verte geene losbrandingen van geschut vernomen werden, die aanduiden
konden, dat de federalistische flottilje van kanonneerbooten de Sint
John binnengedrongen was. Maar zij had niets gehoord. Geen knal,
geen geschreeuw, niets, niets! De diepste stilte heerschte te midden
van de eenzaamheid der Zwarte Kreek.
Daaruit kon en moest afgeleid worden, dat Florida nog niet in het
bezit van de krijgsmacht der Unie was. Dat verontrustte de goede vrouw
zeer. Want, al waren master James Burbank en zijne metgezellen ook al
in de onmogelijkheid gesteld om handelend op te kunnen treden, zoo zou
zij toch op de tusschenkomst van Gilbert Burbank en van Mars kunnen
rekenen. Wanneer toch de kanonneerbooten de rivier binnengedrongen
waren, zouden zij toch de oeverstreken doorzocht hebben en dan zouden
belanghebbenden wel tot het lagune-eilandje doorgedrongen zijn. Zij
zouden toch wel door wien ook van het dienstpersoneel van Camdless
Bay in kennis gesteld zijn van hetgeen voorgevallen was.
Maar.... niets, niets duidde er op, dat een gevecht op de rivier
plaats had gehad.
Wat ook zonderling en opmerkenswaardig genoemd kon worden, was dat
de Spanjaard zich nog geen enkelen keer, hetzij des nachts, hetzij
over dag, in het fortje vertoond had. Zermah ten minste had, hoe
wantrouwend hare blikken ook rondwaarden, niets bespeurd, wat haar
tot een ander gevoelen kon brengen. Maar in weerwil daarvan sliep zij
slechts weinige oogenblikken en in die lange uren van slapeloosheid
spitste zij de ooren, maar steeds te vergeefs.
Daarenboven, wat zou zij hebben kunnen doen, wanneer Texar in de
Zwarte Kreek verschenen was en hij haar voor zich had doen brengen?
Zou hij hare smeekingen verhoord hebben? Of zou hij acht geslagen
hebben op hare bedreigingen?
En zou de aanwezigheid van den Spanjaard niet meer te duchten zijn
dan zijn afwezigheid?
Nu zat Zermah in den avond van den 6den Maart voor de duizendste maal
aan dit alles te denken. Het was ongeveer elf uren, en de kleine Dy
was in een vrij gerusten slaap gedompeld. De kamer, die haar beiden
tot cel diende, was in diepe duisternis gehuld. Geen enkel gerucht
werd van buiten gehoord, tenzij men het zuchten der bries door de
voegen der halfvergane planken-omwanding van het blokhuis daarvan
zou willen uitzonderen.
In dit oogenblik scheen het der mestische toe, dat in het
binnengedeelte van het reduit geloopen werd. Zij onderstelde, dat het
de Indiaan Squambo was, die, nadat hij rondom de omheinde omwalling
zijne gewone ronde-wandeling afgelegd had, naar zijne slaapkamer ging,
welke tegenover de hare gelegen was.
Zermah vernam toen eenige woorden, die tusschen twee naderende personen
gewisseld werden. Zij schreed zacht en onhoorbaar naar de deur en
luisterde aandachtig. Het eerst herkende zij de stem van Squambo,
daarna die van den Spanjaard Texar.
Eene huivering overviel haar.
Wat kwam die ellendeling op dit late uur in het fortje uitrichten? Gold
het thans een nieuwen aanslag op de mestische vrouw en het
kind? Zouden zij uit hun vertrek gesleurd worden om naar eene nog
verder afgelegen schuilplaats vervoerd te worden, naar een oord dat
nog meer ondoordringbaar was dan de Zwarte Kreek?
Alle die onderstellingen vertoonden zich in een ondeelbaar oogenblik
voor Zermah's geest en dreigden haar tot wanhoop te brengen... Maar
hare geestkracht keerde weldra terug en zou haar niet meer begeven. Zij
leunde tegen den deurpost en luisterde aandachtig.
»Is er niets nieuws?" vroeg Texar.
»Niets, meester," antwoordde Squambo.
»In het geheel niets?"
»Neen, niets."
»En... hoe verhoudt gij u tot Zermah?"
»Tot Zermah? Wat bedoelt gij?"
»Heeft zij niets gevraagd?"
»Integendeel, zeer veel."
»En?..."
»Ik heb natuurlijk geweigerd hare vragen te beantwoorden."
»Goed zoo."
Er ontstond eene stilte van weinige oogenblikken. Daarna vervolgde
de Spanjaard zijne ondervraging:
»Zijn er pogingen gedaan?"
»Welke pogingen?"
»Om sedert de gebeurtenissen op Camdless-Bay tot uwe gevangenen door
te dringen?"
»O, dat is dikwijls beproefd."
»En?"
»Steeds zonder welslagen."
Zermah begreep, toen zij dat antwoord vernam, dat er nasporingen naar
haar en naar de kleine Dy gedaan waren. Maar door wien? Dat wenschte
zij te vernemen.
»Hoe zijt gij dat te weten gekomen?" vervolgde Texar.
»Wel, ik ben herhaalde malen tot aan den oever der Sint John
doorgedrongen," antwoordde de Indiaan. »En weinige dagen geleden
bespeurde ik eene sloep, die in de nabijheid van de monding der Zwarte
Kreek ronddoolde. Zelfs is het eens gebeurd..."
»Wat?" viel Texar ongeduldig in.
»Dat twee mannen ontscheepten op een der eilandjes in die monding."
»Wie waren het?"
»Master James Burbank en master Walter Stannard."
Bij die woorden kon Zermah hare aandoening ternauwernood bedwingen. Zij
hield hare beide handen vast op haar borst geklemd, als vreesde zij
dat de beide mannen daar buiten het bonzend kloppen van haar hart
zouden kunnen hooren. Het waren dus master James Burbank en master
Walter Stannard, die daar in de nabijheid van de Zwarte Kreek gezien
waren? De verdedigers van Castle House waren dus niet omgekomen bij
den aanval op de plantage!
En als zij met hunne nasporingen begonnen waren, dan was dat een
onfeilbaar bewijs, dat zij met de ontvoering van het kind en de
mestische bekend waren. En als zij daarmede bekend waren, dan kon
het niet anders of mevrouw Burbank en miss Alice Stannard hadden
het hun gezegd. Dus die twee dames hadden naar Castle House kunnen
terugkeeren, nadat zij den laatsten kreet vernomen hadden, die door
Zermah geslaakt was en waarmede zij om hulp tegen Texar geroepen had.
Master James Burbank was dus op de hoogte van al het gebeurde. Hij wist
den naam van den ellendeling, die zich aan al die misdaden had schuldig
gemaakt. Misschien giste hij de plek, die tot gedwongen verblijf der
slachtoffers aangewezen was? O, als dat het geval was, dan zou hij
wel middelen weten uit te denken om tot haar te geraken! Dat kon niet
missen! Dat was ontwijfelbaar!
Die aaneenschakeling van feiten en gedachten vormde zich als het ware
oogenblikkelijk in het brein van Zermah. Zij werd met eene onmetelijke
hoop vervuld--eene hoop, die evenwel dadelijk in duigen viel, toen
zij den Spanjaard en den Indiaan het gesprek volgenderwijze hoorde
voortzetten.
»Jawel, laten zij maar zoeken! Zij zullen niet vinden!" sprak Texar
hoonend.
»Misschien," bracht Squambo bedachtzaam in het midden. »Het zou
misschien voorzichtig zijn naar eene andere schuilplaats voor die
vrouw en dat kind om te zien."
»Onnoodig," antwoordde de Spanjaard.
»Dunkt u dat?"
»Ja, volkomen onnoodig; want over eenige dagen zal master James
Burbank niet meer te vreezen zijn"
»Zoo... dat is wat anders."
Wat beteekenden die woorden? De arme kleurlinge begreep ze niet. In
ieder geval, in den mond van den man, die aan het hoofd der
regeering van Jacksonville stond, behelsden zij eene schrikwekkende
bedreiging. Dat viel inderdaad niet te ontkennen.
»En nu Squambo," zoo ging de Spanjaard voort, »heb ik uwe diensten
noodig."
»Tot uwe bevelen, meester," sprak de Indiaan.
»Slechts gedurende een uur."
»Spreek, ik ben geheel tot uw dienst."
»Volg mij dan."
»Dadelijk."
Een oogenblik later hadden zij beiden hun intrek in de slaapkamer
van den Indiaan genomen.
Wat voerden zij daar uit? Behandelden zij daar een geheim, dat Zermah
zou kunnen benutten? In haren toestand mocht zij inderdaad niets
verwaarloozen of veronachtzamen, wat tot redding van de kleine Dy en
van haar zelve kon strekken.
De deur van de slaapkamer der kleurlinge werd, zooals men weet,
nimmer op slot gesloten, zelfs niet des nachts. Die voorzorg zou dan
ook geheel nutteloos moeten heeten, daar het reduit van het fortje
behoorlijk afgesloten en gegrendeld kon worden, en Squambo den sleutel
steeds bij zich droeg. En op Squambo kon Texar ten volle rekenen,
dat wist hij.
Het was dus feitelijk onmogelijk om buiten het fortje te geraken,
en derhalve ook om eene ontvluchting te beproeven.
Zermah kon dan ook de deur harer kamer open maken. Zij deed dat zoo
stil mogelijk en trad daarna naar buiten, waarbij zij haren adem
inhield, bevreesd als zij was om gehoord te worden.
Dikke duisternis heerschte alom. Slechts eenige spaarzame lichtstralen
schenen door de reten van de deur van het vertrek des Indiaans.
Zermah naderde die deur en keek door een der voegen, die iets breeder
uitgevallen was dan de anderen.
Wat zij nu zag, kwam haar zoo zonderling voor, dat zij er de beteekenis
onmogelijk van begreep.
Hoewel het vertrek slechts verlicht werd door een eenig eindje kaars,
dat van hars vervaardigd was en derhalve eene walmende vlam opleverde,
die weinig helderheid verspreidde, was het toch voldoende voor den
Indiaan, die met een zeer geheimzinnigen en kieskeurigen arbeid
bezig was.
Texar zat voor hem; hij had zijn lederen wambuis uitgetrokken en de
linkermouw van zijn hemd opgestroopt, zoodat de arm bloot was. Dien
arm hield hij uitgestrekt op eene kleine tafel, onmiddellijk onder de
lichtstralen van de harskaars. Een papier van zonderlingen vorm en met
kleine gaten doorprikt, lag op de binnenvlakte van den voorarm. Door
middel van eene zeer fijne naald prikte Squambo in de huid door de
gaatjes van dat papier. Het was eigenlijk eene tatoueerings-bewerking,
welke de Indiaan uitvoerde, en in zijne hoedanigheid van stamgenoot
der Seminolen moest hij daarin zeer behendig zijn.
En inderdaad, hij volvoerde haar met zeer veel bedrevenheid en met
zulke lichte hand, dat de buitenhuid alleen door de punt der naald
aangetast werd, zonder dat de Spanjaard de minste smart ondervond.
Toen die bewerking ten einde gebracht was, lichtte Squambo het
papier op, greep toen een bosje bladeren van een plant, door Texar
medegebracht, en wreef daarmede den voorarm van zijn meester in. Het
sap dier plant geraakte daarbij in de wondjes, door de naaldenprikken
veroorzaakt, en bracht eene hevige jeuking teweeg, hetgeen den
Spanjaard betrekkelijk weinig deerde.
Nadat de geheele bewerking geëindigd was, bracht Squambo het eindje
kaars dicht bij het getatoueerde gedeelte. Een roodachtige teekening
vertoonde zich toen op de huid van Texar's voorarm. Die teekening
was eene zuivere reproductie van die, welke door de naaldgaatjes
op het papier gevormd werd. De overbrenging was met de grootste
nauwkeurigheid geschied. Het waren reeksen van gestippelde lijnen
die elkander kruisten en een der symbolieke figuren daarstelde van
de geloofsbelijdenis der Seminolen.
Dat merk was onuitwischbaar op den arm gegrift, waarop Squambo het
zoo nauwkeurig mogelijk getatoueerd had.
Zermah had dat alles gezien, maar, zooals reeds gezegd werd, zonder
er iets van te begrijpen.
Welk belang had de Spanjaard Texar er bij, met dat tatoueerwerk
versierd te worden? Waartoe dat »merkbare teeken", om de taal der
signalementen op de paspoorten getrouw te blijven? Wilde hij dan
voor een Indiaan doorgaan? Dat zoude noch de tint zijner huid, noch
zijne persoonlijke geaardheid gedoogen. Moest men dus niet een soort
van verband tusschen dit teeken zien en dat hetwelk onlangs op die
Floridasche reizigers, die in handen van Seminolen-Indianen in het
noorden van het graafschap gevallen waren, toegepast was? En wilde
Texar door dat middel weer de mogelijkheid te voorschijn roepen,
om andermaal een dier onverklaarbare alibi's te kunnen inroepen,
waarvan hij tot nu toe met zooveel welslagen partij getrokken had?
Inderdaad was dit wellicht weer een zijner streken. De toekomst zal
dat wel uitmaken.
Een ander vraagstuk deed zich toen in het brein van Zermah voor.
Zou de Spanjaard thans met geen ander doel op het lagune-eilandje en
in het fortje gekomen zijn, dan om de behendigheid van Squambo in zake
tatoueering op de proef te stellen? Zou hij, nu de bewerking afgeloopen
was en het geheimzinnige teeken prachtig op zijn arm gegrift stond, de
Zwarte Kreek verlaten om naar noordelijk Florida en naar Jacksonville,
waar zijne partijgangers nog den baas speelden, terug te keeren?
Of zou hij niet eerder voornemens zijn in het fortje te blijven totdat
de dag zou zijn aangebroken, en van de gelegenheid gebruik maken om de
kleurlinge voor zich te doen verschijnen en omtrent zijne gevangenen
de een of andere nieuwe beslissing te nemen?
Hieromtrent werd Zermah spoedig genoeg gerustgesteld.
De Spanjaard stond van zijn zetel op en naderde de deur, om het reduit
te verlaten. De mestische vloog naar hare kamer terug, en kon die
gelukkig nog ongemerkt bereiken. Daar stond zij tegen de in haast
gesloten deur geleund en hoorde de ettelijke volzinnen, die toen nog
tusschen den Indiaan en zijn meester gewisseld werden.
»Waak met nog meer zorg dan vroeger," zei Texar.
»Daar kunt gij staat op maken."
»Ik kan u dat niet genoeg inprenten."
»Wees gerust, op mij kunt gij u verlaten," antwoordde Squambo. »Maar
wanneer..."
»Wat wilt gij zeggen?"
»Wanneer master James Burbank de Zwarte Kreek ontdekt?"...
»Die zal hij toch wel kennen, dunkt me."
»Maar, wanneer hij het verblijf hier van het kind en de kleurlinge
in den neus krijgt?"...
»Dat zal hij niet."
»Maar het zou toch kunnen."
»Hebt gij dan reeds vergeten, wat ik straks zeide, Squambo."
»Wat was dat, meester?"
»Luister. Ik zeide, dat James Burbank over eenige dagen niet meer te
vreezen zal zijn."
»Is dat wel zoo zeker?" vroeg de Indiaan.
»Zeer zeker. Daarenboven, als het zoo ver mocht komen, dan weet ge
waarheen gij het kind en de mestische moet brengen."
»Jawel, dat weet ik."
»Welnu, volbreng dan stipt mijne orders... ik zal mij dan daar bij
u vervoegen."
»Ja, meester."
»Maar, waarom doet gij al die vragen? Gij schijnt angstvallig."
»Men kan nooit weten; het geval kon zich voordoen, dat Gilbert, de
zoon van master James Burbank, dat Mars, de echtgenoot van Zermah..."
»Wees toch gerust!"
»Ja maar..."
»Eer wij tweemaal vier en twintig uren verder in het leven zijn,
zijn ook die in mijne macht," antwoordde Texar. »En als ik ze in
handen zal hebben, dan..."
De beide mannen waren aan het einde van de gang, waarop de kamer van
Zermah uitkwam. Zij kon het einde van dien volzin niet meer hooren,
die zoo dreigend voor haren echtgenoot en ook voor Gilbert Burbank,
den zoon van haren meester, was.
Texar en Squambo verlieten toen het fortje, waarna de poort achter
hen gesloten werd.
Weinige oogenblikken later verliet de squif, door den Indiaan
bestuurd, het eilandje en stevende door de sombere kronkelingen van de
uitgestrekte lagune. Daar buiten gekomen, ontmoetten zij een vaartuig,
dat in de monding der Zwarte Kreek, evenwel op stroom der Sint John,
den Spanjaard lag te wachten.
Daar scheidden de beide booswichten van elkander, nadat de een
zijne aanbevelingen den ander nog eens herhaald had. Daarna stevende
Texar, door den ebstroom snellijk voortgestuwd, in de richting van
Jacksonville.
Hij kwam daar bij het krieken van den dag aan en juist bijtijds,
om zijne verfoeielijke plannen ten uitvoer te leggen.
Inderdaad, weinige dagen later was Mars in de diepte der Sint John
verdwenen en was Gilbert Burbank als verrader ter dood veroordeeld.
III.
DAAGS TE VOREN.
Het was in den morgen van den 11den Maart, dat Gilbert Burbank door
de rechtbank te Jacksonville ter dood veroordeeld was.
In den avond van dienzelfden dag was zijn vader op bevel van diezelfde
rechtbank in hechtenis genomen.
De jeugdige officier zou twee dagen later doodgeschoten worden, en
ongetwijfeld zou James Burbank, die beschuldigd was zijn medeplichtige
te zijn, hetzelfde vonnis treffen en terzelfder ure dezelfde straf
ondergaan!
Texar zette de rechtbank zooals men weet naar zijne hand; zijn wil gold
te Jacksonville voor wet. De doodstraf op vader en zoon ten uitvoer
gebracht, zou slechts het voorspel zijn van de bloedige uitspattingen,
waaraan de halfblanken, die door het schuim der bevolking ondersteund
werden, zich tegenover de noordelijkgezinden in den Staat Florida
en tegen hen, die hunne denkbeelden omtrent de slavernij deelden,
zouden schuldig maken.
Hoevele personeele wraaknemingen zouden aldus onder het schild van
den burger-oorlog gepleegd worden? Die zouden niet anders dan door
de tegenwoordigheid der federalistische troepen gestuit kunnen worden.
Maar... zouden die aankomen? En bovenal, zouden zij bijtijds aankomen,
voordat de eerste slachtoffers aan den haat en de wraakzucht van den
Spanjaard opgeofferd zouden zijn?
Ongelukkig, dat viel te betwijfelen.
En de lezer zal begrijpen in welke doodsangsten de bewoners en gasten
van Castle-House door die onzekerheid, door dat uitblijven der troepen,
die redding moesten aanbrengen, verkeerden.
Het scheen toch, dat de commandant Stevens het plan, om de Sint
John met zijn smaldeel op te stevenen, althans voorshands had laten
varen. De kanonneerbooten volvoerden geen enkele beweging, waaruit
opgemaakt zou kunnen worden, dat zij hun anker wilden verlaten.
Zouden zij de bank in de monding van den stroom niet durven
overschrijden, nu Mars niet meer daar was, om hen door de geul te
loodsen? Het had er al den schijn van.
Zagen zij van het plan af, om zich van Jacksonville meester te maken,
om door die inname de veiligheid te verzekeren van de opgezetenen van
de plantages, aan het bovengedeelte der Sint John gelegen? Helaas,
dat was te duchten.
Maar wat was er dan op het werkelijke terrein des oorlogs geschied;
welke feiten waren daar voorgevallen, die tot zulk eene wijziging in
de plannen van den Commodore Dupont noopten?
Dat vroegen zich master Walter Stannard en de administrateur master
Perry herhaaldelijk gedurende dien eindeloozen dag van den 12den
Maart af.
Toen toch liepen er geruchten in dit gedeelte van Florida, hetwelk
tusschen den Atlantischen Oceaan en de Sint John begrepen ligt, dat
de ondernemingen der Noordelijken zich voornamelijk tot de kuststrook
bepaalden. De Commodore Dupont, die zijn wimpel op de Wabash geheschen
had, zou, gevolgd door de grootste kanonneerbooten van zijn eskader,
reeds in de baai van Sint Augustijn gedrongen zijn. Men vertelde
zelfs dat de militie-troepen zich gereed maakten de stad te ontruimen,
zonder zelfs te pogen het fort Masan te verdedigen, evenmin als zij
het fort Clinch verdedigd hadden, toen de havenplaats Fernandina
genoodzaakt was, zich bij verdrag over te geven.
Dat waren de nieuwstijdingen, welke de administrateur in den ochtend
op Castle-House aanbracht. Men deelde ze aanstonds aan master Walter
Stannard en aan master Edward Carrol mede, welke laatste door zijne
wond, die nog niet geheeld was, gedwongen werd op een der divans in
de hall van het heerenhuis uitgestrekt te blijven liggen.
»De federalistische troepen te Sint Augustijn!" riep de gekwetste uit.
»Het schijnt zoo, master Carrol," antwoordde de administrateur Perry.
»Maar waarom gaan zij niet naar Jacksonville?"
»Ja, dat is onbegrijpelijk," antwoordde Walter Stannard.
»Misschien willen zij slechts de rivier benedenstrooms afsluiten,
zonder er bezit van te nemen," hernam de administrateur Perry.
»Maar dat is onzinnig!" riep Edward Carrol uit.
»Meer dan dat," zei Walter Stannard.
»Dat meen ik ook," bevestigde master Perry.
»James Burbank en zijn zoon Gilbert zijn reddeloos verloren,"
vervolgde master Walter Stannard, »wanneer Jacksonville in de macht
van Texar blijft."
»Zou daarvoor niets te doen zijn?" vroeg master Perry.
»Wat zou er kunnen gedaan worden?" vroeg Master Walter Stannard.
»Ik zou naar den Commodore Dupont kunnen reizen," antwoordde de
administrateur, »om hem in te lichten omtrent het gevaar, waarin de
heeren Burbank vader en zoon verkeeren."
»Gij zoudt een heelen dag noodig hebben, om Sint Augustijn te
bereiken," hernam Edward Carrol, »altijd in de onderstelling,
dat gij niet door de detachementen militie-troepen, die op hunnen
terugtocht zijn, aangehouden zult worden! En voordat de Commodore
Dupont het betrekkelijk bevelschrift, om Jacksonville te bezetten,
aan den commandant Stevens zal hebben doen toekomen, zou te
veel tijd verloopen. Daarenboven, die bank... die zandbank in de
rivier... de kanonneerbooten kunnen daar niet over... en hoe nu
onzen armen Gilbert te redden, wiens vonnis morgen reeds voltrokken
wordt? Neen!... Er behoeft niet naar Sint Augustijn gegaan te worden,
maar naar Jacksonville zelve!... Wij moeten ons niet tot den Commodore
Dupont wenden...."
»Maar tot wien dan?" vroeg Perry onthutst.
»Wel, tot Texar in persoon!..."
»Vader, mijnheer Carrol heeft gelijk," zei Miss Alice Stannard,
die juist binnengetreden was en de woorden van master Edward gehoord
had. »Mijnheer Carrol heeft gelijk, en ik zal naar Jacksonville gaan!"
Het moedige meisje was in staat om alles te ondernemen, alles te
trotseeren, wanneer het gold Gilbert Burbank te redden.
Voordat master James Burbank daags te voren Camdless Bay verlaten had,
had hij iedereen op het hart gedrukt, dat zijne echtgenoote er niet
mede mocht bekend gesteld worden, dat hij zich naar Jacksonville
begaf. Vooral legde hij nadruk er op, dat zij onkundig moest
blijven met de omstandigheid, dat het 't bestuur was, dat het bevel
uitgevaardigd had om hem gevangen te nemen. Mevrouw Burbank wist dus
van niets en was ook onbekend gebleven met het lot, dat haren zoon
beschoren was, dien zij in veiligheid aan boord der kanonneerboot
moest wanen.
Hoe zou die ongelukkige vrouw den dubbelen slag, die haar trof,
verdragen?
Haar echtgenoot was in handen van dien verfoeielijken Texar, en haar
zoon beleefde den vooravond van den dag, dat zijn doodvonnis voltrokken
zoude worden! O, dat zou zij niet overleefd hebben!
Toen zij verzocht had om James Burbank, haren echtgenoot, te zien,
had miss Alice geantwoord, dat hij Castle House verlaten had, om
de nasporingen met betrekking tot de kleine Dy en Zermah weer te
hervatten en dat zijn afwezigheid ongeveer tweemaal vier-en-twintig
uren zoude duren.
Het geheele denkvermogen van mevrouw Burbank vestigde zich nu op
haar ontvoerd kind. Maar ook dat was te veel voor haar te dragen,
althans in den toestand van ziekelijkheid, waarin zij zich bevond.
Miss Alice Stannard was evenwel met alles bekend, wat er voorgevallen
was en derhalve ook met den gevaarvollen toestand, waarin James en
Gilbert Burbank zich bevonden. Zij wist dat de jeugdige officier den
volgenden dag moest doodgeschoten worden en dat hetzelfde lot zijn
vader beschoren was!...
O, bij die gedachte was zij tot alles besloten, om pogingen tot hunne
redding aan te wenden.
Zij verzocht dan ook master Edward Carrol, om haar de gelegenheid te
verschaffen naar de overzijde der Sint John te kunnen oversteken.
»Waar wilt gij heen, miss Alice?" vroeg Edward Carrol.
»Naar Jacksonville."
»Gij!... Gij, Alice... naar Jacksonville!" riep master Walter
Stannard uit.
»Vader... het moet... het is mijn plicht!..."
De zoo natuurlijke aarzeling van master Walter Stannard verdween bij
die woorden oogenblikkelijk. Hij gevoelde dat zonder dralen moest
gehandeld worden. Wanneer Gilbert Burbank kon gered worden, dan kon
dat uitsluitend door de poging, die miss Alice wilde wagen.
Wellicht wanneer het jonge meisje zich aan de knieën van Texar
wierp, zou zij er in slagen een sprank van mededoogen in zijn hart
op te wekken! Misschien zou zij een uitstel, eene schorsing van het
vonnis verwerven! Mogelijk was het ook, dat zij steun zoude vinden
bij de eerlijke lieden en dat hare wanhoop eindelijk de gemoederen in
opstand zoude brengen tegen de ondragelijke tirannie van het bestuur,
dat thans de macht in handen had? Zij moest dus naar Jacksonville,
ongeacht het gevaar dat zij daar loopen kon.
»Perry zal mij wel naar de woning van master Harvey willen geleiden,"
zei het jonge meisje.
»Zeker," antwoordde de administrateur bereidwillig.
»Neen, Alice," hernam master Walter Stannard, haar vader, »ik zal u
vergezellen. Ja... ik! Kom, er valt geen tijd te verliezen."
»Gij Stannard?" vroeg Edward Carrol... »Dat is u noodeloos in gevaar
begeven... Begrijp dat goed... Men kent te zeer uwe denkbeelden te
Jacksonville."
»Om het even," antwoordde master Walter Stannard. »Ik laat mijne
dochter zich niet zonder mijn geleide te midden van die woestelingen
begeven."
»Maar dat is gevaarlijk!"
»Ik herhaal: dat is mij om het even!"
»Maar..."