VI. Het Boeddhisme in de praktijk.

Reeds vroeger hebben wij er over gesproken dat de gemeente van Boeddha

feitelijk een monnikengemeente is: zoodat wie ernstig naar het licht

tracht, monnik moet worden.

Dat monnikendom is echter gansch iets anders, dan wij Westerlingen

zouden denken. Een monnik: onwillekeurig denken wij dan aan de

Roomsch-Catholieke monniken, personen, die evenals de geheele

priesterschap met een wijding zijn bekleed, waardoor zij als

tusschenpersonen gelden tusschen God en den mensch. Zoo iets vinden

wij, waar het Boeddhisme ook maar eenigszins zuiver is bewaard

gebleven, niet. Hun monniken deelen geen Sacramenten uit, dragen

geen sleutelen van hemel en hel: zelf moet de mensch de weg des

heils zoeken en vinden. Aan niemand heeft in de oogen van Boeddha's

volgelingen de Allerhoogste zijn gezag in handen gegeven: Hij werkt

door eeuwige wetten: zijn wil is kenbaar in de wet van oorzaak en

gevolg, die iedereen kan verstaan. De monniken vormen eenvoudig een

vrije broederschap, welke ten doel heeft den weg te volgen, die tot

de bevrijding leidt.

Zoo was het van den aanvang af. Niet lang na den dood des Verhevenen

vroeg een minister van koning Ajatasattu aan Ananda: "Is, vereerde

Ananda, een bepaalde monnik door den vereerde aangewezen, van wien

hij gezegd heeft: deze zal na mijn dood uw toevlucht zijn?"

Ananda antwoordde ontkennend. "Heeft dan," vervolgde de minister,

"de gemeente een bepaalden monnik benoemd, heeft een aantal oudsten

van hem verordend: "Hij zal na den dood des Verhevenen onze toevlucht

zijn?" Ook nu antwoordde Ananda ontkennend. En de ander vervolgt:

"Wanneer het u aan een toevlucht ontbreekt, vereerde Ananda, hoe is

er dan eenheid onder u?" "Het ontbreekt ons niet aan een toevlucht,

o Brahmaan, wij hebben een toevlucht, de leer."

M.a.w. geen hiërarchie of iets dergelijks. Zoo was het voorheen,

zoo is het nog onder Boeddha's volgelingen. En in weerwil (of juist

daardoor?) daarvan is der monniken leven van de dagen van den Verlichte

af tot nu toe vrijwel hetzelfde gebleven. Als wij vergelijken, wat

Fielding vertelt over de monniken van het tegenwoordig Boeddhisme in

Birma en Oldenberg over die van de eerste tijden, dan schijnt bijna

alles hier zuiver bewaard te zijn gebleven.

We willen u dan over der monniken eigenaardig leven een en ander

meedeelen. In de eerste plaats merken wij op, dat, in het algemeen,

de toegang tot de gemeente (Sangha) voor ieder openstaat.

"Geopend zij voor allen de poort der eeuwigheid, wie ooren heeft,

hij hoore en geloove 't woord."

Toch wordt voor sommigen een uitzondering gemaakt. B.v. voor die aan

ernstige lichaamsgebreken of krankheden lijden, voor zware misdadigers,

voor soldaten, schuldenaars en lijfeigenen, niet omdat deze laatste

drie minder geacht werden, maar omdat hier de rechten van derden

zouden worden verkort. Voorts mochten zonen niet in de orde gaan

zonder toestemming der ouders en konden kinderen eerst met het 12e

jaar voorloopig, met hun 20e jaar vol lid worden. Voorloopig en vol

lid, bij jeugdigen van jaren kan dat eerst na eenige jaren op elkaar

volgen. Bij ouderen volgt de voorloopige opname als lid en de erkenning

als vol medelid spoedig op elkaar. De eerste wijding heet Pabbaja

(het uitgaan, n.l. uit de wereld), de tweede Upasampada (het inkomen).

Bij de eerste treedt enkel de candidaat zelf handelend op, bij de

tweede is het de gemeente, die hem opneemt. Een en ander ging en gaat

nog in hoofdzaak aldus in zijn werk. De candidaat verklaart bij het

Pabbaja, dat hij deel wil uitmaken van de gemeente, eene verklaring,

die ook een oudere monnik voor hem doen kan. Hij trekt daarop het gele

gewaad aan, laat zich haar en baard scheren en spreekt tot de andere

monnik(en): "Ik neem mijn toevlucht bij Boeddha. Ik neem mijn toevlucht

bij Dharma (de leer). Ik neem mijn toevlucht bij Sangha (de gemeente)."

Daarop volgt dan later, soms al spoedig, de eigenlijke opname,

waardoor hij dus vol gemeentelid wordt.

Dit gaat ongeveer in deze voege. Voor de verzamelde monniken spreekt

de candidaat: "Ik bid de gemeente, eerwaardigen, om de wijding. Moge

de gemeente, eerwaardigen, mij tot zich opheffen, moge zij zich

mijner erbarmen. Ten tweede en ten derde male verzoek ik de gemeente,

eerwaardigen, om de wijding. Moge de gemeente, eerwaardigen, mij tot

zich opheffen, moge zij zich mijner erbarmen. Dan volgt een soort

verhoor. Er wordt gevraagd: "Hoort gij mij N......? Nu is de tijd

voor u gekomen om waar en recht te spreken. Ik vraag u, hoe het met

u is. Wat zoo is moet gij van zeggen: het is zoo, wat niet zoo is,

daarvan moet gij zeggen: het is niet zoo. Zijt gij met een der volgende

ziekten behept: melaatschheid, kropgezwel, witte uitslag, tering,

vallende ziekte? Zijt gij een mensch? [104] Zijt gij een man? Zijt

gij uw eigen heer? Hebt gij schulden? Staat gij niet in koninklijken

dienst? Hebt gij verlof van vader en moeder? Zijt gij volle twintig

jaar oud? Hebt gij de aalmoezenschaal en de kleederen? Hoe heet

gij? Hoe heet uw leermeester?"

Is nu het antwoord op al deze vragen bevredigend, dan wordt tot

driemaal toe aan de gemeente het verzoek overgebracht hem de wijding

te geven. "De gemeente hoore mij, eerwaardigen. Hier N..... wenscht

als leerling van N. N. [105] de wijding te ontvangen. Hij

is vrij van verhindering. Hij heeft een aalmoezenschaal en de

kleedingstukken. N. vraagt de gemeente om wijding met N. N. als zijn

leermeester. De gemeente verleent aan N. de ordening met N. N. als

leermeester. Wie van de eerwaardigen er voor stemt dat aan N. de

wijding wordt gegeven met N. N. als leermeester, die zwijge, wie er

tegen is, spreke."

Komt na drievoudige herhaling geen tegenspraak, dan is de candidaat

aangenomen en het heet: "N. heeft van de gemeente de wijding ontvangen

met N. N. als zijn leermeester. De gemeente is er voor, zij zwijgt,

alzoo neem ik dit aan."

Nu stelt men, door de schaduw te meten, den tijd vast, waarop de

candidaat is opgenomen en deelt hem vervolgens mede de vier regelen

der gestrengheid in het uiterlijk leven, luidende aldus:

"De spijs van hem, die uit het huis naar het leven zonder tehuis is

gegaan, zullen zijn de beten, die hij door bedelen verkrijgt. Zijn

gewaad zal gemaakt zijn uit de lompen, die hij verzamelt. Zijn

legerstede zal zijn onder de boomen des wouds. [106] Zijn medicijn

zal zijn de stinkende urine van vee." Bereiden vrome leeken hem een

maal: verleenen zij hem kleeding, onderdak, geneesmiddelen: 't is niet

verboden die aan te nemen, doch de rechte en wettige levenswijze van

den monnik is deze gestrengheid van het bedelaarsleven. Dan worden

hem meegedeeld de vier groote verboden, door welke te overtreden een

monnik zichzelf uit de gemeente uitstoot:

1. "Een geordende monnik mag geen geslachtsomgang hebben, ook niet met

een dier. De monnik, die geslachtsomgang heeft, is geen monnik meer,

hij is geen leerling van den zoon van Sakya. Evenals een mensch, wien

het hoofd is afgeslagen, met den romp niet leven kan, zoo is ook een

monnik, die geslachtsomgang heeft, geen monnik meer, geen leerling

van den zoon van Sakya. Daarvan moet gij uw leven lang u verre houden."

2. "Een geordende monnik mag niet nemen wat hem niet gegeven is

(wat men diefstal noemt) ook geen grashalm. De monnik, die een pada

[107] of de waarde van een pada of meer dan een pada ongegeven neemt

(wat men diefstal noemt) is geen monnik meer: hij is geen leerling

van den zoon van Sakya. Evenals een dor blad, dat van den stengel

is losgegaan, niet meer groenen kan, zoo is ook een monnik, die

een pada of de waarde van een pada of meer ongegeven neemt (wat men

diefstal noemt) geen monnik meer: hij is geen leerling van den zoon

van Sakya. Daarvan moet gij uw leven lang u ver houden."

3. "Een geordende monnik mag niet wetens een dier van het leven

berooven, ook geen worm zelfs of mier. De monnik, die wetens een

menschelijk wezen van het leven berooft, zij het dat hij een ongeboren

kind doodt, is geen monnik meer, hij is geen leerling van den zoon

van den Sakya. Evenals een groote steen, dien men in twee deelen

heeft gespleten, niet meer tot één kan worden gemaakt, zoo is ook enz."

4. "Een geordend monnik mag zich niet beroemen op bovenmenschelijke

volkomenheid, mag zelfs niet zeggen: "Gaarne vertoef ik in een ledig

huis." [108]

"De monnik, die met booze bedoeling en uit begeerlijkheid zich

leugenachtig op bovenmenschelijke volkomenheid beroemt, zij het een

toestand van verzonkenheid, van verrukking, van tot zichzelf inkeeren

(concentratie), van verheffing of van het pad der verlossing, of

van de vrucht der verlossing, hij is geen monnik meer, hij is geen

leerling van den zoon van Sakya. Evenals een afgehouwen palmboom niet

meer groeien kan enz."

Met de voorlezing dezer vier groote verboden is de ordening

geëindigd. Men ziet, dat alle voorzorgen worden genomen, om onwaardigen

te weren en moeilijkheden te voorkomen, doch, van werken op het gevoel,

van mystiek is men hier verre verwijderd.

Het is dan ook geen wijding in een geestelijken stand, die een

onverliesbaar karakter verleent, het is de vrije aansluiting bij eene

broederschap, die men ook weer verlaten kan.

Dit juist maakt dat in het Boeddhistische monnikendom niet die

groote, donkere vlekken zijn te zien, welke de ascese overal met zich

brengt. Wordt een monnik de drang naar de wereld te sterk, valt hem

de strijd tegen de zinlijke neigingen zijner natuur te zwaar, welnu:

niets belet hem heen te gaan.

Het is beter, "de geestelijke oefening vaarwel te zeggen en zijn

zwakheid te erkennen," dan als geestelijke te zondigen.

Zondigt echter de monnik tegen de hoofdgeboden, dan kan hij door

de gemeenschap worden uitgestooten. Iets wat echter niet veelmalen

geschiedt, daar een monnik, die tegen zijn regels handelt, zoozeer

door het publiek wordt veracht (een publiek dat zijn aalmoezenschaal

dan niet met voedsel vult) dat hij vanzelf tot heengaan is gedrongen.

Hebben wij gezien hoe de monniken worden opgenomen, aan welke

verplichtingen zij moeten beantwoorden: wij werpen thans een blik op

hun dagelijksch leven.

We merkten reeds op dat het leven der monniken zich door eenvoud moet

kenmerken: doch, niet zoo dat het in overdreven gestrengheid ontaardt.

Dit komt in alles uit. Eenvoudig zijn ook tegenwoordig in

Birma--een land, waar het Boeddhisme vrij zuiver de oude traditiën

heeft bewaard--de kloostergebouwen doch vriendelijk door boomen

omgeven. Naast het klooster vindt men pagoden: koepelvormige

verhevenheden, die het graf van den meester voorstellen: waarbij

men nederknielt om gedeelten uit de heilige boeken op te zeggen:

soms reeds in den vroegen morgen, als het nauwelijks dag is.

Binnen in het klooster, dat meestal niet heel groot is en van hout

gebouwd, ziet men een beeld van den Verlichte, doch van hem alleen:

andere heiligen kent men niet. Verder gewone dingen voor huiselijk

gebruik, soms enkele boeken. Want eigendom mag een monnik niet

bezitten: geen geld of goed, geen artikelen van weelde.

Iederen morgen doen de monniken--bij ieder dorp in Birma is

een klooster--hun rondgang door het dorp. Den blik op den grond

geslagen, de aalmoezenschaal in de hand, gaan zij van huis tot huis,

zwijgend staan zij een oogenblik voor de deur, en als zij voedsel

ontvangen--geld mogen zij onder geen beding aannemen--gaan zij

zwijgend weer verder. Voor den middag zijn ze weer in 't klooster

terug. Dan volgt de maaltijd: waarbij dan het 's morgens verzamelde:

meestal rijst, wordt gebruikt. Dat is de eenige maaltijd: op andere

tijden voedsel te gebruiken is den monnik niet geoorloofd.

Na den maaltijd mogen de monniken zich niet meer naar het dorp begeven,

wel mogen zij in hun klooster personen ontvangen. Trouwens: dat moet

wel, in Birma toch is ook het onderricht der jeugd geheel in handen

van de monniken. Deze zijn het, die haar leeren lezen en schrijven en

haar gedeelten uit de heilige boeken van buiten doen leeren. Voorts is

ook een groot deel van den dag aan lezen en overwegen van de heilige

boeken en aan stille overpeinzing gewijd. Arbeid in den gewonen zin

des woords: arbeid der handen wordt echter door de monniken niet

verricht, bedelen is hun onderhoud. Die bedelaars staan echter, al

bemoeien zij zich noch met de politiek, noch met de regeering--tenzij

om soms voor verdrukten te pleiten--in hooge eer. Met "heer" worden

zij aangesproken, ook door de voornaamsten des lands. En als een

aanzienlijk man een monnik ontmoet zal hij de knie buigen en den

monnik laten voorbijgaan.

Zoo gaat het dagelijksch leven der monniken in stilte en kalmte

voorbij. Slechts enkele malen wordt de eentonigheid daarvan onderbroken

door dat zij ter maaltijd worden uitgenoodigd en ook door 14 daagsche

biechtsamenkomsten. Die biechtsamenkomsten dateeren van oude dagen, de

biechtformule Patimokha is ook zeer oud, wij vermelden die straks. Deze

samenkomsten dan hebben plaats met vollen maan en met nieuwen maan,

op den vastendag, een dag, die dezen naam heeft van ouds, maar waarop

inderdaad door de Boeddhisten niet gevast wordt.

Op deze samenkomsten, waartoe de oudste monnik uit een distrikt

de monniken oproept, komen alle monniken in een der kloosters

bijeen. Niemand mag afwezig blijven: voor krankzinnigen en kranken

moet een der andere broeders verklaren dat zij rein zijn. Kan niemand

die verklaring afleggen, dan draagt men den zieke in zijn stoel ter

vergadering, of: men komt bij zijn bed tezamen. Doch nooit mag deze

heilige vergadering onvoltallig zijn.

Bij 't licht der fakkels--de vergadering heeft in den avond

plaats--nemen alle monniken op hunne bestemde plaatsen zitting. Geen

leek, candidaat of non mag hierbij tegenwoordig zijn. Daarop draagt

één der monniken, bij voorkeur de oudste, de Patimokha voor: de

biechtformule.

Hij spreekt dan aldus: "De gemeente, eerwaardigen, moge mij

hooren. Heden is het vastendag, de 15e der halve maand. Als de

gemeente bereid is moge zij vastendag houden en de biechtformule

hooren voordragen. Wat moet de gemeente van te voren doen? Spreek de

verklaring der reinheid uit, gij eerwaardigen. Ik wil de biechtformule

voordragen."

De gemeente antwoordt: "Wij allen die hier zijn, hooren en bedenken

deze wel."

"Wie een fout gepleegd heeft," gaat de voordragende voort, "moge haar

bekennen. Wie geen fout heeft moge zwijgen. Uit uw zwijgen zou ik

afleiden, dat de eerwaardigen rein zijn." Evenals een enkel mensch,

wanneer hem een vraag is gesteld, antwoorden moet, zoo is het ook bij

zulk een vergadering, als de vraag driemaal is gesteld. Een monnik,

die op een driemaal herhaalde vraag een fout, die hij gepleegd

heeft en die hij zich herinnert, niet bekent, is aan leugen, wetens

begaan, schuldig. "Wetens uitgesproken leugens, eerwaardigen, brengen

verwoesting, heeft de verhevene gezegd. Daarom moet een monnik, die

iets misdreven heeft, zich dat herinnert en daarvan rein begeert te

worden, zijn fout bekennen. Wat hij bekent zal hem licht vallen."

Daarna wordt de biechtformule uitgesproken, eerst worden genoemd de

vier hoofdzonden, die uitgaan uit de gemeente met zich brengen. Alzoo

wordt gehandeld over geslachtsgemeenschap, diefstal, moord en de

aanmatiging van geestelijke volkomenheid. Vervolgens komt de driemaal

herhaalde vraag: "Ik vraag de eerwaardigen: "zijt gij van deze zonden

rein?" Ten tweeden maal vraag ik: "Zijt gij rein?" Ten derden maal

vraag ik: "Zijt gij rein?" Als alles zwijgt is het antwoord: "Rein zijn

hieraan de eerwaardigen, daarom zwijgen zij, aldus neem ik dit aan.""

Daarop worden andere zonden opgenoemd: zulke, die een terugzetting met

zich brengen; vervolgens andere, die door de bekentenis zelve kunnen

worden verzoend. Wel twee honderd verschillende artikelen, die zich

over het geheele leven uitstrekken worden dan opgesomd. Daarin wordt

tot in kleinigheden afgedaald, doch ook kleinigheden hebben soms groote

beteekenis. Zoo ging het in oude dagen onder Boeddha's volgelingen,

zoo gaat het nog.

Een bizondere, eigenaardige beteekenis had, reeds van oude dagen af,

de regentijd, die in Indië ongeveer van Juni tot October duurt. Die

tijd was voor reizend prediken ongeschikt en werd dus doorgebracht in

stille teruggetrokkenheid. Was hij ten einde, dan kwamen de leerlingen

plechtig te zamen. Allen zaten zij neder, in eerbiedige houding op

den grond, met gevouwen handen hun medebroeder smeekend, om, indien

hij in dien tijd een schuld had begaan, deze te noemen. "Ik noodig,"

zoo heet het, "de gemeente uit, om, indien gij iets van mij gezien

of gehoord hebt, of verdenking tegen mij koestert, erbarmen met mij

te hebben en te spreken, als ik het inzie, zal ik er boete voor doen."

Zoo was in oude dagen die regentijd een tijd voor godsdienstige

bespiegeling en inkeer tot zichzelf. En--zoo is het ook nu nog. In

Birma is dat nog de tijd, zooals Fielding [109] het uitdrukt, om den

grond te bereiden voor het gewas, de zielen voor de eeuwigheid. Dan

leven ook vele leeken op de wijze der monniken. Zij eten voor den

middag en onthouden zich van tabak. Geen spelen zijn er dan, geen

huwelijken worden er gesloten. Ook worden dan de zondagsbijeenkomsten

[110] veel talrijker bezocht dan anders.

In Ceylon brengt ook de "wastijd" eigenaardige gebruiken met zich. De

monniken verlaten hun gewone huizen en leven in kleine hutten, door

de boeren daarvoor opzettelijk gebouwd. Zij houden dan een reeks

diensten, bestaande in voorlezingen uit de Pitaka's, [111] de heilige

boeken, waarnaar dan oud en jong, arm en rijk komt luisteren. Onder

de boomen wordt een platform opgericht: overdekt, doch aan de kanten

open, en met kleeden en bloemen versierd. Daaromheen zitten allen dan

aandachtig neder, en vooral naar de lezing der Yataka's, de vroegere

levens van Boeddha, wordt met groote belangstelling gehoord.

Overigens wordt in de meeste Boeddhistische streken aan wat wij

prediken zouden noemen weinig of niet gedaan. Wel komt in Birma des

Zondags veelal een monnik in een rusthuis--overal heeft men daar

rusthuizen langs de wegen, meest door milddadigheid ten behoeve van

het publiek geschonken--een gedeelte uit de heilige boeken voorlezen.

Een soort predik- of priesterambt bekleedt echter de Boeddhistische

monnik niet: niemand denkt er b.v. in Birma aan een monnik bij een

stervende te roepen, om b.v. gebeden te zeggen. Het zijn dan ook

geen tusschenpersonen tusschen God en den mensch, maar personen,

die, in vrije broederschap den weg bewandelen, die tot den grooten

vrede voert. Ook hun godsvereering is zeer eenvoudig: althans

wanneer we daar laten het Boeddhisme, zooals het in Tibet optreedt,

waar het geheel en al--beter kunnen wij het niet met een enkel woord

uitdrukken--tot een Roomsch-Catholiek gekleurd Boeddhisme is geworden,

met een paus, offers, plechtige, geheimzinnige ceremonies enz. Maar dat

vertegenwoordigt allerminst den eigenlijken geest van dezen godsdienst.

De monnik in Birma bepaalt zich tot het uitspreken van gewijde

teksten bij de pagode, waarin vooral de erkentenis dat alles ellende

en verdriet is op den voorgrond treedt. Ook bij de godsdienstige

feesten aldaar--het groote godsdienstige feest heeft plaats na den

regentijd--is er weinig ander ceremonieel. Monniken en leeken komen

in de pagodes bidden, bloemen en geschenken worden aan de monniken

gegeven, de klokjes der groote pagoden luiden met vriendelijken klank:

doch niets van een statigen eeredienst, die trouwens in het kader

van het Boeddhisme niet zou passen.

Wel werden reeds vroeg in eere gehouden vier heilige plaatsen, met

den stichter van den godsdienst in verband staande: de plaats waar

Boeddha is geboren, die waar hem de hoogste verlichting ten deel viel,

die waar hij het "rad der gerechtigheid draaide" m. a. w. het eerst

predikte, die waar hij het Nirvana inging.

We spraken tot nu toe enkel over monniken, doch er zijn ook

Boeddhistische nonnen--hoewel veel minder in getal: de vrouwen

hebben daarin geen lust, al ontbreekt het hun overigens geenszins

aan godsdienstige belangstelling. Is het soms ook omdat de nonnen

zoover beneden de monniken zijn gesteld? Boeddha zelf had trouwens

geen lust om een nonnenorde in 't leven te roepen, [112] maar werd

door de omstandigheden daartoe gedwongen.

Wat de nonnen betreft, van haar heet het o. a. "Een non, al is zij

ook sinds honderd jaar geordend, moet iederen monnik, al is deze eerst

dien dag geordend, de eerbiedige begroeting brengen, voor hem opstaan,

de gevouwen handen verheffen, hem naar behooren eeren. Deze ordening

moet zij achten, heilig houden, bewaren, eeren, en haar leven lang

niet overtreden." [113]

In hetzelfde geschrift wordt haar ook voorgeschreven dat zij den

regentijd niet mogen doorbrengen in een distrikt, waar zich geen

monniken bevinden, dat zij iedere halve maand de monniken over de

biecht moeten raadplegen en hun om de prediking van het heilige

woord verzoeken.

Ook bij het zelfonderzoek na den regentijd moeten zij de monniken

door een bode doen vragen of dezen niets hebben in te brengen, enz.

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 16 / 78 题