Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/
Wonderreizen
Jules Verne
De strijd tusschen Noord en Zuid
De Zwarte Kreek van Texar
Amsterdam
Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"
Snelpersdruk van H. C. A. Thieme te Nijmegen.
TWEEDE GEDEELTE.
I.
NA DE ONTVOERING.
»Texar!"...
Ja, Texar! dat was wel degelijk de verafschuwde naam, die door Zermah
in den nacht uitgekreten was, juist op het oogenblik toen mevrouw
Burbank en miss Alice Stannard op den oever der Marino-Kreek aankwamen.
Het jonge meisje had daarenboven den ellendigen Spanjaard herkend,
zoodat niet kon in twijfel getrokken worden, dat hij de bewerker der
ontvoering van de kleine Dy en van de mestische vrouw Zermah was,
ja, dat hij de uitvoerder van die schandelijke daad was.
En inderdaad, Texar was de schuldige. Hij was bij zijn boevenstuk
door een half dozijn kerels geholpen geworden, die aan hem met lijf
en ziel verknocht waren en bij alle door hem gepleegde misdaden zijne
medeplichtigen waren.
De Spanjaard had reeds sedert lang dien tocht voorbereid, die de
verwoesting van de plantage Camdless-Bay, de plundering van het
heerenhuis Castle House, den financiëelen ondergang van de familie
Burbank, en de gevangenneming of den dood van het hoofd van dat gezin
moest tengevolge hebben.
Met dat doel had hij zijne roofzieke benden over de plantage
losgelaten! Hij had zich toen evenwel niet aan hun hoofd gesteld,
maar de leiding van dien troep aan den meest woesten kerel zijner
partijgangers opgedragen. Hierdoor wordt het verklaarbaar, dat John
Bruce, de agent van master Harvey, die zich bij den aanvallenden
troep gevoegd had, aan James Burbank had kunnen verzekeren, dat Texar
daarbij niet aanwezig was.
Om hem te ontmoeten, zou men naar de Marino-Kreek hebben moeten gaan,
die door middel van een tunnel, zooals de lezer weet, met Castle-House
in gemeenschap stond. Voor het geval dat het heerenhuis het beleg
niet langer zoude kunnen uithouden, zouden de verdedigers trachten
langs dien tunnel den terugtocht aan te nemen, om aan hunne vijanden
te ontkomen.
Texar was met het bestaan van dien tunnel bekend. Hij was dan ook
te Jacksonville in een vaartuig gestegen en had, terwijl Squambo,
vergezeld van twee slaven in eene andere boot gezeten, zich bij hem
gevoegd had, post gevat in de Marino-Kreek, ten einde de vlucht van
master James Burbank te bespieden.
En werkelijk, hij had zich niet vergist. Dat bespeurde hij dadelijk,
toen hij een der sloepen van Camdless-Bay ontwaarde, die achter
de biezen der kreek verscholen lag. De negers, die de wacht in dat
vaartuigje hielden, werden overvallen en afgemaakt. Daarna viel er
niets anders te doen dan te wachten. Weldra verscheen Zermah, die het
kleine meisje bij zich had. Toen de mestische begon te schreeuwen en
te gillen, vreesde de Spanjaard, dat men haar te hulp zoude komen. Hij
greep haar en leverde haar aan Squambo over. Toen mevrouw Burbank
en miss Alice Stannard een oogenblik later verschenen, bevond Zermah
zich reeds in het vaartuig van den Indiaan op het midden der rivier.
De lezer weet het overige.
Intusschen had Texar, na de voltooide ontvoering van die vrouw en dat
kind, het niet noodig geacht zich bij Squambo te vervoegen. Die man,
die hem met lijf en ziel toegedaan was, wist naar welke onnaspeurlijke
schuilplaats hij Zermah en de kleine Dy moest brengen. Toen dan ook
de drie kanonschoten de aanvallers, juist op het oogenblik dat zij
Castle-House zouden binnendringen, naar Jacksonville terugriepen,
was de Spanjaard plotseling verdwenen en had hij zich uit de voeten
gemaakt, door de Sint John in schuine richting over te steken.
Waar was hij heengegaan?
Dat wist niemand te zeggen. Zooveel was zeker dat hij gedurende
den nacht van den 3den op den 4den Maart niet naar Jacksonville
teruggekeerd was. Men zag hem daar eerst vier en twintig uren
later. Wat voerde hij gedurende die onverklaarbare afwezigheid uit? Dat
kan door niemand verklaard worden. Toch mocht aangenomen worden, dat
die afwezigheid, wanneer hij als de hoofdschuldige of medeplichtige aan
de ontvoering van de kleine Dy en van Zermah aangeklaagd mocht worden,
hoogst verdacht moest voorkomen. Het samenvallen van zijne verdwijning
met die ontvoering zou zeer zeker in zijn nadeel uitgelegd worden.
Maar hoe het ook zij, hij keerde eerst in den ochtend van den 5den
naar Jacksonville terug, om er de leiding op zich te nemen en de
noodige maatregelen te treffen voor de verdediging der stad en van
den Staat tegen de Noordelijken.
De lezer heeft reeds vernomen, dat hij tijdig genoeg wederkeerde
om eene hinderlaag voor Gilbert Burbank open te stellen en om het
voorzitterschap der rechtbank op zich te nemen, die gereed stond den
jeugdigen officier ter dood te veroordeelen.
Wat zeker was, dat is dat Texar zich niet in de sloep van den Indiaan
Squambo bevond, toen dit vaartuig door den opkomenden vloed, in het
donkere van den nacht naar het bovengedeelte der rivier ten noorden
van Camdless-Bay voortgedreven werd.
Zermah, die eindelijk ingezien had, dat hare kreten en haar gegil
niet meer op de beide oevers der Sint John gehoord konden worden,
was er toe overgegaan te zwijgen. Zij zat in het achtergedeelte der
sloep en hield de kleine Dy in hare armen gesloten.
Het verschrikte kleine meisje had geen enkelen kreet, geen enkele
klacht laten ontsnappen. Zij sloot zich vast tegen de borst van de
kleurlinge aan en poogde zich tusschen de plooien van het manteltje
van de wakkere vrouw te verbergen. Slechts eens of twee malen hadden
hare lippen eenige woorden gepreveld:
»Mama!... Mama!... O, goede Zermah!... Ik ben zoo bang!..."
En een oogenblik later herhaalde zij:
»O, Zermah!... Ik ben zoo bang... Waar is mama?... Ik wil naar
mama terug!"
»Ja... lieve!" antwoordde de kleurlinge. »Wij gaan naar mama
terug!... Wees niet ongerust..."
»O, ik ben zoo bang!..."
»Neen, niet bang zijn!... Ik ben bij je!..."
In ditzelfde oogenblik liep mevrouw Burbank, schier waanzinnig van
schrik en angst, langs den rechter oever der rivier en poogde het
vaartuig te volgen, dat haar kind naar de overzijde voerde.
De duisternis was toen groot. De vlammen der verschillende woningen
en keten, die op de plantage in brand gestoken waren, begonnen uit te
dooven, evenals het geknetter van het geweervuur begon te zwijgen. Uit
de veelvuldige rookzuilen, die onder den aandrang van den zuidenwind
naar het noorden ombogen, flikkerden nog van tijd tot tijd vlammen op,
die dan weer uitdoofden, maar op de oppervlakte van den stroom eene
schittering veroorzaakten als van verschietende bliksemstralen.
Toen werd alles stil en somber.
Het vaartuig volgde den stroomdraad van de rivier en hield zich in het
midden daarvan, zoodat van de beide oevers niets te ontwaren was. Het
was alsof die sloep zich in volle zee bevond, zoo eenzaam was zij.
Naar welke kreek stevende dat vaartuig, welks roer door Squambo
gestuurd werd?
Dat wenschte Zermah bovenal te weten. Zij begreep dat het
ondervragen van den Indiaan tot niets zou leiden. Zij zocht zich
dus te oriënteeren, hetgeen in die dikke duisternis waarlijk niet
gemakkelijk was, vooral zoolang Squambo het midden der rivier bleef
houden. De vloed kwam met kracht op; daarenboven pagaaiden de twee
negerslaven met alle kracht, zoodat men zoo snel mogelijk in zuidelijke
richting voortstevende.
Het ware toch uiterst nuttig en raadzaam geweest, indien Zermah een
spoor van haren voorbijtocht achterliet, om de nasporingen van haren
meester te vergemakkelijken. Dat begreep de goede vrouw. Ware zij aan
wal geweest, dan zou een lap van haar manteltje, aan de takken van
een struik vastgehecht, als eerste merkteeken hebben kunnen dienen om
de verkenners op het spoor te brengen, die dat, eenmaal behoorlijk
waargenomen, niet meer zouden hebben laten glippen. Maar op die
rivier was zoo iets onmogelijk. Waartoe zou het dienen, dat het een
of andere voorwerp, aan haar of aan het jonge meisje toebehoorende,
aan den stroomdraad overgeleverd zoude worden? Zou de hoop werkelijk
gekoesterd kunnen worden, dat het in handen van master James Burbank
zou geraken? Neen, daaraan viel niet te denken. Op die hoop mocht niet
gebouwd worden. En als een gevolg daarvan moest de arme mestische er
zich toe bepalen om te trachten te herkennen op welk punt der oevers
van de Sint John de sloep zou landen.
Zoo verliep onder de gegeven omstandigheden een uur.
Squambo had geen enkel woord gesproken. De beide negerslaven pagaaiden
krachtig maar stilzwijgend. Geen enkel licht werd op de oevers
waargenomen, noch in de huizen, noch onder de dichte loofkruinen van
het hooge geboomte, welks sombere massa zich in het donker in een
nevelvorm liet ontwaren.
Terwijl Zermah rechts en links uitkeek en steeds gereed was, om
iedere aanwijzing hoe gering ook te benutten, dacht zij slechts aan de
gevaren, welke het kleine meisje liep, dat met haar ontvoerd was. De
gevaren, die haar zelf bedreigden, telde zij niet; daaraan dacht zij
zelfs niet. Hare vrees betrof slechts dat kind. Op dat dierbare hoofd
verzamelden zich alle hare angsten.
Het was wel degelijk Texar, die de ontvoering had doen ten uitvoer
leggen. Dienaangaande was geen twijfel mogelijk. Zij had den Spanjaard
zeer goed herkend, toen hij daar bij de Marino-Kreek de wacht hield,
hetzij met het doel om langs den tunnel binnen Castle House te dringen,
hetzij dat hij daar de verdedigers van het heerenhuis opwachtte,
wanneer die door dien uitgang zouden pogen te ontsnappen.
Wanneer Texar niet zoo overijld was te werk gegaan, zouden mevrouw
Burbank en miss Alice Stannard zich nu, evenals de kleine Dy en
Zermah, in zijne macht bevinden. Dat hij zich niet aan het hoofd der
militie-troepen en de bende plunderaars gesteld had, had zijne redenen
daarin gevonden, dat hij er zeker van was de familie Burbank bij de
Marino-Kreek des te gevoeliger te kunnen treffen. Wij hebben gezien,
dat hij goed geraden had.
Maar in ieder geval zou Texar niet kunnen loochenen, dat hij direct
medeplichtig was aan de ontvoering van het kleine meisje en van de
mestische vrouw. Later, wanneer het uur der gerechtigheid zoude gekomen
zijn, wanneer de Spanjaard voor zijne misdaden ter verantwoording
zoude geroepen worden, dan zou hem de uitvlucht niet kunnen baten,
om een van die onverklaarbare alibi's te kunnen inroepen, die hem
tot heden zoo uitstekend gelukt waren.
Maar welk lot dacht hij thans zijne twee slachtoffers toe?
Kon hij ze in de moerassige streken van de Everglades, ver voorbij
de bronnen van de Sint John verbergen?
Kon hij zich van Zermah ontdoen als van eene lastige en gevaarlijke
getuige, welker verklaring hem den een of anderen dag zoude kunnen
vernietigen?
Die vragen stelde zich de mestische vrouw. Zij zou gaarne haar leven
ten offer gebracht hebben, om het kind te redden, dat met haar ontvoerd
werd. Maar wanneer zij dood zoude zijn, wat zou er dan van de kleine
Dy in de handen van Texar en zijne booswichten terecht komen? Die
gedachte martelde haar en dan klemde zij het kleine meisje vaster
aan hare borst, alsof Squambo het voornemen reeds aan den dag zoude
gelegd hebben om haar het kind te ontrukken.
Terwijl zij zoo in hare gedachten verdiept was, meende Zermah
eindelijk te bemerken, dat het vaartuig den linker oever van de
rivier naderde. Zou haar dat tot aanwijzing kunnen strekken? Neen,
want zij wist niet, dat de Spanjaard zijne woning in het binnenste
gedeelte van de Zwarte Kreek, op een der talrijke eilanden van die
schier onbekende lagune, opgeslagen had. Dat wisten de partijgangers
van Texar zelfs niet, daar niemand ooit in het blokhuis, dat hij met
Squambo en zijne negerslaven bewoonde, toegelaten werd.
Daar inderdaad bracht de Indiaan de kleine Dy en Zermah onder
dak. Daar, te midden van de ondoordringbare struiken van die streek,
overdekt met eene machtige moerassige tropische plantenwereld, zouden
zij aan iedere nasporing onttrokken zijn. De kreek zelve was als
het ware ondoordringbaar te noemen voor hem die er de richting van
de doorvaarten en de ligging der eilandjes niet van kende. Zij bood
schuilplaatsen bij duizenden aan, waar de ontvoerde gevangenen zoo
goed en wel verborgen konden worden, dat het onmogelijk zoude zijn
haar op het spoor te komen. Voor het geval dat master James Burbank
zou pogen dit woeste en ondoordringbare struikgewas te doorzoeken,
waren maatregelen getroffen, om de mestische vrouw en het kleine
meisje naar het zuidelijk gedeelte van het Floridasche schiereiland
te vervoeren. Dan zou alle kans verkeken zijn om haar weer te vinden
te midden van die uitgestrekte wildernissen, die door de Europeesche
pionniers hoogst zelden bezocht worden, en waar slechts enkele benden
Indianen aangetroffen worden, die daar niet wonen, maar de ongezonde
vlakten slechts doortrekken.
De vijf en veertig mijlen, die den afstand uitmaakten tusschen
Camdless-Bay en de Zwarte Kreek, waren vrij spoedig afgelegd. Het was
omstreeks elf uren, toen het vaartuig den elleboog passeerde, dien
de Sint John op tweehonderd yards afstand benedenstrooms vormde. Er
bleef niets anders te doen over dan de monding der haftvorming te
verkennen. Dat was eene zeer moeielijke verrichting te midden van de
dikke duisternis, welke den linker oever van den stroom omgaf. Hoe
bekend hij ook al met deze streken was, aarzelde Squambo dan ook,
toen hij het roer te boord moest leggen, om dwars door den snellen
stroomdraad te kunnen stevenen. Het besturen van de sloep zou voorzeker
eene meer gemakkelijke verrichting geweest zijn, wanneer het vaartuig
den oever had kunnen volgen, welke door eene menigte kleine kreken,
baaien, inhammen en haften, welke allen met hooge biezen begroeid of
dicht met waterplanten overdekt waren, diep ingesneden was. Maar de
Indiaan vreesde op ondiepten verzeild te raken. Daar nu het doorkomen
van den vloed ten einde spoedde en de eb het water van de Sint John met
bekwamen spoed naar de riviermonding zoude voeren, zou een vastraken
in die modderige streken, hem in verlegenheid kunnen brengen. Hij zou
dan moeten wachten tot het doorkomen van den volgenden vloed, dat vrij
wel gelijk zou staan met eene vertraging van elf uren ongeveer. Hoe
zou hij dan beletten kunnen om ontdekt te worden, wanneer het dag
werd. Gewoonlijk doorkliefden talrijke vaartuigen met hunne stevens
de oppervlakte der rivier. De tegenwoordige staat van zaken en de
mogelijke gebeurtenissen, die verwacht werden, noodzaakten tot eene
onafgebrokene briefwisseling tusschen Jacksonville en de havenstad
Sint Augustijn. Daarenboven, wanneer de bewoners van Castle House niet
bij den aanval op het heerenhuis omgekomen waren, zouden zij met de
familie Burbank reeds den volgenden dag alles in het werk stellen,
om de nasporingen met alle kracht te beginnen en met den meesten
ijver door te zetten. Dan zou Squambo, aan den voet van den oever in
de modder vastzittende, niet aan de vervolging kunnen ontsnappen,
waaraan hij bloot zoude staan. De toestand kon dan zeer gevaarlijk
geacht worden.
Ten gevolge van al die overdenkingen verkoos de Indiaan in het diepe
vaarwater te blijven en den oever van de Sint John te mijden. Zelfs
was hij besloten om in den vollen stroom ten anker te gaan, wanneer
dat noodig mocht worden. Dan zou hij bij het aanbreken van den dag,
de toegangen van de Zwarte Kreek verkennen, en eenmaal daarbinnen
aangeland, zou hij van eene vervolging niets meer te duchten hebben.
Het vaartuig ging inmiddels voort om met behulp van den vloed de
rivier opwaarts te stevenen. Te rekenen naar den verloopen tijd,
schatte Squambo, dat hij nog niet ter hoogte van de Lagune-monding
gekomen was. Hij voer dus verder door, totdat een verwijderd gerucht
zijn oor trof.
Dat was een dof geraas van het klepperen van een raderschip, dat
zich langs de oppervlakte der rivier voortplantte en daardoor al
duidelijker en duidelijker vernomen werd. Bijna ter zelfder tijd
verscheen bij een hoek, die door den linker oever der rivier gevormd
werd, eene in beweging zijnde massa.
Het was eene stoomboot die langzaam en slechts halfwerk voortstoomde,
welke het witte licht van haar seinlantaarn vertoonde. In minder dan
eene minuut zou zij de sloep bereikt hebben en die met geweld aanvaren,
hetgeen groote ongelukken kon ten gevolge hebben.
Met een gebaar beval Squambo den negerslaven, met pagaaien op te
houden. Tegelijkertijd bracht hij den helmstok van het roer naar
het andere sloepsboord over en stak naar den rechter oever, zoowel
om niet door de stoomboot overvaren, alsook door hare passagiers en
opvarenden niet gezien te worden.
Maar de sloep was door de wachthebbenden van de boot gezien
geworden. Zij werd gepraaid met bevel om aan boord te komen.
Squambo stiet een vervaarlijken vloek uit. Maar de onmogelijkheid
inziende om door de vlucht aan de uitnoodiging, die in bevelenden
toon tot hem gericht was, te ontkomen, moest hij gehoorzamen.
Een oogenblik later schoot de sloep langs zijde en legde aan bij de
rechter valreeptrap van de stoomboot, die middelerwijl om haar in te
wachten gestopt had.
Zermah stond toen van hare zitplaats op. In de zich voordoende
omstandigheden, meende zij eene kans tot redding te bespeuren. Zou
zij niet kunnen schreeuwen? Zou zij zich niet kunnen bekend maken? Zou
zij geen hulp kunnen inroepen en zoodoende aan dien Squambo ontkomen?
De Indiaan sprong ook op en stelde zich naast hare zijde. Hij hield
in de eene hand een breed bowie-knife; met de andere had hij het
kleine meisje gegrepen, dat Zermah hem met alle kracht maar tevergeefs
trachtte te ontrukken.
»Een enkele kreet, en ik steek haar dood!" zei hij met gedempte stem.
Wanneer het slechts het offer van haar leven gegolden had, dan zou
Zermah geen oogenblik geaarzeld hebben; maar daar dit noodlottige
mes van den Indiaan het kind bedreigde, zweeg zij.
Van het dek der stoomboot kon men onmogelijk ontwaren, wat in de
sloep omging.
De boot kwam van Piccolata, waar zij een detachement militie-troepen
aan boord had genomen, om dat naar Jacksonville over te varen, ten
einde het garnizoen van de bezettingstroepen der zuidelijken aldaar
te versterken, wien opgedragen was de rivierverdediging te voeren.
Een scheepsofficier boog zich over de leuning der brug en praaide
den Indiaan.
Ziehier de woorden, die tusschen hen gewisseld werden:
»Ohoi!"
»Ohoi!" antwoordde Squambo, na eene lichte aarzeling.
»Waar gaat gij heen?"
»Waar ik heen ga?"
»Ja!"
»Ik ga naar Piccolata."
Zermah onthield dien naam, hoewel zij bij zich zelve overlegde dat
de Indiaan Squambo in de gegeven omstandigheden het grootste belang
er bij had, zijne ware bestemming verborgen te houden.
»Van waar komt gij?" vervolgde de scheepsofficier zijne ondervraging.
»Van de noordelijke graafschappen."
»Maar van welke plaats vertrokt ge het laatst?"
»Van Jacksonville."
»Is daar nieuws?"
»Neen."
»Hoegenaamd niets?"
»Neen, niets."
»En van den kant van het smaldeel van den Commodore Dupont?"
»Niets."
»En van de kanonneerbooten van den commandant Stevens?"
»Niets. Die liggen nog altijd buiten de bank voor hunne ankers
te rijden."
»Zijn er sedert den aanval op de havenplaats Fernandina en van het
fort Clinch geen nadere tijdingen ingekomen?"
»Neen."
»En is geen enkele kanonneerboot er in geslaagd de bank te
overschrijden en in het vaarwater van de Sint John te geraken?"
»Geen enkele."
»Vanwaar komen die schitteringen, welke wij bij wijlen waargenomen
hebben, en die losbrandingen, welke wij in noordelijke richting
gehoord hebben, terwijl wij voor anker lagen, in afwachting dat de
vloed zoude doorkomen?"
»O, gedurende den nacht heeft een aanval op de plantage van Camdless
Bay plaats gehad."
»Een aanval op Camdless Bay?"
»Ja."
»Door wie? Door de Noordelijken?"
»Neen, door de militie-troepen van Jacksonville."
»Wat was daarvan de reden?"
»De eigenaar weerstreefde de bevelen van het bestuur."
»De eigenaar?"
»Ja, de eigenaar."
»Is dat niet master James Burbank?"
»Juist."
»Een noordelijkgezinde?"
»Juist. Een doldriftige voorvechter voor de afschaffing der slavernij!"
»Jawel. Nu begrijp ik het. En wat is de uitslag van dien aanval
geweest?"
»Dat weet ik niet."
»Weet gij dat niet?"
»Neen, ik ben daar slechts voorbijgestevend, zonder aan wal te
gaan... Het was toen alsof men alles in brand gestoken had."
»Zoo."
In dit oogenblik ontsnapte een kreet van schrik aan het kleine
meisje.... Zermah legde haar eene hand op den mond, juist toen de
vingers van den Indiaan den hals van het kind zochten om het te wurgen.
De scheepsofficier, die steeds op de brug der stoomboot stond, had
niets gehoord en kon niets zien.
»Is Camdless Bay met geschutvuur aangevallen geworden?" vroeg hij
verder.
»Dat geloof ik niet."
»Wat beduidden dan die drie kanonschoten, die wij duidelijk vernomen
hebben en die van den kant van Jacksonville schenen te komen?"
»Kanonschoten?"
»Ja, drie kanonschoten."
»Ik weet het niet. Ik heb ze niet gehoord."
»Niet?"
»Neen."
»Dus de Sint John is nog vrij?"
»Ja."
»Vrij van Piccolata af tot aan hare monding?"
»Geheel vrij en gij kunt de rivier gerust afzakken. Gij zult geen
der kanonneerbooten van de Noordelijken ontmoeten."
»Goed."
»Kan ik afhouden?"
»Ja, gij zijt vrij. Houdt af!"
En van de brug klonk reeds het bevel:
»Vooruit. Half werk!"
Toen Squambo de hand verhief, ten teeken dat hij nog iets wilde vragen,
riep de officier:
»Stoppen!"
De raderen, die slechts langzaam in beweging geraakt waren, stonden
dadelijk stil.
»Mag ik om eene inlichting verzoeken?" vroeg de Indiaan.
»Spreek. Welke?"
»De nacht is donker," begon Squambo.
»Dat is zoo... Verder?"
»Ik ben het spoor bijster... Ik herken de omstreken niet meer... Kunt
gij mij zeggen waar ik ben?"
»Ter hoogte van de Zwarte Kreek."
»Dank u."
»Geen dank," antwoordde de scheepsofficier.
Squambo liet den valreep los, terwijl hij de sloep met kracht
afduwde. Toen het vaartuigje zich op weinige vademen verwijderd had,
klonk andermaal het kommando naar de machinekamer:
»Vooruit!... Half werk!"
De schoepen der raderen sloegen de oppervlakte der rivier tot schuim,
en weldra was de stoomboot in het donker verdwenen, terwijl zij een
breed zog van heftig opgezweepte golven achter zich liet.
Toen Squambo ontwaarde, dat hij zich weer alleen op de rivier bevond
en geen enkel vaartuig in de nabijheid was, zette hij zich weer op de
achterplecht neder en gaf de negerslaven bevel te pagaaien. Hij kende
thans zijne stelling, loerde dientengevolge over stuurboord en stevende
op de oever-insnijding aan, die toegang tot de Zwarte Kreek verleende.
Dat de Indiaan in die streek, welke zoo woest was en waartoe de toegang
zoo moeielijk te vinden was, een toegang zoude zoeken, was voor Zermah
boven iederen twijfel verheven. Wat hierbij het ergste evenwel mocht
heeten, was, dat haar die wetenschap bitter weinig baatte.
Want, hoe zou zij haren meester daarvan kennis doen dragen, en hoe
zou deze, al ware hij ook met die omstandigheid bekend, de nasporingen
in dit ondoordringbaar doolhof kunnen leiden?
Boden daarenboven buiten en aan de andere zijde van de kreek de
maagdelijke wouden van het graafschap Duval niet alle gelegenheid aan
om iedere nasporing te ontgaan, voor het geval dat master James Burbank
en de zijnen er in slagen mochten door de lagune te worstelen? Dit
westelijke gedeelte van den Staat Florida moest toch nog aangemerkt
worden als een woest en onbekend land, waarin het feitelijk onmogelijk
was, een spoor te kunnen volgen.
Bovendien zou het niet voorzichtig genoemd kunnen worden zich in die
streek te wagen. De Seminolen-Indianen dwaalden toch in de bosschen
en in de moerassen rond, en die wilden waren inderdaad zeer te duchten.
Volgaarne plunderden zij de reizigers uit, die hen in handen gesteld
werden, en zij maakten er geene gewetenszaak van, hen eenvoudig en
zonder vorm van proces te vermoorden, wanneer zij zich poogden te
weer te stellen.
Een hoogst ernstige gebeurtenis had zich nog niet lang geleden in
het bovengedeelte van het graafschap, niet ver en ten noordwesten
van Jacksonville, voorgedaan, en daarover was lang gesproken geworden.
Ziehier wat er gebeurd was:
Een twaalftal Europeesche bewoners van Florida, die zich naar de
kusten langs de Golf van Mexico wilden begeven, waren door een
troep Indianen, behoorende tot den stam der Seminolen, overvallen
geworden. Dat zij niet allen tot den laatsten man gedood werden,
vond alleen daarin zijn oorzaak, dat zij hoegenaamd geen weerstand
geboden hadden. Dat was trouwens volmaakt nutteloos geweest, daar
zij een tegen tien gestaan hadden.
Die blanke reizigers werden derhalve op de meest nauwkeurige wijze
aan den lijve onderzocht en van alles beroofd, wat zij bezaten,
zelfs hunne kleederen. Maar nog meer, onder bedreiging van bij niet
opvolging vermoord te zullen worden, werd hen bevolen, nimmermeer
in die streken te verschijnen, waarvan de Indianen het grondbezit,
met uitsluiting van iedere andere natie, voor zich opeischten.
En om hen te kunnen herkennen, wanneer zij het in het hoofd mochten
krijgen aan dat bevel ongehoorzaam te zijn, bezigde het opperhoofd
dier Indianen een eenvoudig middel. Hij liet hun een bijzonder teeken
op den arm tatoueeren. Dat geschiedde op de navolgende wijze: met eene
fijne naald werden wondjes in de huid geprikt, die naast elkander den
vorm van het gewilde teeken vertoonden. Die wondjes werden met heet
water gewasschen, om een overvloedige verbloeding te veroorzaken,
waarna zij met het scherpe sap eener kleurafgevende plant werden
ingewreven, waardoor het werk onuitwischbaar werd.
Die Floridasche reizigers, die zich overigens over geene
mishandelingen te beklagen hadden, werden daarna naar hunne
woonplaatsen teruggezonden. Zij kwamen daar op de plantages der
noordelijke graafschappen van den Staat in vrij berooiden toestand aan,
gemerkt als zooveel stuks vee met het wapen van den Indiaanschen stam,
en toonden, zooals wel te begrijpen is, zeer weinig lust om andermaal
dien Seminool-Indianen in handen te vallen, die hen alsdan zonder
het minste mededoogen zouden vermoorden, al ware het maar om hunne
handteekening, door dat merk vertegenwoordigd, gestand te doen.
In ieder ander tijdperk zouden de militie-troepen van het graafschap
Duval een zoodanigen misdadigen aanslag niet ongestraft hebben
gelaten. Zij zouden onmiddellijk uitgetrokken zijn, om de Indianen te
vervolgen en te tuchtigen. Maar in het tijdstip, waarin dit verhaal
speelt, was er wel wat anders te verrichten, dan een krijgstocht
tegen die zwervende volksstammen te ondernemen.
De vrees, dat het land door de federale troepen bezet zoude worden,
overheerschte alles. Het grootste belang werd er in gesteld dat deze
zich niet meester maakten van de mondingen van de Sint John en zoo
het stroomgebied in hunne macht kregen. En nu kon men niets van de
krijgsmacht der Zuidelijken, die van Jacksonville af tot aan de grens
van den Staat Georgië opgesteld was, afnemen, om elders Indianen te
gaan tuchtigen.
Later zou tijd genoeg gevonden worden, om tegenover dien
Seminolen-stam op te treden, die thans ten gevolge van den burgeroorlog
stoutmoedigheid genoeg aan den dag legden, om het grondgebied in
het noorden van Florida, vanwaar men ze voor altijd verjaagd dacht,
onveilig te maken.
Men zou zich dan niet vergenoegen hen terug te dringen naar de
moerassen der Everglades-streek; maar men zou dan pogen hen tot den
laatsten man uit te roeien.
Maar intusschen was het zeer gevaarlijk, zich op het terrein, gelegen
in het westen van Florida, te wagen; en wanneer master James Burbank
zijne nasporingen ooit naar dien kant uitstrekte, dan zou dat een
nieuw gevaar zijn, hetwelk de reeds zoovele zoude vermeerderen,
door eene zoodanige expeditie teweeggebracht.
Zoodanig was de gedachtengang van Squambo, terwijl hij de kleine Dy
en Zermah ontvoerde.
Intusschen had het vaartuig den linker oever bereikt, en nu de Indiaan
wist, dat hij zich ter hoogte van de Zwarte Kreek bevond, die toegang
aan de wateren van de Sint John, in de uitgestrekte lagune-vorming
verleent, zoo vreesde hij niet meer met zijne sloep op de eene of
andere ondiepte te geraken.
Vijf minuten later gleed het vaartuig onder het sombere gewelf van
de boomkruinen, te midden eener duisternis, die nog zwarter was dan
de oppervlakte van de rivier.
Hoe gewoon Squambo ook was te varen, te midden van dit doolhof van
kanalen tot deze lagune behoorende, zoo zou hij er thans evenwel van
hebben moeten afzien, zoo donker was het. Maar daar hij van buiten
af niet meer bespeurd kon worden, was de reden vervallen, waarom hij
zijn pad niet zou verlichten. Hij hakte een harsachtigen tak van een
boom op den oever af, ontstak dien en plaatste hem op de voorplecht
van de sloep. Die walmende vlam was voor het geoefende oog van den
Indiaan voldoende, om de verschillende doorvaarten te kunnen verkennen.
Zoo werd gedurende ruim een half uur voortgestevend en volgde het
vaartuig de veelvuldige kronkelingen van de kreek, totdat het eindelijk
het eilandje bereikte, waarop zich het blokhuis verhief.
Zermah moest toen aan wal stappen. Het kleine meisje, door vermoeienis
uitgeput, was in de armen van de kleurlinge in slaap gevallen. De
kleine Dy ontwaakte zelfs niet, toen Zermah de poterne van het fortje
doorstapte, ook niet, toen zij in eene kamer, die aan het centraal
reduit grensde, opgesloten werd.
Het kleine meisje werd in een deken gewikkeld, die in een hoek van
het vertrek lag, en daarna op een hoop stroo neergelegd, die tot bed
voor beiden moest dienen. Zermah zou evenwel niet slapen; zij zou
bij hare lieveling waken.
II.
EENE ZONDERLINGE BEWERKING.
Den volgenden ochtend, op den 3den Maart, trad Squambo tegen acht uren
het vertrek, waarin Zermah den nacht doorgebracht had, binnen. Hij
bracht voedingsmiddelen--wat brood, een stuk koud wildbraad,
vruchten, een kruik vrij sterk bier en een karaf met water, alsook
eenige tafelbenoodigdheden, als borden, lepels, vorken, messen,
glazen enz. Ter zelfder tijd plaatsten een paar negers een oudachtig
meubelstuk in een hoek, dat als toilettafel en kastje dienst moest doen
en waarin eenig linnengoed, als beddelakens, handdoeken, servetten en
andere kleine benoodigdheden besloten waren, die de mestische vrouw
zoowel voor haar als voor de kleine Dy zou kunnen gebruiken.
Het kleine meisje sliep gelukkig nog. Zermah had Squambo met een
gebaar gesmeekt, haar toch niet wakker te maken.
Toen de negerslaven het vertrek verlaten hadden, vroeg Zermah den
Indiaan met fluisterende stem:
»Wat wil men toch met ons?"
»Dat weet ik niet," antwoordde Squambo.
»Weet gij dat niet?"
»Waarlijk niet!"
»Welke bevelen hebt gij van Texar ontvangen?"
»Waarom moest ik juist bevelen van Texar ontvangen?" was de wedervraag
van den Indiaan.
»Och, die drijft hier te lande alles. Dat weet iedereen."
»Toch zoudt ge u kunnen vergissen."
»Om het even van wien ge uwe bevelen hebt," antwoordde Zermah, »zeg
mij wat zij betreffen?"
»Juist, die zal ik u mededeelen, in de verwachting dat gij ze stipt
zult opvolgen."
»Ik luister."
»Zoolang gij hier zult vertoeven, zal deze kamer de uwe zijn en zult
gij des nachts in het reduit van het fortje opgesloten zijn."
»Des nachts?... Alleen des nachts?"
»Ja, des nachts."
»Maar overdag?"
»Dan zult ge binnen de omheinde ruimte kunnen rondwandelen, zooveel
gij zult willen."
»Rondwandelen?"
»Ja."
»Zoolang als wij hier zullen vertoeven,... zeidet gij straks," hernam
Zermah. »Waar zijn wij hier eigenlijk?"
»Waar gij zijt?... Wel op de plek, waarheen ik u voeren moest."
Zermah keek hem doordringend aan. Zij begreep dat de Indiaan niet
praten wilde. Toch waagde zij nog eene vraag:
»En zullen wij er lang blijven?"
»Gij zijt nog al nieuwsgierig uitgevallen, dunkt me," grinnikte
de Indiaan.
»Nieuwsgierig of niet, antwoordt mij," bad de kleurlinge.
»Wat ik te zeggen had, heb ik gezegd," antwoordde Squambo. »Wat ik
kan mededeelen, heb ik u medegedeeld. Het is verder onnoodig mij te
vragen, want ik zal niet meer antwoorden."
»Gij vertrouwt u zelven niet, naar ik vermeen."
»Wel mogelijk."
En inderdaad, Squambo, die niet meer wilde zeggen dan hij gezegd had,
verliet na die korte woordenwisseling het vertrek en liet Zermah bij
het kleine kind alleen.
Deze bekeek toen de kleine Dy, die voortging met zoo gerust
mogelijk te slapen. Een paar tranen pinkte de brave vrouw tusschen
de oogwimpers. Zij veegde ze onmiddellijk af, want het kind mocht
bij het ontwaken niet bespeuren, dat zij geweend had. Het was toch
van het grootste belang, dat de kleine meid langzamerhand aan haren
nieuwen toestand gewende.
Die toestand vertoonde zich evenwel zeer dreigend, daar men met een
vijand als dien ellendigen Spanjaard, op alles voorbereid moest zijn.
Zermah dacht na over al hetgeen sedert den vorigen dag geschied was.
Zij had goed en wel gezien, dat mevrouw Burbank en miss Alice Stannard
langs den oever der Sint John voortstapten, terwijl het vaartuig naar
het midden der rivier stevende en zich dus van hen verwijderde. Hun
wanhopig geroep, hunne hartverscheurende kreten hadden wel degelijk
haar oor bereikt. Maar zouden zij Castle House weer bereikt hebben,
zouden zij weer langs den tunnel in het belegerde heerenhuis hebben
kunnen geraken, om aan master James Burbank en zijne metgezellen
bericht te kunnen geven van de nieuwe ramp die hen getroffen
had? Zouden zij niet in handen van de handlangers van den Spanjaard
gevallen zijn? Zouden zij dan niet ver van Camdless Bay gevoerd
zijn? Misschien waren zij wel gedood!
O, als dat het geval was, dan zou master James Burbank niet bekend
worden met de afschuwelijke misdaad, dat zijn dochtertje met Zermah
ontvoerd was. Hij zou dan natuurlijk in de meening verkeeren, dat
zijne echtgenoote, dat miss Alice Stannard, dat de kleine Dy en
dat de mestische zich in de Marino Kreek hadden kunnen inschepen,
dat die vluchtelingen de schuilplaats bij de Ceder-rots hadden kunnen
bereiken, alwaar hij haar in veiligheid moest wanen. Hij zou dan even
natuurlijk geen onmiddellijke nasporingen instellen om de ontvoerden
weer te vinden!...
En.... al nam men ook al aan, dat mevrouw Burbank en miss Alice
Stannard binnen Castle House hadden kunnen geraken, ook dat master
James Burbank thans op de hoogte van alles was, was het dan nog niet
te duchten dat het heerenhuis bedwongen, dat het door de aanvallers
bij storm genomen, dat het uitgeplunderd, in brand gestoken, in een
woord vernietigd was?
Wat zou er in dit geval van de moedige en vastberaden verdedigers
geworden zijn?
Zouden zij krijgsgevangen gemaakt of in den verwoeden strijd omgekomen
zijn?
Maar gevangen of dood, Zermah gevoelde het, dat zij dan geen bijstand
van hunne zijde te wachten had. Zelfs wanneer de Noordelijken
meester van de Sint John geworden zouden zijn, rekende zij zich
verloren. Want noch Gilbert Burbank, noch Mars zouden vernemen, de
eene dat zijn zusje, de andere dat zijne wederhelft op dat schier
onbekende eilandje van de Zwarte Kreek gevangen gehouden en ten
nauwkeurigste bewaakt werden.
Welnu, wanneer dat het geval mocht zijn, wanneer Zermah op niemand
anders dan op haar eigen persoon kon rekenen, dan zou haar hare
geestkracht toch niet begeven. Zij zou alle mogelijke pogingen
aanwenden om dat kleine kind te redden, dat wellicht niemand meer
dan hare trouwe min op de wereld bezat.
Haar geheele bestaan zou zich op een eenig doel richten, haar geheel
denkvermogen zou slechts eene eenige gedachte koesteren, namelijk:
de vlucht! Geen uur, geene minuut zou zij laten voorbijsnellen,
zonder dat zij daadwerkelijk of met den geest bezig zoude zijn om de
middelen tot die vlucht voor te bereiden.
En toch, zou het mogelijk zijn, gadegeslagen als zij werd door den
Indiaan Squambo en door zijne negerslaven, het fortje te kunnen
verlaten? Zou het mogelijk zijn aan de woeste speurhonden, die
rond de afgesloten ruimte omdoolden, te kunnen ontsnappen? Zou het
mogelijk zijn, dat eilandje, hetwelk als verloren te beschouwen was
te midden van de duizenden kronkelingen van het doolhof dier lagune,
te kunnen ontvluchten?
Ja, mogelijk zou dat zijn, mits zij in het geheim door een der
negerslaven van den Spanjaard, die de doorvaarten van dit labyrint
behoorlijk kende, geholpen werd.
Waarom zou het uitzicht eener groote belooning niet een dier
mannen verlokken tot het verleenen van hulp aan Zermah bij die
ontvluchting?...
Ziet, het is daaraan, dat ze al haar krachten ging wijden.
Intusschen was de kleine Dy ontwaakt. Het eerste wat zij deed, nadat
zij hare oogjes uitgewreven had, was hare moeder te roepen. Daarna
liet zij den blik door het vertrek waren. De herinnering aan het
gebeurde daags te voren doemde op. Zij bespeurde Zermah, sprong van
hare legerstede op en liep naar de mestische toe.
»Zermah!... Goede, beste Zermah!..." fleemde het kind.
»Wat is er Dy?" vroeg de goede vrouw.
»O, ik ben zoo bang!"
»Bang?"
»Ja, zeer bang!"
»Gij moet niet bang zijn, Dy!"
»Toch ben ik het."
»Ik ben immers bij u, lieve!"
»Waar is mama?..."
»Die komt... straks..."
»Straks, Zermah?"
»Wij zijn genoodzaakt geweest te vluchten..."
»Te vluchten, Zermah?..." vroeg het meisje.
»Ja, te vluchten, Dy... Dat herinnert gij u toch nog?"
»Maar, mama?..."
»Die kon niet mede!"
»Niet?"
»Neen, die moest op Castle House blijven..."
»Maar, waar zijn wij hier, goede Zermah?"
»O, wij zijn hier in veiligheid!... Hier is niets te duchten..."
»Maar, mama... en papa?..."
»Zoodra master James Burbank hulp zal erlangd hebben, zal hij ons
komen afhalen..."
Dy keek Zermah met een doordringenden blik aan, alsof zij wilde zeggen:
»Is dat wel waar?"
Zermah werd verlegen onder den drang dier kinderlijke vragen. Maar vóór
alles wilde zij het lieve meisje geruststellen. Daarom antwoordde zij:
»Ja, Dy, ja, dat is waar! Master Burbank heeft mij aanbevolen hem
hier te wachten."
»Maar, die mannen dan, Zermah?..."
»Welke mannen, lieve?"
»Die ons in hun vaartuig vervoerd hebben... Ik ken ze niet..."
»Wel, dat waren ondergeschikten van master Harvey..."
»Van master Harvey, Zermah?..."
»Ja, lieve, van master Harvey, gij kent hem toch wel... de vriend
van uw papa, die te Jacksonville woont..."
»Maar, waar zijn wij hier?"
»Op zijne villa Hampton Red!..."
»Dit eene villa?.... Dit Hampton Red?...." vroeg het kind, wantrouwend
rondkijkende.
Zermah wist niet meer wat te antwoorden. Jokken gaat niet iedereen
gemakkelijk af.
»En mama... en Alice, die bij ons waren..." ging Dy met kinderlijke
vasthoudendheid voort. »En mama... en Alice, waarom zijn die niet
hier?"
»Master Burbank, uw papa heeft ze teruggeroepen... Herinnert gij u
dat niet, Dy?"
»Neen, goede Zermah, daarvan herinner ik mij niets."
»Hij heeft ze teruggeroepen, juist op het oogenblik, toen ze bij ons
in het vaartuig wilden stappen..."
»Hoe jammer, niet waar?"
»Zoodra die booze lieden van Camdless-Bay verjaagd zullen zijn,
zal men ons komen afhalen..."
»God geve het, Zermah... O, ik ben zoo bang!..."
»Kom, niet huilen, lieve... En wees niet meer bang!... Zelfs al
moesten wij hier nog eenige dagen verblijven."
»Eenige dagen?" vroeg het kind.
»Ja, wij zijn hier goed verborgen, wees gerust!... En kom, laat ik
mijn lieveling nu aankleeden."
De kleine Dy vestigde steeds haren doorborenden blik op Zermah, en
niet zonder reden; want deze had een diepen zucht niet kunnen beletten
zich baan te breken. Helaas, die goede vrouw had het lieve kind bij
haar ontwaken niet kunnen toelachen, zooals zij steeds gewoon was te
doen. Thans kwam het er evenwel vóór alles op aan om haar bezig te
houden en hare gedachten te verstrooien.
Daarop legde zich Zermah met de meeste teederheid en de meeste
zorgvuldigheid toe.
Zij kleedde het meisje met evenveel zorg, alsof zij zich nog in hare
fraaie kamer van Castle-House bevond en tegelijkertijd poogde zij
haar met vertellingen bezig te houden.
Daarna at de kleine Dy een weinig van het brood en vleesch, dat door
Squambo binnen gebracht was, terwijl Zermah dat eerste ontbijt van
het meisje deelde.
»En nu, lieve Dy... als gij wilt zullen wij buiten... in de afgeschoten
ruimte... eene wandeling gaan doen," sprak de mestische.
»Is de villa van master Harvey mooi?" vroeg het kind.
»De villa van master Harvey?..." vroeg Zermah.
»Ja, de villa, waarin wij ons bevinden..."
»Mooi?... Neen dat niet!..." antwoordde de mestische. »Ik geloof zelfs
dat het een oud krot is! Maar er zijn toch boomen, waterstroomen,
wegen, in een woord alles wat verlangd kan worden, om eene aangename
wandeling te maken."
»Een oud krot!..." pruilde het kind.
»Ja, maar... wij zullen er slechts weinige dagen blijven," stelde
Zermah haar gerust. »Gedurende dat kort tijdperk zult gij geene
gelegenheid hebben u te kunnen vervelen, en bovendien..."
»Wat, Zermah? Wat?"
»Wanneer gij zoet zult wezen, zal mama zeer tevreden zijn."
»Ja, goede Zermah... ja!... ik zal zoet zijn," antwoordde het meisje.
»Dan zal het goed zijn, Dy!"
De kamerdeur was niet op slot gesloten. Zermah nam het kind bij
de hand en beiden traden naar buiten. Eerst bevonden zij zich
in de binnenruimte van het centraal-reduit, die haar zeer somber
toescheen. Maar een oogenblik later wandelden zij in het volle licht
onder de schaduw van het loofdak van het hooge geboomte, waardoor de
zonnestralen slechts spaarzaam vermochten door te dringen.
De oppervlakte van de omheinde binnenruimte was niet uitgestrekt--een
bunder ongeveer, waarvan nog het blokhuis, dat er het grootste
gedeelte van besloeg, moest afgetrokken worden. De palissadeering,
die het geheel omgaf, belette Zermah om de ligging van het eilandje
te midden van de lagune te gaan verkennen. Alles wat zij door de
spaarzame ruimte der oude poterne daar buiten kon waarnemen, was
dat een vrij breed kanaal met vuil troebel water het van de naburige
eilandjes scheidde. Eene vrouw en een kind zouden dus slechts zeer
moeilijk uit dat fortje en van dat eiland kunnen ontsnappen.
Voor het geval zelfs dat Zermah een vaartuig zoude kunnen bemachtigen,
viel er niet aan te denken uit dit doolhof zonder gids te geraken. Wat
de brave vrouw daarenboven onbekend bleef, was dat de Spanjaard Texar
en de Indiaan Squambo de toegangs-vaarwaters tot die eilandengroep
alleen kenden. De negers, die in het fortje aanwezig waren, verrichtten
slavendiensten en verlieten het eilandje nooit. Zij waren nimmer
daarbuiten geweest en wisten niet, waar hun meester hen huisvestte.
Om den oever der Sint John, zoowel als de grenzen van het moeras,
hetwelk de lagune aan den westkant omgaf, te bereiken, zou Zermah zich
geheel aan het toeval moeten overgeven. En onder dit vooruitzicht de
vlucht te ondernemen, was het verderf voorwaar te gemoet rennen.
Bovendien bemerkte de mestische, die zich van den toestand rekenschap
trachtte te geven, in de eerstvolgende dagen wel, dat zij zeer
waarschijnlijk geen hulp of bijstand van de slaven van Texar te
verwachten had. Dat waren voor het meerendeel half verdierlijkte
negers, die hoegenaamd geen aanlokkelijk voorkomen hadden. Het is
waar, zij waren door den Spanjaard niet aan den ketting geklonken;
maar daarom misten zij toch op dat eilandje hunne vrijheid.
De voortbrengselen van den grond, welken die slaven bewerken moesten,
voorzagen voldoende in hun onderhoud, zoodat zij over hunne voeding
niet te klagen hadden. Zij waren verslaafd aan den sterken drank,
waarvan Squambo hen een niet te spaarzaam ration uitdeelde. Zij
hadden er volstrekt geen belang bij, hun toestand veranderd te zien,
en waren dan ook bij uitstek geschikt om het fortje te bewaken en
als het mocht voorkomen het te verdedigen. De slavernij-quaestie,
die zich op weinige mijlen buiten de Zwarte Kreek ontwikkelde en daar
alle gemoederen van hartstochten deed blaken, liet deze negers koud.
De vrijheid verkrijgen?... De vrijheid!... Waartoe?... En wat zouden
zij er meê aanvangen?...
Texar zorgde voor hun bestaan en Squambo mishandelde hen niet, hoewel
deze er toch wel de man voor was om ieder hoofd, dat zich tegenover
hem zou willen verheffen, met woest gebaar te verbrijzelen.
De vrijheid!... Zij dachten er zelfs niet aan. Het waren verdierlijkte
wezens, die op lageren trap stonden dan de speurhonden, die om het
fortje ronddoolden. Het zou inderdaad geene overdrijving mogen genoemd
worden, wanneer beweerd werd, dat die dieren hen in verstandelijk
begrip overtroffen. Zij toch kenden het samenstel en den omvang
der kreek. Zij zwommen ongehinderd de veelvuldige vaarwaters door
en over. Zij bezochten al de eilandjes het eene na het andere,
waarbij hen hun instinct zeer te stade kwam, om te beletten dat zij
verdwaalden. Hun geblaf weerklonk soms tot op den linker oever van de
Sint John. Maar hoe ver zij ook hunne tochten uitstrekten, de trouwe
dieren keerden bij het vallen van den avond naar het blokhuis terug.
Geen vaartuig hoegenaamd zou de Zwarte Kreek kunnen binnendringen,
zonder dat die geduchte bewakers het ontwaard en zijne nadering door
hevig blaffen verkondigd zouden hebben. Niemand bovendien zoude,
Squambo en Texar uitgezonderd, het fortje kunnen verlaten, zonder
gevaar te loopen door die wilde nakomelingen van het Caraïbische
hondengeslacht verscheurd te worden.
Toen Zermah opgemerkt had, welke waakzaamheid rondom het fortje
betracht werd, welke maatregelen getroffen waren, om ontvluchting
te voorkomen, was zij zeer bedroefd. Zij begreep, dat zij van hare
bewakers hoegenaamd geen hulp te verwachten had. Iedere andere minder
moedige en geestkrachtvolle vrouw zou der wanhoop ten prooi geworden
zijn. Met haar was dit toch niet het geval.
Wanneer hulp van buiten zoude komen opdagen, dan kon die niet anders
komen dan van master James Burbank, wanneer die in zijne handelingen
onbelemmerd zoude zijn, en van Mars, wanneer de mesties vernemen zoude,
onder welke omstandigheden zijne echtgenoote verdwenen was.
Maar, wanneer die hulp uitblijven zoude, dan moest de heldhaftige
vrouw slechts op haar eigen persoon rekenen, om het kleine kind te
redden. En bij die taak zou haar de moed niet ontzinken.
Zermah, die zich met de kleine Dy geheel geïsoleerd te midden van
die lagune bevond, zag zich slechts omringd door woestuitziende
gezichten. Toch meende zij op te merken, dat een der negerslaven,
die nog jeugdig was, haar met eene zekere meewarigheid, ja met deernis
beschouwde. Zou die omstandigheid reden tot hopen kunnen geven?
Zou zij hem kunnen vertrouwen? Zou zij hem de ligging van Camdless Bay
mogen uitduiden, hem trachten over te halen om zich naar Castle House
te begeven? Dat viel te betwijfelen. Daarenboven, Squambo scheen de
belangstelling van den slaaf bemerkt of geraden te hebben; want deze
werd eenvoudig ter zijde gehouden. Zermah ontmoette hem althans niet
meer bij hare wandelingen in de omheinde ruimte.
Zoo gingen verscheidene dagen voorbij, zonder dat er verandering in
den toestand kwam. Zermah en de kleine Dy genoten de meest mogelijke
vrijheid om te gaan en te komen, zooals zij wilden. Zelfs des nachts
werden zij niet opgesloten. Squambo wist toch maar al te goed, dat
het haar niet mogelijk zoude zijn het centraal reduit te verlaten.
De Indiaan sprak haar nimmer aan, zoodat Zermah er dan ook van had
moeten afzien hem te ondervragen en inlichtingen van dien botterik in
te winnen. Hij verliet het eilandje geen enkel oogenblik. Men gevoelde
dat hij ieder oogenblik van den dag en van den nacht waakzaam was.
Zermah's zorgen strekten zich dus alleen over het kind uit, dat
helaas! onophoudelijk er op aandrong, om naar hare moeder gebracht
te worden, of haar ten minste weer te zien.
»Mama?.. Waar is mama?" kreet de kleine Dy.
»Zij komt!" antwoordde Zermah.
»Maar wanneer?"
»Straks of morgen."
»Hoe weet gij dat, Zermah?"
»Ik heb tijding ontvangen, lieve."
»En papa?"
»Uw papa... Die zal ook komen, Dy. Die komt met miss Alice."
En als het rampzalige schepsel die antwoorden gegeven had, wist
zij waarlijk niet meer wat te verzinnen. Dan poogde zij het meisje,
dat meer nadenken en meer verstand aan den dag legde, dan wel met
haren leeftijd overeenkwam, zooveel mogelijk te verstrooien, wat niet
gemakkelijk was.
Zoo gingen de 4e, de 5e en de 6e Maart voorbij.