V. De weg des heils.

We hebben in het vorige hoofdstuk de hoofdzaken der Boeddhistische

leer in het oog gevat, de menschheid in leed verzonken, de uitweg,

die naar het Nirvana voert. De vraag komt nu echter: waarlangs voert

ons die weg? M. a. w. wij zijn nu aan de behandeling van de vierde

der heilige waarheden genaderd, de weg, die tot opheffing van het

lijden voert: Reeds hebben wij vermeld dat de weg tot opheffing van

het lijden is het heilige achtvoudig pad, dat is: recht geloof, recht

besluiten, recht woord, rechte daad, recht leven, recht streven,

recht gedenken, recht bespiegelen. Welnu, drie stations zijn er,

die wij op dien weg achtereenvolgens moeten passeeren, wij kunnen

ze noemen: rechtschapenheid, bespiegeling (inkeeren tot zichzelf),

wijsheid. Allereerst dus rechtschapenheid, d. w. z. zich van alles wat

boos en onrein is verre houden. Deze rechtschapenheid openbaart zich

in de opvolging der vijf volgende geboden, die niet alleen gelden voor

de eigentlijke volgelingen, de monniken, maar voor alle vereerders van

den Boeddha. Zij zijn: 1. geen levend wezen dooden, 2. aan niemands

eigendom zich vergrijpen, 3. de vrouw van een ander niet aanraken,

4. geen onwaarheid spreken, 5. geen bedwelmende dranken drinken.

Wij moeten erkennen, dat inderdaad deze geboden door Boeddha's

volgelingen zeer nauwgezet worden nageleefd. Niet alleen dat de

Boeddhistische monnik van een soort zeef voorzien is, opdat hij bij

het drinken van water niet het leven van een insect vernietige,

neen, ook de leek, die eerbied heeft voor den Verhevene zal geen

dier dooden, evenmin zijn vleesch eten. De Birmanen maken slechts

voor één soort adder een uitzondering, een die den mensch moedwillig

aanvalt en waarvan een hunner spreekwoorden zegt: als zij u eerst

ziet, doodt zij u, als gij haar eerst ziet, doodt gij haar. En ook de

andere geboden, met name het niet gebruiken van bedwelmende dranken,

worden streng nagekomen.

Ook worden zij niet slechts negatief opgevat. De Boeddhist doodt

niet alleen geen dieren, maar is ook vervuld met liefde voor al wat

leeft. Zeer op den voorgrond komt ook het vergelden van kwaad met goed,

men denke b.v. aan de vroeger verhaalde geschiedenis van Kunala. [94]

Vooral uit practisch oogpunt worden deze deugden aanbevolen. "Door

niet te toornen overwint men den toorn, het booze overwint men door

het goede, den gierige overwinne men met gaven, door waarheid overwinne

men den leugenaar." [95]

Welwillendheid wordt door Boeddha op eigenaardige wijze in het

voorbeeld van zijn eigen leven aanbevolen. Hij zegt [96] "Na den

maaltijd, als ik van het aalmoezen verzamelen ben teruggekeerd, begeef

ik mij naar het woud. Dan stapel ik kruiden en grassen opeen en zet

mij daarop neder, met gekruiste beenen, het lichaam recht opgericht,

het gelaat met waakzaam denken omgeven. Zoo zit ik daar, terwijl ik

de kracht der welwillendheid, die mijn geest vervult, zich over één

wereldstreek laat uitstrekken, daarna over den tweeden, den derde

en vierde, [97] naar boven, naar beneden, in schuine richting, naar

alle kanten, op alle wegen van de gansche wereld laat ik de kracht

der welwillendheid, die mijn geest vervult, die groote onmetelijke,

die van geen haat weet, die naar geen schade tracht, zich uitstrekken."

Aan zulk een geestelijke oefening in welwillendheid wordt een

groote kracht toegekend, we zouden zeggen: een soort telepathische

kracht. Zou dat trouwens ook niet zoo zijn, zou niet een mensch,

die al zijn gedachten op wat rein en goed is concentreert als 't

ware een atmosfeer van liefde rondom zich bewerken? Hebben dat ook

geen voorbeelden uit den nieuwen tijd bewezen? Doch: laat ons hooren

welke voorbeelden de Boeddhisten er van verhalen.

Eens verzoekt Ananda aan den verhevene dat hij Roja, een niet voor

de leer van Boeddha gewonnen edelman van het huis der Malla's,

tot het geloof en de orde mocht bekeeren. "Dat is niet moeilijk

voor den voleindigde, o Ananda, om te maken dat Roja de Malla voor

dit geloof en deze orde gewonnen wordt." Toen richtte de Verhevene

op Roja de kracht zijner welwillendheid, stond van zijn zitplaats

op en ging in het huis. En Roja, door den verhevene met de kracht

van zijne welwillendheid getroffen, ging, evenals een koe, die haar

kalfje zoekt, van huis tot huis, van monnik tot monnik, vragende:

"Waar, o eerwaardigen, is op het oogenblik de Verhevene, de heilige,

hoogste Boeddha? Ik begeer hem te zien, den verhevenen, heiligen,

hoogsten Boeddha." [98]

Die kracht der welwillendheid wordt ook aangeprezen tegen slangen en

wilde dieren. Boeddha verhaalt van een zijner vroegere levens: "In het

woud, op eene berghelling leefde ik, mijn naam was Sama... Leeuwen en

tijgers trok ik door de kracht mijner welwillendheid tot mij. Omgeven

van leeuwen en tijgers, van panters, beren en buffels, van gazellen

en evers, verbleef ik in het woud. Geen dier was voor mij bevreesd en

ook ik vreesde voor geen dier. De kracht van de welwillendheid is mijn

bescherming, zoo blijf ik op de berghelling." Doet Boeddha hier niet

denken aan Franciscus van Assisi, den eenige onder de heiligen der

Katholieke Kerk, bij wie zich ook zulk een diep gevoel van sympathie,

zulk een heilig meegevoelen vertoont met al wat leeft?

Naast de welwillendheid wordt ook zeer den nadruk gelegd op de

weldadigheid. Zij wordt aangeprezen, niet zoozeer omdat zij anderen

tot heil is, als wel omdat zij wie haar beoefent verder brengt op

den weg des heils.

Men denke b.v. aan de vroeger vermelde geschiedenis van Wessantara

[99], waarin deze alles ten offer brengt, doch niet voor doeleinden,

die ons Westerlingen kunnen bevredigen. Wie, dat is hier de kiem der

leer, zichzelf het grootste offer oplegt, doet ook de grootste stap

tot het heil.

Toch: noch rechtschapenheid, noch welwillendheid, noch weldadigheid

kunnen er ons brengen. Zij bereiden slechts voor: Eerst wanneer door

deze deugden het hart is gereinigd, wordt men geschikt om den verderen

weg des levens te verstaan.

Weldadigheid, welwillendheid, rechtschapenheid: zij zijn dus niet

bovenal van gewicht, omdat zij anderen tot heil zijn, maar omdat zij

de ziel reinigen.

Ze moeten echter op den weg tot den groote vrede door andere--nog

meer innerlijke deugden--worden gevolgd. Vandaar, dat zich hierbij

aansluiten: beheersching der zinnen, waakzaamheid, opmerkzaamheid

en gemis van behoeften. Wat het eerste betreft: daarmede wordt niet

zoozeer bedoeld een op zijn hoede zijn voor verzoekingen als wel het

achtgeven op zijn oog, zijn oor, tot zijn ademhalen toe. Denkelijk

wordt dit aangeprezen als een soort van geestelijke gymnastiek: een

oefening om meester te worden over al zijn levensverrichtingen. [100]

Wat de opmerkzaamheid aangaat wordt vooral gewaarschuwd tegen toegeven

aan haat of lust. Als de monnik zoover komt, dat op den weg naar het

dorp (waar hij rondgaat om aalmoezen te ontvangen) geen lust of haat

hem bezielt tegen diegenen, die hij zwijgend aanschouwt of hoort,

dan mag hij zeggen: "Zalig de man, die aan het goede zijne zinnen

gewend heeft." Want aan niets te hechten: in den hemel of op aarde:

daarom is het te doen.

Gemakkelijk valt het echter niet om daartoe te geraken: het

Boeddhisme kent ook een duivel: Mara. Soms wordt hij voorgesteld

als een persoonlijk wezen, die Boeddha en zijn rijk bestrijdt:

doch bij meer wijsgeerig ontwikkelde Boeddhisten geldt hij als de

onpersoonlijke wereldmacht, die overal lust en begeerte opwekt en

daardoor den dood werkt.

Men herinnert zich dat hij ook in de geschiedenis van Boeddha zelf

een rol speelt. Zijne verzoeking van Boeddha doet soms denken aan

die van Jezus door den duivel. Evenals deze Jezus het bekoorlijke wil

doen gevoelen van aardsche macht, zoo komt ook Mara tot den Verhevene.

"Op zekeren tijd, zoo luidt dit verhaal, hield de verhevene in

het land Kosala in de Himalaya, in een woudhut, verblijf. Toen de

verhevene zich daar in de eenzaamheid had teruggetrokken, steeg in

zijn geest deze gedachte op: Voorwaar het is mogelijk als koning

met gerechtigheid te regeeren, zonder dat men doodt of dooden laat,

zonder dat men smart lijdt of anderen smart doet lijden.

Toen zag Mara, de booze, de gedachten die in den geest van den

verhevene waren opgekomen. Hij ging naar den verhevene en sprak:

"Moge, o Heer, de verhevene als koning regeeren, moge de voleindigde

als koning regeeren met gerechtigheid, zonder dat hij doodt of

dooden laat, zonder dat hij verdrukt of verdrukken laat, zonder

dat hij smart lijdt of anderen smart toevoegt." Boeddha antwoordt:

"Wat ziet gij aan mij, gij booze, dat gij aldus tot mij spreekt?"

Mara zegt dan: "De verhevene, Heer, heeft de viervoudige wondermacht

zich eigen gemaakt--als de verhevene, o Heer, wilde, zoo kan hij

willen dat de Himalaya, de koning der bergen, tot goud werd en--hij

zou tot goud worden." Boeddha wijst hem af: wat baat het den wijze

of hij een berg van zilver en goud bezit? Wie het lijden heeft gezien

in zijn oorsprong, hoe kan hij zich wenden tot de begeerte? Wie weet

dat aardsche zin een boei is in deze wereld (nl. die de vrijmaking

tegenhoudt) die moge trachten naar wat hem daarvan vrijmaakt. Toen

zag Mara, de booze: de verhevene kent mij, de voleindigde kent

mij--en mismoedig en bedroefd ging hij heen.-- [101] Een slot, dat

bij dergelijke verhalen over Mara telkens wederkeert.

"Zoo weerstond Boeddha den verzoeker door zijne waakzaamheid, zoo

moeten ook zijn volgelingen hem weerstaan. Het voorbeeld van een

schildpad stelt de Meester hun voor oogen. Wij laten die gelijkenis

hier volgen:

"Er was eens een schildpad, die in den avond naar den oever der

rivier ging om voedsel te zoeken. Ook een jakhals ging des avonds

naar de rivier op buit uit. Toen de schildpad den jakhals zag, kroop

zij in hare schaal en dook zacht en stil in het water. De jakhals

liep er heen en wachtte dat zij een harer leden uit de schaal zou

steken. De schildpad verroerde zich niet, de jakhals moest het opgeven

en ging heen.

"Eveneens, jongeren, loert ook Mara, de booze, voortdurend op u en

denkt: Ik wil door uw oog toegang tot u verkrijgen, of door uw oor,

uw neus, uw tong, uw lichaam of door uw gedachten. Daarom, o jongeren,

bewaar de poorten uwer zinnen, dan zal Mara van u wijken, hij moet

het opgeven, hij vindt geen ingang bij u, evenmin als de jakhals bij

den schildpad." [102]

Zoo staat dan de getrouwe volgeling des verlichten pal; door deugden

gelouterd, door waakzaamheid gesterkt en beveiligd streeft hij naar

het einddoel, den grooten vrede. Geen pasklaar gemaakt geloof, geen

steunen op een verlosser, boven alles eigen krachtsinspanning moet er

hem brengen. Doch, een voorsmaak van den eeuwigen vrede kan hij reeds

hier genieten. Als hij alleen terneder zit in het eenzame woud, als

hij daar zich door inkeeren tot zichzelf losmaakt van lust en booze

neigingen, losmaakt van vreugde en leed, als ten slotte zijn adem

ophoudt, dan bereikt hij een toestand, waarin hij al het aardsche is

ontvloden, vrij van onreinheid, vrij van zonden, vast en onwankelbaar.

In dien toestand wordt alles hem klaarheid. In extase aanschouwt hij

de wandelingen, die hij in 't verleden heeft doorgemaakt, leest hij

de gedachten van anderen. Hij ziet hoe alles ontstaat en vergaat,

straks zal hij ook de laatste schrede doen en wordt hij, door het

ophouden van alle hechten aan het aardsche, van zonde vrij en komt

tot verlossing en heiligheid.

Is dat alles slechts--zooals ook Oldenberg [103] het

voorstelt,--slechts ziekelijke verbeelding? Wie eenigszins bekend is

met de verschijnselen van somnambulisme en extase ook in onzen tijd,

zal dit geenszins beweren, maar zal moeten erkennen, dat er is:

een geestelijk zien, een hoogere verlichting, die juist dan ons

deel wordt, als al 't aardsche verre van ons is en de wereld der

zinnen is gesloten, en dat er dus--ook in deze verzekeringen van het

Boeddhisme--een diepe bron van waarheid is verborgen.

Boeddha zelf treedt op dien weg des heils vrij wel op den

achtergrond. Hij is niet meer dan het voorbeeld dat den leerling sterkt

in zijn strijd. Hij is geen Verlosser, die van buiten af zaligheid

aanbrengt. Neen: hij is de eerste, die worstelend en strijdend het

ware pad des heils heeft gevonden: anderen volgen. Na hem zullen

komen andere Boeddha's, die "het rad der leer in beweging brengen."

Niet zijn persoon maakt zalig, maar zijn leer: die, zoo sprak hij

stervend tot Ananda, is de Meester als ik ben heengegaan. Als zij

die volgen, zullen ook ook zij eenmaal komen tot den Grooten Vrede,

die voor allen bereid is, maar die slechts bereikt kan worden waar

alle hartstocht is gedoofd, waar alle begeeren heeft opgehouden.

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 15 / 78 题