16. Tshu-shu, de bamboeboeken.

De bamboeboeken, d. w. z. een aantal bamboetafeltjes met daarop 100.000

teekenen, schijnen in het jaar 279 n. C. gevonden te zijn in het graf

van koning Sêang van Wei (deze stierf 295 v. C.). Deze tafeltjes,

die reeds vroeger door ouderdom en vochtigheid veel hadden geleden,

werden toen neergelegd in de keizerlijke bibliotheek. Een commissie

van onderzoek, benoemd om er rapport over uit te brengen, ontdekte

daarin 15 werken, waaronder een afschrift van I-king [161], benevens

een aantal jaarboeken. Deze laatsten worden dan als de bamboeboeken

aangeduid.

Deze jaarboeken beginnen met de geschiedenis van China vanaf 3000

v. C. Over 960-369 v. C. handelen zij over de geschiedenis van het

vorstendom Tsin. Over 369 v. C.-295 n. C. over die van het vorstendom

Wei. Met den dood van koning Sêang breekt de geschiedenis dan af.

De beroemde geleerde en staatsman Fu Yü (222-284 n. C.) maakt er

van gewag, als zoo juist geschied. Toch wordt aan de echtheid der

bamboeboeken dikwijls getwijfeld. Waarschijnlijk omdat men hier, naast

historische feiten, ook tal van fabelen en mystieke bespiegelingen

vindt, die doen denken òf aan oorspronkelijke, sterk-Taoïstische

invloeden, òf aan eene latere omwerking in dien geest. Eén van de

in het graf gevonden werken is het reisverhaal van keizer Mu uit de

dynastie Chau (1001-983 v. C.) Deze zou de westelijke goddelijke

moeder, Si wang mu, in het Kuenlüngebergte bezocht hebben: de

fabelachtigste voorvallen worden aangaande het vinden dezer boeken,

met dag en datum, opgenoemd.

Een werk, dat zich bezig houdt met het leven en met de uitspraken

van Confucius en dat hoewel zeker apocrief, toch wegens de vele

overleveringen, welke uit den tijd van zijne vervaardiging, de 3e eeuw

n. C. afkomstig zijn, in een grooten roep staat, is Kung tsze kia yu

d.i.: uitspraken van Confucius in den kring zijner leerlingen. Zulk

een boek bestond reeds vóór het begin onzer jaartelling. Dat oude werk

is echter verloren gegaan. Wat wij nu hebben is een werk van zekeren

Wang Suh, die zich de vervaardiger van den bijbehoorenden commentaar

noemt, doch den tekst, naar hij beweert, van een der nakomelingen

van Confucius heeft ontvangen.

Behalve de klassieke boeken of andere, die daartoe min of meer worden

gerekend, zijn er een groot aantal andere boeken, wier schrijvers,

hoewel eveneens kanoniek verklaard en met de hoogste titels na hun dood

vereerd, toch geen plaats hebben gevonden in het orthodoxe Pantheon:

de tempels van Confucius.

Dit zijn namelijk de geschriften der Taoïsten, een literatuur,

die zóo grooten invloed op den ontwikkelingsgang der Chineezen

heeft uitgeoefend, dat wij haar niet onvermeld mogen laten. Wat dien

invloed betreft: deze werd niet zoozeer uitgeoefend door het zuivere

Taoïsme, als wel door de latere ziekelijke ontaardingen der leer,

die feitelijk met de oorspronkelijke slechts in verwijderd verband

staan. Het hoofdwerk der Taoïstische richting is het: Tao teh king,

het boek van den weg en van de deugd. Als de vervaardiger daarvan,

wordt algemeen Li R. beschouwd gewoonlijk Lao tsze genoemd. Deze

leefde waarschijnlijk tegen het einde der 6e eeuw v. C. en bekleedt

in het Taoïsme dezelfde plaats als Confucius in de naar hem genoemde

leer. Beiden waren verklaarders en verbreiders: geen eerste apostelen

hunner leer. De oude geschriften en overleveringen, waaruit Lao

tsze putte, zijn echter niet meer aanwezig. Het Tao teh king is vaak

moeilijk te verstaan, soms geheel onbegrijpelijk en heeft daardoor

aan uitleggers en vertalers een welkome gelegenheid gegeven om hun

scherpzinnigheid te toonen.

De oudste commentaar dateert uit de 3e eeuw onzer jaartelling en is

door Wang Pi gemaakt. Ook aan den bevelhebber der Hanku pas, Yin Hi,

voor wien naar de legende, Lao tsze het Tao teh king schreef [162],

wordt een werk, Kwan Yin tze genaamd toegeschreven. In het gedeelte der

Han kroniek, dat zich met de verschillende boeken bezig houdt, wordt

dit werk genoemd, zonder dat het echter verder bekend schijnt. Eerst

in de 12e eeuw komt het plotseling voor den dag als een bezit der

familie Sun Ting, met een voorrede van Liu Hiang (80-9 v. C.) Dit

werk is zeer zeker een vervalsching, doch, eene uit oude dagen. Een

geleerde van beteekenis moet het hebben geschreven.

Twee leerlingen van Lao tsze, Lieh tsze en Chwang tsze, de eerste

tot de 5e, de ander tot de 4e eeuw voor Christus behoorende, [163]

hebben eveneens werken nagelaten, die door hunne leerlingen naar

mondelinge overleveringen zouden zijn opgeschreven. Bij beiden treedt

de mystiek op den voorgrond, bij Chwang tsze ook een zekere Cynische

richting. Beide werken hebben hun grooten invloed uitgeoefend om

het Taoïsme ver van zijn oorspronkelijke koers af te voeren. De

belangrijkste commentaren op deze twee werken zijn eerst uit de 4e

eeuw n. C. terwijl hun hoofdinvloed in de 8e eeuw, onder de dynastie

Tang zich deed gelden.

Een ander belangrijk voorstander van het Taoïsme is Huai Nan Tsze

[164]. Deze naam is een aangenomene, waaronder prins Liu Negan,

kleinzoon van den stichter der Han dynastie, schreef. Als ijverig

aanhanger der Taoïstische leer, in het bizonder van de alchemistische

richting daarin, verzamelde hij vele honderden van aanhangers en

zocht met hen naar het elixer der onsterfelijkheid en den steen der

wijzen. Hij stierf in 112 v. C. door zijn eigen hand, nadat een poging

om zich van den troon meester te maken was mislukt. Zijn geschriften

zijn eveneens door Liu Hiang uitgegeven.

De verschillende opgaven, hierboven gedaan, hebben voldoende in het

licht gesteld, hoe groote gapingen er zijn in de overlevering der

gewijde teksten, en hoe er vaak eeuwen liggen tusschen de vervaardiging

der oude teksten zelf en het verschijnen der ons bewaard gebleven,

onontbeerlijkste commentaren.

De oorzaak van deze, voor de kennis van het oude China en zijn

philosophische lectuur betreurenswaardige gapingen is tweeërlei: 1e. de

gebrekkige ontwikkeling van het schrift en het schrijfmateriaal:

tafeltjes uit bamboe, waar men de teekens met een scherpe stift

inkraste of instak. 2e. in de door keizer Tsin Shi Hwang ti in 213

v. C. bevolen vernietiging der meeste klassieke werken, waarbij

slechts min of meer verminkte exemplaren aan het vuur ontsnapten.

De Chineesche schrijver Sze ma tsien (163-85 v. C.) heeft in zijn

"historische opteekeningen" het uitvaardigen van het keizerlijk edict,

dat de vernietiging der boeken en de bewaking der geleerden voorschreef

zeer dramatisch voorgesteld. In werkelijkheid is zeker deze maatregel

wel de vrucht van rijp overwegen geweest.

Sze ma tsien dan bericht het volgende:

"In 212 v. C. kwam de keizer van eene reis naar het zuiden terug. Hij

gaf toen een feest in het paleis, waar ook de 70 groote geleerden (de

professoren der keizerlijke academie) verschenen en hem begroetten. Een

der ministers, Chau tsing shin, trad naar voren en sprak: "Vroeger

was het rijk van Tsin slechts 1000 Li groot, doch uwe hoogheid heeft

met een kracht en een verstand als van de godheid het gansche rijk tot

rust gebracht en alle barbaarsche stammen verdreven, zoodat, zoover zon

en maan schijnen, allen u als gasten hun onderdanigheid betuigen. Gij

hebt de staten der verschillende vorsten in provinciën en districten

veranderd, waarin het volk een gezegende rust geniet, vrij van de

gevaren van den oorlog en van den strijd om de heerschappij. Deze

toestand zal 10.000 geslachten duren. Nooit, sedert de oudste tijden,

is iemand in verheven deugd aan uwe hoogheid gelijk geweest."

Deze vleitaal beviel aan den keizer. Toen trad Shun Yu yüe, een

der grootste geleerden, naar voren en zeide: "de heerschers uit het

geslacht van Yin (Shang) hebben sedert meer dan duizend jaar hunne

zonen, jongere broeders en verdienstelijke ministers met bezit en

macht beleend en vonden zoo bij hen hulp en steun, gelijk ik wel

vernomen heb. Nu echter heeft uwe hoogheid bezit genomen van alles,

wat er tusschen de vier zeeën is, en uwe zonen en jongere broeders

zijn personen zonder gezag. Het gevolg daarvan zal zijn, dat er één

zal optreden om te doen als de oproermakers in vroegere tijden. Waar

wilt gij dan, zonder de ondersteuning uwer familie, de hulp vinden,

die gij dan wellicht noodig hebt? Dat een toestand, die niet op de

leeringen der oudheid berust, lang kan bestaan, heb ik nog nooit

gehoord. Tsing staat voor u als een vleier, die de dwalingen van uwe

majesteit vermeerdert, doch niet als een trouw minister."

De keizer verlangde daarop het oordeel der anderen over deze zaak

te weten, waarop de eerste minister Li sze sprak: "De vijf keizers

waren niet allen de een het voorbeeld van den ander, evenmin

volgden de drie dynastiën elkaars maatregelen na. Ieder had zijn

eigen regeeringssysteem, niet om wat anders te bedenken, maar omdat

de veranderde tijden dat eischten. Uwe hoogheid heeft thans den

grondslag der keizerlijke macht voor 10.000 geslachten gelegd. Dat

is meer dan een eenvoudig professor kan verstaan. Buitendien spreekt

Yüe slechts over zaken, die op de drie dynastiën betrekking hebben

en die als voorbeelden voor u niet geschikt zijn. Vroeger, toen de

vorsten tegen elkaar streden, zocht ieder hunner geleerden om zich

heen te verzamelen, nu echter staat het rijk vast en welgegrond en

de wetten en verordeningen gaan van één hoogste macht uit. Zij, die

in hun woonplaatsen blijven, behooren hunne krachten aan den landbouw

te wijden; zij, die geleerden willen zijn, behooren de verschillende

voorschriften en wetten te bestudeeren. In plaats echter van alzoo

te handelen, leeren de geleerden niets, dat op den tegenwoordigen

tijd betrekking heeft: doch bestudeeren de oudheid. Zij gaan voort

den tegenwoordigen tijd te veroordeelen, het volk op een dwaalspoor

te brengen en het tot wanorde te verleiden.

"Zelfs al zou mijn leven er gevaar door loopen, moet ik, de eerste

minister, u dit zeggen. Vroeger, toen het rijk oneenig en vol onrust

was, was er niemand, die het eenheid kon geven. Daarom stonden de

vorsten op, ieder beriep zich op het verleden: tot schade van het

tegenwoordige: allerlei bewegingen zonder grond werden opgesteld:

de werkelijkheid sloeg men in het aangezicht. Velen pronkten met hun

eigen wetenschap om te veroordeelen, wat hun vorst beval. En zelfs nu,

nadat uwe hoogheid het rijk in vaste eenheid heeft gegrondvest, zelfs

nu prijzen zij hun eigen wetenschap en steken de hoofden bijeen. Zij

leeren aan het volk wat met de wet in strijd is. Hooren zij dat eene

verordening zal worden uitgevaardigd, dan begint ieder daarover zijn

wijsheid uit te kramen. Aan het hof houden zij hun misnoegen vóór

zich: buiten op de straat schreeuwen zij het uit. Terwijl zij doen,

alsof zij hun meester prijzen, is toch ieder er trotsch op, zijn

eigen vreemdsoortige inzichten te hebben. Zoo brengen zij het volk

tot oproerige woorden. Indien zulke dingen niet verboden worden,

zal het gezag van uwe majesteit schade lijden en er zullen zich in

den staat partijschappen vormen. Daarom: verbied ze. Ik verzoek u,

dat alle kronieken, die in de handen der geschiedschrijvers zijn,

met uitzondering alleen van die van het huis van Tsin, worden

verbrand. Eveneens, dat in het gansche rijk allen, die exemplaren

van den Shi-king of den Shu-king, of van de boeken der 100 scholen

bezitten, met uitzondering van de professoren der academie, deze aan

de beambten der districten moeten inleveren, om ze te verbranden. Dat

voorts allen, die samen over Shu-king of Shi-king spreken, worden

gevonnist en hun lichaam op de marktplaats worde terechtgesteld,

dat zij, die het verledene prijzen ten koste van het heden, met al

hun bloedverwanten worden gedood. Dat beambten, die kennis dragen

van de overtreding dezer geboden en de overtreders niet aanwijzen,

worden gestraft evenals de overtreders zelve, en dat, wie zijn boeken

niet binnen 30 dagen na uitvaardiging dezer verordening heeft verbrand,

gebrandmerkt wordt en naar den grooten muur wordt gezonden, om daaraan

vier jaren te arbeiden. De eenige boeken, die men sparen kan, zijn

die over de geneeskunde, de waarzeggingskunst en den landbouw. Wie

de wetten wenscht te leeren kennen, kan naar de ambtenaren gaan en

ze daar vernemen. Het keizerlijk besluit worde alzoo vastgesteld."

Een jaar na de uitvaardiging van het edict werd de toorn des keizers

opnieuw opgewekt door de vlucht van twee geleerden, die zijn bizondere

gunstelingen waren geweest. Hij liet dus nauwkeurige nasporingen

doen, of ook iemand van de geleerden booze woorden over hem gesproken

had, of het volk tegen hem had opgestookt. Het bleek nu, dat meer

dan 460 geleerden het verbod hadden overtreden. Zij werden allen,

tot waarschuwend voorbeeld voor het volk, levend begraven, terwijl

de wetten, tegenover alle verdachten, met verdubbelde strengheid

gehandhaafd werden. Deze vervolging der geleerden en verbranding der

boeken is niet de eenige slag geweest, welke de Chineesche literatuur

heeft getroffen. Bij den val der Tsin dynastie werd, in den strijd om

de heerschappij, de hoofdstad des rijks een prooi der vlammen. Deze

woedden er weken lang en hebben vermoedelijk minstens evenveel, uit

de verwoesting der klassieken geredde exemplaren vernield, als het den

Tsin keizer gelukt was te vernietigen. Dergelijke "bibliotheekrampen",

zooals de Chineezen zeggen, volgden elkaar met korte tusschenpoozen

op. In de eerste jaren onzer tijdrekening werd bij een opstand de, met

veel moeite en tijdopoffering bijeengebrachte, 12000 deelen (bundels

van tafeltjes) tellende, rijksbibliotheek verwoest. Eveneens ging het

met eene verzameling, door de latere Han dynastie bijeengebracht. Deze

ging tegen het einde der 2e eeuw n. C. verloren, gedeeltelijk bij een

brand van het keizerlijk paleis, gedeeltelijk bij de overbrenging van

het hof naar Schensi en de daarop gevolgde beroeringen. Hetzelfde lot

deelde in 311 eene door de keizers der dynastie Wei en Tsin aangelegde

bibliotheek van bijna 30.100 boeken (rollen, want leer en zijde

hadden toen de plaats van het bamboe ingenomen). Een vijfde groote

ramp volgde in 554, toen keizer Yuanti in Nanking zijne verzameling

van 70.000 boeken aan de vlammen prijsgaf.

Dat er nu, trots al deze ongelukken, nog zoo veel van de oude

literatuur bewaard is, hebben wij te danken aan den wakkeren ijver,

de lust tot verzamelen en den kritischen geest der Chineesche

geleerden. Ook werd hun ijver door de belangstelling en de mildheid

van verschillende heerschers aangespoord. Dat bij de verschillende

pogingen tot herstel van deels verloren gegane en verminkte teksten

(want slechts in dezen vorm zijn de brokstukken van vóór-Confuciaansche

werken tot ons gekomen, wat trouwens ook met menig geschrift uit

later tijd het geval is), vele vervalschingen zijn voorgekomen kan

niemand verwonderen, die de voorliefde en den tact van de Chineezen

voor dergelijke bedriegerijen in iederen tak hunner vaderlandsche

bedrijven kent. In vele gevallen is het aan de latere kritiek, soms

echter eerst na eeuwen, gelukt om de vervalschingen te ontdekken en

de oude, wèl onvolledige, doch minder verdachte teksten weer voor

den dag te brengen.

Ook in den nieuweren tijd, zelfs na het uitvinden en de algemeene

toepassing van de boekdrukkunst, is het aantal der verloren gegane

werken, waarvan men het bestaan nog slechts kent door een titel in een

catalogus, of door citaten in andere geschriften, zeer belangrijk. De

reden daarvan ligt voor een goed deel in de vele inwendige onlusten,

waarbij weinige steden de verwoesting ontgingen. Zoo heeft de bekende

Taiping-opstand vreeselijke, onherstelbare schade aangericht, terwijl

bij de verwoesting van het zomerpaleis door de Engelschen in 1860 de

daarin aanwezige schoone keizerlijke bibliotheek werd vernield. Een

ander ongeluk is, dat het aantal exemplaren van een werk, door

overschrijven of drukken verveelvoudigd, vaak zeer beperkt was. Dit

geldt natuurlijk vooral van grootere werken: handboeken, encyclopaediën

enz., welke vaak slechts bestemd waren voor een kleinen kring.

In vele gevallen zijn dan de daarvoor afzonderlijk bestemde metalen

typen gestolen of de gewoonlijk voor het afdrukken bestemde houten

platen verloren gegaan, vernield, of onbruikbaar geworden en is het

nooit tot een tweede uitgave gekomen. Ook aan den in China zeer te

vreezen boekenworm, is de vernieling van vele werken, soms zelfs van

de houten platen te wijten.

Men behoeft maar eenmaal een blik geslagen te hebben in de bibliotheek

van een der vele kloosters in den omtrek van Peking, of Dr. Martin's

beschrijving der bibliotheek van het Hanlin collegium te lezen, om

zich te kunnen voorstellen, hoe vochtigheid en wormen opruiming hebben

gehouden onder de letterkundige werken van China en hun vernielingswerk

nog dagelijks voortzetten. In de kloosterbibliotheken is er onder

duizend ongeordende, omzwervende deelen niet één, welks bladen niet

half vergaan of met wormgaten doorboord zijn. En, te oordeelen naar

den toestand, waarin vele werken, die uit keizerlijke of particuliere

bibliotheken het licht zagen, zich bevinden, schijnt het in deze

plaatsen der geleerdheid er ook niet veel beter uit te zien. Veel

schuld heeft ook het slechte papier en het slordig openmaken, der

uit los te zamen genaaide bladen bestaande deeltjes. De hoofdoorzaak

van het verval is echter, dat de verzamelingen niet toegankelijk

zijn voor het publiek en dat het administratief toezicht ook hier,

als in zoovele andere gevallen in China, slechts een opzicht in naam

is. Gevolg daarvan is, dat de boeken zoek raken of op andere wijze te

gronde gaan, zonder dat iemand roeping gevoelt om ordenend en reddend

den Augiasstal onderhanden te nemen.

Het ontbreekt niet aan berichten en keizerlijke edicten, doch men laat

het dikwijls bij fraai klinkende, schoon gevormde zinnen. Hier kan

men de ware mierenvlijt der letterkundigen, die anders in zoo menig

opzicht storend op de ontwikkeling van het land hebben ingewerkt,

niet genoeg prijzen. Aan dien ijver toch is het te danken, dat van

de letterkundige schatten des lands nog zooveel gered is en behouden

zal blijven. Zonder dien ijver ware het ons niet mogelijk geweest,

u de Chineesche philosophie eenigszins te doen kennen. Moge, wat wij

daarover mededeelden, u tot de overtuiging hebben gebracht, dat ook

deze Chineesche "denkers" onze aandacht verdienen.

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 45 / 78 题