M. a. w. de nonnen hebben zeer weinig in te brengen.

Moeten de nonnen dus in alles de monniken raadplegen, toch moet een

strenge scheiding bewaard blijven. Geen monnik, die voor de nonnen

moet prediken mag hun huis betreden, behalve indien hij eene kranke

moet toespreken. Geen monnik mag met een non op weg zijn, op een

schip zijn, naast haar zitten zonder getuigen.

Nog verdient de aandacht dat de nonnen niet--zooals monniken in

Boeddhistische landen soms doen--mogen leven in de eenzaamheid van

het woud.

Komen die geboden alleen voor uit het denkbeeld van de

"minderwaardigheid" der vrouw? Ja en neen. Neen voorzoover het een

groote dwaling zou zijn om te meenen dat de vrouwen in landen waar

het Boeddhisme zuiver wordt beleden een soort slavinnen zouden zijn,

dat is althans in Birma volstrekt niet het geval: de vrouw heeft daar

in het burgerlijke gelijke rechten schier als de man.

De Birmaan zegt echter van de vrouw ten opzichte van zijn godsdienst:

de vrouw begrijpt het zoo niet.--En--dat is het ook. De vrouwen in

Birma zijn van een zachte, teeder- hartstochtelijke, liefhebbende

natuur; hun vrouwelijk gemoedsleven komt feitelijk in verzet tegen

sommige artikelen van hun geloof. Zij hebben een groote bewondering

voor Yaçodhara, de vrouw van den Verlichte. Die was godsdienstig,

maar 't brak haar hart, dat zij scheiden moest van haar geliefde:

dat kòn zij niet begrijpen. Zoo nu zijn de vrouwen in Birma nog. Zij

werken mede met alle macht om bedwelmende dranken en het dooden van

dieren tegen te gaan. Zij volgen nauwgezet de voorschriften van den

godsdienst op: maar, zegt Fielding, indien de godsdienst haar zegt:

"Verlaat al wat gij liefhebt, alles waaraan uw hart gehecht is,

want het is ijdel: zie het licht en bereid uwe ziel voor den Grooten

Vrede," dan deinzen zij terug: "Heer, dat kunnen wij niet, het zou

te vreeselijk voor ons zijn."

Een man die in Birma afstand doet van de wereld wordt geprezen, een

vrouw niet. Ook bij de vrouwen zijn nonnen niet in aanzien, wie tot

den Groote Vrede zal komen moet eerst als man worden wedergeboren.

Der vrouwen gemoed teekent echter een zeker protest aan tegen de

hardheid der Boeddhistische leer.

Dat blijkt ook bij 't gebed: Bidden--dat is voor den Boeddhist

geenszins spreken tot God, opdat hij wenschen verhoore: neen, bidden

is overpeinzen van den weg des heils: is zich vertrouwd maken met de

eeuwige wetten der gerechtigheid. Er wordt niet gebeden, om den Boeddha

goed te doen, maar om de liefde tot hem op te wekken in 't hart.

Toch: Boeddhistische vrouwen bidden soms anders. Fielding verhaalt:

[114] "Ik herinner mij dat ik eens op het terras van een beroemde

pagode stond, de gouden torenspits voor mij en gebeeldhouwde altaren

rondom en daar een vrouw zag liggen, haar aangezicht naar de pagode

gekeerd. Zij bad vurig, zóó vurig dat haar woorden verstaanbaar waren,

want zij stoorde zich aan niemand, zoo bedroefd was zij; en wat zij

vroeg was dit: dat haar kind, haar kleintje niet sterven zou. Zij hield

het kleine kindje in haar armen, en als zij er naar keek waren haar

oogen vol tranen. Want het was heel ziek, de ledematen waren niets

dan vel en been, met dikke knieën en ellebogen, en het gezichtje was

geheel uitgeteerd. Het was zelfs te zwak om belang te stellen in al

de nieuwe dingen rondom: het opende alleen nu en dan ternauwernood

even de vermoeide oogjes.

"Geef dat hij herstelle, geef dat hij gezond worde," riep de vrouw

telkens weer.

Tot wien smeekte zij? Ik weet het niet.

"Mijn heer, er moet wel iemand zijn. Iemand. Een geest, die 't hooren

kan. Wie weet het? Er zal toch wel iemand mij helpen? De menschen

zouden mij helpen, als zij konden, maar zij kunnen niet; er moet toch

wel iemand zijn?"

Zoo bidden Boeddhistische vrouwen meermalen. "Vrouwen" zeggen de

monniken "begrijpen het nooit--"

Hebben wij hier niet op treffende wijze het liefderijk hart van de

vrouw, dat niet tevreden is met eenige wetten, die alles besturen,

dat niet, ook niet voor een hoog ideaal, scheiden wil van wien zij

innig liefheeft? En--hoe hoog wij Boeddha stellen: brengt dit toch

niet aan 't licht dat er in zijn godsdienst is, ik zeg niet gemis

van welwillendheid, maar van warmte?

Ongemerkt zijn wij zoo van de monniken gekomen tot de leeken. Eigenlijk

zijn dezen geen lid der gemeente, de gemeente is er eene van

monniken. Toch: zij zijn onderwezen in de leer van den Verlichte,

zij nemen bij hem en zijne leer hunne toevlucht, de vijf geboden

[115] zijn hun heilig.

Doch een soort lidmaatschap van een kerk hebben zij niet. De eenige

censuur die over hen wordt uitgeoefend is deze: dat de monniken geen

gaven van hen aannemen als zij zich zeer hebben vergrepen.

Hoe openbaart zich het Boeddhisme bij de leeken? O. a. hierin dat

zij den regentijd in 't bizonder, gelijk wij reeds zagen, wijden

aan godsdienstoefeningen, ook dat zij des Zondags--vooral ook in den

regentijd--in rusthuizen samenkomen, daar komt somtijds dan ook een

monnik een gedeelte uit de heilige boeken voorlezen, om dan telkens

weer peinzend te herhalen en te overdenken, dat het leven slechts is

"ellende, moeite, verdriet."

Of zij daarom overigens zoo terneergedrukt zijn? Neen. Hun leven

gaat gewoonlijk voort in kalme onbezorgdheid. Jacht naar rijkdom is

met name den Birmaan geenszins eigen. Heeft hij zich eenig fortuin

vergaderd, dan laat hij rusthuizen inrichten, pagoden versieren,

kloosters bouwen en dergelijke. Van ons Westersch sparen en garen

weet hij niet af. Waartoe zou hij het doen? Waarom zich 't leven

moeilijk te maken? Zij hebben voorts weinig behoeften, hun leven

is--in overeenstemming met den geest van hun godsdienst--evenver van

weelde als van zelfkastijding.

Als wij Birma en zijn bewoners beschouwen, dan moeten wij erkennen

dat de Boeddhisten--hier heb ik ook op de leeken het oog--meer van hun

geloof in het leven terecht brengen dan de Christenen van het hunne. Is

dat omdat het geloof beter is? Neen, maar omdat het Christendom,

zooals wij het vaak opvatten, veel verder afstaat van het eigenlijke

Christendom, dan der Birmanen Boeddhisme van den geest des Verlichten.

In de eerste plaats is hun geloof praktisch. Boeddha sprak weinig of

niet over God, niet omdat hij niet in Hem geloofde, maar omdat hij

bij voorkeur niet verder ging dan zijn waarneming, die slechts kon

komen tot de wet der gerechtigheid. Zoo doen ook zijn volgelingen. 't

Is den monniken zelfs ongeoorloofd zich met het bovennatuurlijke in

te laten en het ligt ook niet zeer in den geest der leeken.

Wat hun levensopvatting betreft: liefde en medelijden wordt onder hen

aangetroffen, de oorlog is in hun oog een gruwel, 't kan niet in hen

opkomen die met Boeddha of het Nirvana te verbinden, zooals soms de

Christenen doen, die vaandels "wijden" en den God der heirscharen

aanroepen, terwijl Jezus sprak: "die het zwaard nemen zullen door

het zwaard vergaan." Goede soldaten vormt het Boeddhisme niet, ook

daarom niet, omdat het denkbeeld van discipline in strijd is met hun:

"ieder werkt zijn eigen heil".

Dat individueele toont zich ook op andere wijze eigenaardig. Als

gij een weg betreedt, die u straks over een wrakke brug voert, zal

niemand u waarschuwen. Als gij in het water u werpt, zal niemand u

redden tegen uw zin, als gij niet om hulp roept: ongevraagde raad

geldt voor heerschzucht.

Dat zelfde individueele treedt ook in hun leer over straf en boete

op den voorgrond. Van Boeddha heeft men geen godheid gemaakt die de

straf voor anderen onderging. Geen plaats is hier ook voor vergeving

in den alledaagschen zin: de gevolgen van het kwaad moet ieder boeten,

dat is een eeuwige wet, een onontkoombaar iets. Doch wie geboet heeft,

heeft ook zijn straf ondergaan, en is er niet minder, doch beter om.

Hoe men dat anders--en naar mij voorkomt beter begrijpt dan wij--kwam

uit in de volgende gebeurtenis, die eenige jaren geleden in Rangoon

geschiedde. [116]

Een Engelsch officier verloor eenige banknoten. Het bleek dat een

der bedienden ze gestolen had: hij werd gearresteerd en bekende. De

officier had gaarne de aanklacht ingetrokken, doch dat kon niet. De

jongen werd gestraft, ofschoon zijn meester hem gaarne "de schande

der gevangenis" had bespaard.

Zes maanden werd hij opgesloten. De meester vergat het geval, doch,

na 't eindigen van den straftijd kwam de jongen, blij en opgewekt,

bij zijn meester terug.

Hij vond dat het vanzelf sprak dat hij weer in dienst zou worden

genomen. Hij had immers zijn straf nu ondergaan!

De ander wilde hem echter niet weer hebben, hij had "in de gevangenis

gezeten". En--of de jongen sprak--dat hij "langen tijd" was gestraft

geweest, het mocht niet baten.

Wie had hier zuiverder moraal? De Boeddhist of de Christen? 't Kan

dunkt me aan geen twijfel onderhevig zijn, maar 't bewijst wel dat

de Christenen hun eigen geloof, althans de zoo bekende gelijkenis

van den verloren zoon, nog maar slecht verstaan.

Voor ons verbasterd inzicht is straf slechts een vernedering, die wij

liefst ons zelf en anderen moeten besparen, voor den ander was zij

boete: reiniging der ziel--in overeenstemming immers met zijn geloof,

dat ons de wet der gerechtigheid leert, die ons door lijden ten slotte

voert tot den Grooten Vrede.

Als wij dit indenken, begrijpen wij ook beter het merkwaardige

verschijnsel, dat zelfs aanvoerders van rooverbenden, op wier hoofd

een prijs is gesteld, zich vaak vrijwillig bij den rechter komen

aanmelden. De straf moet immers strekken tot heil?

Dat is het, wat hen ook vrede geeft in 't aangezicht des doods. Geen

eeuwige hel, geen hemel, die zich direct voor hen opent, gaan zij

tegemoet, doch hun volgend leven hangt af van het tegenwoordige: de

hemel is voor den zondaar gesloten, doch niet voor eeuwig. Eenmaal

zullen allen, nadat zij wijsheid geleerd hebben uit het lijden,

tot den Grooten Vrede komen.

Wanneer een Birmaan stervende is komen geen monniken gebeden

zeggen: ook spreken geen bloedverwanten of vrienden met hem over

't hiernamaals. Wat dan? Een vriend zal komen en hem zeggen: Denk

aan de goede daden, die gij gedaan hebt: en die zal hij herinneren,

opdat de oude van dagen bij die vriendlijke herinneringen straks zacht

insluimert. Is dat geen troost voor 't menschenhart? Ook gelooft men

in Birma dat, wanneer de mensch sterft, zijn geheele leven met al

zijn onderdeelen voor zijn oogen komt als een landschap, dat in den

donkren nacht door een bliksemstraal eensklaps geheel verlicht wordt.

En--dit geloof rust--in 't voorbijgaan merk ik dat op--inderdaad

op goede gronden: met name personen die den dood door verdrinking

nabij waren hebben van zichzelf iets dergelijks getuigd, gelijk vele

westersche waarnemingen uitwijzen.

Moeten wij ten slotte niet dankbaar erkennen dat ook het licht van

Azië een schoon en heerlijk schijnsel geeft voor der menschen voet,

ook al zijn we niet blind voor zijn eenzijdige kleur? En is niet dit

vooral de groote kracht van de Boeddhistische leer, dat wel het kwaad

in zijn boosheid, het goede in zijn heerlijkheid wordt erkend, maar

dat alle loonzucht hier over boord is geworpen en men in stede van

een uitwendige vergelding erkent een eeuwige, onwankelbare ordening,

die rust en vrede geeft aan 't hart, dat uitgaat naar liefde en plicht,

doch duisternis aan wie haten en onrecht doen?

Geen godsdienst kunnen wij ons voorstellen, geschikt voor de kinderen

van ons geslacht, of in deze dingen moet hij bij Boeddha ter schole

gaan.

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 17 / 78 题