VII. De voortgang en ontwikkeling van het Boeddhisme.

Wanneer wij het hier genoemde onderwerp wilden behandelen in alle

uitvoerigheid, zouden wij nog wel een gansch lijvig boekdeel daaraan

kunnen wijden. We zouden dan moeten spreken over verschillende secten,

die in de schoot van het Boeddhisme ontstonden, over al de landen,

waarheen het zich uitbreidde, en de wijziging, die het daarbij soms

onderging. Dat alles zou ons echter te ver voeren en niet passen bij

het kader van dit werk. Toch zijn een paar dingen uit de geschiedenis

van het Boeddhisme voor ons van zooveel belang, dat wij daarover

niet willen zwijgen. En wel: de verschillende oude kerkvergaderingen,

het vormen van de verzameling der Heilige Schriften, het optreden van

het Boeddhisme als door den staat beschermde godsdienst onder Açoka,

en ten slotte met een enkel woord: de uitbreiding van het Boeddhisme

in andere landen en zijn ondergang in Indië.

Allereerst dan over de oude concilies. Drie worden ons genoemd:

dat van Rajagriha, van Vaisali en van Patna. Het eerste zou gehouden

zijn, aldus verhaalt Buddaghosa, een soort Boeddhistische kerkvader,

nabij Rajagriha. Daar toch waren achttien groote kloosters, met

monniken gevuld. Men verzocht dus van hunnentwege aan den koning van

Rajagriha, of hij een groot hol in de bergen ten hunnen behoeve voor

die vergadering wilde inrichten.

De koning, zoo gaat het verhaal voort, was daartoe volkomen

bereid. Alles werd keurig in gereedheid gebracht: er waren vijfhonderd

bekleede zitplaatsen voor de monniken, een spreekgestoelte voor

den voorzitter.

Twee maanden lang had men daarmede werk. De monniken werden

uitgenoodigd en kwamen bijeen--'t was in den wastijd. Eerst bestond de

vergadering niet uit het volle getal: er waren er 499, Ananda had niet

verkregen de Prajna Paramita, de kennis der onzienlijke wereld. Dus

was één zetel vacant. Doch, toen Ananda des nachts peinsde, kwamen

de wonderbare krachten over hem: en--door den vloer heen bereikte

hij den zetel, voor hem gereed gehouden.

Kasyapa was voorzitter en noodigde Upali uit om voor te dragen de

regelen, door Boeddha over de orde gegeven (Vinaya). Upali zat in de

preekstoel, voor Boeddha bestemd, met den ivoren waaier in de hand. De

monniken zongen na wat men hun voordroeg.

Daarna kwam Ananda in het spreekgestoelte en droeg de uitspraken

over de leer (Dharma) voor. Het eerste der Sutra's, door Ananda

voorgedragen, was Brahmajala Sutra.

Nu zijn de volgende punten zeer merkwaardig: in het jaar 16 v. C. had

ook een concilie plaats, naar de faam zegt van 500 monniken. Er

waren er slechts 499, één was uitgesloten, doch verricht een wonder

en wordt chef.

Dit concilie was bijeengeroepen door koning Kanishka, die over een

groot deel van Indië toen regeerde. En--naar het schijnt, heeft hier

de, later zich vormende, Mahayana school, eene overwinning behaald op

het meer oorspronkelijk Boeddhisme. Nu rekenen sommige geleerden het

Brahmajala sutra ook tot de boeken dezer school, naar mij voorkomt

terecht; omdat het niet den geest van het oorspronkelijke Boeddhisme

ademt.

En ook op dit concilie hield men zich bezig met de heilige boeken, met

name om daarop commentaren te maken en wel op de Sutra's, de Vinaya

en de Abhidharma: welke drie ook volgens de zuidelijke Boeddhisten

den heiligen canon vormen. Het ligt dus mijns inziens voor de hand,

dat dit heele concilie van Rajagriha niets anders is dan een poging

om--wat later gesanctioneerd werd--de goedkeuring der oudheid te

geven door het reeds kort na Boeddha's dood geldig te maken.

Even onzeker schijnt wat verhaald wordt over het tweede concilie, dat

ongeveer 100 jaar later gehouden werd. Meer op vasten grond komen wij

echter bij het 3e, dat van Patna, dat ongeveer het jaar 244 in Patna

werd gehouden, in de dagen van koning Açoka. Waarschijnlijk is daar

met de verzameling der heilige boeken een begin gemaakt. Over Açoka

en zijn werken willen wij echter uitvoeriger spreken, omdat het hier

een vorst geldt, die het Boeddhisme met groote kracht heeft bevorderd

en wiens naam nog immer door de gansche Boeddhistische wereld een

goeden klank heeft. Zooals bekend is drong Alexander de Groote in de

4e eeuw vóór onze jaartelling zegevierend tot in Indië door. In die

dagen was Magadha de hoofdstad geworden van een vrij groot koninkrijk,

dat echter voor de macht van Alexanders wapenen moest bukken.

Een avonturier, uit de handen van den koning van Magadha ontsnapt,

zocht bij Alexander zijn toevlucht. Deze rebel vergaderde de stammen

van den Pendsjab rondom zich en--toen in 315 v. C. de koning

van Magadha werd vermoord, plaatste hij zich op diens troon. De

Grieken verjoeg hij uit Indië. Deze troonsbeklimming was zeer

merkwaardig, omdat zij bewees dat de oude Indische maatschappij

voorbij ging: Chandragupta toch was een man van lage caste, evenals

zijn partijgenooten. Juist in die dagen kwam het Boeddhisme op en nam

snel in invloed toe. Waarschijnlijk begunstigden reeds Chandragupta en

zijn zoon dit nieuwe geloof. Zeker is het dat zijn kleinzoon, Açoka,

er toe over ging en de groote koning der Boeddhisten werd. Hij was

inderdaad de Dharma Raj (koning der gerechtigheid), waarvan Boeddha,

toen hij in 520 v. C. onder een vijgeboom zat, had gedroomd.

Açoka, die 24 jaren telde, toen hij den troon beklom, was eerst een

vroom Brahmaan, die 50.000 Brahmanen dagelijks voedde. Ook was hij

zeker een dapper en bekwaam krijgsman; althans hij veroverde een

groot deel van Indië. Zekere monnik Nigrauda bekeerde hem tot het

Boeddhisme. De koning werd daarvoor nu een groot ijveraar en--tal

van inschriften, door hem in rotsen en steenen gebeiteld in bijna

alle streken van Indië--leggen er getuigenis van af, hoe ernstig

hij zijn taak opvatte om de nieuwe leer ingang te doen vinden en

in het maatschappelijk leven de hervormingen in te voeren, die zij

eischte. Deze inschriften zijn ook in ander opzicht voor ons van

groote waarde. Immers de ouderdom der boeken staat niet altijd vast

en--volgens nagenoeg eenstemmig oordeel der geleerden--stond Açoka's

Boeddhisme vrij dicht bij het oorspronkelijk. Zij zijn grootendeels

uitgegeven en alzoo onder het bereik der geleerde wereld gebracht.

We willen er enkele van aanhalen, die ons doen zien welke denkbeelden

over God en toekomstig leven door den beroemden koning werden

gekoesterd.

"Veel te verlangen naar de dingen (dezes levens) is ongehoorzaamheid,

zoo herhaal ik: (ongehoorzaamheid) is ook de (altijd) werkzame zucht

naar grondgebied bij een vorst, die den hemel wil gewinnen. Belijd God

(Isana) en geloof in Hem, die het waardig voorwerp der gehoorzaamheid

is. Want gij zult geen middelen vinden om den hemel te winnen, aan

dit geloof gelijk. O, streef er naar om dit onschatbare kleinood

te verkrijgen."

"Aldus spreekt koning Devanampiya Piyadasi (de door de goden geliefde

[117]): Het tegenwoordig oogenblik en het verleden zijn onder dezelfde

vurige hoop voorbijgegaan: Hoe zal door de bekeering van den koninklijk

geboorne de godsdienst worden uitgebreid? Als deze zoo toeneemt door

de bekeering van de laaggeborenen, hoe zal hij dan toenemen als de

hooggeborenen overtuigd worden? Overal waar de naam van God in eere

is, waarlijk daar is godsdienst.

"Aldus sprak Devanampiya Piyadasi: Daarom heb ik van dit oogenblik

af gezorgd dat er godsdienstige redenen werden gehouden, ik heb

godsdienstige plichten aangewezen, opdat de menschen daarna luisterend,

er toe gebracht worden het rechte pad te volgen en eere te geven

aan God."

Ook over een volgend leven laat Açoka zich uit: "Al de moed (heet het

elders) dien Piyadasi, de geliefde der goden, heeft getoond is ten

opzichte van een volgend leven. Aardsche roem brengt weinig voordeel,

doch veroorzaakt integendeel, verlies van deugd.

"Voor den hemel te werken is moeilijk voor een boer en voor een prins:

tenzij zij met uiterste krachtsinspanning alles opgeven.

"Mogen mijne liefhebbende onderdanen geluk verkrijgen in deze en in

een volgende wereld.

"De beminde der goden spreekt aldus: Meer dan twee en dertig en een

half jaar lang ben ik een hoorder der wet geweest, doch ik beijverde

mij niet met alle inspanning. De goden, die voor dien tijd in

Jambudvipa als ware goden werden beschouwd zijn nu afgezworen... Een

klein (eenvoudig) man, die zichzelf wat oefent kan voor zichzelf

groote hemelsche zegen verwerven, en met dat doel is deze prediking

uitgesproken. Beide, grooten (hoogen) en kleinen moeten zich oefenen

en zullen ten slotte (ware) kennis verkrijgen. En deze wijze van

handelen zal wat zijn? Van groote gevolgen. Want het geestelijk goed

zal groeien, en zal steeds sneller groeien, ten slotte zal het telkens

met de helft worden vermeerderd."

"Deze prediking is gehouden door hem die is heengegaan. Twee honderd

vijftig jaren zijn er verloopen na het vertrek van den leeraar."

Alles in deze opschriften moge niet geheel duidelijk zijn, zooveel

is toch wel zeker, dat het Boeddhisme van Açoka allerminst een soort

atheïsme mocht heeten. Een en ander stemt overeen met wat wij reeds

vroeger opmerkten, b.v. dat de oude Boeddhisten zich Brahmacharin,

vereerders van Brahma noemden en dat in een gesprek met de Brahmanen

Boeddha niet zegt: Brahma vereeren is onzin, maar wel: uw uitwendige

vereering van Brahma deugt niet.

Doch, wij komen tot Açoka terug. Deze vergenoegde zich niet met

in edicten het Boeddhisme aan te prijzen, neen, hij trachtte de

beginselen van het nieuwe geloof ook in staat en maatschappij door te

voeren. Terecht kan men van hem zeggen, dat hij Wilberforce vooruit

was in den strijd tegen de slavernij, Tolstoï in zijn begeerte om

het zwaard weg te werpen, Rousseau en Fichte in hun wensch om den

innerlijken godsdienst aller eigendom te maken. Ook is treffend zijn

zorg voor de dieren. We willen u, aan de hand der opschriften zelve

laten zien, hoeveel Açoka tot stand bracht.

Wat betreft zijn belangstelling in den inwendigen godsdienst denken

wij b.v. aan het volgende inschrift: "Piyadasi, de vriend der goden,

hecht minder waarde aan aalmoezen en uitwendige plechtigheden, dan

aan het bevorderen van den bloei van den inwendigen godsdienst."

"Voortgang in Dharma (de ware leer, de deugd) kan op tweeërlei wijze

worden verkregen, door vormelijke regels, en door de gevoelens,

welke deze opwekken in het hart. In dezen dubbelen invloed heeft de

eerste een zeer geringe waarde, de innerlijke opwekking is slechts

in waarheid belangrijk."

Wat zijn afkeer van den oorlog betreft denken wij aan deze inscriptie:

"Piyadasi, de vriend der Devas, (goden) stelt alleen op prijs den oogst

van het volgend leven. Daarom alleen is deze inscriptie gegrift, opdat

onze zonen en kleinzonen geen nieuwe veroveringen zouden maken. Laten

zij niet denken dat veroveringen met het zwaard den naam verovering

verdienen. Laten zij zien den ondergang, de verwarring, de hartstocht

die zij medebrengen. Ware veroveringen zijn alleen die van Dharma."

Açoka zorgde voor mensch en dier, hij maakte aan slavenmishandeling

een einde, verbrak de slavenketenen der menschen, zorgde voor reizigers

en monniken op liefderijke wijze.

Hierover vermelden de opschriften het volgende:

"Vroeger werden, in de groote eetzaal en den tempel van koning

Piyadasi, den vriend der goden, dagelijks honderd duizende dieren

geslacht om tot voedsel te strekken met hun vleesch .... doch nu

weerklinkt telkens weer het koor dat voortaan geen dier meer zal

worden ter dood gebracht.

Als een mensch onderworpen is aan slavernij en slechte behandeling,

zal hij van dit oogenblik af door den koning van deze en andere

gevangenschap worden bevrijd. Vele menschen in deze streken kwijnen in

de gevangenis, daarom was de Stupa [118], die de bevelen des konings

bevat, zeer noodig.

Overal is gevestigd het dubbele systeem van geneeskundige hulp van

koning Piyadasi, medische hulp voor menschen en medische hulp voor

dieren... En waar er geen voorraad is (van kruiden), in al deze

plaatsen moeten deze worden geplant en gedroogd, zoowel wortels

als kruiden. Overal waar er geen voorraad van is, moeten zij worden

aangebracht en geplant. En aan de groote wegen moeten bronnen worden

gegraven en boomen geplant, tot het welzijn van mensch en dier.

In sommige Boeddhistische landen zijn de kloosters ook tegenwoordig

de eenige plaatsen waar men logeeren kan, en de monniken de eenige

dokters. Waarschijnlijk is dus ook hier gedacht aan boomen, die geplant

moeten worden bij de Saugharama, zooals het toen heette. Saugharama =

tuin der monniken, terwijl deze zelf toen Pavajitani's (huisloozen)

heetten tegenover de Gahathani (die een huishouden hebben) waarmee

waarschijnlijk de Brahmanen bedoeld worden.

Doen dus reeds deze aanhalingen vermoeden dat in die dagen de monniken

meer onder boomen, dan wel in huizen woonden, de volgende uitspraak

van Açoka komt daarmede overeen.

"Wanneer godvruchtigen zullen verblijven bij den heiligen vijgeboom, of

daaromheen rondwandelen ten einde vrome verrichtingen te volbrengen,

zal het een voordeel en een genoegen voor de landstreek en hare

bewoners zijn om geschenken hun aan te bieden, en overeenkomstig

hun edelmoedigheid en anderszins, zullen zij voorspoed of tegenspoed

genieten. Zij zullen dankbaar zijn voor de komst van het geloof. Wat

dorpen of hun inwoners voor de zaak van den godsdienst mogen geven

of in stand houden, de gewijden (monniken enz.) zullen het zelfde

ontvangen, en, ten voorbeelde van mijn volk zullen zij gestreng in de

eenzaamheid leven. En eveneens zullen de gewijden, welke zegeningen

zij ook uitspreken, daarin overvloedig zijn.

"Voorts zal het volk in den nacht [119] tot toevlucht hebben den

grooten myrobolanpruimenboom (Terminalia chebula) en den heiligen

vijgeboom. Mijn volk zal den grooten myrobolanboom vermeerderen. En

daar mijn godvruchtigen dit doen voor het genoegen en het welzijn

van het dorp, waar zij verblijven, mogen zij rondom den schoonen en

heiligen vijgeboom een liefelijk verblijf hebben bij het volbrengen

van vrome daden."

Wij hebben hier nog niet de kloosters alzoo, doch: een

overgangsvorm. Terwijl in den eersten tijd Boeddha's monniken twee

aan twee uitgingen ter bekeering, zien wij hen nu meer bepaalde

woonplaatsen innemen in de nabijheid van eenig dorp. Straks komen

zij in kloosters, in gebouwen te wonen.

We kunnen echter, met het oog op de toestanden in Açoka's tijd,

dezen overgang zeer goed begrijpen.

Açoka toch had Indië veroverd, en had nu noodig een leger van verlichte

monniken ten einde zijn rijk voor het Boeddhisme te winnen. Dat groote

leger moest worden gevoed: vandaar dat aan dorpen en steden werd

opgedragen voor de monniken te zorgen: ook nu nog een geliefkoosde taak

der leeken in Boeddhistische landen. Vandaar ook de zoo uitgebreide

aanplantingen van mango's, bananen enz. Ook van de planting van deze

boomsoorten wordt in een der edicten van Açoka gesproken.

Uit deze opschriften blijkt voorts dat er drie jaarlijksche groote

feesten waren in die oude dagen, wier datum in verband met de maan werd

vastgesteld, feesten, waarbij olifanten, toortsen, optochten enz. te

pas kwamen. Tempels schenen er toen nog niet te zijn, de godsdienstige

plechtigheden hadden plaats in tempels van ongekorven hout met de

sterren als lampen. Açoka deed wat hij kon om het Boeddhisme uit te

breiden, en, al gingen de monniken in die dagen ook reeds zwijgend

rond, toch waren zij waarschijnlijk overigens niet zoo gesloten,

hun taak toch was: propaganda maken voor het nieuwe geloof, waarbij

hun echter werd ingeprent vriendelijk en meegaand te zijn tegen de

"ketters." Door zulke verzoenende manieren zullen zelfs de ketters

gunstig worden gestemd en zulk een gedrag zal het aantal bekeerlingen

doen toenemen.

Dat het echter toch propaganda moest zijn, blijkt uit het volgende

in een der edicten:

"Sinds langen tijd zijn er geen dienaars van den godsdienst

geweest, die, zich bewegende onder de ongeloovigen, hen met een

overstrooming van godsdienst overstelpten, met een overvloed van

heilige leeringen. Door Cambodja, Gandhara, Surasthra, Petenica en

elders zijn er nu aangewezen (als zendelingen), die hun weg vinden

tot op de uiterste grenzen der barbaarsche landen, voor het heil

van allen. Omgaande zoowel met de gevreesden als met de geachten, in

Pataliputra zoowel als in vreemde plaatsen, betere dingen leerende,

zullen zij overal doordringen."

Zoo zwerven dus Açoka's monniken als echte huisloozen (pavajitani)

overal rond om hun nieuw Evangelie te brengen.

Ook voor het uitwendige van den godsdienst deed Açoka veel. Hij

bouwde vier stupa's (grafheuvels) ter eere van den Verlichte: één op

de plaats, waar de Verlichte was geboren, één waar hij de verlichting

deelachtig werd, één te Benares, waar hij het eerst predikte, één te

Kusinara, waar hij het Nirvana inging.

Men weet welke gedachten men over de stupa's had. Een dood man was

volgens de oude Indiërs (en nog is er iets van dat geloof over)

machtiger dan een levend persoon. Meestal stelde men zich voor dat

zijne kracht zich openbaarde, waar zijn lijk rustte, en men groef

zelfs daarbij heilige vijvers, waar een buitengewone versterking

den vereerders der heiligen ten deel viel. Over het graf bouwde

men dan een koepeldak, daar vereerde men de dooden en bracht hun

offers. Zoo nu deed men met Boeddha ook. In eene oude Chineesche

Boeddhistische liturgie heet het: "Ik beschouw het gewijde altaar als

eene koninklijk edelgesteente, waarbij de schaduw (geest) van Sakya

Tathagata verschijnt."

Zoo dacht men dus, bij de vereering der stupa's in gemeenschap

te komen met Boeddha. Eer kunnen wij dus zeggen dat er in Açoka's

Boeddhisme eenig bijgeloof was, dan dat wij hem beschuldigen van een

soort atheïsme, als hoedanig sommige geleerden het oorspronkelijk

Boeddhisme willen opvatten.

Açoka deed nog iets anders van groote beteekenis. Hij riep een

kerkvergadering te Patna bijeen in het jaar 244 v. C. waarop vooral

over de gewijde boeken werd gehandeld. Naar het schijnt werd het

volgende (blijkens een der opschriften des konings) vastgesteld:

"Het is wel bekend, heeren, hoe ver mijn eerbied en mijn geloof in

Boeddha, Dharma en Sangha gaan. Alles wat onze heer Boeddha heeft

gesproken is wèl gesproken. Daarom, heeren, moet het inderdaad worden

beschouwd als van onbetwistbaar gezag. Zoo zal het ware geloof

lang duren. Alzoo, mijne heeren, eer ik met de hoogste vereering

deze godsdienstige werken: Vinayasamaka (lessen in discipline),

Aryavasas (de bovennatuurlijke krachten der Arya's), Anagatabhayas

(de verschrikkingen der toekomst), Munigathas (het leven van Boeddha

in versmaat), Upatisapasina (de vragen van Upatishya), Moneyasuta

(de Sutra van het innerlijk leven) en de vermaning tot Rahula

over valschheid, uitgesproken door onzen heer Boeddha [120]. Deze

godsdienstige werken, heeren, wil ik dat de monniken en nonnen, ter

bevordering van hun invloed ten goede, voortdurend zullen bestudeeren

en zich herinneren."

Sommige geleerden beschouwen dit als een uittreksel, waarin Açoka de

voornaamste stukken uit een, toen reeds bestaanden canon opnoemt,

zoo b. v. Rhys Davis. Anderen meenen, dat juist het concilie van

Patna, waarvan dit ontwerp de besluiten meedeelt, op aansporen van

den koning een aanvang maakte met den canon. Mij komt deze laatste

meening waarschijnlijk voor. De zeven hier genoemde geschriften zijn

allen bekend. Wat de vragen van Upatishya aangaat, dat dit geschrift

hier voorkomt is niet onbelangrijk. Immers wat is de vraag die

Upatishya bezighoudt? Hij ziet van een heuveltop een feest, waarop

zeer velen zich vermaken. Eensklaps overvalt hem de gedachte: over

twee honderd jaren zullen alle deze levende wezens een prooi zijn van

den dood. [121] Indien daar is een beginsel van verwoesting, kan daar

dan niet evengoed een beginsel van leven zijn? Niemand kan deze vraag

beantwoorden, doch Athadzi loste hem deze op door hem Boeddha's Dharma

te leeren. Doet niet ook het opnemen van dit geschrift ons vermoeden

dat het oorspronkelijk Boeddhisme niet de ultra pessimistische leer

was, die sommigen er van willen maken?

Açoka was dus de man, die, door het bijeenroepen eener groote

vergadering, welke de bovengenoemde geschriften ijkte, den

grondslag legde tot de gansche, vrij omvangrijke Boeddhistische

gewijde literatuur. De hoofdzaak daarvan vormen de drie Pitaka's

(korven), welke onder dien naam door de zuidelijke Boeddhisten voor

heilig en oud worden gehouden, doch wier boeken ook bij de meeste

andere Boeddhisten in eere zijn. Deze drie korven bevatten tal van

geschriften: de eerste korf bevat Vinaya (de tucht), de tweede Dharma

(de leer), de derde Abhidharma (het bovennatuurlijke). Een groot deel

dezer gewijde geschriften is tegenwoordig uitgegeven in de serie:

Sacred Books of the East (gewijde boeken van het oosten.)

In het eerste gedeelte komt o. a. voor de vroeger reeds besproken

Patimokha (biechtrede), in het tweede o. a. Dhammapada, een verzameling

van schoone spreuken en Jataka's, verhalen over vroegere levens van

Boeddha, een rijke bron van oud-Indisch denken en gevoelen.

Onder de Boeddhistische werken buiten deze drie Pitaka's kunnen wij

vooral noemen het "Lalita Vistara," waarin wij de levensgeschiedenis

van Boeddha in romantischen vorm vinden meegedeeld. Langzamerhand

zijn deze boeken bij elkaar gekomen en door de Boeddhisten in hooge

waarde erkend.

Doch wij keeren na deze uitweiding tot Açoka terug. Hij maakte

blijkbaar met de doorvoering der Boeddhistische beginselen vollen

ernst. In een zijner edicten heet het "dat er nooit in eenig vroeger

tijdperk een systeem van onderwijs, toepasselijk op iederen tijd en

iedere daad is geweest, als wat nu door mij is ingericht."

In een ander stuk heet het: "De voornaamste middelen die ik u

verschaft heb om dit uit te werken zijn de instructies, die ik u

gegeven heb. Gij zijt gesteld over honderde en duizende menschelijke

wezens om te winnen de liefde der welgezinden. Ieder mensch is mijn

kind, en mijn wil is dat mijne kinderen allen mogelijken voorspoed

mogen genieten in deze wereld en geluk in de volgende. Ik heb dezelfde

begeerte voor alle menschen."

Deze laatste order gaf hij aan zijne rajuka's, waarschijnlijk

leekenbeambten: zij moesten dus, evenals de monniken, werken voor de

uitbreiding van den nieuwen godsdienst. Waarschijnlijk echter heeft

hij door een en ander den grondslag gelegd voor de latere hiërarchie

in sommige Boeddhistische landen, die zooveel overeenkomst heeft met

de Roomsch-Catholieke priesterheerschappij. Doch: daar mogen wij hem

de schuld niet van geven. Als wij nagaan wat Açoka wilde, dan moeten

wij dezen Constantijn van het Boeddhisme bewonderen, die--geheel

anders dan de Christelijke Constantijn--niet uit politieke, maar uit

religieuze en zedelijke overwegingen handelde en zijn beste krachten

inspande om de zijns inziens ware beginselen van het nieuwe geloof

te doen doorwerken in zijn rijk. Geen wonder dat hij in hooge eere

staat bij de volgelingen van Boeddha.

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 18 / 78 题