad," antwoordde deze. »Ik kan mij niet vergissen. Ik maakte
toch deel uit van de expeditie, die tot taak had, het bovengedeelte
van den stroom op te nemen en in kaart te brengen."
»En op welken afstand bevinden wij ons thans van Camdless-Bay?"
»Op een afstand van honderd mijlen ongeveer."
»Dat is nog niet eens het derde gedeelte van den afstand, dien wij
af te leggen hebben, om de Everglades te bereiken," merkte Edward
Carrol op.
»Neen, dat is het nog niet," antwoordde master James Burbank met
een zucht.
»Mars," vroeg Gilbert, »hoe zullen wij nu verder te werk gaan?"
»Hoe bedoelt gij?"
»Zullen wij het vaartuig hier verlaten, om langs een der beide oevers
van de Sint John voort te marcheeren? Dat zal niet zonder veel moeite
en zonder veel oponthoud kunnen geschieden."
»Dat is waar, master Gilbert."
»Zou het niet mogelijk zijn om, wanneer wij het George-meer in zijne
geheele lengte zullen overgevaren zijn, den waterweg te blijven houden,
zoolang hij bevaarbaar zal blijken te zijn?"
»Ja, wat zal ik daarop antwoorden?"
»Zouden wij het niet kunnen beproeven?"
»Ja, dat kunnen wij altijd."
»Wij kunnen niet erger ondervinden, dan dat wij op eene ondiepte
vastraken."
»Dat is zoo."
»Welnu, als wij het vaartuig niet meer vlot kunnen krijgen, dan zullen
wij ontschepen, om den tocht verder voort te zetten. Mij dunkt, dat
het wel waard is om geprobeerd te worden. Zeg, wat denkt gij er van?"
»Ik deel uwe meening volkomen, master Gilbert," antwoordde Mars. »Wij
zullen het beproeven."
En inderdaad, in de omstandigheden waarin men zich bevond, kon niet
beter besloten worden.
Men kon altijd aan wal gaan, om den tocht te voet voort te zetten. En
zoolang men den waterweg kon benuttigen, zoude men veel vermoeienissen
uitsparen en ook veel vertraging voorkomen.
Het vaartuig stevende dus het George-meer op en stuurde daarbij
langs en nagenoeg evenwijdig aan den oostelijken oever van dat
zoetwaterbekken.
De plantengroei was op het terrein, dat rondom het meer slechts eene
geringe verhevenheid aanbood, niet zoo ontwikkeld als op de beide
oevers van de Sint John. Onafzienbare moerasgronden strekten zich
allerwege uit. Eenige gedeelten van den bodem, die minder aan den
invloed van de overstroomingen blootgesteld waren, waren overdekt als
het ware met een tapijt van zwartachtige mossoorten, waartusschen de
violetachtige tinten van kleine paddestoelen, die daar bij millioenen
en millioenen groeiden en tierden, scherp afstaken.
Het zou uiterst onvoorzichtig zijn, zich op dien bewegelijken bodem,
die slechts uit zacht slijk bestond en onvermogend was om den
voetganger een vast steunpunt aan te bieden, te wagen.
Wanneer master James Burbank en zijne tochtgenooten genoodzaakt
waren geweest over dit gedeelte van het Floridasche grondgebied
te marcheeren, dan zouden zij dat niet hebben kunnen doen dan ten
koste van de grootste inspanningen, van de zwaarste vermoeienissen
en ten koste van onberekenbare vertragingen, in de vooronderstelling
namelijk, dat de marsch mogelijk zoude bevonden worden en dat men
niet genoodzaakt zoude worden om terug te keeren.
Slechts watervogels, namelijk die, wier pooten van zwemvliezen voorzien
zijn, kunnen zich op zulke moerassige terreinen wagen. Die werden dan
ook in overgroot getal aangetroffen. Daaronder had men talingen, eenden
en watersnippen, in hare veelvuldige soorten vertegenwoordigd. Er was
daar wild in overvloed, genoeg om den voorraad levensmiddelen aan te
vullen, wanneer die in het vaartuig uitgeput mocht raken.
Maar dat was het geval nog in lang niet, en had men dus niet noodig
tot eene in ieder geval tijdroovende jacht over te gaan. Wat die
mannen daar ook van weerhield, was dat men wist dat het in die
moerasgronden van gevaarlijke slangen als het ware krioelde. Men
hoorde hun scherp gesis onder het groene tapijt van waterplanten,
die den bodem bedekten. Die reptiliën vinden, wel is waar,
onverzoenlijke vijanden in de schare witte pelicanen, die voor
dezen oorlog uitmuntend bewapend zijn, en daar te huis behooren;
maar zij hebben zulke onbereikbare schuilhoeken in het diepe meer,
en zijn met zulke vruchtbaarheid van voortplanting begaafd, dat zij
gerust onuitroeibaar genoemd kunnen worden.
Intusschen gleed het vaartuig met snelheid over de oppervlakte van
het waterbekken.
Er stond een flinke noordenwind door, die het zeil vulde en de
sloep in de goede richting voortstuwde. Dank zij dier wakkere bries,
konden de roeiers dien geheelen dag rusten, zonder dat daardoor eenige
vertraging ontstond. Toen de avond viel, waren dan ook de dertig mijlen
uitgestrektheid, die het meer van het noorden naar het zuiden meet,
zonder bezwaar en zonder vermoeienis afgelegd.
Toen het ongeveer zes uren was, was master James Burbank met zijne
tochtgenooten aangekomen bij de zuidelijkste kaap, waarlangs de
Sint-John zich in het George-meer stort.
Men hield daar voor een oogenblik halt. Niet om uit te rusten; dat
was niet noodig; want niemand was vermoeid. Maar men bemerkte daar
een dorpje, uit een viertal woningen bestaande, en men wenschte,
als het kon, berichten in te winnen.
Die huizen waren door eenigen dier Floridasche zwervelingen betrokken,
die zich hoofdzakelijk gedurende het gunstige seizoen met de jacht
en de visscherij bezighielden.
Het was van Edward Carrol, dat het voorstel uitging om te trachten
inlichtingen in te winnen omtrent den voorbijtocht van Texar, en men
had gelijk dat voorstel op te volgen.
Een der inwoners van dat kleine gehucht werd ondervraagd of hij of
iemand anders een vaartuig gezien had, dat het George-meer opstevende
en zich naar het Washington-meer begaf en waarin zeven of acht personen
gezeten waren en eene mestische vrouw en een kind, een meisje van
blanken oorsprong?
»Inderdaad," antwoordde de man.
»Wanneer?"
»Het is nu tweemaal vier-en-twintig uren geleden, dat ik een
vaartuig heb zien voorbijstevenen, dat met uwe aanduidingen vrij
wel overeenkomt."
»En heeft dat vaartuig bij uw dorp aangelegd?" vroeg Gilbert Burbank.
»Neen."
»Niet?"
»Het heeft zich integendeel zeer gehaast om den bovenloop van den
stroom te bereiken."
»Maar hebt gij niets opgemerkt?"
»Ik heb aan boord duidelijk eene vrouw gezien, die een klein meisje
in hare armen gestrengeld hield."
»Is dat waar?"
»Inderdaad."
»Vrienden!" riep Gilbert Burbank uit. »Laten wij goeden moed houden!"
»Dat zullen wij!" betuigden allen.
»Wij zijn dien Texar op het spoor," vervolgde de jeugdige zeeofficier
met vuur.
»Ja," antwoordde master James Burbank, »en hij heeft op ons slechts
een voorsprong van tweemaal vier-en-twintig uren. Dat is niet veel."
»Niet veel?" meende Edward Carrol. »Mij dunkt, in tweemaal
vier-en-twintig uren is nog al eenige afstand af te leggen."
»En wanneer ons vaartuig," vervolgde master James Burbank, »ons nog
eenige dagen zal kunnen voeren, dan zullen wij wel op hem winnen."
»Kent gij den loop der Sint-John boven het George-meer," vroeg de
jeugdige zee-officier aan den dorpsbewoner.
»Ja, heer, en ik heb dien stroom meer dan honderd mijlen ver
opgestevend."
»Zoo, dat treffen wij gelukkig," merkte Edward Carrol op.
»Denkt gij dat hij bevaarbaar is voor een vaartuig als het onze?" ging
Gilbert Burbank zijne ondervragingen voort.
»Hoe diep gaat het?"
»Ongeveer drie voet," antwoordde Mars.
»Drie voet?" vroeg de Floridiaan. »Drommels, dat zal er op sommige
plekken knapjes om houden."
»Denkt gij?"
»Maar als gij ijverig het lood uitwerpen zult om het vaarwater niet
te ontloopen, dan zult gij het Washington-meer wel bereiken."
»Maar daar aangekomen," vroeg Edward Carrol, »op welken afstand zijn
wij dan nog van het meer Okee-cho-bee?"
»Op ongeveer honderdvijftig mijlen."
»Nog zoo ver!"
»Ja zeker."
»Dank je, vriend."
»Kom aan boord!" riep Gilbert Burbank.
»Ja, aan boord!" herhaalden allen.
»En vooruit met de schuit, totdat de waterdiepte ons begeeft!"
Ieder hernam zijne plaats in het vaartuig. Daar de wind bij het
vallen van den avond veel geluwd was, werden de roeiriemen uitgelegd
en krachtig gehanteerd. De oevers der rivier vlogen voorbij.
Vóórdat de nacht geheel gevallen was, had men eenige mijlen in
zuidwaartsche richting afgelegd.
Er was geen quaestie van om op te houden of ten anker te gaan, daar
men aan boord slapen kon.
Het was daarenboven volle maan, zoodat de nacht helder genoeg was om
het vaartuig veilig te kunnen sturen. Gilbert Burbank had den helmstok
van het roer ter hand genomen. Mars stond op de voorplecht gewapend
met een langen bootshaak, waarmede hij voortdurend de diepte van het
vaarwater peilde. Wanneer hij daarmede den bodem der rivier aanraakte,
dan gaf hij een teeken om het vaartuig stuurboord of bakboord te
doen uitwijken. Zoo vooruitstevenende, was men gelukkig genoeg dat
de kiel gedurende dien nachtelijken tocht slechts vijf- of zesmalen
den bodem aanraakte, waarbij men telkenmale zonder groote inspanning
weer vlot raakte.
Toen de zon tegen vier uren in den ochtend aan de kim verscheen,
giste Gilbert Burbank dat men niet minder dan vijftien mijlen in den
verloopen nacht had afgelegd.
Wat zouden de kansen zich gunstig voor master James Burbank en zijne
tochtgenooten leenen, wanneer de Sint-John nog gedurende eenige dagen
bevaarbaar bleef en hun zoo tot nabij hun doel zou voeren.
Intusschen deden zich gedurende dien dag eenige materiëele
hinderpalen voor. Ten gevolge van de kronkelingen der rivier vormde
zij bij de scherpe hoeken vooruitspringende ondiepten, die door
hare veelvuldigheid moeielijk te vermijden waren. Bij die hoeken
of kapen versnelde de stroom zeer en voerde kleine kiezelsteenen en
zand in aanmerkelijke hoeveelheid mede. Maar even voorbij den hoek,
in stille waters aangekomen, bezonken die weder en verlengden zoo de
ondiepte tot in het oneindige.
Al die kronkelingen, al die zandbanken, die omgevaren moesten worden,
verlengden den af te leggen afstand zeer, en daaruit ontstond voorzeker
vertraging. Men kon ook niet altijd den wind benutten, die, wat de
algemeene richting betreft, gunstig bleef. Het vaarwater kronkelde toch
dermate, dat het soms was alsof de rivier van noord naar zuid stroomde,
en dus op haren weg scheen terug te keeren. Maar de negers hanteerden
ijverig de roeiriemen en ontwikkelden daarbij zulk een kracht, dat
zij er in slaagden het tijdverlies tot een minimum terug te brengen.
Men ontmoette ook hinderpalen, die aan de Sint John in het bijzonder
eigen waren. Dat waren drijvende eilanden, die door eene overgroote
opeenhooping gevormd werden van eene weelderig groeiende plant,
de »pistia" genoemd, welke door sommige natuuronderzoekers, die den
Floridaschen stroom bezochten, vergeleken werd met eene reusachtige
latuw of saladekrop, die zich op de wateroppervlakte uitspreidde. Dat
groene tapijt bezat genoeg stevigheid, om otters en reigers te
veroorloven daarop te dartelen. Voor den mensch was het evenwel niet
geraden zich te midden van die plantaardige massa te begeven, want
hij zou er zich niet dan met veel moeite uit kunnen redden.
Wanneer hunne nadering aangekondigd werd, dan nam Mars alle mogelijke
voorzorgsmaatregelen om ze te vermijden.
De beide oevers van den stroom waren thans met dichte bosschen
overdekt, die de wateroppervlakte als het ware tusschen twee groene
muren insloten. Men ontwaarde er wel is waar de ceders niet, die
meer benedenstrooms hunne wortels in de Sint John baadden; maar hier
trof men eene groote hoeveelheid pijnboomen aan, die eene hoogte van
honderdvijftig voet bereikten en tot de Australische pijnboomsoorten
behoorden. Deze vonden eene gunstige gelegenheid voor hunnen groei
te midden van die terreinen met moerassigen ondergrond, die door de
Amerikanen »barrens" genoemd worden.
De teelaarde van dien bodem is buitengewoon veerkrachtig en soms
zoo sterk, dat een voetganger op sommige punten het evenwicht zou
verliezen, wanneer hij zich op die bedriegelijke oppervlakte zou
willen wagen. Gelukkig behoefde de kleine troep van master James
Burbank dat niet te doen, want het vaartuig kon nog steeds de Sint
John opstevenen en bijgevolg de expeditie dwars door de streken van
beneden-Florida voeren.
De dag ging zonder eenig voorval voorbij. Zoo ook de nacht.
De rivier was en bleef eenzaam en verlaten. Geen enkel vaartuig werd
op hare oppervlakte, geen enkele hut op hare oevers bespeurd. Maar
over die omstandigheid had men geen reden om zich te beklagen. Het
was oneindig beter niemand in verafgelegen streken te ontmoeten,
alwaar zooveel slecht volk rondzwierf. Want het kon niet ontkend
worden, dat de woudloopers, de beroepsjagers en de avonturiers van
allerhande slag en oorsprong, die daar aangetroffen werden, lieden
waren van het meest verdachte allooi.
Men had ook alle reden om de ontmoeting te duchten der militie-troepen
van Jacksonville, van Fernandina en van Sint Augustijn, die door
de vlootvoogden Dupont en Stevens genoodzaakt waren geworden in
zuidwaartsche richting af te trekken.
Die gebeurlijkheid zou wel de ergste van allen zijn. In die
detachementen schuilden voorzeker partijgangers van Texar, en die
zouden zich ongetwijfeld op master James Burbank en zijn zoon Gilbert
willen wreken.
Nu is het duidelijk, dat het kleine troepje ieder gevecht moest
ontwijken, tenzij men den Spanjaard ontmoette, in welk geval men
pogen moest, hem de gevangen vrouwen met geweld te ontrukken.
Gelukkig waren de omstandigheden van master James Burbank en zijne
tochtgenooten zoo gunstig, dat de afstand tusschen het George-meer
en het Washington-meer reeds in den avond van den 25sten afgelegd
was. Toen men de grens van die stilstaande wateren bereikt had,
was een verder voortdringen met het vaartuig onmogelijk. De rivier
was zoo smal geworden, hare bedding was zoo ondiep, dat eene verdere
vaart in zuidelijke richting niet meer uitvoerbaar was.
Bij het berekenen der afstanden, kwamen master James Burbank en zijne
reismakkers tot de slotsom, dat twee derden van de reis afgelegd waren.
En inderdaad bevonden zij zich nog slechts op een afstand van
honderd-veertig mijlen van de Everglades, de landstreek, die bereikt
moest worden.
IX.
HET GROOTE CYPRESSENBOSCH.
Het Washington-meer, dat over zijne lengte-as gemeten,
eene uitgestrektheid van een tiental mijlen heeft, is een
der minstbelangrijke waterbekkens in dit gedeelte van zuidelijk
Florida. De diepte van dat meer is onbeduidend, terwijl de vaart er
op nog bemoeilijkt wordt door de groote hoeveelheden grassoorten, die
door den stroom van de oevers gescheurd zijn en op de wateroppervlakte
drijven. Dit waren slangennesten, die het verblijf daartusschen zeer
gevaarlijk maakten.
Het meer was dan ook geheel verlaten, evenals zijne oevers, die voor
de jacht en visscherij weinig gelegenheid aanboden. Uiterst zeldzaam
waagden de vaartuigen, die de Sint John bevoeren, zich op dien plas.
Bij het uiteinde van het meer herneemt de Sint John haren loop weer,
terwijl hare richting dan geheel en al naar het zuidelijk gedeelte
van het schiereiland gewend is.
Het is dan slechts een beekmeer, zonder diepte, welks bronnen
op dertig mijlen meer zuidwaarts tusschen den 27sten en 28sten
noorderbreedtegraad aangetroffen worden.
Voorbij het Washington-meer is de Sint John niet meer bevaarbaar. En
hoe betreurenswaardig dit voor master James Burbank en zijne
tochtgenooten ook was, zoo waren zij evenwel genoodzaakt den waterweg
te verlaten, om hunnen tocht te vervolgen, te midden van eene streek
vol hindernissen, die voor het grootste gedeelte uit moerassigen bodem
bestond en met onafzienbare bosschen overdekt was, waarin smoorkuilen
in den vorm van modderpoelen aangetroffen werden. Zij wisten dan
ook vooruit, dat hunne voetreis daar aanmerkelijke vertraging zou
ondervinden.
Men ontscheepte. De wapens en de eenmansvrachten, waarin de
voorraad levensmiddelen en munitiën besloten waren, werden onder
de negers verdeeld. Maar de regeling daarvan was zoodanig geschied,
dat die bepakking niemand der expeditie hinderlijk kon zijn, of dat
gevreesd mocht worden, dat iemand overladen zou zijn. Dus van dien
kant was geene vertraging te vreezen. Alles was vooruit besproken
en geregeld. Wanneer halt gemaakt en gerust zoude moeten worden,
dan kon het kamp binnen weinige oogenblikken ingericht zijn en
betrokken worden.
Het eerste wat na de ontscheping verricht moest worden, was
het vaartuig, dat hen tot hier gebracht had, op veilige plaats te
brengen. Gilbert Burbank, geholpen door Mars, nam die taak op zich. Het
was toch zaak die sloep aan het bespiedend oog te onttrekken van de
rondzwervende Floridasche partijgangers of der Seminool-Indianen, die
de oevers van het Washington-meer mochten bezoeken. Men moest verzekerd
zijn, haar weer op een gegeven oogenblik terug te kunnen vinden,
om de Sint John af te zakken. Eindelijk vond men eene gunstige plek
onder zware maar laag afhangende takken, tusschen reusachtige biezen
en rietstengels, welke die plaats als het ware beveiligden. Daar kon
een soort van kom ingeruimd worden, waarin het vaartuig, welks mast
alvorens gestreken was, verborgen kon worden. En de sloep was daarin
zoodanig onder de massa groen verscholen, dat zij onmogelijk van den
oever ontdekt kon worden.
Zoo was zeer waarschijnlijk, ja ongetwijfeld ook geschied met een
ander vaartuig, in welker terugvinding Gilbert Burbank voorzeker veel
belang stelde. Zoo was geschied met de sloep, die de kleine Dy en
Zermah naar het Washington-meer overgevoerd had. Het was duidelijk,
dat Texar door de verdere onbevaarbaarheid der rivier genoodzaakt
was geweest, om zijn vaartuig in de nabijheid van dien trechter te
verlaten, waardoor het meer zijne wateren in de rivier uitstort. Wat
master James Burbank genoopt was te verrichten, zou de Spanjaard ook
verplicht geweest zijn te doen.
Daarom ondernam men gedurende de laatste uren, dat het daglicht nog
te benutten was, de meest nauwkeurige nasporingen, om dat vaartuig
van Texar uit te vinden. Dat zou een kostbare aanwijzing en het
onwraakbare bewijs zijn, dat de Spanjaard den loop der Sint John tot
het Washington-meer gevolgd had.
Die nasporingen leidden tot niets. Hoe het ook zij, òf dat de
onderzoekingstocht niet ver genoeg uitgestrekt was geworden, òf dat
de Spanjaard het vaartuig voorzichtigheidshalve en ook in de meening
verkeerende, het niet meer noodig te hebben, vernield had, genoeg
zij het, dat geen spoor van eene sloep ontdekt werd.