15. Chung-yung, het onveranderlijke midden.

Dit werk wordt algemeen--en waarschijnlijk te recht--toegeschreven aan

Confucius' kleinzoon. Hoewel enkele critici van een ander gevoelen

zijn, kunnen wij toch aannemen, dat dit werk vrij volledig tot ons

is gekomen.

Naar de oude opvatting behooren "de groote leer" en "het

onveranderlijke midden" bijeen. Een beroemd geleerde uit de 2e eeuw

zegt daarover het volgende: "Toen Kung kih (d.i. Tsze sze) in nood

en ellende in Sung leefde, vreesde hij, dat datgene, wat de oude

wijzen geleerd hadden, later niet meer verstaan zou worden en dat

alzoo de grondstellingen der oude keizers en vorsten in duigen zouden

vallen. Daarom vervaardigde hij "de groote leer" als den inslag en het

"onveranderlijke midden" als de schering.

Inderdaad valt een innerlijke samenhang tusschen deze beide werken,

die volgens Chu hi in oude tijden den grondslag voor de opvoeding

der jeugd vormden, geenszins te miskennen.

"De groote leer" onderwijst: "de deugd in daden te toonen, het volk op

te voeden (of lief te hebben) en in de volkomenheid te blijven." Het

"onveranderlijke midden" zegt: "Wat de mensch van den hemel ontvangen

heeft is zijne natuur, wie in overeenstemming met deze handelt,

wandelt op den weg van den plicht, dit pad te gaan leert de mensch

door onderwijzing."

Als een roode draad loopt door beide werken de grondstelling, dat

ieder, in 't bizonder echter de vorst, door zijn voorbeeld kan en

moet werken, en dat alzoo ieder, die dezen invloed wil uitoefenen,

eerst zelf naar volkomenheid moet streven, terwijl de rechte weg

om deze te bereiken, tusschen de beide uitersten ligt, welke moeten

worden vermeden.

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 44 / 78 题