Reeds vroeger hebben wij er over gesproken dat de gemeente van Boeddha
feitelijk een monnikengemeente is: zoodat wie ernstig naar het licht
tracht, monnik moet worden.
Dat monnikendom is echter gansch iets anders, dan wij Westerlingen
zouden denken. Een monnik: onwillekeurig denken wij dan aan de
Roomsch-Catholieke monniken, personen, die evenals de geheele
priesterschap met een wijding zijn bekleed, waardoor zij als
tusschenpersonen gelden tusschen God en den mensch. Zoo iets vinden
wij, waar het Boeddhisme ook maar eenigszins zuiver is bewaard
gebleven, niet. Hun monniken deelen geen Sacramenten uit, dragen
geen sleutelen van hemel en hel: zelf moet de mensch de weg des
heils zoeken en vinden. Aan niemand heeft in de oogen van Boeddha's
volgelingen de Allerhoogste zijn gezag in handen gegeven: Hij werkt
door eeuwige wetten: zijn wil is kenbaar in de wet van oorzaak en
gevolg, die iedereen kan verstaan. De monniken vormen eenvoudig een
vrije broederschap, welke ten doel heeft den weg te volgen, die tot
de bevrijding leidt.
Zoo was het van den aanvang af. Niet lang na den dood des Verhevenen
vroeg een minister van koning Ajatasattu aan Ananda: "Is, vereerde
Ananda, een bepaalde monnik door den vereerde aangewezen, van wien
hij gezegd heeft: deze zal na mijn dood uw toevlucht zijn?"
Ananda antwoordde ontkennend. "Heeft dan," vervolgde de minister,
"de gemeente een bepaalden monnik benoemd, heeft een aantal oudsten
van hem verordend: "Hij zal na den dood des Verhevenen onze toevlucht
zijn?" Ook nu antwoordde Ananda ontkennend. En de ander vervolgt:
"Wanneer het u aan een toevlucht ontbreekt, vereerde Ananda, hoe is
er dan eenheid onder u?" "Het ontbreekt ons niet aan een toevlucht,
o Brahmaan, wij hebben een toevlucht, de leer."
M.a.w. geen hiërarchie of iets dergelijks. Zoo was het voorheen,
zoo is het nog onder Boeddha's volgelingen. En in weerwil (of juist
daardoor?) daarvan is der monniken leven van de dagen van den Verlichte
af tot nu toe vrijwel hetzelfde gebleven. Als wij vergelijken, wat
Fielding vertelt over de monniken van het tegenwoordig Boeddhisme in
Birma en Oldenberg over die van de eerste tijden, dan schijnt bijna
alles hier zuiver bewaard te zijn gebleven.
We willen u dan over der monniken eigenaardig leven een en ander
meedeelen. In de eerste plaats merken wij op, dat, in het algemeen,
de toegang tot de gemeente (Sangha) voor ieder openstaat.
"Geopend zij voor allen de poort der eeuwigheid, wie ooren heeft,
hij hoore en geloove 't woord."
Toch wordt voor sommigen een uitzondering gemaakt. B.v. voor die aan
ernstige lichaamsgebreken of krankheden lijden, voor zware misdadigers,
voor soldaten, schuldenaars en lijfeigenen, niet omdat deze laatste
drie minder geacht werden, maar omdat hier de rechten van derden
zouden worden verkort. Voorts mochten zonen niet in de orde gaan
zonder toestemming der ouders en konden kinderen eerst met het 12e
jaar voorloopig, met hun 20e jaar vol lid worden. Voorloopig en vol
lid, bij jeugdigen van jaren kan dat eerst na eenige jaren op elkaar
volgen. Bij ouderen volgt de voorloopige opname als lid en de erkenning
als vol medelid spoedig op elkaar. De eerste wijding heet Pabbaja
(het uitgaan, n.l. uit de wereld), de tweede Upasampada (het inkomen).
Bij de eerste treedt enkel de candidaat zelf handelend op, bij de
tweede is het de gemeente, die hem opneemt. Een en ander ging en gaat
nog in hoofdzaak aldus in zijn werk. De candidaat verklaart bij het
Pabbaja, dat hij deel wil uitmaken van de gemeente, eene verklaring,
die ook een oudere monnik voor hem doen kan. Hij trekt daarop het gele
gewaad aan, laat zich haar en baard scheren en spreekt tot de andere
monnik(en): "Ik neem mijn toevlucht bij Boeddha. Ik neem mijn toevlucht
bij Dharma (de leer). Ik neem mijn toevlucht bij Sangha (de gemeente)."
Daarop volgt dan later, soms al spoedig, de eigenlijke opname,
waardoor hij dus vol gemeentelid wordt.
Dit gaat ongeveer in deze voege. Voor de verzamelde monniken spreekt
de candidaat: "Ik bid de gemeente, eerwaardigen, om de wijding. Moge
de gemeente, eerwaardigen, mij tot zich opheffen, moge zij zich
mijner erbarmen. Ten tweede en ten derde male verzoek ik de gemeente,
eerwaardigen, om de wijding. Moge de gemeente, eerwaardigen, mij tot
zich opheffen, moge zij zich mijner erbarmen. Dan volgt een soort
verhoor. Er wordt gevraagd: "Hoort gij mij N......? Nu is de tijd
voor u gekomen om waar en recht te spreken. Ik vraag u, hoe het met
u is. Wat zoo is moet gij van zeggen: het is zoo, wat niet zoo is,
daarvan moet gij zeggen: het is niet zoo. Zijt gij met een der volgende
ziekten behept: melaatschheid, kropgezwel, witte uitslag, tering,
vallende ziekte? Zijt gij een mensch? [104] Zijt gij een man? Zijt
gij uw eigen heer? Hebt gij schulden? Staat gij niet in koninklijken
dienst? Hebt gij verlof van vader en moeder? Zijt gij volle twintig
jaar oud? Hebt gij de aalmoezenschaal en de kleederen? Hoe heet
gij? Hoe heet uw leermeester?"
Is nu het antwoord op al deze vragen bevredigend, dan wordt tot
driemaal toe aan de gemeente het verzoek overgebracht hem de wijding
te geven. "De gemeente hoore mij, eerwaardigen. Hier N..... wenscht
als leerling van N. N. [105] de wijding te ontvangen. Hij
is vrij van verhindering. Hij heeft een aalmoezenschaal en de
kleedingstukken. N. vraagt de gemeente om wijding met N. N. als zijn
leermeester. De gemeente verleent aan N. de ordening met N. N. als
leermeester. Wie van de eerwaardigen er voor stemt dat aan N. de
wijding wordt gegeven met N. N. als leermeester, die zwijge, wie er
tegen is, spreke."
Komt na drievoudige herhaling geen tegenspraak, dan is de candidaat
aangenomen en het heet: "N. heeft van de gemeente de wijding ontvangen
met N. N. als zijn leermeester. De gemeente is er voor, zij zwijgt,
alzoo neem ik dit aan."
Nu stelt men, door de schaduw te meten, den tijd vast, waarop de
candidaat is opgenomen en deelt hem vervolgens mede de vier regelen
der gestrengheid in het uiterlijk leven, luidende aldus:
"De spijs van hem, die uit het huis naar het leven zonder tehuis is
gegaan, zullen zijn de beten, die hij door bedelen verkrijgt. Zijn
gewaad zal gemaakt zijn uit de lompen, die hij verzamelt. Zijn
legerstede zal zijn onder de boomen des wouds. [106] Zijn medicijn
zal zijn de stinkende urine van vee." Bereiden vrome leeken hem een
maal: verleenen zij hem kleeding, onderdak, geneesmiddelen: 't is niet
verboden die aan te nemen, doch de rechte en wettige levenswijze van
den monnik is deze gestrengheid van het bedelaarsleven. Dan worden
hem meegedeeld de vier groote verboden, door welke te overtreden een
monnik zichzelf uit de gemeente uitstoot:
1. "Een geordende monnik mag geen geslachtsomgang hebben, ook niet met
een dier. De monnik, die geslachtsomgang heeft, is geen monnik meer,
hij is geen leerling van den zoon van Sakya. Evenals een mensch, wien
het hoofd is afgeslagen, met den romp niet leven kan, zoo is ook een
monnik, die geslachtsomgang heeft, geen monnik meer, geen leerling
van den zoon van Sakya. Daarvan moet gij uw leven lang u verre houden."
2. "Een geordende monnik mag niet nemen wat hem niet gegeven is
(wat men diefstal noemt) ook geen grashalm. De monnik, die een pada
[107] of de waarde van een pada of meer dan een pada ongegeven neemt
(wat men diefstal noemt) is geen monnik meer: hij is geen leerling
van den zoon van Sakya. Evenals een dor blad, dat van den stengel
is losgegaan, niet meer groenen kan, zoo is ook een monnik, die
een pada of de waarde van een pada of meer ongegeven neemt (wat men
diefstal noemt) geen monnik meer: hij is geen leerling van den zoon
van Sakya. Daarvan moet gij uw leven lang u ver houden."
3. "Een geordende monnik mag niet wetens een dier van het leven
berooven, ook geen worm zelfs of mier. De monnik, die wetens een
menschelijk wezen van het leven berooft, zij het dat hij een ongeboren
kind doodt, is geen monnik meer, hij is geen leerling van den zoon
van den Sakya. Evenals een groote steen, dien men in twee deelen
heeft gespleten, niet meer tot één kan worden gemaakt, zoo is ook enz."
4. "Een geordend monnik mag zich niet beroemen op bovenmenschelijke
volkomenheid, mag zelfs niet zeggen: "Gaarne vertoef ik in een ledig
huis." [108]
"De monnik, die met booze bedoeling en uit begeerlijkheid zich
leugenachtig op bovenmenschelijke volkomenheid beroemt, zij het een
toestand van verzonkenheid, van verrukking, van tot zichzelf inkeeren
(concentratie), van verheffing of van het pad der verlossing, of
van de vrucht der verlossing, hij is geen monnik meer, hij is geen
leerling van den zoon van Sakya. Evenals een afgehouwen palmboom niet
meer groeien kan enz."
Met de voorlezing dezer vier groote verboden is de ordening
geëindigd. Men ziet, dat alle voorzorgen worden genomen, om onwaardigen
te weren en moeilijkheden te voorkomen, doch, van werken op het gevoel,
van mystiek is men hier verre verwijderd.
Het is dan ook geen wijding in een geestelijken stand, die een
onverliesbaar karakter verleent, het is de vrije aansluiting bij eene
broederschap, die men ook weer verlaten kan.
Dit juist maakt dat in het Boeddhistische monnikendom niet die
groote, donkere vlekken zijn te zien, welke de ascese overal met zich
brengt. Wordt een monnik de drang naar de wereld te sterk, valt hem
de strijd tegen de zinlijke neigingen zijner natuur te zwaar, welnu:
niets belet hem heen te gaan.
Het is beter, "de geestelijke oefening vaarwel te zeggen en zijn
zwakheid te erkennen," dan als geestelijke te zondigen.
Zondigt echter de monnik tegen de hoofdgeboden, dan kan hij door
de gemeenschap worden uitgestooten. Iets wat echter niet veelmalen
geschiedt, daar een monnik, die tegen zijn regels handelt, zoozeer
door het publiek wordt veracht (een publiek dat zijn aalmoezenschaal
dan niet met voedsel vult) dat hij vanzelf tot heengaan is gedrongen.
Hebben wij gezien hoe de monniken worden opgenomen, aan welke
verplichtingen zij moeten beantwoorden: wij werpen thans een blik op
hun dagelijksch leven.
We merkten reeds op dat het leven der monniken zich door eenvoud moet
kenmerken: doch, niet zoo dat het in overdreven gestrengheid ontaardt.
Dit komt in alles uit. Eenvoudig zijn ook tegenwoordig in
Birma--een land, waar het Boeddhisme vrij zuiver de oude traditiën
heeft bewaard--de kloostergebouwen doch vriendelijk door boomen
omgeven. Naast het klooster vindt men pagoden: koepelvormige
verhevenheden, die het graf van den meester voorstellen: waarbij
men nederknielt om gedeelten uit de heilige boeken op te zeggen:
soms reeds in den vroegen morgen, als het nauwelijks dag is.
Binnen in het klooster, dat meestal niet heel groot is en van hout
gebouwd, ziet men een beeld van den Verlichte, doch van hem alleen:
andere heiligen kent men niet. Verder gewone dingen voor huiselijk
gebruik, soms enkele boeken. Want eigendom mag een monnik niet
bezitten: geen geld of goed, geen artikelen van weelde.
Iederen morgen doen de monniken--bij ieder dorp in Birma is
een klooster--hun rondgang door het dorp. Den blik op den grond
geslagen, de aalmoezenschaal in de hand, gaan zij van huis tot huis,
zwijgend staan zij een oogenblik voor de deur, en als zij voedsel
ontvangen--geld mogen zij onder geen beding aannemen--gaan zij
zwijgend weer verder. Voor den middag zijn ze weer in 't klooster
terug. Dan volgt de maaltijd: waarbij dan het 's morgens verzamelde:
meestal rijst, wordt gebruikt. Dat is de eenige maaltijd: op andere
tijden voedsel te gebruiken is den monnik niet geoorloofd.
Na den maaltijd mogen de monniken zich niet meer naar het dorp begeven,
wel mogen zij in hun klooster personen ontvangen. Trouwens: dat moet
wel, in Birma toch is ook het onderricht der jeugd geheel in handen
van de monniken. Deze zijn het, die haar leeren lezen en schrijven en
haar gedeelten uit de heilige boeken van buiten doen leeren. Voorts is
ook een groot deel van den dag aan lezen en overwegen van de heilige
boeken en aan stille overpeinzing gewijd. Arbeid in den gewonen zin
des woords: arbeid der handen wordt echter door de monniken niet
verricht, bedelen is hun onderhoud. Die bedelaars staan echter, al
bemoeien zij zich noch met de politiek, noch met de regeering--tenzij
om soms voor verdrukten te pleiten--in hooge eer. Met "heer" worden
zij aangesproken, ook door de voornaamsten des lands. En als een
aanzienlijk man een monnik ontmoet zal hij de knie buigen en den
monnik laten voorbijgaan.
Zoo gaat het dagelijksch leven der monniken in stilte en kalmte
voorbij. Slechts enkele malen wordt de eentonigheid daarvan onderbroken
door dat zij ter maaltijd worden uitgenoodigd en ook door 14 daagsche
biechtsamenkomsten. Die biechtsamenkomsten dateeren van oude dagen, de
biechtformule Patimokha is ook zeer oud, wij vermelden die straks. Deze
samenkomsten dan hebben plaats met vollen maan en met nieuwen maan,
op den vastendag, een dag, die dezen naam heeft van ouds, maar waarop
inderdaad door de Boeddhisten niet gevast wordt.
Op deze samenkomsten, waartoe de oudste monnik uit een distrikt
de monniken oproept, komen alle monniken in een der kloosters
bijeen. Niemand mag afwezig blijven: voor krankzinnigen en kranken
moet een der andere broeders verklaren dat zij rein zijn. Kan niemand
die verklaring afleggen, dan draagt men den zieke in zijn stoel ter
vergadering, of: men komt bij zijn bed tezamen. Doch nooit mag deze
heilige vergadering onvoltallig zijn.
Bij 't licht der fakkels--de vergadering heeft in den avond
plaats--nemen alle monniken op hunne bestemde plaatsen zitting. Geen
leek, candidaat of non mag hierbij tegenwoordig zijn. Daarop draagt
één der monniken, bij voorkeur de oudste, de Patimokha voor: de
biechtformule.
Hij spreekt dan aldus: "De gemeente, eerwaardigen, moge mij
hooren. Heden is het vastendag, de 15e der halve maand. Als de
gemeente bereid is moge zij vastendag houden en de biechtformule
hooren voordragen. Wat moet de gemeente van te voren doen? Spreek de
verklaring der reinheid uit, gij eerwaardigen. Ik wil de biechtformule
voordragen."
De gemeente antwoordt: "Wij allen die hier zijn, hooren en bedenken
deze wel."
"Wie een fout gepleegd heeft," gaat de voordragende voort, "moge haar
bekennen. Wie geen fout heeft moge zwijgen. Uit uw zwijgen zou ik
afleiden, dat de eerwaardigen rein zijn." Evenals een enkel mensch,
wanneer hem een vraag is gesteld, antwoorden moet, zoo is het ook bij
zulk een vergadering, als de vraag driemaal is gesteld. Een monnik,
die op een driemaal herhaalde vraag een fout, die hij gepleegd
heeft en die hij zich herinnert, niet bekent, is aan leugen, wetens
begaan, schuldig. "Wetens uitgesproken leugens, eerwaardigen, brengen
verwoesting, heeft de verhevene gezegd. Daarom moet een monnik, die
iets misdreven heeft, zich dat herinnert en daarvan rein begeert te
worden, zijn fout bekennen. Wat hij bekent zal hem licht vallen."
Daarna wordt de biechtformule uitgesproken, eerst worden genoemd de
vier hoofdzonden, die uitgaan uit de gemeente met zich brengen. Alzoo
wordt gehandeld over geslachtsgemeenschap, diefstal, moord en de
aanmatiging van geestelijke volkomenheid. Vervolgens komt de driemaal
herhaalde vraag: "Ik vraag de eerwaardigen: "zijt gij van deze zonden
rein?" Ten tweeden maal vraag ik: "Zijt gij rein?" Ten derden maal
vraag ik: "Zijt gij rein?" Als alles zwijgt is het antwoord: "Rein zijn
hieraan de eerwaardigen, daarom zwijgen zij, aldus neem ik dit aan.""
Daarop worden andere zonden opgenoemd: zulke, die een terugzetting met
zich brengen; vervolgens andere, die door de bekentenis zelve kunnen
worden verzoend. Wel twee honderd verschillende artikelen, die zich
over het geheele leven uitstrekken worden dan opgesomd. Daarin wordt
tot in kleinigheden afgedaald, doch ook kleinigheden hebben soms groote
beteekenis. Zoo ging het in oude dagen onder Boeddha's volgelingen,
zoo gaat het nog.
Een bizondere, eigenaardige beteekenis had, reeds van oude dagen af,
de regentijd, die in Indië ongeveer van Juni tot October duurt. Die
tijd was voor reizend prediken ongeschikt en werd dus doorgebracht in
stille teruggetrokkenheid. Was hij ten einde, dan kwamen de leerlingen
plechtig te zamen. Allen zaten zij neder, in eerbiedige houding op
den grond, met gevouwen handen hun medebroeder smeekend, om, indien
hij in dien tijd een schuld had begaan, deze te noemen. "Ik noodig,"
zoo heet het, "de gemeente uit, om, indien gij iets van mij gezien
of gehoord hebt, of verdenking tegen mij koestert, erbarmen met mij
te hebben en te spreken, als ik het inzie, zal ik er boete voor doen."
Zoo was in oude dagen die regentijd een tijd voor godsdienstige
bespiegeling en inkeer tot zichzelf. En--zoo is het ook nu nog. In
Birma is dat nog de tijd, zooals Fielding [109] het uitdrukt, om den
grond te bereiden voor het gewas, de zielen voor de eeuwigheid. Dan
leven ook vele leeken op de wijze der monniken. Zij eten voor den
middag en onthouden zich van tabak. Geen spelen zijn er dan, geen
huwelijken worden er gesloten. Ook worden dan de zondagsbijeenkomsten
[110] veel talrijker bezocht dan anders.
In Ceylon brengt ook de "wastijd" eigenaardige gebruiken met zich. De
monniken verlaten hun gewone huizen en leven in kleine hutten, door
de boeren daarvoor opzettelijk gebouwd. Zij houden dan een reeks
diensten, bestaande in voorlezingen uit de Pitaka's, [111] de heilige
boeken, waarnaar dan oud en jong, arm en rijk komt luisteren. Onder
de boomen wordt een platform opgericht: overdekt, doch aan de kanten
open, en met kleeden en bloemen versierd. Daaromheen zitten allen dan
aandachtig neder, en vooral naar de lezing der Yataka's, de vroegere
levens van Boeddha, wordt met groote belangstelling gehoord.
Overigens wordt in de meeste Boeddhistische streken aan wat wij
prediken zouden noemen weinig of niet gedaan. Wel komt in Birma des
Zondags veelal een monnik in een rusthuis--overal heeft men daar
rusthuizen langs de wegen, meest door milddadigheid ten behoeve van
het publiek geschonken--een gedeelte uit de heilige boeken voorlezen.
Een soort predik- of priesterambt bekleedt echter de Boeddhistische
monnik niet: niemand denkt er b.v. in Birma aan een monnik bij een
stervende te roepen, om b.v. gebeden te zeggen. Het zijn dan ook
geen tusschenpersonen tusschen God en den mensch, maar personen,
die, in vrije broederschap den weg bewandelen, die tot den grooten
vrede voert. Ook hun godsvereering is zeer eenvoudig: althans
wanneer we daar laten het Boeddhisme, zooals het in Tibet optreedt,
waar het geheel en al--beter kunnen wij het niet met een enkel woord
uitdrukken--tot een Roomsch-Catholiek gekleurd Boeddhisme is geworden,
met een paus, offers, plechtige, geheimzinnige ceremonies enz. Maar dat
vertegenwoordigt allerminst den eigenlijken geest van dezen godsdienst.
De monnik in Birma bepaalt zich tot het uitspreken van gewijde
teksten bij de pagode, waarin vooral de erkentenis dat alles ellende
en verdriet is op den voorgrond treedt. Ook bij de godsdienstige
feesten aldaar--het groote godsdienstige feest heeft plaats na den
regentijd--is er weinig ander ceremonieel. Monniken en leeken komen
in de pagodes bidden, bloemen en geschenken worden aan de monniken
gegeven, de klokjes der groote pagoden luiden met vriendelijken klank:
doch niets van een statigen eeredienst, die trouwens in het kader
van het Boeddhisme niet zou passen.
Wel werden reeds vroeg in eere gehouden vier heilige plaatsen, met
den stichter van den godsdienst in verband staande: de plaats waar
Boeddha is geboren, die waar hem de hoogste verlichting ten deel viel,
die waar hij het "rad der gerechtigheid draaide" m. a. w. het eerst
predikte, die waar hij het Nirvana inging.
We spraken tot nu toe enkel over monniken, doch er zijn ook
Boeddhistische nonnen--hoewel veel minder in getal: de vrouwen
hebben daarin geen lust, al ontbreekt het hun overigens geenszins
aan godsdienstige belangstelling. Is het soms ook omdat de nonnen
zoover beneden de monniken zijn gesteld? Boeddha zelf had trouwens
geen lust om een nonnenorde in 't leven te roepen, [112] maar werd
door de omstandigheden daartoe gedwongen.
Wat de nonnen betreft, van haar heet het o. a. "Een non, al is zij
ook sinds honderd jaar geordend, moet iederen monnik, al is deze eerst
dien dag geordend, de eerbiedige begroeting brengen, voor hem opstaan,
de gevouwen handen verheffen, hem naar behooren eeren. Deze ordening
moet zij achten, heilig houden, bewaren, eeren, en haar leven lang
niet overtreden." [113]
In hetzelfde geschrift wordt haar ook voorgeschreven dat zij den
regentijd niet mogen doorbrengen in een distrikt, waar zich geen
monniken bevinden, dat zij iedere halve maand de monniken over de
biecht moeten raadplegen en hun om de prediking van het heilige
woord verzoeken.
Ook bij het zelfonderzoek na den regentijd moeten zij de monniken
door een bode doen vragen of dezen niets hebben in te brengen, enz.