Açoka zond zendelingen uit naar verschillende oorden, ten einde overal
voor het Boeddhisme propaganda te maken. O. a. ging zijn zoon Mahinda
naar Ceylon, een eiland dat ook nu nog aan het Boeddhisme getrouw
is. Vandaar uit is het weer naar Birma, Siam en Java verbreid. In
Birma deed het 450 jaar na C. zijn intocht. Op Java had het in de
13e eeuw een grooten bloei bereikt, toen toch werd daar de beroemde
Boro-Boedoer, een groote Boeddhistische tempel, gebouwd, waarvan de
ruïnen nog thans ieders verbazing wekken. Later werd het daar door
den Islam geheel verdrongen.
In al deze streken hield men zich vooral aan de straks reeds genoemde
drie Pitaka's. En zoo is dan ook in Birma en Siam het Boeddhisme vrij
zuiver bewaard gebleven. Het moge al ondergaan hebben den invloed
der Mahayana [122], die het nieuwe geloof pessimistischer en minder
religieus opvatte dan de stichter, aan Boeddha's leer geheel vreemde
leeringen zijn hier niet ingeslopen.
In Indië heeft het zich nog eenige eeuwen na Christus gehandhaafd,
doch ongeveer de 12e eeuw was het bijna overal door het Brahmanisme
verdrongen. Vanwaar dit verschijnsel? Er een uitvoerig antwoord op
te geven, zou vele bladzijden vereischen en ook vallen buiten het
kader van dezen arbeid. Alleen komt het mij voor dat ontaarding van
de oorspronkelijke beginselen hierop invloed had. Wat die ontaarding
betreft, zij moet allereerst gezocht worden in de zooeven genoemde
Mahayana, de school van den grooten overtocht, die feitelijk den
Allerhoogste onttroonde en leerde dat Boeddha zelf was vernietigd en
uit niets en tot niets de weg was voor allen.
Die Mahayana heeft in Indië ten gevolge gehad dat een reactie opkwam,
die ten slotte van de oorspronkelijk zedelijke religie een magische
maakte en veel uit het oude Brahmanisme weer opnam. Beide deze
invloeden hebben het hunne gedaan om het Boeddhisme te ondermijnen
en de overwinning van het Brahmanisme te verzekeren in het grootste
gedeelte van Indië.
Daarbuiten echter heeft het zich krachtig gehandhaafd, niet alleen
in Birma en Siam, alsook op het eiland Ceylon, maar is het zelfs
doorgedrongen in Tibet, in China en in Japan. In Ceylon, Birma en
Siam bleef het, zoo wij reeds opmerkten, vrij zuiver bewaard, terwijl
het zich in China en Japan met andere godsdiensten vermengde. Wat de
tegenwoordige Chineezen betreft, uit drie bronnen is afgeleid hun
geestelijk leven: Kong tsze, Lao tsze en Boeddha. Bij de Japanners
is het Boeddhisme met den ouden volksgodsdienst, het Shintoïsme,
samengesmolten.
Zeer merkwaardig is echter de ontaarding van het Boeddhisme in
Tibet. Daar kwam het in een onbeschaafd land, onder een ruw volk:
't gevolg was dat de geestelijke godsdienst hier slechts ingang kon
vinden in verbasterden vorm.
Hetzelfde geschiedde, zoo men weet, met het Christendom, dat is
ontwikkeld tot Roomsch-Catholicisme door dezelfde invloeden: omdat
het alleen als een godsdienst van gezag de heidenen kon winnen. 't
Is voorts merkwaardig zoo groot als de overeenkomst is tusschen het
Tibetaansch Boeddhisme en het Roomsch-Catholieke Christendom.
Naar men weet gelooft de Roomsch-Catholieke kerk dat de geest van
Christus alléén in hare kerk woont, op bizondere wijze die kerk
bestuurt en dat deze geest hare priesters en vooral haren paus
bezielt. Zoo nu denken de Tibetaansche Boeddhisten er ook over. Zij
gelooven aan Avalokitesvara, den geest van Boeddha, die in de kerk
woont. De naam Avalokitesvara beteekent: de Heer, die van omhoog
nederziet.
Behalve Avalokitesvara hebben zij nog een aantal andere Boeddha's die
in den hemel leven, anderen, die op de aarde leven of geleefd hebben
enz. Ten slotte kwamen zij zelfs tot Adi-Boeddha: den eersten Boeddha,
uit wien dan de andere Boeddha's en met hem de werelden emaneerden. Uit
Adi-Boeddha waren namelijk--na vijf meditatiën van dezen--de vijf
Dhyani-Boeddha's gevloeid, de beheerschers van bovenaardsche gewesten,
uit dezen wederom de bij hen behoorende Bodhisatwa's (toekomstige
Boeddha's), en--ieder van hen deed uit zich voortkomen een gansche
wereld. De tegenwoordige is dan een maaksel van Avalokitesvara. Daarmee
ging gepaard een ontaarden van den godsdienst in magische formules en
uiterlijke vormen. Woorden kwamen boven daden. Iedere Tibetaan heeft
een rozenkrans van 108 kralen om daarmee zijn goede woorden te tellen:
vooral vele woorden moeten het zijn.
Ja, om zegeningen te verkrijgen van al de hemelsche wezens, waarmede
zijne verbeelding de wereld bevolkt, heeft de Tibetaan zelfs
gebedsmolens of wielen: met heilige spreuken beplakt. Tibet is er
vol van: zij staan bij iederen weg, in elke straat.
Dan heeft men ook lange staken, waaraan vlaggen zijn bevestigd, waarop
het heilige woord: Om Mani Padme Hum (het juweel is in de lotus d. i.:
de zelfscheppende kracht is in de wereld [123]). Telkens als die
spreuk bij een windvlaag ten hemel wijst, wordt een gebed opgezonden.
Wij zagen dat volgens de Boeddhisten Avalokitesvara in de gemeente
woont. Boven alles echter woont deze in den Dalai-Lama, den
Boeddhistischen paus in Tibet, en de chutuktu's, zooveel als zijn
kardinalen. Deze paus is Adi-Boeddha's plaatsvervanger op aarde,
onfeilbaar is hij niet alleen, maar ook is hij wereldlijk vorst over
Tibet, evenals voorheen de paus overeen deel der Christenheid.
Dat de overeenkomst met Rome groot is, is door tal van Roomsche
zendelingen erkend, sommigen van hen gingen zoover, dat zij zeiden:
de duivel heeft hier het werk van God nagemaakt.
De eerwaarde pater Desideri, die in het jaar 1714 Tibet bezocht,
zegt: "De lama's hebben eene tonsuur evenals onze priesters en zijn
tot levenslangen ongehuwden staat verplicht. Zij bestudeeren hunne
geschriften in een taal en in letters, die van de gewone teekens
verschillen. Zij zeggen gebeden in koor. Zij dienen den tempel,
bieden offeranden aan en houden de lampen altijd brandende. Aan
God offeren zij koren en gerst, deeg en water in kleine vazen, die
zeer schoon worden gehouden. Het voedsel dat alzoo geofferd wordt,
beschouwen zij als gewijd, en zij eten het."
Ook zekere pater Grueber, die in 1661 Tibet doorreisde, was er door
getroffen. "Hij merkte op, dat de kleedij der lama's overeenkwam
met die, welke ons in oude schilderstukken van de Apostelen
is overgeleverd. Ten tweede, dat de tucht der kloosters en der
verschillende priesterklassen zeer gelijkt op die der Roomsche
kerk. In de derde plaats, dat het denkbeeld van een vleeschwording
evenals het geloof aan paradijs en vagevuur aan beiden gemeen is. In
de vierde plaats merkte hij op dat zij offers gaven en aalmoezen,
diensten hielden en gebeden opzeiden voor de dooden, evenals de
Roomsch-Catholieken. In de vijfde plaats, hadden zij nabij Lhassa
kloosters, door dertig duizend monniken en nonnen bewoond, welke
allen, behalve nog andere geloften, die van armoede, gehoorzaamheid
en kuischheid aflegden: evenals de Roomsche. In de zesde plaats
hadden zij biechtvaders, die van de hoogere lama's of bisschoppen
hun bevoegdheid ontvingen en die daardoor de macht hadden de biecht
te hooren, boetedoeningen op te leggen en absolutie te geven. Ook
hadden zij de gewoonte gewijd water te gebruiken, bij hun diensten
om beurten te zingen, voor de dooden te bidden."
Gemelde pater meende daarom, dat dit alles niet mogelijk was,
tenzij de oude boeken der lama's den invloed van het Christendom
hadden ondergaan. Wij kunnen dit gevoelen niet deelen: veeleer komt
het ons voor dat aan het omgekeerde is te denken. Doch: dit punt
hier te behandelen, hoe belangrijk het zij, (want er is inderdaad
overeenstemming tusschen de persoon, de legende, de latere ontwikkeling
der leer bij Christus en Boeddha) ligt niet op onzen weg. Alleen willen
wij nog een beschrijving geven van een godsdienstoefening, zooals
men die houdt in den hoofdtempel van het Tibetaansche Boeddhisme,
de kathedraal te Lhassa.
"Door een ruime hal, waarin men gewijd water en rozenkransen kan
koopen, en waar vier beelden der aartsengelen staan, komt men den
tempel binnen. De muren zijn bedekt met ruw bewerkte schilderijen
uit de legende van Boeddha. Het dak wordt gedragen door zes zware
pilaren, met snijwerk versierd. De kerk zelf is een lang schip: door
twee rijen pilaren van twee zijvleugels en door zilveren opengewerkte
schermen van twee groote koren gescheiden. In ieder dier zijvleugels
zijn veertien kapellen. Aan het einde der kerk is de heilige plaats,
bevattend vijftien tafels, met juweelen voorzien, met mystieke
zinnebeelden van Sang-Sara en andere scheppingen van Boeddhistische
metaphysica. In de verste nis bevindt zich in een overwelfde ruimte
het beeld van den vergoodden Gautama Boeddha.
"Ter linkerzijde daarvoor is de troon van den Dalai-Lama, ter
rechterzijde van den Pantschen Lama. Daarbij, in rangorde, langzaam
in glans verminderend, de zetels der Chutuktu's (kardinalen), abten
en der achttien orden van de lagere geestelijkheid.
"Tegenover het beeld is het hoog altaar of de offertafel: verscheiden
treden boven de vloer; met trappen toegankelijk. Op de bovenste
trappen staan gouden, zilveren en steenen beelden, op de lagere trappen
klokken, lampen, wierookhouders en andere gewijde gereedschappen.
"Op het geluid van een hoorn of trompet verzamelt zich de
geestelijkheid in den ingang (de straks genoemde hal) in
ambtsgewaad. Bij het derde trompetgeschal zet de stoet zich in
beweging, met den levenden Boeddha aan het hoofd. Als deze levende
Boeddha op zijn troon is gezeten buigt ieder der priesters driemaal
voor hem en gaat dan met gekruiste beenen op den divan zitten,
overeenkomstig zijn rang. Een bel klinkt en allen zeggen op: de drie
toevluchten, [124] de tien voorschriften [125] en andere formules. Na
eenige stilte gaat wederom de bel en langere stukken uit de heilige
boeken worden door de priesters in koor gezongen. Als het een feestdag
is, wordt het hoogtepunt van den dienst bereikt in het Tuisol, of
gebed voor heiliging, als de offers zijn gezegend.
"Een bel klinkt, en al de monniken heffen luide een gebedshymne
aan, waarin gevraagd wordt dat de geesten van al de Boeddha's mogen
tegenwoordig zijn.
"Een van hen heft boven zijn hoofd een spiegel, naar het schijnt om
hierop het beeld van den geest op te vangen, als deze verschijnt; een
tweede heft een drinkkan op, een derde een mystiek zinnebeeld van de
wereld, een vierde een schaal; en nog andere geheiligde gereedschappen
en mystieke symbolen.
"Onderwijl worden de stemmen der zangers en het geluid van bellen,
trommels en trompetten al sterker, en de kerk wordt met wierookwalmen
vervuld.
"De monnik met de drinkkan werpt herhaaldelijk water, met suiker
en saffraan vermengd, over den spiegel. Het water vloeit over den
spiegel naar het zinnebeeld der wereld en wordt beneden in een schaal
opgevangen. Telkens na gebruik wordt de spiegel met een zijden doek
afgeveegd.
"Het mengsel wordt nu in een andere kruik gedaan: enkele droppels
bevochtigen de handen der dienstdoende monniken die er de kroon van hun
geschoren kruin, hun voorhoofd en hun borst mee aanraken. Eerbiedig
slikt hij dan de overblijvende droppels in, en zoo doende, meent hij
op mystieke wijze deel te verkrijgen aan het goddelijk wezen, welks
beeld opgevangen is op den spiegel, waarover het water is geloopen."
Tot zoover over het Lamaïsme. Wat een afstand scheidt ons hier van
den verheven stichter zelf, die, wars van ceremoniën en plechtigheid,
door zelfverzaking en overpeinzing den weg vond tot den grooten
Vrede. Helaas, dat ditzelfde verschijnsel ons overal treft, welken
godsdienst wij ook beschouwen: straks zullen wij het ook elders
zien. Doch: kàn dat anders? Kan een frissche bergstroom zuiver blijven
tusschen vuile moerassen? Kan het reine denken, het zuiver gevoelen
blijven wonen in een onreine, gebrekkige menschheid?
Hoe hooger dan ook de volken stonden, des te meer wordt de zuivere
geest bewaard: meer is er van Boeddha's geest gebleven in Birma dan
in Tibet. Toch: de schat is er nog wel, ook in dat laatste land, al
wordt zij daar opgeborgen in aarden vaten die er niet bij passen. Niet
te vergeefs leefden de groote denkers en strijders der menschheid.