mij..."
Hij kon evenwel niet verder, want de Spanjaard vervolgde
onverstoorbaar:
»Laten wij aannemen, kolonel Gardner, als u dat bevredigen kan, dat
ik thans in het fort Marion, waar ik wederrechtelijk opgesloten ben
en van mijne vrijheid beroofd word, gedomicilieerd ben. Dat is dus
uitgemaakt, niet waar?"
De voorzitter van den krijgsraad trok de schouders ongeduldig op,
maar antwoordde niet.
»Waarvan word ik beschuldigd, als je blieft?" ging Texar voort,
alsof hij zich reeds van het begin van het geding tot taak stelde het
verhoor te willen leiden. »Het schijnt dat men met twee maten meet."
»Texar," hernam kolonel Gardner, »gij wordt niet vervolgd wegens de
staatkundige gebeurtenissen, die te Jacksonville voorgevallen zijn."
»Niet?" zei Texar hoonend. »Het heeft er toch allen schijn van."
»De Commodore Dupont heeft eene proclamatie uitgevaardigd,"
vervolgde de voorzitter van den krijgsraad, »waarbij uitdrukkelijk
verklaard wordt, dat het gouvernement van Washington geenszins zijne
tusschenkomst omtrent de plaatselijke omwentelingen, waardoor de
regelmatige autoriteiten door andere magistraten, welke ook, werden
verdrongen, wenscht uit te breiden. De Staat Florida is weer onder de
federalistische vlag teruggebracht, en het gouvernement der Vereenigde
Staten zal zich weldra onledig houden met eene nieuwe organisatie
voor de heronderworpen landstreek."
»Maar, wanneer ik niet vervolgd word wegens het omverwerpen van de
regeering van Jacksonville, waarbij ik eenstemmig gehandeld heb met
het grootste gedeelte der bevolking," vroeg de Spanjaard, »om welke
reden word ik dan voor dezen krijgsraad terechtgesteld?"
»Weet gij dat niet?"
»Neen."
»Dat is slechts eene rol, die gij speelt, Texar. Kunt gij de reden
niet gissen?"
»Neen, nogmaals neen."
»Welnu, dan zal ik het u zeggen. Ik zal tegemoet komen aan uwe volgens
mij voorgewende onwetendheid."
»Ik luister, kolonel."
»Er zijn misdaden gepleegd," vervolgde de voorzitter van den
krijgsraad, »misdaden tegen het gemeene recht, gedurende het tijdvak,
dat gij de functie van eersten magistraat waarnaamt."
»Welke zijn die misdaden?"
»Men beschuldigt u," ging kolonel Gardner voort, »het schuim der
bevolking tot het bedrijven dier misdaden aangezet te hebben."
»Maar welke misdaden, kolonel?"
»Vooreerst geldt het de plundering van de plantage Camdless-Bay,
die door eene bende boosdoeners aangevallen en overrompeld is."
»Meent ge?" vroeg Texar leuk.
»Me dunkt, dat dit feit vaststaat," antwoordde de voorzitter van
den krijgsraad.
»Behoudens dat die bende boosdoeners, zooals gij ze noemt," hernam
Texar, »vergezeld was door eene afdeeling soldaten, die door een
officier van de militie-troepen aangevoerd werd."
»Het is mogelijk, Texar; maar er is gewapenderhand geplunderd, er heeft
brandstichting plaats gehad, en dat alles is geschied ten opzichte van
de woning van een planter, die het recht had en daarvan dan ook gebruik
gemaakt heeft, om zich tegen dergelijke geweldenarijen te verzetten."
»Het recht?" vroeg de Spanjaard heftig en toornig.
»Ja zeker, het recht," antwoordde kolonel Gardner.
»Het recht kon niet gerekend worden aan den kant te zijn van hem,
die weigerde aan de bevelen te gehoorzamen van eene regeering, die
wettig ingesteld was," hernam Texar.
»Hoe? Ge durft?"...
»James Burbank--daar het hem geldt--had zijne slaven in vrijheid
gesteld," vervolgde de Spanjaard, »en had daardoor de openbare
meening die in Florida heerscht, en die evenals in het meerendeel der
Zuidelijke Staten van de Unie voor het behoud der slavernij gestemd
is, aanstoot gegeven, ja haar getart."
»Maar, Texar...."
»Die daad," ging deze voort, »kon de grootste rampen op de andere
plantages ten gevolge hebben, daar zij de negers als het ware tot
opstand verlokte. Het bestuur van Jacksonville besloot toen, dat het
in de gegeven omstandigheden tusschenbeiden moest treden. Indien
het de akte van invrijheidstelling, zoo onvoorzichtig door master
James Burbank uitgevaardigd en afgekondigd, niet met nietigheid heeft
geslagen, zoo wilde het toch de noodlottige gevolgen daarvan voorkomen,
door de vrijgestelde slaven buiten het grondgebied van den Staat te
zetten. Toen master James Burbank weigerde dat bevel op te volgen,
was het bestuur verplicht zijn toevlucht tot geweld te nemen, en
ziedaar de reden waarom de militie-troepen, waarbij zich een gedeelte
van de bevolking aansloot, gezonden werden, om de vroegere slaven
van Camdless-Bay uit elkander te jagen."
»Texar," antwoordde kolonel Gardner, »het oogpunt waaruit gij de
gepleegde daden van geweld schijnt te beschouwen, kan door den
krijgsraad niet gedeeld worden."
»Ja, dat was wel te verwachten," sprak de Spanjaard met smadelijken
glimlach, »maar gij zult mij toch moeten toegeven, dat dit het ware
oogpunt is, waaruit de handeling dient beschouwd te worden."
»Volstrekt niet, Texar," hernam de voorzitter van den krijgsraad.
»Ik zou uw argument wel eens willen hooren, kolonel Gardner, om uw
gevoelen te staven."
»Ziehier. Master James Burbank, die afkomstig is uit de Staten van
het Noorden, heeft volkomen van zijn recht gebruik gemaakt, toen
hij aan het personeel zijner plantage de vrijheid schonk. Niets kan
dus ter verontschuldiging dienen of aanleiding geven om ten aanzien
der uitspattingen, die op zijn landgoed gepleegd zijn, verzachtende
omstandigheden aan te voeren of te bepleiten."
»Ik begin in te zien," hernam Texar, »dat ik mijn tijd zoude
verbeuzelen, wanneer ik poogde mijne denkwijze dienaangaande voor
den krijgsraad uiteen te zetten."
»Dat is mijne meening ook," antwoordde de kolonel.
»Het bestuur van Jacksonville heeft gemeend goed te handelen met te
bevelen zooals geschied is."
»Dat is mogelijk, maar...."
»Is men nu voornemens mij als voorzitter van dat bestuur te vervolgen,
en wil men de verantwoordelijkheid zijner daden op mij doen neerkomen?"
»Ja, op u, Texar!"
»Dat is niet billijk. Vergun mij dat ik dat openlijk betuig."
»Ja, op u," herhaalde kolonel Gardner, »op u, die niet alleen
voorzitter van dat bestuur geweest zijt, maar u bovendien in persoon
aan het hoofd gesteld hebt van de bende plunderaars, stroopers en
brandstichters, die over Camdless-Bay losgelaten werden."
»Ik?"
»Ja, gij!"
»Bewijs dat!" antwoordde Texar koel.
»Geduld," zei de voorzitter.
»Is er een getuige aan te voeren," vroeg de Spanjaard, »die mij gezien
heeft te midden der burgers en der militie-troepen, die afgezonden
waren om de bevelen van het bestuur ten uitvoer te leggen?"
»Geduld!" herhaalde de president van den krijgsraad.
Hij noodigde toen master James Burbank uit, om mededeeling te doen
van hetgeen hij wist.
Deze verhaalde de feiten, gepleegd sedert het oogenblik dat Texar en
zijne partijgenooten de rechtmatige regeeringsleden van Jacksonville
verjaagd en zich van hunne zetels meester gemaakt hadden. Hij wees
met nadruk op de houding en de gedraging van den beschuldigde, die
alles in het werk gesteld had, om het schuim der bevolking tegen de
plantage op te hitsen.
Toen hem evenwel kolonel Gardner de pertinente vraag stelde, of hij
Texar persoonlijk gezien had onder de aanvallers van Camdless-Bay,
was hij verplicht een ontkennend antwoord te geven.
De lezer zal wel niet vergeten hebben, dat inderdaad, toen John Bruce,
de afgezant van master Harvey, er in geslaagd was binnen Castle House
te geraken en door master James Burbank ondervraagd werd, hij niet kon
zeggen of de Spanjaard zich aan het hoofd van die bende boosdoeners
gesteld had.
»In ieder geval," ging de eigenaar van Camdless-Bay voort, »bestaat er
bij niemand twijfel, dat op hem de geheele verantwoordelijkheid voor
die misdaad komt. Hij heeft de onderste lagen der bevolking aangezet,
om de plantage te verwoesten, en het heeft van hem niet afgehangen
dat Castle House, mijn eigen woning, niet in brand gestoken en een
prooi der vlammen geworden is, waarbij dan al de verdedigers omgekomen
zouden zijn. Ja, hij had de hand in dat alles; en wij zullen hem ook
weervinden bij een nog misdadiger misdrijf."
Master James Burbank zweeg toen.
Alvorens toch tot het feit der ontvoering te kunnen overgaan, was
het betamelijk, dat eerst dit gedeelte der beschuldiging, die op den
aanval van Camdless-Bay betrekking had, afgehandeld werd.
»Dus," hernam kolonel Gardner, terwijl hij het woord tot den Spanjaard
richtte, »gij zijt van meening, dat u slechts een gedeelte van de
verantwoordelijkheid behoort, welke in haar geheel ten aanzien der
gegeven bevelen op het bestuur moet drukken?"
»Juist. Dat is geheel en al mijne meening."
»En gij blijft volhouden, dat gij niet aan het hoofd der aanvallers
stondt, die Camdless-Bay aangetast hebben?"
»Ja, dat houd ik vol," antwoordde Texar.
»Dat is niet vol te houden!" riep master James Burbank uit.
»Geen enkele getuige," ging de Spanjaard voort, »kan bevestigen dat
hij mij daar gezien heeft."
»O!" kreet Mars.
»Neen, ik bevond mij destijds niet te midden van de moedige burgers,
die toen hun bloed veil hadden om de bevelen van hun bestuur ten
uitvoer te doen leggen."
»Maar waar...?" wilde kolonel Gardner vragen.
Maar Texar liet hem daartoe den tijd niet. Hij vervolgde opgewonden
maar met allen nadruk:
»Laat mij er bij voegen, dat ik dien dag zelfs afwezig van de
hoofdplaats Jacksonville was."
»Ja!..." antwoordde master James Burbank, »dat is mogelijk, ja zelfs
waarschijnlijk."
De eigenaar van Camdless-Bay meende het middel gevonden te hebben,
om het eerste gedeelte der beschuldiging tegen Texar aan de tweede
vast te knoopen.
»Dat is niet alleen mogelijk, dat is niet alleen waarschijnlijk,"
antwoordde de Spanjaard met de meeste klem; »maar dat is onwraakbaar
zeker."
»Maar, als het waar is, dat gij u niet bij de plunderaars van
Camdless-Bay bevondt," hernam master James Burbank, »dan vond dat
zijne reden in de omstandigheid, dat gij u in de Marino-Kreek bevondt,
om daar de gelegenheid af te wachten eene andere misdaad te kunnen
uitvoeren."
»Een andere misdaad?"
»Ja, een andere misdaad, Texar!"
»Ik ben evenmin bij de Marino-Kreek geweest," antwoordde Texar
onverstoorbaar kalm, »als ik bij den aanval op Camdless-Bay, evenmin
als ik toen te Jacksonville geweest ben!"
»Dat is boud gesproken," zei master James Burbank toornig.
»Zeer boud, dat weet ik," hernam de Spanjaard, »maar ik tart ieder
het tegendeel te bewijzen."
De lezer heeft voorzeker niet vergeten, dat John Bruce insgelijks bij
de gemelde gelegenheid aan master James Burbank verklaard had, dat,
hoewel Texar zich niet bij de aanvallers van de plantage bevonden had,
hij zich evenmin gedurende de laatste tweemaal vier-en-twintig uren,
dat wil zeggen van den tweeden tot den vierden Maart, te Jacksonville
vertoond had.
Die omstandigheid bracht den kolonel Gardner, als voorzitter van den
krijgsraad er toe, den beschuldigde de navolgende vraag te stellen:
»Als gij dien dag niet te Jacksonville geweest zijt, wilt gij ons
dan mededeelen waar gij wèl geweest zijt?"
»Zeker wil ik dat."
»Welnu, wij luisteren."
»Ja, maar dat zal ik nu niet mededeelen," hernam Texar. »Alles op
zijn tijd."
»Gij weigert dus?"
»Alles op zijn tijd, kolonel," antwoordde de Spanjaard eenvoudig en op
rustigen toon. »Het komt mij voor het oogenblik voldoende voor, dat
ik aangetoond heb, dat ik persoonlijk aan den aanval op de plantage
niet deelgenomen heb. Is dat uw oordeel ook niet?"
»Ja, maar..."
»En thans, kolonel, wenschte ik te weten, waarvan ik nog beschuldigd
word?"
Texar stond daar met de armen over de borst gekruist, wierp een nog
onbeschaamder blik dan ooit op zijne beschuldigers, en scheen hen in
het aangezicht te tarten.
De beschuldiging evenwel liet zich niet lang wachten. Het was kolonel
Gardner, die haar uitsprak, en het scheen ditmaal dat het den Spanjaard
moeite zou kosten om haar te ontzenuwen.
»Gij zijt dus niet te Jacksonville geweest?" vroeg hij.
»Neen, kolonel."
»Ook niet te Camdless-Bay?"
»Ook niet, kolonel."
»Maar dan zal de openbare aanklager gerechtigd zijn om te beweren,
dat gij toen in de Marino-Kreek waart."
»In de Marino-Kreek?"
»Ja."
»Wat zou ik daar uit te voeren hebben gehad, mag ik wel vragen?"
»Gij hebt er ontvoerd of doen ontvoeren een meisje, een kind,
Diana Burbank, de dochter van master Burbank, en hare kindermeid,
de mestische vrouw Zermah, de echtgenoote van den mesties Mars,
hier tegenwoordig, die dat kleine meisje vergezelde."
»O! beschuldigt men mij van die ontvoering?..." vroeg Texar op hoonend
spotachtigen toon.
»Ja!... U!..." riepen master James Burbank, Gilbert Burbank en Mars,
die zich niet meer bedwingen konden, tegelijkertijd uit.
»En waarom zou ik dat gedaan hebben," hernam Texar, »en niet iemand
anders?"
»Omdat gij er belang bij hadt die misdaad te bedrijven," antwoordde
de voorzitter van den krijgsraad.
»Maar welk belang?"
»Welk belang?"
»Ja, ik vraag, welk belang ik bij die ontvoering kon hebben?"
»Gij meendet u op de familie Burbank te moeten wreken."
»Mij te moeten wreken?"
»Ja, zoo denk ik. Master James Burbank heeft u verscheidene malen
aangeklaagd. Het is u wel is waar telkenmale gelukt, u door middel van
onverklaarbare alibi's vrij te pleiten, waardoor gij eene veroordeeling
ontgaan zijt; maar herhaaldelijk hebt gij openlijk het voornemen te
kennen gegeven, u over uwe beschuldigers te zullen wreken."
»Ja, dat is zoo," viel Texar den voorzitter van den krijgsraad in de
rede. »Ja, er bestaat tusschen James Burbank en mij een innige haat,
dat ontken ik geenszins. Dat ik er belang bij had hem het hart te
verscheuren, door zijn geliefd kind te doen verdwijnen, dat ontken ik
evenmin. Maar tusschen den wensch en de uitvoering der daad bestaat
een zeer groot verschil."
»Jawel, Texar, maar..." wilde kolonel Gardner zeggen.
De Spanjaard vervolgde evenwel spoedig, als ware hij gejaagd:
»Is er een getuige, die mij gezien heeft?"
»Ja!" antwoordde de voorzitter van den krijgsraad.
»En die is?" was de vraag van den onverlaat.
De kolonel verzocht toen miss Alice Stannard hare getuigenis onder
eede af te leggen.
Miss Alice Stannard deed den eed en verklaarde daarbij de waarheid,
niets dan de waarheid en de geheele waarheid te zullen zeggen, waarna
zij het verhaal leverde van hetgeen bij de Marino-Kreek in den bewusten
nacht voorgevallen was. Zij was daarbij zeer ontroerd, en verscheidene
malen was zij, door hare gevoelens overmand, genoodzaakt het relaas
af te breken. Maar zij was ondubbelzinnig duidelijk en bevestigend
in hare verklaringen.
Toen zij en mevrouw Burbank buiten de onderaardsche gang traden, had
zij Zermah een naam hooren roepen en die naam was die van Texar. Beiden
hadden zich, nadat zij op de lijken der vermoorde negers gestuit waren,
in allerijl naar den waterkant begeven. Twee sloepen verlieten toen
den rivieroever. In de eene lagen de slachtoffers gekneveld, in de
andere stond Texar rechtop op de achterplecht. En bij den weerschijn
van de brandende gebouwen van Camdless-Bay, die zich tot aan de Sint
John uitstrekte, had miss Alice Stannard den Spanjaard herkend.
»Is dat zoo?" vroeg kolonel Gardner. »Hebt gij Texar duidelijk
herkend?"
»Ja, duidelijk."
»Denk er om dat gij een eed gedaan hebt."
»Ja, ik heb hem herkend, ik ben gereed dat andermaal onder eede
te bevestigen!"
Na die zoo afdoende verklaring, kon er geen twijfel meer bestaan
omtrent Texar's schuld. Duidelijker had niet kunnen getuigd worden. En
toch konden master James Burbank, zijne vrienden en het geheele
talrijke publiek, dat de zitting van den krijgsraad bijwoonde,
waarnemen, dat de beschuldigde volstrekt niet uit het veld geslagen
was, ja dat hij zijne geheele onbeschaamdheid behouden had.
»Wat hebt gij tegen deze getuigenis in te brengen, Texar?" vroeg de
voorzitter van de militaire rechtbank.
»Wat ik daartegen in te brengen heb?..." vroeg de Spanjaard met een
minachtenden glimlach.
De kolonel knikte met het hoofd.
»Wel eenvoudig dit," vervolgde de beschuldigde. »Wel verre van mij de
gedachte, om miss Alice Stannard te beschuldigen van het afleggen van
valsche getuigenis. Ik zal haar evenmin ten laste leggen, dat zij zich
dienstbaar stelt aan de gevoelens van haat der familie Burbank jegens
mij, door onder eede te bevestigen, dat ik de bewerker zoude zijn van
die ontvoering, waarvan ik eerst sedert mijne inhechtenisneming heb
kennis gekregen. Ik verklaar daartegenover, dat zij zich vergist als
zij getuigt dat zij mij rechtop staande in een der vaartuigen gezien
heeft, die toen den oever van de Marino-Kreek verlieten."
»Maar aangenomen," viel kolonel Gardner hier den beschuldigde in de
rede, »aangenomen, dat miss Alice Stannard zich op dat punt vergist,
dan kan zij toch niet dwalen bij de verklaring, dat zij Zermah
gehoord heeft, die uitriep: »te hulp... het is Texar!"" De Spanjaard
glimlachte hatelijk.
»Welnu, wat hebt gij daarop te antwoorden?" vroeg de voorzitter van
den krijgsraad.
»Eenvoudig, dat wanneer miss Alice Stannard zich niet vergist heeft,
dan is het Zermah, die het deed. Ziedaar alles. Voor mij is dat
duidelijk als de dag."
»Zermah zou geroepen hebben: »het is Texar!" en gij zoudt het niet
geweest zijn, die bij de ontvoering tegenwoordig waart? Dat is
ongeloofelijk!"
»En toch is het zoo."
»Ik zeg u dat gij iets onaanneembaars beweert. Hoort ge: iets
onaanneembaars!"
»En ik herhaal: toch is het zoo. Ik ben niet in het vaartuig geweest;
ik ben zelfs niet in de Marino-Kreek geweest. Ik kan niet anders
verklaren."
»Maar dat moet gij bewijzen."
»Mij dunkt, dat is de verkeerde wereld!"
»Hoe meent gij?"
»Niet de beschuldigde moet zijne onschuld, maar de beschuldigers
moeten hunne aanklacht bewijzen."
»In ieder ander geval, hebt ge gelijk; maar in het tegenwoordige..."
»Kom-aan," zei de Spanjaard luchthartig. »Ik wil u uwe taak verlichten,
kolonel."
»Wat bedoelt gij?"
»Ik zal het bewijs leveren, wat gij van mij verlangt. Niets zal mij
gemakkelijker vallen."
»Weer een alibi?"
»Zooals ge zegt," antwoordde Texar koeltjes.
Bij dit antwoord klonk een spotachtige lach in de zaal; een gemurmel,
dat twijfel verried, werd vernomen. De openbare meening was niet
gunstig voor den beschuldigde.
»Texar," vroeg kolonel Gardner, »daar gij u andermaal op een alibi
beroept, vraag ik u of gij het bewijs daarvan kunt leveren?"
»Ja, gemakkelijk," antwoordde de Spanjaard, »en tot dat einde behoef
ik u, kolonel Gardner, slechts ééne vraag te stellen. Meer niet."
»Aan mij?"
»Ja, aan u."
»Spreek, ik luister."
»Kolonel Gardner, waart gij het niet, die tijdens de inname van
Fernandina en van het fort Clinch door de Noordelijken, het bevel
voerdet over de debarkementstroepen?"
»Wat heeft die vraag met deze zaak te maken?"
»Antwoord, ik verzoek er u om."
»Ja, inderdaad, ik voerde dat bevel."
»Dan hebt gij voorzeker niet vergeten, dat een spoortrein, die naar
Cedar Keys vluchtte, op de brug, die het eiland Amelia met den vasten
wal verbindt, door de kanonneerboot Ottawa aangevallen werd?"
»Ja, dat herinner ik mij zeer goed," antwoordde de kolonel na een
oogenblik nadenken.
»Welnu, de achterste wagen van dien trein kreeg op die brug een
ongeval. Of een kanonskogel de koppelschroef en de verbindingskettingen
verbrijzelde, weet ik niet. Dat ben ik nimmer te weten gekomen. Maar
genoeg zij het, dat die wagen achterbleef en met zijn inhoud, altemaal
vluchtelingen, in handen der federalistische troepen viel."
»Maar wat doet dat alles ter zake?" riep de voorzitter van den
krijgsraad ongeduldig uit.
»Dat zult gij dadelijk zien, kolonel. Geduld dus."
»Ga voort."
»En aan die vluchtelingen, welke toen krijgsgevangen gemaakt werden
en wier namen en signalement men toen zorgvuldig opgeteekend heeft,
werd eerst tweemaal vier-en-twintig uren later de vrijheid hergeven."
»Ja, dat alles weet ik," antwoordde kolonel Gardner, »maar ik zie
niet in wat die episode uit den oorlog met uwe tegenwoordige zaak te
maken heeft?"
»Niet?"
»Neen!"
»Wel, het is toch dood-eenvoudig."
»Laat hooren."
»Ik behoorde onder die krijgsgevangenen, kolonel."
»Gij?"
»Ja, ik!"
Een nieuw gemor, dat nog meer afkeuring kenteekende, liet zich bij
het vernemen van die zoo onverwachte verklaring in de zaal andermaal
vernemen.
»Dus," ging de Spanjaard onverstoorbaar kalm voort, alsof het zijn
persoon niet gold. »Dus, daar de krijgsgevangenen van den 2den tot
den 4den Maart scherp bewaakt en niet uit het oog verloren zijn,
en de overval van de plantage Camdless-Bay in den nacht van den 3den
Maart heeft plaats gehad, zoo is het daadwerkelijk onmogelijk, dat
ik er de aanvoerder van ben geweest."
»Maar hoe verklaart gij dan de stellige herkenning van miss Alice
Stannard?" vroeg de kolonel.
»Moet ik die verklaring leveren, kolonel?" vroeg de Spanjaard niet
zonder aanmatiging.
»Neen, maar toch...."
»Volgens mij, als gij op mijne meening staat," ging Texar
onverstoorbaar kalm voort, »volgens mij kan miss Alice Stannard
onmogelijk gehoord hebben, dat Zermah mijn naam geroepen heeft. Volgens
mij kan zij mij niet op het vaartuig gezien hebben, dat zich van de
Marino-Kreek verwijderde."
»En waarom niet?" vroeg master James Burbank, trillende van woede.
Hij begreep dat hier de justitie weer een rad voor de oogen gedraaid
werd.
»Hebt gij het dan niet gehoord?" vroeg Texar verwonderd. »Ik zei toch
straks, dat ik in die oogenblikken krijgsgevangen door de Noordelijken
gemaakt was en in verzekerde bewaring gehouden werd."
»Dat is onwaar," riep master James Burbank uit. »Dat kan onmogelijk
zoo zijn!..."
»En toch is het zoo," grinnikte de Spanjaard.
»En ik zweer," zei miss Alice Stannard, »ik zweer dat ik dien man in
eigen persoon gezien en dat ik hem behoorlijk herkend heb!"
»Mij dunkt," zei Texar, »dat dit gemakkelijk uit te maken is."
»Hoe bedoelt gij?" vroeg kolonel Gardner.
»Mijn neen staat tegenover het ja van mejuffrouw Alice Stannard,
niet waar?"
De voorzitter van den krijgsraad knikte toestemmend.
»Welnu, raadpleeg de sterktestaten der krijgsgevangenen."
»Zeer juist," antwoordde de kolonel.
Onmiddellijk deed hij de stukken halen, die betrekking hadden op
de krijgsgevangenen, welke dien dag van de inneming van Fernandina,
in den spoortrein naar Cedar-Keys gevangen genomen waren.
Gelukkig waren die ter beschikking van den Commodore Dupont
gesteld. Men bracht ze in de gerechtszaal, en toen kon geconstateerd
worden, dat de naam Texar en ook zijn signalement op de bedoelde
sterktestaten voorkwamen.
Er bleef dus geen twijfel meer over.
De Spanjaard kon onmogelijk de ontvoering van de kleine Dy en van
Zermah, waarvan men hem beschuldigde, gepleegd hebben. Miss Alice
Stannard had zich vergist, toen zij gemeend had hem te herkennen. Hij
kon onmogelijk dien avond in de Marino-Kreek geweest zijn. Zijne
afwezigheid gedurende tweemaal vier en twintig uren van de hoofdplaats
Jacksonville, vond thans hare natuurlijke verklaring, daar hij zich
juist gedurende dien tijd als krijgsgevangene aan boord van een der
oorlogsvaartuigen van het smaldeel der Noordelijken bevond.
Het was om in vertwijfeling te geraken!
Dus ook ditmaal slaagde Texar er in, zich door een niet te ontzenuwen
alibi, dat daarenboven nog door een officieel stuk gesteund en
bevestigd werd, schoon te wasschen van de misdaad, die hem ten laste
gelegd werd. Men werd er waarlijk toe gebracht, zich in gemoede af te
vragen, of er bij de vroeger ingebrachte beschuldigingen tegen den
Spanjaard, geene klaarblijkelijke vergissing had plaats gegrepen,
zooals men dan toch nu genoodzaakt was te erkennen, dat plaats
gehad had bij de dubbele aanklacht van den aanslag op de plantage
Camdless-Bay geleid en de ontvoering der twee vrouwen gepleegd
te hebben.
Master James Burbank, Gilbert Burbank, miss Alice Stannard en Mars
gevoelden zich door dien uitslag van het geding zeer ter neer geslagen.
Die Texar, die ellendeling, die aterling ontsnapte hen andermaal, want
van nu af kon de uitspraak van den krijgsraad niet twijfelachtig meer
zijn. En... ijselijke gedachte!... hoe zou men nu vernemen wat er van
de kleine Dy en van Zermah geworden was? Wat zou hare toekomst wezen?