De I-King is een boek, bestemd om de voor doeleinden van waarzeggerij
gebruikte, uit heele en gebroken lijnen bestaande 8 trigrammen,
evenals de daaruit afgeleide 64 hexagrammen te verklaren. [157] Die
teekenen zelf zijn zeker ouder dan de 12e eeuw voor Christus. De
korte verklaringen bij de hexagrammen en de uitweidingen over de
onderdeelen, waaruit deze samengesteld zijn, worden gezegd afkomstig te
zijn van Wen Wan (1251-1135 v. C.), den vader van den eersten keizer
der Chau-dynastie en van Chau kung, den broeder van dien eersten
keizer. De andere tien afdeelingen van het werk worden--waarschijnlijk
ten onrechte--aan Confucius toegeschreven.
Op een onbevooroordeeld lezer maken de oudste gedeelten van den
I-king den indruk van een waarzeggersboek van weinig meer waarde
en beteekenis, dan dergelijke werken gewoonlijk hebben. Eerst in
het laatste, meer exegetische deel van het werk, wordt beproefd om
in de oorspronkelijk geomantische verklaringen een philosophische
beteekenis te leggen. Dit kan ons niet verwonderen, want ook bij
andere volken zijn alchemie, astrologie en andere zwarte kunsten
sterk met philosophische symboliek en mystiek dooreengewerkt.
Het belangrijkste gedeelte van het werk, waaraan echter de bekende
Duitsche wijsgeer Leibnitz een zeker te groote waarde toekende,
is wel de derde der laatste verhandelingen (afdeeling 5 en 6). Deze
bevat naast uitvoerige mededeelingen over de wijze van het verklaren
van teekenen een rijk magazijn van oudheidkundige aanteekeningen en
bespiegelende wijsbegeerte.
Confucius stelde den I-king zeer hoog. Driemaal moesten de riempjes,
welke de plankjes bijeenhielden, waarop in zijn exemplaar de tekst was
ingesneden, worden vernieuwd. Ja, hij placht te zeggen, dat, als hij
50 jaar aan de studie van I-king kon wijden, hij hopen mocht, daardoor
zoover gevorderd te zijn, dat hij geen groote gebreken meer bezat.
Terwijl nu Confucius en zijne aanhangers dit werk zoo vereerden, is
het dubbel merkwaardig, dat ten slotte de Taoïsten zich geheel en al
van de uitlegging hebben meester gemaakt en dat de thans officieel
geijkte verklaring van dit werk afkomstig is van den Taoïst Ch'èn
tw'an. Deze man leefde eenigen tijd aan het hof van Tai tsung,
den tweeden keizer der Sung dynastie (976-997) en werd door dezen
geroepen om hem in de geheime wetenschappen te onderrichten. Later
trok hij zich in de eenzaamheid terug, waar hij ook stierf.
Bij de vernietiging der boeken (van de wijsgeeren) onder keizer
Tsing Shi Hwangti [158] werd de I-king als op de waarzeggingskunst
betrekkelijk, verschoond. Toch was een deel van den, zooals wij reeds
vermeldden, aan Confucius toegeschreven commentaar, verloren gegaan
en werd dit eerst ongeveer 78-42 v. C. onder tamelijk romantische
omstandigheden door een meisje teruggevonden in de ruïnen van een
oud huis.