bewijs, van de beide beschuldigingen wegens plundering en ontvoering
van minderjarigen, vrijgesproken. Hij verliet dan ook met opgeheven
hoofde de gerechtszaal, omstuwd door zijne vrienden en partijgangers,
die luide kreten van toejuichingen lieten vernemen.
Dienzelfden avond verliet Texar Sint Augustijn, en niemand zou hebben
kunnen onthullen, naar welk oord van den Staat Florida hij zijne
schreden gericht had, om daar zijn geheimzinnig, avontuurlijk leven
te hervatten.
VII.
LAATSTE WOORDEN EN LAATSTE VERZUCHTING.
Dienzelfden dag, den 17den Maart, vertrokken master James Burbank,
zijn zoon Gilbert, master Walter Stannard en zijne dochter miss Alice,
alsook Mars, de echtgenoote van Zermah, naar Camdless-Bay en kwamen
weinige uren later op Castle House aan.
Helaas, men kon, men mocht de waarheid voor mevrouw Burbank niet
verborgen houden.
Der ongelukkige moeder werd daardoor andermaal een slag toegebracht,
die in den staat van zwakte en uitputting, waarin zij zich bevond,
hoogst noodlottig, ja doodelijk in zijne gevolgen kon worden.
Die laatste poging om zich omtrent het lot van het meisje en de
kindermeid te vergewissen, of om haar op het spoor te komen, was
volkomen mislukt. Texar had daarop niet geantwoord en was in zijn
stilzwijgen volhard. En hoe zou men hem hebben kunnen dwingen te
bekennen waar die twee vrouwen waren, nu hij beweerde de ontvoering
niet gepleegd te hebben? Maar niet alleen beweerde hij dat, hij had
het ook bewezen door een alibi, niet minder onverklaarbaar dan al de
voorgaande, dat hij niet in de Marino-Kreek had kunnen zijn op het
oogenblik dat de misdaad bedreven werd.
Daar hij omtrent de tegen hem ingebrachte beschuldigingen vrijgesproken
was, kon hem de keuze niet meer aangeboden worden tusschen eene
straf en eene openbaring, die op het spoor der slachtoffers had
kunnen brengen.
»Maar als Texar de schuldige niet is," herhaalde Gilbert Burbank,
»wie is het dan?"
»Die misdaad kan door zijne lieden bedreven zijn," antwoordde master
Walter Stannard, »zonder dat hij er bij tegenwoordig geweest is."
»Dit is de eenige aanneembare uitleg, die te geven is," hernam
Edward Carrol.
»Neen, vader, neen mijnheer Carrol," betuigde miss Alice Stannard,
»Texar bevond zich in het vaartuig dat onze arme kleine Dy
ontvoerde! Ik heb hem gezien en goed ook... Ik heb hem herkend en
degelijk herkend, toen Zermah bij haar laatste hulpgeschrei zijn naam
uitgilde. Nogmaals en blijf ik daarbij: ik heb hem gezien!... ik heb
hem gezien!"
Het jonge meisje uitte die betuiging met eene opmerkelijke geestdrift
en zeggingskracht.
Maar wat kon er op die formeele bewering geantwoord worden?
Van haar kant was eene vergissing onmogelijk, zoo betuigde zij te
Castle-House evenals zij dit voor den krijgsraad gedaan had.
En toch, wanneer het waar was, dat zij zich niet vergiste, hoe was het
dan toch mogelijk, dat de Spanjaard zich onder de krijgsgevangenen van
Fernandina bevonden had, die aan boord van de kanonneerbooten van het
smaldeel van den Commodore Dupont in verzekerde bewaring genomen waren?
Dat was een onverklaarbaar, een onoplosbaar raadsel, voorwaar! Dat
moet erkend worden.
Maar al was ook de twijfel in het gemoed van de overigen gerezen,
in dat van Mars bestond die niet. Hij trachtte niet te begrijpen, hij
poogde zich geen rekenschap te geven omtrent hetgeen hem onverklaarbaar
voorkwam. Hij was vast besloten het spoor van Texar te volgen en zou,
wanneer hij hem weervond, hem wel noodzaken zijn geheim te openbaren,
al zou hij hem door pijniging of door andere gewelddadigheden dat
ontrukken.
»Gij hebt gelijk, Mars," antwoordde Gilbert Burbank, wien de mesties
zijne voornemens mededeelde.
»Gij hebt gelijk, Mars. Maar als het noodig is, moeten wij onze taak
zonder hulp van dien ellendeling weten te volbrengen, daar niemand
weet waarheen hij getrokken is!... Wij moeten onze nasporingen
hervatten!... Ik heb verlof gekregen om te Camdless-Bay te blijven
als dit noodig zal blijken, en reeds morgen zullen wij..."
»Ja zeker, master Gilbert, reeds morgen zullen wij ons op weg
begeven!" antwoordde Mars.
»Ja, dat zullen wij."
De mesties begaf zich naar zijne woonkamer, alwaar hij zoowel aan
zijne droefheid als zijn toorn den vrijen teugel kon vieren. Tot
zeer laat zou men hem in zijn vertrek op en neer hebben kunnen hooren
loopen. Eindelijk scheen hij toch rust te genieten; maar toen was de
morgenstond nabij.
Het daglicht vond Gilbert Burbank en Mars reeds bezig met de
toebereidselen tot hunnen tocht. Zij zouden dien dag geheel en al
besteden met het nauwkeurig onderzoeken van de geringste kreken en
van de kleinste eilanden, die bovenstrooms van Camdless-Bay op de
beide rivieroevers der Sint John aangetroffen worden. Voorwaar geen
geringe taak.
Master James Burbank en Edward Carrol zouden gedurende hunne
afwezigheid de toebereidselen treffen tot het volvoeren van een
meer uitgestrekten onderzoekingstocht. Levensmiddelen, munitiën,
transportmiddelen, het benoodigde personeel, dat alles werd met
zorg bij elkander gebracht, en niets zou verwaarloosd of uit het oog
verloren worden, dat een gunstig welslagen zou kunnen bevorderen.
Al moest men ook tot de woeste streken van Beneden-Florida doordringen,
al moest men door de moerassige vlakten van het zuiden, dwars door
de Everglades trekken; neen, men zou voor niets terugdeinzen.
Het kon toch tot de onmogelijkheden gerekend worden, dat Texar het
Floridasche grondgebied verlaten had. Wanneer hij zich toch noordwaarts
begeven had, dan zou hij op de federalistische troepen gestuit hebben,
die op de grens van den Staat Georgië als een ondoordringbaren muur
vormden.
Wanneer hij langs den zeekant zou hebben willen ontsnappen, dan zou
hij hebben moeten pogen langs de zeeëngte van Bahama te stevenen, om
eene toevlucht op de Lucaiïsche eilanden te vinden, die aan Engeland
toebehooren. Maar de vaartuigen van den Commodore Dupont hielden de
vaarwaters bezet van Mosquito-Inlet af tot aan den ingang van genoemde
zeeëngte. Die kanonneerbooten en hare sloepen blokkeerden de geheele
kuststrook volkomen. Neen, van dien kant bood zich geen enkele gunstige
gelegenheid voor den Spanjaard aan, om te kunnen ontsnappen.
Hij moest nog in Florida zijn en moest zich ongetwijfeld sedert
veertien dagen daar verscholen houden, waar de Indiaan Squambo zijne
slachtoffers gevangen hield.
De tocht, die door master James Burbank beraamd werd, had dus ten
doel om het spoor van Texar over de geheele uitgestrektheid van het
Floridasche grondgebied te zoeken.
Trouwens dat geheele grondgebied genoot thans de meest gewenschte
rust, die men aan de tegenwoordigheid der federalistische troepen
verschuldigd was en aan de vaartuigen van den Commodore Dupont,
die de oostelijke kusten blokkeerden.
Het zal wel niet behoeven verzekerd te worden, dat de rust te
Jacksonville ook gehandhaafd werd. De vroegere autoriteitspersonen
hadden hunne zetels in het stedelijk bestuur hernomen. Geen burgers,
geen ingezetenen werden gevangen genomen of ook maar verontrust
voor hunne lauwe of voor hunne vijandige staatkundige gevoelens. De
aanhangers en handlangers van Texar waren evenwel uit elkander
gejaagd. Hun opperhoofd had het daarenboven veiliger geacht van
het eerste oogenblik in het gevolg der terugtrekkende Floridasche
militie-troepen te verdwijnen.
Wat ook niet uit het oog verloren mag worden, is dat de oorlog, die
in de midden-landstreken van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika
met hardnekkigheid voortgezet werd, ten voordeele van de Federalisten
verliep.
Den 18den en den 19den ontscheepte de eerste divisie van het
Potomac-leger bij het fort Monroe.
Den 22sten maakte de tweede divisie zich gereed om Alexandria te
verlaten en naar hetzelfde doel te marcheeren.
In weerwil van het krijgskundig talent, dat die oude professor in
de scheikunde ontwikkelde, die gewoonlijk den naam van J. Jackson
voerde, maar den naam van Stonewall (steenen wal) Jackson verworven
had, werden de Zuidelijken weinige dagen later bij het gevecht van
Kernstown geslagen.
Een noodzakelijk gevolg daarvan was, dat een vernieuwd oproer in
Florida niet meer te vreezen was. Die Staat had--en dit kan niet genoeg
herhaald worden--zich vrij onverschillig betoond, bij de botsingen
tusschen de Noordelijken en Zuidelijken, die de aangrenzende Staten
beroerd hadden.
Onder die omstandigheden had het personeel van Camdless-Bay, hetwelk
na den aanslag op de plantage verstrooid was geworden, gelegenheid
gevonden langzamerhand terug te keeren.
Sedert dat Jacksonville hernomen was, hadden de besluiten van Texar
en zijn bestuur, betreffende de verbanning van de vrijgestelde
slaven buiten het grondgebied van den Staat, geen kracht van wet of
uitvoering meer. Op den datum van den 17den Maart, was het grootste
gedeelte der negerfamiliën op het domein teruggekeerd en hielden zich
reeds met den wederopbouw der barakken onledig.
Terzelfder tijd ruimden talrijke werklieden de puinhoopen der
werkplaatsen en der houtzaagmolens op, om nieuwe toestellen te
plaatsen, ten einde de regelmatige exploitatie van de voortbrengselen
van Camdless-Bay zoo spoedig mogelijk te kunnen hervatten.
Master Perry en de opzieners ontwikkelden onder het bestuur van master
Edward Carrol eene groote bedrijvigheid en arbeidsvermogen.
Wanneer master James Burbank zijn ouden deelgenoot de zorg der geheele
reorganisatie van de plantage overliet, vond dit daarin zijne reden,
dat hij zich aan eene andere taak--namelijk aan het opsporen van zijn
kind wenschte te wijden.
Met het oog daarop en vast besloten een afdoenden onderzoekingstocht
in de naaste toekomst te ondernemen, verzamelde hij daartoe al de
benoodigdheden. Een detachement van twaalf vrijgestelde negerslaven,
die onder de besten en van de geheele plantage met de meeste toewijding
vervuld, uitgezocht waren, werd aangewezen om hem bij zijne nasporingen
te vergezellen. Men kon er zeker van zijn, dat die brave lieden die
taak met geestdrift aanvaarden en met ijver volbrengen zouden.
Er bleef thans nog maar over te beslissen hoedanig die expeditie geleid
zoude worden. Dienaangaande was aarzeling wel gerechtvaardigd. En
inderdaad, op welk gedeelte van het grondgebied van den Staat Florida
zouden de nasporingen het allereerst begonnen worden? Die vraag moest
natuurlijk elke andere beheerschen.
Eene onverhoopte omstandigheid, geheel en al aan het toeval
verschuldigd, zou met eene zekere nauwkeurigheid het spoor aanduiden,
dat bij het begin van den veldtocht moest gevolgd worden.
Gilbert en Mars, die in den vroegen morgen van den 19den Castle House
verlaten hadden, stevenden met de meeste snelheid in een der lichtste
vaartuigen van Camdless-Bay de Sint John op. Geen enkele neger van de
plantage vergezelde hen bij die nasporingen, welke zij iederen dag
opnieuw op de beide oevers van den stroom ten uitvoer brachten. Zij
stelden zich tot taak zoo geheimzinnig mogelijk te werk te gaan, om
de aandacht niet gaande te maken van de spionnen, die de omstreken
van Castle House op bevel van Texar gadesloegen.
Dien dag gleden beiden langs den linkeroever voort. Hun sloepje schoot
tusschen het lange rietgras en achter de eilandjes voort, die door het
geweld van den stroom bij de sterke equinoxiaal-vloeden van den vasten
wal afgeschuurd waren, en liep geen kans om bemerkt te worden. Van de
vaartuigen, die op de rivier stevenden, waren zij niet te bespeuren;
en evenmin aan den oever zelven, wiens hoogte hen voor den blik dekte
van iedereen, die zich in dien chaos van gewassen gewaagd had.
Dien dag had men zich tot taak gesteld, de geheimste kreken en rio's
van de graafschappen Duval en Putnam te doorzoeken.
Het algemeen uitzicht van den stroom is tot bij het gehucht Mandarijn
bijna dat van een moeras. Bij volzee spreidt zich de watervlakte
over hare beide oevers, die van zeer lage gesteldheid zijn, uit. De
oevers komen weer te voorschijn bij halftij, wanneer de eb genoegzaam
ingetreden is, om de Sint John tot haar normaal peil terug te voeren.
Op den rechteroever vertoonde het terrein evenwel een weinig meer
verhevenheid. Daar bevonden zich maïsvelden, die boven die periodieke
overstroomingen, die geen bebouwing toelieten, gelegen waren. De
naam van heuvelachtige streek kon zelfs aan die plek gegeven worden,
waarop de weinige huizen van Mandarijn verrezen. Dat terrein liep in
eene kaap uit, die zich tot in het vaarwater uitstrekte.
Iets verder was de vernauwde oppervlakte van den stroom met eilandjes
bezaaid. Drie hoofdarmen van de rivier kronkelen daar tusschen
door en weerkaatsen in hunne wateren de witachtige bloempluimen van
de overheerlijke magnoliastruiken, die allerwege op die eilandjes
weelderig groeien. Die vaarwaters, waarvan de stroomingen naarmate van
het doorstaan van eb en vloed, geregeld nu eens naar zee, dan weer
in tegenovergestelde richting voeren, zijn de scheepvaart tweemalen
in de vier-en-twintig uren zeer dienstig, onverschillig werwaarts de
koers genomen moet worden.
Na den westelijken arm ingestevend te zijn, zochten en snuffelden
Gilbert Burbank en Mars tot in de geringste inkepingen van den
oever. Zij zochten of niet de een of andere rio-monding onder de
neerhangende takken der tulpboomen verborgen was. In dat geval
zouden zij die beek tot in het binnenland gevolgd zijn. Waar zij
zich nu bevonden, bespeurde men de uitgestrekte moerassen van de
benedenrivier niet meer. Integendeel, men trof daar dalspleten
aan, die met boomachtige varens bekleed waren, met liquidambars,
die op Java rasamala's genoemd worden en wier bloesems vermengd met
festoenen van welriekende slingerplanten, de lucht met doordringende
geuren vervulden.
Maar de rio's boden op die verschillende plaatsen geene genoegzame
diepte aan. Het waren slechts beekjes, die zich als een zilveren
lint in het landschap vertoonden en geheel en al ongeschikt waren
om een squif toegang te verleenen, terwijl zij bij eb geheel en al
droog vielen.
Geen enkele woning werd op hare oevers waargenomen. Ternauwernood
zag men hier en daar eenige jagershutten, die toen onbewoond waren
en de meest onbedriegelijke sporen droegen in langen tijd niet
betrokken te zijn geweest. Bij sommigen scheen het, alsof bij gebrek
aan menschelijke bewoners, verschillende dieren er hun verblijf
in opgeslagen hadden. Daarin werd toch hondengeblaf, kattengemauw,
kikvorschengekwaak, slangengesis, vossengejank in hunne verschillende
grondtonen vernomen. En toch waren er geen honden, geen katten, geen
kikvorschen, geen slangen en geen vossen aanwezig. Maar vanwaar kwam
dat geluid dan? Wel, dat waren slechts nabootsingskreten van den
kat-vogel, eene soort van donkerbruinachtigen lijster, met zwarten
kop en rood-oranjekleurigen bek, die bij de nadering van de sloep
ijlings wegvloog.
Het was toen ongeveer drie uur des namiddags. In dat oogenblik
raakte de voorsteven van het lichte vaartuig in een sombere massa van
reusachtige rietstengels verward, toen een krachtige duw van Mars met
den bootshaak, dien hij hanteerde, de sloep eene afsluiting van groen
deed doorbreken, die onaantastbaar scheen. Daarachter rondde zich
een inham af, die de uitgestrektheid van ongeveer een bunder besloeg
en welker wateroppervlakte onder een dichten koepel van tulpboomen
verscholen was en derhalve nimmer door de zonnestralen verwarmd werd.
»Kijk, dat is een vijver, dien ik niet ken," merkte Mars op, die
opstond en zich uitrekte, om den toestand en de richting der oevers
verderop van dien inham waar te nemen.
»Wij zullen hem doorzoeken," antwoordde Gilbert. »Hij moet in
gemeenschap staan met de riomeertjes, die dit gedeelte van de lagune
vormen. Misschien worden die gevoed door een riviertje, dat ons
gelegenheid kan geven om verder het binnenland binnen te dringen."
»Inderdaad, master Gilbert."
»Kom vooruit, Mars!"
»Juist vooruit! Steeds vooruit! Ik zie de opening van een doorgang
ten noordwesten van ons."
»Waar zoekt gij het noordwesten in dit doolhof?" vroeg de jeugdige
zeeofficier onthutst.
»Daar in die richting," sprak de mesties zonder aarzelen, terwijl
hij de hand naar een zekeren kant uitstrekte.
»Kunt gij mij zeggen," vroeg de blanke, »waar ter wereld wij ons
bevinden?"
»Ja, geheel nauwkeurig niet, master Gilbert."
»Maar, waar denkt ge?"
»Ik begin ... waarlijk te gelooven," hernam Mars, na eens rondgekeken
te hebben, »dat wij ons in de Zwarte Kreek bevinden."
»In de Zwarte Kreek, Mars?"
»En toch ... meende ik, evenals alle bewoners van deze streek, dat
het onmogelijk was er in door te dringen en dat zij niet in verbinding
stond met de Sint-John."
»Bestond er vroeger niet in die kreek een fortje, dat men tot
verdediging tegen de Seminool-Indianen opgeworpen had?"
»Ja, master Gilbert; maar..."
»Welnu, wat wilt ge zeggen?"
»Maar sedert vele jaren is de monding, waarlangs de gemeenschap met
den stroom plaats had, verzand, en het...."
»Nu ga voort. Waarom te aarzelen, Mars?"
»En het fortje is verlaten en aan den tand des tijds overgegeven
geworden."
»Zijt gij er ooit geweest?"
»Nooit."
»Welnu, wat denkt gij er van?"
»Dat, als er van dat fortje nog iets bestaat, dit niet heel veel
kan wezen."
»Kom, laten wij het trachten te bereiken," hernam Gilbert Burbank.
»Laten wij trachten," herhaalde Mars, »maar dat zal waarschijnlijk
zeer moeilijk zijn, master Gilbert."
»Waarom?"
»Omdat het water weldra verdwenen zal zijn met de ingetreden eb
en dat..."
»Nu?"
»En dat de moerassige bodem geen weerstand genoeg zal bieden, om er
op te gaan."
»Dat is zoo, Mars."
»Maar, wat te doen, master Gilbert?"
»In het schuitje blijven, Mars, zoolang wij water genoeg zullen
aantreffen."
»Laat ons dan geen oogenblik verloren laten gaan, master Gilbert."
»Juist, Mars."
»Het is reeds drie uren en onder dit zware geboomte valt de duistere
nacht spoedig in."
Het was inderdaad de Zwarte Kreek waarin Gilbert Burbank en de mesties
Mars, dank zij dien stoot met den bootshaak, die hunne sloep door de
afsluiting van biezen gedreven had, gedrongen waren.
Men weet het, dat die lagune slechts bevaarbaar was voor lichte
vaartuigen zooals de squif, waarvan de Indiaan Squambo of zijn
baas Texar zich bedienden, wanneer zij zich op de Sint-John
waagden. Daarenboven, om bij het blokhuis te komen, hetwelk te midden
van die kreek gelegen was, moest men merkwaardig goed bekend zijn
met de duizenden en duizenden kronkelingen en doolwegen van het
onuitwarbaar net der vaarwaters tusschen de veelvuldige eilandjes
van die lagune-vorming. En het was lange en vele jaren geleden, dat
zich iemand daarin gewaagd had. Men geloofde zelfs niet meer aan het
bestaan van het fortje, en daaruit was eene soort van veiligheid voor
het vreemdsoortig en boosaardig wezen gesproten, die er zijn gewoon
verblijf had opgeslagen.
En vandaar dan ook het geheimzinnige, dat het privaat-leven van Texar
als met een sluier omgaf.
Men zou inderdaad den draad van Ariadne moeten gehad hebben, om den
weg te vinden te midden van dit doolhof, dat in duisternis gehuld was,
zelfs wanneer de zon den middagcirkel van de plaats sneed. Intusschen
kan bij gebrek van dien gewenschten draad het toeval er toe leiden,
dat het centraal-eilandje van de Zwarte Kreek ontdekt werd.
Het was dus aan dien onzekeren en onbewusten gids, dat Gilbert Burbank
en Mars zich moesten toevertrouwen. Toen zij de eerste inkeping
binnengevaren waren, stevenden zij door kanalen, welker waterinhoud
met den stijgenden vloed zelfs in de kleinsten vermeerderde,
zoodat de toegang voor hunne sloep mogelijk scheen. Zij bewogen
zich vooruit, als door een geheim voorgevoel voortgedrongen, zonder
zich rekenschap te geven hoe zij den terugtocht later zouden kunnen
aanvaarden. Daar het geheele graafschap door hen doorzocht zoude
worden, was het natuurlijk dat geen enkel gedeelte van deze lagune
aan hunne nasporingen ontsnapte.
Na ruim een half uur geroeid, geboomd en gezwoegd te hebben, had de
sloep, volgens de gissing van Gilbert Burbank, eene gestrekte mijl
binnen de kreek afgelegd.
Meer dan eens was het vaartuig op eene onoverkomelijke ondiepte
vastgeraakt en had men moeten terugkeeren, om langs een ander kanaal
eene doorvaart te vinden. Geen twijfel evenwel bestond er omtrent de
hoofdrichting van de lagune. Die moest westwaarts voeren.
Noch de jeugdige officier, noch Mars hadden tot op dit oogenblik
gepoogd voet aan wal te zetten,--hetgeen zij trouwens niet dan met zeer
groote moeite zouden hebben kunnen doen, daar de bodem der eilandjes
slechts zeer weinig boven den gemiddelden waterstand van den stroom
gelegen was. Het was dus beter het lichte vaartuig niet te verlaten,
zoolang gebrek aan diepte den voortgang niet zou beletten.
Het was evenwel niet zonder groote inspanning, dat Gilbert Burbank
en Mars er in geslaagd waren die gestrekte mijl af te leggen. Hoe
krachtig van gestel de mesties ook was, zoo kwam er een oogenblik dat
hij genoodzaakt werd wat uit te rusten. Hij wilde dat evenwel niet
doen alvorens een eilandje bereikt te hebben, dat hij ontwaarde en
dat hooger van terrein en van grooter uitgebreidheid scheen bij de
weinige lichtstralen, die door meer ijle boomkruinen schitterden,
dan al de anderen, die men reeds voorbijgestevend was.
»Kijk, daar..." zei hij.
»Wat is er?" vroeg Gilbert Burbank.
»Dat is zonderling!" ging Mars voort.
»Maar wat?"
»Er zijn sporen van landbouw op dat eilandje!" antwoordde de mesties
met de hand wijzende.
»Ja, waarlijk!"
Beiden ontscheepten en zetten voet aan wal op een oever, die minder
moerassig dan de overigen was.
Mars had zich niet vergist. De sporen van landbouw waren duidelijk
zichtbaar. Eenige knolplanten werden hier en daar ontwaard. In den
bodem werden voren bespeurd, die met menschenhanden gespit waren. Een
schop, die achtergelaten was, stak nog in den grond.
»De kreek is dus bewoond?..." vroeg Gilbert Burbank.
»Dat schijnt wel," antwoordde Mars.
»Dat had ik niet gedacht."
»Misschien is zij slechts bekend aan eenige woudbewoners, misschien
aan zwerf-Indianen die er eenige groenten teelen. Dunkt u niet,
master Gilbert?"
»Ja, Mars, en het zou niet onmogelijk zijn, dat zij er woningen
gebouwd hebben, al waren het maar hutten..."
»Inderdaad, master Gilbert, en als er een aanwezig is, dan..."
»Wat, dan?"
»Dan zullen wij haar wel weten te vinden, niet waar?"
Zij hadden er groot belang bij om te weten te komen, welke soort
lieden die Zwarte Kreek bewoonden of bezochten. Of het jagers der
beneden-streken waren, die er zich heimelijk heen begaven? Of het
Seminool-Indianen waren, die beneden nog te midden der moerassen van
den Staat Florida rondzwierven.
Dus Gilbert Burbank en Mars, zonder aan den terugtocht te denken,
namen weer plaats in hun vaartuig en stevenden verder en dieper langs
de kronkelingen der kreek.
Het scheen dat een soort van voorgevoel hen naar hare somberste
schuilhoeken voortstuwde. Hunne blikken, gewoon aan de betrekkelijke
duisternis, welke door de dichte loofkruinen boven de oppervlakte
der eilandjes veroorzaakt werd, peilden het woud in alle richtingen.
Nu eens meenden zij een woonhuis te ontwaren, terwijl het slechts een
muur van groen was, die zich als eene gordijn van den eenen boomstam
naar den anderen uitstrekte.
Dan eens verbeeldden zij zich een man te zien, die hen onbewegelijk
stond aan te kijken, en bij nader onderzoek was het slechts een oude
stronk, die zonderling gegroeid was en wel eenige overeenkomst met
een menschengestalte vertoonde.
Zij spitsten scherp hun gehoor.
»Want", sprak de een, »waar het oog faalt, kan het oor soms goede
diensten bewijzen."
Dat was waar; want in die stilte der wouden is het minste gerucht
voldoende om de tegenwoordigheid van een levend wezen te verraden.
Beiden waren een half uur later bij het Centraal-eilandje aangekomen.
Het bouwvallige blokhuis was zoo volkomen tusschen het struikgewas
en door de slingerplanten verborgen, dat er hoegenaamd niets van te
bespeuren was.