Dit werk wordt algemeen--en waarschijnlijk te recht--toegeschreven aan
Confucius' kleinzoon. Hoewel enkele critici van een ander gevoelen
zijn, kunnen wij toch aannemen, dat dit werk vrij volledig tot ons
is gekomen.
Naar de oude opvatting behooren "de groote leer" en "het
onveranderlijke midden" bijeen. Een beroemd geleerde uit de 2e eeuw
zegt daarover het volgende: "Toen Kung kih (d.i. Tsze sze) in nood
en ellende in Sung leefde, vreesde hij, dat datgene, wat de oude
wijzen geleerd hadden, later niet meer verstaan zou worden en dat
alzoo de grondstellingen der oude keizers en vorsten in duigen zouden
vallen. Daarom vervaardigde hij "de groote leer" als den inslag en het
"onveranderlijke midden" als de schering.
Inderdaad valt een innerlijke samenhang tusschen deze beide werken,
die volgens Chu hi in oude tijden den grondslag voor de opvoeding
der jeugd vormden, geenszins te miskennen.
"De groote leer" onderwijst: "de deugd in daden te toonen, het volk op
te voeden (of lief te hebben) en in de volkomenheid te blijven." Het
"onveranderlijke midden" zegt: "Wat de mensch van den hemel ontvangen
heeft is zijne natuur, wie in overeenstemming met deze handelt,
wandelt op den weg van den plicht, dit pad te gaan leert de mensch
door onderwijzing."
Als een roode draad loopt door beide werken de grondstelling, dat
ieder, in 't bizonder echter de vorst, door zijn voorbeeld kan en
moet werken, en dat alzoo ieder, die dezen invloed wil uitoefenen,
eerst zelf naar volkomenheid moet streven, terwijl de rechte weg
om deze te bereiken, tusschen de beide uitersten ligt, welke moeten
worden vermeden.