De bamboeboeken, d. w. z. een aantal bamboetafeltjes met daarop 100.000
teekenen, schijnen in het jaar 279 n. C. gevonden te zijn in het graf
van koning Sêang van Wei (deze stierf 295 v. C.). Deze tafeltjes,
die reeds vroeger door ouderdom en vochtigheid veel hadden geleden,
werden toen neergelegd in de keizerlijke bibliotheek. Een commissie
van onderzoek, benoemd om er rapport over uit te brengen, ontdekte
daarin 15 werken, waaronder een afschrift van I-king [161], benevens
een aantal jaarboeken. Deze laatsten worden dan als de bamboeboeken
aangeduid.
Deze jaarboeken beginnen met de geschiedenis van China vanaf 3000
v. C. Over 960-369 v. C. handelen zij over de geschiedenis van het
vorstendom Tsin. Over 369 v. C.-295 n. C. over die van het vorstendom
Wei. Met den dood van koning Sêang breekt de geschiedenis dan af.
De beroemde geleerde en staatsman Fu Yü (222-284 n. C.) maakt er
van gewag, als zoo juist geschied. Toch wordt aan de echtheid der
bamboeboeken dikwijls getwijfeld. Waarschijnlijk omdat men hier, naast
historische feiten, ook tal van fabelen en mystieke bespiegelingen
vindt, die doen denken òf aan oorspronkelijke, sterk-Taoïstische
invloeden, òf aan eene latere omwerking in dien geest. Eén van de
in het graf gevonden werken is het reisverhaal van keizer Mu uit de
dynastie Chau (1001-983 v. C.) Deze zou de westelijke goddelijke
moeder, Si wang mu, in het Kuenlüngebergte bezocht hebben: de
fabelachtigste voorvallen worden aangaande het vinden dezer boeken,
met dag en datum, opgenoemd.
Een werk, dat zich bezig houdt met het leven en met de uitspraken
van Confucius en dat hoewel zeker apocrief, toch wegens de vele
overleveringen, welke uit den tijd van zijne vervaardiging, de 3e eeuw
n. C. afkomstig zijn, in een grooten roep staat, is Kung tsze kia yu
d.i.: uitspraken van Confucius in den kring zijner leerlingen. Zulk
een boek bestond reeds vóór het begin onzer jaartelling. Dat oude werk
is echter verloren gegaan. Wat wij nu hebben is een werk van zekeren
Wang Suh, die zich de vervaardiger van den bijbehoorenden commentaar
noemt, doch den tekst, naar hij beweert, van een der nakomelingen
van Confucius heeft ontvangen.
Behalve de klassieke boeken of andere, die daartoe min of meer worden
gerekend, zijn er een groot aantal andere boeken, wier schrijvers,
hoewel eveneens kanoniek verklaard en met de hoogste titels na hun dood
vereerd, toch geen plaats hebben gevonden in het orthodoxe Pantheon:
de tempels van Confucius.
Dit zijn namelijk de geschriften der Taoïsten, een literatuur,
die zóo grooten invloed op den ontwikkelingsgang der Chineezen
heeft uitgeoefend, dat wij haar niet onvermeld mogen laten. Wat dien
invloed betreft: deze werd niet zoozeer uitgeoefend door het zuivere
Taoïsme, als wel door de latere ziekelijke ontaardingen der leer,
die feitelijk met de oorspronkelijke slechts in verwijderd verband
staan. Het hoofdwerk der Taoïstische richting is het: Tao teh king,
het boek van den weg en van de deugd. Als de vervaardiger daarvan,
wordt algemeen Li R. beschouwd gewoonlijk Lao tsze genoemd. Deze
leefde waarschijnlijk tegen het einde der 6e eeuw v. C. en bekleedt
in het Taoïsme dezelfde plaats als Confucius in de naar hem genoemde
leer. Beiden waren verklaarders en verbreiders: geen eerste apostelen
hunner leer. De oude geschriften en overleveringen, waaruit Lao
tsze putte, zijn echter niet meer aanwezig. Het Tao teh king is vaak
moeilijk te verstaan, soms geheel onbegrijpelijk en heeft daardoor
aan uitleggers en vertalers een welkome gelegenheid gegeven om hun
scherpzinnigheid te toonen.
De oudste commentaar dateert uit de 3e eeuw onzer jaartelling en is
door Wang Pi gemaakt. Ook aan den bevelhebber der Hanku pas, Yin Hi,
voor wien naar de legende, Lao tsze het Tao teh king schreef [162],
wordt een werk, Kwan Yin tze genaamd toegeschreven. In het gedeelte der
Han kroniek, dat zich met de verschillende boeken bezig houdt, wordt
dit werk genoemd, zonder dat het echter verder bekend schijnt. Eerst
in de 12e eeuw komt het plotseling voor den dag als een bezit der
familie Sun Ting, met een voorrede van Liu Hiang (80-9 v. C.) Dit
werk is zeer zeker een vervalsching, doch, eene uit oude dagen. Een
geleerde van beteekenis moet het hebben geschreven.
Twee leerlingen van Lao tsze, Lieh tsze en Chwang tsze, de eerste
tot de 5e, de ander tot de 4e eeuw voor Christus behoorende, [163]
hebben eveneens werken nagelaten, die door hunne leerlingen naar
mondelinge overleveringen zouden zijn opgeschreven. Bij beiden treedt
de mystiek op den voorgrond, bij Chwang tsze ook een zekere Cynische
richting. Beide werken hebben hun grooten invloed uitgeoefend om
het Taoïsme ver van zijn oorspronkelijke koers af te voeren. De
belangrijkste commentaren op deze twee werken zijn eerst uit de 4e
eeuw n. C. terwijl hun hoofdinvloed in de 8e eeuw, onder de dynastie
Tang zich deed gelden.
Een ander belangrijk voorstander van het Taoïsme is Huai Nan Tsze
[164]. Deze naam is een aangenomene, waaronder prins Liu Negan,
kleinzoon van den stichter der Han dynastie, schreef. Als ijverig
aanhanger der Taoïstische leer, in het bizonder van de alchemistische
richting daarin, verzamelde hij vele honderden van aanhangers en
zocht met hen naar het elixer der onsterfelijkheid en den steen der
wijzen. Hij stierf in 112 v. C. door zijn eigen hand, nadat een poging
om zich van den troon meester te maken was mislukt. Zijn geschriften
zijn eveneens door Liu Hiang uitgegeven.
De verschillende opgaven, hierboven gedaan, hebben voldoende in het
licht gesteld, hoe groote gapingen er zijn in de overlevering der
gewijde teksten, en hoe er vaak eeuwen liggen tusschen de vervaardiging
der oude teksten zelf en het verschijnen der ons bewaard gebleven,
onontbeerlijkste commentaren.
De oorzaak van deze, voor de kennis van het oude China en zijn
philosophische lectuur betreurenswaardige gapingen is tweeërlei: 1e. de
gebrekkige ontwikkeling van het schrift en het schrijfmateriaal:
tafeltjes uit bamboe, waar men de teekens met een scherpe stift
inkraste of instak. 2e. in de door keizer Tsin Shi Hwang ti in 213
v. C. bevolen vernietiging der meeste klassieke werken, waarbij
slechts min of meer verminkte exemplaren aan het vuur ontsnapten.
De Chineesche schrijver Sze ma tsien (163-85 v. C.) heeft in zijn
"historische opteekeningen" het uitvaardigen van het keizerlijk edict,
dat de vernietiging der boeken en de bewaking der geleerden voorschreef
zeer dramatisch voorgesteld. In werkelijkheid is zeker deze maatregel
wel de vrucht van rijp overwegen geweest.
Sze ma tsien dan bericht het volgende:
"In 212 v. C. kwam de keizer van eene reis naar het zuiden terug. Hij
gaf toen een feest in het paleis, waar ook de 70 groote geleerden (de
professoren der keizerlijke academie) verschenen en hem begroetten. Een
der ministers, Chau tsing shin, trad naar voren en sprak: "Vroeger
was het rijk van Tsin slechts 1000 Li groot, doch uwe hoogheid heeft
met een kracht en een verstand als van de godheid het gansche rijk tot
rust gebracht en alle barbaarsche stammen verdreven, zoodat, zoover zon
en maan schijnen, allen u als gasten hun onderdanigheid betuigen. Gij
hebt de staten der verschillende vorsten in provinciën en districten
veranderd, waarin het volk een gezegende rust geniet, vrij van de
gevaren van den oorlog en van den strijd om de heerschappij. Deze
toestand zal 10.000 geslachten duren. Nooit, sedert de oudste tijden,
is iemand in verheven deugd aan uwe hoogheid gelijk geweest."
Deze vleitaal beviel aan den keizer. Toen trad Shun Yu yüe, een
der grootste geleerden, naar voren en zeide: "de heerschers uit het
geslacht van Yin (Shang) hebben sedert meer dan duizend jaar hunne
zonen, jongere broeders en verdienstelijke ministers met bezit en
macht beleend en vonden zoo bij hen hulp en steun, gelijk ik wel
vernomen heb. Nu echter heeft uwe hoogheid bezit genomen van alles,
wat er tusschen de vier zeeën is, en uwe zonen en jongere broeders
zijn personen zonder gezag. Het gevolg daarvan zal zijn, dat er één
zal optreden om te doen als de oproermakers in vroegere tijden. Waar
wilt gij dan, zonder de ondersteuning uwer familie, de hulp vinden,
die gij dan wellicht noodig hebt? Dat een toestand, die niet op de
leeringen der oudheid berust, lang kan bestaan, heb ik nog nooit
gehoord. Tsing staat voor u als een vleier, die de dwalingen van uwe
majesteit vermeerdert, doch niet als een trouw minister."
De keizer verlangde daarop het oordeel der anderen over deze zaak
te weten, waarop de eerste minister Li sze sprak: "De vijf keizers
waren niet allen de een het voorbeeld van den ander, evenmin
volgden de drie dynastiën elkaars maatregelen na. Ieder had zijn
eigen regeeringssysteem, niet om wat anders te bedenken, maar omdat
de veranderde tijden dat eischten. Uwe hoogheid heeft thans den
grondslag der keizerlijke macht voor 10.000 geslachten gelegd. Dat
is meer dan een eenvoudig professor kan verstaan. Buitendien spreekt
Yüe slechts over zaken, die op de drie dynastiën betrekking hebben
en die als voorbeelden voor u niet geschikt zijn. Vroeger, toen de
vorsten tegen elkaar streden, zocht ieder hunner geleerden om zich
heen te verzamelen, nu echter staat het rijk vast en welgegrond en
de wetten en verordeningen gaan van één hoogste macht uit. Zij, die
in hun woonplaatsen blijven, behooren hunne krachten aan den landbouw
te wijden; zij, die geleerden willen zijn, behooren de verschillende
voorschriften en wetten te bestudeeren. In plaats echter van alzoo
te handelen, leeren de geleerden niets, dat op den tegenwoordigen
tijd betrekking heeft: doch bestudeeren de oudheid. Zij gaan voort
den tegenwoordigen tijd te veroordeelen, het volk op een dwaalspoor
te brengen en het tot wanorde te verleiden.
"Zelfs al zou mijn leven er gevaar door loopen, moet ik, de eerste
minister, u dit zeggen. Vroeger, toen het rijk oneenig en vol onrust
was, was er niemand, die het eenheid kon geven. Daarom stonden de
vorsten op, ieder beriep zich op het verleden: tot schade van het
tegenwoordige: allerlei bewegingen zonder grond werden opgesteld:
de werkelijkheid sloeg men in het aangezicht. Velen pronkten met hun
eigen wetenschap om te veroordeelen, wat hun vorst beval. En zelfs nu,
nadat uwe hoogheid het rijk in vaste eenheid heeft gegrondvest, zelfs
nu prijzen zij hun eigen wetenschap en steken de hoofden bijeen. Zij
leeren aan het volk wat met de wet in strijd is. Hooren zij dat eene
verordening zal worden uitgevaardigd, dan begint ieder daarover zijn
wijsheid uit te kramen. Aan het hof houden zij hun misnoegen vóór
zich: buiten op de straat schreeuwen zij het uit. Terwijl zij doen,
alsof zij hun meester prijzen, is toch ieder er trotsch op, zijn
eigen vreemdsoortige inzichten te hebben. Zoo brengen zij het volk
tot oproerige woorden. Indien zulke dingen niet verboden worden,
zal het gezag van uwe majesteit schade lijden en er zullen zich in
den staat partijschappen vormen. Daarom: verbied ze. Ik verzoek u,
dat alle kronieken, die in de handen der geschiedschrijvers zijn,
met uitzondering alleen van die van het huis van Tsin, worden
verbrand. Eveneens, dat in het gansche rijk allen, die exemplaren
van den Shi-king of den Shu-king, of van de boeken der 100 scholen
bezitten, met uitzondering van de professoren der academie, deze aan
de beambten der districten moeten inleveren, om ze te verbranden. Dat
voorts allen, die samen over Shu-king of Shi-king spreken, worden
gevonnist en hun lichaam op de marktplaats worde terechtgesteld,
dat zij, die het verledene prijzen ten koste van het heden, met al
hun bloedverwanten worden gedood. Dat beambten, die kennis dragen
van de overtreding dezer geboden en de overtreders niet aanwijzen,
worden gestraft evenals de overtreders zelve, en dat, wie zijn boeken
niet binnen 30 dagen na uitvaardiging dezer verordening heeft verbrand,
gebrandmerkt wordt en naar den grooten muur wordt gezonden, om daaraan
vier jaren te arbeiden. De eenige boeken, die men sparen kan, zijn
die over de geneeskunde, de waarzeggingskunst en den landbouw. Wie
de wetten wenscht te leeren kennen, kan naar de ambtenaren gaan en
ze daar vernemen. Het keizerlijk besluit worde alzoo vastgesteld."
Een jaar na de uitvaardiging van het edict werd de toorn des keizers
opnieuw opgewekt door de vlucht van twee geleerden, die zijn bizondere
gunstelingen waren geweest. Hij liet dus nauwkeurige nasporingen
doen, of ook iemand van de geleerden booze woorden over hem gesproken
had, of het volk tegen hem had opgestookt. Het bleek nu, dat meer
dan 460 geleerden het verbod hadden overtreden. Zij werden allen,
tot waarschuwend voorbeeld voor het volk, levend begraven, terwijl
de wetten, tegenover alle verdachten, met verdubbelde strengheid
gehandhaafd werden. Deze vervolging der geleerden en verbranding der
boeken is niet de eenige slag geweest, welke de Chineesche literatuur
heeft getroffen. Bij den val der Tsin dynastie werd, in den strijd om
de heerschappij, de hoofdstad des rijks een prooi der vlammen. Deze
woedden er weken lang en hebben vermoedelijk minstens evenveel, uit
de verwoesting der klassieken geredde exemplaren vernield, als het den
Tsin keizer gelukt was te vernietigen. Dergelijke "bibliotheekrampen",
zooals de Chineezen zeggen, volgden elkaar met korte tusschenpoozen
op. In de eerste jaren onzer tijdrekening werd bij een opstand de, met
veel moeite en tijdopoffering bijeengebrachte, 12000 deelen (bundels
van tafeltjes) tellende, rijksbibliotheek verwoest. Eveneens ging het
met eene verzameling, door de latere Han dynastie bijeengebracht. Deze
ging tegen het einde der 2e eeuw n. C. verloren, gedeeltelijk bij een
brand van het keizerlijk paleis, gedeeltelijk bij de overbrenging van
het hof naar Schensi en de daarop gevolgde beroeringen. Hetzelfde lot
deelde in 311 eene door de keizers der dynastie Wei en Tsin aangelegde
bibliotheek van bijna 30.100 boeken (rollen, want leer en zijde
hadden toen de plaats van het bamboe ingenomen). Een vijfde groote
ramp volgde in 554, toen keizer Yuanti in Nanking zijne verzameling
van 70.000 boeken aan de vlammen prijsgaf.
Dat er nu, trots al deze ongelukken, nog zoo veel van de oude
literatuur bewaard is, hebben wij te danken aan den wakkeren ijver,
de lust tot verzamelen en den kritischen geest der Chineesche
geleerden. Ook werd hun ijver door de belangstelling en de mildheid
van verschillende heerschers aangespoord. Dat bij de verschillende
pogingen tot herstel van deels verloren gegane en verminkte teksten
(want slechts in dezen vorm zijn de brokstukken van vóór-Confuciaansche
werken tot ons gekomen, wat trouwens ook met menig geschrift uit
later tijd het geval is), vele vervalschingen zijn voorgekomen kan
niemand verwonderen, die de voorliefde en den tact van de Chineezen
voor dergelijke bedriegerijen in iederen tak hunner vaderlandsche
bedrijven kent. In vele gevallen is het aan de latere kritiek, soms
echter eerst na eeuwen, gelukt om de vervalschingen te ontdekken en
de oude, wèl onvolledige, doch minder verdachte teksten weer voor
den dag te brengen.
Ook in den nieuweren tijd, zelfs na het uitvinden en de algemeene
toepassing van de boekdrukkunst, is het aantal der verloren gegane
werken, waarvan men het bestaan nog slechts kent door een titel in een
catalogus, of door citaten in andere geschriften, zeer belangrijk. De
reden daarvan ligt voor een goed deel in de vele inwendige onlusten,
waarbij weinige steden de verwoesting ontgingen. Zoo heeft de bekende
Taiping-opstand vreeselijke, onherstelbare schade aangericht, terwijl
bij de verwoesting van het zomerpaleis door de Engelschen in 1860 de
daarin aanwezige schoone keizerlijke bibliotheek werd vernield. Een
ander ongeluk is, dat het aantal exemplaren van een werk, door
overschrijven of drukken verveelvoudigd, vaak zeer beperkt was. Dit
geldt natuurlijk vooral van grootere werken: handboeken, encyclopaediën
enz., welke vaak slechts bestemd waren voor een kleinen kring.
In vele gevallen zijn dan de daarvoor afzonderlijk bestemde metalen
typen gestolen of de gewoonlijk voor het afdrukken bestemde houten
platen verloren gegaan, vernield, of onbruikbaar geworden en is het
nooit tot een tweede uitgave gekomen. Ook aan den in China zeer te
vreezen boekenworm, is de vernieling van vele werken, soms zelfs van
de houten platen te wijten.
Men behoeft maar eenmaal een blik geslagen te hebben in de bibliotheek
van een der vele kloosters in den omtrek van Peking, of Dr. Martin's
beschrijving der bibliotheek van het Hanlin collegium te lezen, om
zich te kunnen voorstellen, hoe vochtigheid en wormen opruiming hebben
gehouden onder de letterkundige werken van China en hun vernielingswerk
nog dagelijks voortzetten. In de kloosterbibliotheken is er onder
duizend ongeordende, omzwervende deelen niet één, welks bladen niet
half vergaan of met wormgaten doorboord zijn. En, te oordeelen naar
den toestand, waarin vele werken, die uit keizerlijke of particuliere
bibliotheken het licht zagen, zich bevinden, schijnt het in deze
plaatsen der geleerdheid er ook niet veel beter uit te zien. Veel
schuld heeft ook het slechte papier en het slordig openmaken, der
uit los te zamen genaaide bladen bestaande deeltjes. De hoofdoorzaak
van het verval is echter, dat de verzamelingen niet toegankelijk
zijn voor het publiek en dat het administratief toezicht ook hier,
als in zoovele andere gevallen in China, slechts een opzicht in naam
is. Gevolg daarvan is, dat de boeken zoek raken of op andere wijze te
gronde gaan, zonder dat iemand roeping gevoelt om ordenend en reddend
den Augiasstal onderhanden te nemen.
Het ontbreekt niet aan berichten en keizerlijke edicten, doch men laat
het dikwijls bij fraai klinkende, schoon gevormde zinnen. Hier kan
men de ware mierenvlijt der letterkundigen, die anders in zoo menig
opzicht storend op de ontwikkeling van het land hebben ingewerkt,
niet genoeg prijzen. Aan dien ijver toch is het te danken, dat van
de letterkundige schatten des lands nog zooveel gered is en behouden
zal blijven. Zonder dien ijver ware het ons niet mogelijk geweest,
u de Chineesche philosophie eenigszins te doen kennen. Moge, wat wij
daarover mededeelden, u tot de overtuiging hebben gebracht, dat ook
deze Chineesche "denkers" onze aandacht verdienen.