Over den maker van dit boek is niets bekend. De overlevering schrijft
het toe aan Confucius' kleinzoon. Na den val der Tsin dynastie werd
dit werk met andere werken teruggevonden. De toen gevonden tekst bleef
lang de geijkte. Bij een in de 11e eeuw na C. ondernomen onderzoek van
den tekst bracht men hierin een aantal veranderingen. De voornaamste
daarvan was, dat als de tweede plicht der vorsten werd gesteld,
hun volk "op te voeden", in plaats van "lief te hebben", zooals het
vroeger heette.