Reeds vroeger [87] hebben wij gezien, dat de hoofdvraag van het
Boeddhisme deze is: Hoe word ik van het lijden verlost? Boeddha
handelt daarover vooral, waar hij de vier heilige waarheden uiteenzet:
en over het lijden, zijn ontstaan, zijn opheffing, en den weg,
die tot opheffing leidt zich uitspreekt. Niet allereerst is dus de
vraag: hoe moet ik de godheid dienen?--of--hoe word ik van zonde
gereinigd?--zooals bij andere godsdiensten--maar, hoe word ik bevrijd
van het lijden? Die vraag staat zoozeer op den voorgrond dat wij in
een der Sutta's [88] als een woord des Meesters vermeld vinden, dat er
veel meer is dat hij erkend heeft en hen niet verkondigd heeft dan wat
hij hun wèl verkondigd heeft. En dat waarom? "Omdat het o jongeren,
u geen gewin brengt, omdat het niet tot afkeer van het aardsche,
tot ondergang van alle lust, tot ophouden van het vergankelijke, tot
vrede, tot inzicht, tot verlichting, tot Nirvana voert: daarom heb
ik het u niet verkondigd. En wat heb ik u verkondigd? Het lijden,
het ontstaan van het lijden, de opheffing van het lijden, den weg
tot opheffing van het lijden."
Hier hebben wij dus de hoofdzaak der leer. De vraag is nu echter: hoe
hebben wij deze in bizonderheden te verstaan? Dit schijnt gemakkelijk
op te lossen, want tal van redenen zijn er in de Boeddhistische boeken
aan gewijd, maar ...... ze hebben vaak het eigenaardige, dat in onze
dagen b.v. aan uiteenzettingen over economie eigen is: eerst schijnt
alles helder, maar langzamerhand komt er een nevel voor uw oogen en
alles wordt u duister. Zoo nu is het hier. Wij willen echter trachten
de hoofdzaken te verstaan.
Allereerst: de waarheid van het lijden. Alles wat leeft is aan 't
lijden onderworpen: geboorte, ouderdom, dood: 't is alles lijden. Van
eeuwigheid af, door vele bestaansvormen heen, gaat de wandeling
(samsara) der levende wezens: door den drang, den dorst naar zijn,
telkens gedreven tot nieuwe wedergeboorten. Een zee van tranen grooter
dan de vier groote wereldzeeën is er geweend. En al dat lijden is aan
het leven noodzakelijk verbonden--"vijf dingen zijn er die geen asceet,
die geen Brahmaan, die geen god, geen Mara noch Brahma, noch eenig
wezen in de wereld kan bereiken. Welke vijf dingen zijn dat? Dat, wat
den ouderdom toebehoort niet veroudert, wat aan ziekte onderworpen is
niet ziek wordt, wat den dood toebehoort niet sterve, wat aan verval
onderhevig is niet vervalle, dat wat vergankelijk is niet verga.
Al het doen der menschen, die aardsch geluk nastreven loopt op lijden
uit, niet slechts als hun arbeid tevergeefsch is, maar ook als zij
het doel bereiken. Hier op aarde ondervonden zij dat lijden het gevolg
is, en als hun lichaam wordt verbroken, dan worden zij in de hel tot
nieuwe kwellingen wedergeboren. Of de mensch zijn lust volgt, of hij
vreugde nastreeft, of hij liefde aankweekt, alles brengt lijden met
zich als onvermijdelijk gevolg. Tot eindelooze wandeling (samsara)
door een woestijn van leed is de mensch veroordeeld.
Droevige levensbeschouwing? Doch wie meent dat een weemoedige stemming
het wezen van het Boeddhistische geloof uitmaakt, zou zich zeer
vergissen. Neen, daar is uitkomst: men kan, alle begeerten afstervend,
komen tot den grooten vrede, tot de eeuwige rust. De ware Boeddhist,
die dien vrede in beginsel heeft gevonden, die zich los heeft gemaakt
van de aarde met haar leed en haar strijd, hij gaat met dezelfde
vreugde het Nirvana tegen als de Christen het eeuwige leven. Zonder
vrees of bekommering leeft hij en sterft hij; de angst voor den dood,
de gehechtheid aan andere dingen, die den Europeaan kenmerkt en hem
zooveel leed veroorzaakt is b.v. van de Birmanen zeer ver. [89]
Men hoore ook de volgende opmerkingen uit Dhammapada, die dit
uitdrukken in alle schoonheid en verhevenheid. "Wiens zinnen in
rust zijn, als paarden, getemd door hun bestuurder, wie de trots van
zich heeft gedaan, wie van onreinheid vrij is, den alzoo voleindigde
benijden de goden zelven.
"In verheven vreugde leven wij, zonder vijand in de wereld der
vijandschap, onder vijandige menschen zijn wij zonder vijandschap.
"In verheven vreugde leven wij, gezond onder de kranken, onder de
kranken verkeerend zonder ziekte.
"In verheven vreugde leven wij, zonder naar iets te trachten onder hen,
die trachten. Onder de menschen die trachten leven wij zonder begeerten
(trachten).
"In verheven vreugde leven wij, hoewel ons niets
toebehoort. Vroolijkheid is onze spijze, evenals die der van licht
stralende goden.
"De monnik, die op een ledige plaats vertoeft, wiens ziel vol vrede
is, hij geniet bovenmenschelijke zaligheid, de waarheid gansch en
al doorschouwend."
Er is dus een uitweg uit het lijden, dat ligt reeds hierin
opgesloten. Nu zijn echter ontstaan en opheffing van het lijden nauw
met elkaar verbonden. Lust en begeerte doen het lijden ontstaan,
vernietiging van lust en begeerte heft het op, zoo zagen wij reeds
bij onze vermelding der vier heilige waarheden. [90] Lust en begeerte
doen het lijden ontstaan, zij voeren tot steeds nieuwe begeerten en
teleurstellingen, zij doen ons volharden in de eindelooze wandeling
(samsara) van leven tot leven. Wie boven alle lust en begeerte
verheven wordt, hij behoeft niet wederom geboren te worden, maar
komt tot het hoogste heil, tot den grooten Vrede. Dat was het licht,
hetwelk Boeddha onder den vijgeboom verkreeg: de dorst, de gulzigheid,
was de veroorzaker van de greep (de wedergeboorte) en dus vernietiging
van dorst (begeerte) het ophouden van het lijden, de verlossing,
het hoogste heil.
Wat is nu echter dat hoogste heil en hoe stelde Boeddha zich die
samsara, die eindelooze wandeling van leven tot leven voor? Ziedaar
twee vragen, die onze aandacht verdienen, omdat zij raken de
hoofdpunten van den godsdienst en omdat hier geleerden, die van het
Boeddhisme een studie hebben gemaakt, in hun inzicht ver uiteen loopen.
Zooals men weet werd de leer der zielsverhuizing reeds door de
Brahmanen gehuldigd. Zij leerden dat in alle schepselen een deel van
den eeuwigen geest woonde, dat verschillende bestaansvormen doorliep
om eindelijk, van alle hartstocht en zonde gelouterd, wederom met den
Algeest (Brahma) vereenigd te worden. Het stoffelijke was vergankelijk,
maar het innerlijke onvergankelijk, dit kwam telkens in een andere
gestalte weer op de wereld terug, en iedere volgende bestaansvorm
beantwoordde, door de wet van Karma (oorzaak en gevolg) aan den
voorafgaande. Zoo oogstte de mensch in ieder volgend leven, wat hij
in een vorig leven had gezaaid. Men zal toestemmen dat zulk een leer
alleen begrijpelijk is, wanneer er iets blijvends, iets geestelijks is,
dat telkens den ondergang van het stoffelijk organisme overleeft om
straks in nieuwe gestalte te verschijnen. Zoo werd het ook inderdaad
door de Brahmanen opgevat. Zij noemden het wezen, dat van den eenen
in den anderen bestaansvorm overging, atman. [91]
Nu vinden wij in de heilige boeken van het Boeddhisme hierover vaak
een gansche andere leer. Men hoore b.v. het volgende gesprek uit de
Samyuttaka Nikaya. Tot Boeddha, lezen wij daar, kwam zekere monnik
Vachagotta, een aanhanger van een andere secte. Hij sprak tot den
Verhevene aldus: "Wat dunkt u, geëerde Gautama, bestaat het ik?" Toen
hij zoo sprak, zweeg de Verhevene. "Hoe dan, Gautama, bestaat het ik
niet?" Wederom zweeg de Verhevene. Toen stond de monnik Vachagotta
van zijn zitplaats op en ging heen.
Toen echter de monnik Vachagotta zich verwijderd had, sprak de
eerwaardige Ananda tot den Verhevene: "Waarom Heer, heeft de Verhevene
op de vraag, dien de monnik Vachagotta deed, niet geantwoord?
"Indien ik, Ananda, toen de monnik Vachagotta mij vroeg: Bestaat het
ik, geantwoord had: Het ik is, zoo zou ik, Ananda, bekrachtigd hebben
de leer van de Samana's en Brahmanen, die aan de onvergankelijkheid
gelooven. Als ik, Ananda, toen de monnik Vachagotta mij vroeg:
Bestaat het ik niet? geantwoord had, het ik bestaat niet, zoo zou ik
bekrachtigd hebben de leer van de Samana's en Brahmanen, die aan de
vernietiging gelooven [92]. Als ik, Ananda, toen de monnik Vachagotta
mij vraagde: Bestaat het ik? geantwoord had: het ik bestaat, had mij
dat, Ananda, gediend om in hem het inzicht te werken: "Alle "wezens"
(Dhamna) zijn niet ik"? Dat had het niet, heer. Als ik echter Ananda,
toen de monnik mij vraagde: Bestaat het ik niet? geantwoord had: Het
ik bestaat niet, zoo zou dat nu, Ananda, slechts uitgewerkt hebben dat
de monnik Vachagotta in nog grootere verwarring was gekomen en denken
zou: Mijn ik, bestond het vroeger niet? Nu is het echter niet meer."
Men ziet, veel verder wordt de quaestie hier eigenlijk niet
gebracht. Het is: ja en neen tegelijk. Alleen schijnt toch een soort
vernietiging het einde. Dit is trouwens ook in overeenstemming met
de wijze, waarop in tal van andere Boeddhistische teksten het wezen
van den mensch wordt beschreven. Daar toch is geen sprake van een
ik, als het inwendig geestelijk wezen, dat door de zintuigen met de
buitenwereld in gemeenschap staat: neen, de mensch wordt verdeeld in
vijf skandha's: lichamelijkheid, gewaarwordingen, voorstellingen,
neigingen en bewustzijn, geen van deze maakt de persoonlijkheid
van den mensch uit: noch is er iets hoogers, iets centraals, dat
van al deze dingen de drager of bestuurder is. Hoe kan daarbij
van eenige zielsverhuizing of van een doorloopen van verschillende
bestaansvormen sprake zijn? Die vraag schijnt niet gemakkelijk te
beantwoorden. Een later Boeddhistisch geschrift "de vragen van Milinda"
[93] geeft een gesprek van dezen koning met den Boeddhistischen heilige
Nagasena. Deze zegt tot den koning: "Het is niet hetzelfde wezen en
het zijn niet verschillende wezens, die in de rij der bestaansvormen
elkaar aflossen. De koning (wij kunnen hier inkomen!) begrijpt dit
niet en zegt: Geef mij een gelijkenis. Nagasena houdt daarop het
volgend gesprek: "Als een man, groote koning, een licht aansteekt,
zal het niet den nacht doorbranden?" "Ja heer, het zal den nacht
doorbranden." "Nu, groote koning, is de vlam in de eerste nachtwake
dezelfde als die in de middelste nachtwake?" "Neen, heer." "Hoe dan
koning, was het licht in de eerste nachtwake een ander, in de tweede
weer een ander, in de derde weer een ander?" "Neen Heer, aan dezelfde
stof zich voedend, heeft het den ganschen nacht gebrand." "Zoo ook,
groote koning, sluit de keten der wezens ineen, het eene ontstaat,
het andere vergaat. Zonder aanvang, zonder einde sluit de keten,
daarom is het noch hetzelfde noch een ander wezen, dat zichten slotte
aan het bewustzijn voorstelt."
Volgens het verhaal was koning Milinda met deze en andere dergelijke
uiteenzettingen voldaan, ons echter voldoen zij weinig; 't blijft
ons raadselachtig, ontastbaar, wat eigenlijk met zulk een Karma
is bedoeld. Trouwens in andere uiteenzettingen worden wij, ook op
dit punt, naar huis gezonden met een: "de Verhevene heeft dit niet
geopenbaard, omdat het niet diende tot heil."
Een Karma, een wet van oorzaak en gevolg, volgens welke goed en
kwaad zijn vruchten dragen, en ieder menschelijk leven, zooals het
nu eenmaal is, de noodzakelijke vrucht is van voorafgaande levens
en de logische voorbereiding van daaropvolgende levens; zeker, dat
wordt geleerd, maar de band, welke die levens aaneenschakelen kan
als er geen eigenlijk gezegde ziel, dus ook ziels-verhuizing is,
is onzichtbaar, onbegrijpelijk.
Met uiteenzettingen over Nirvana is het al niet beter gesteld,
ook daar komen wij niet tot helder besef. Op vele plaatsen zouden
wij het woord Nirvana zeer geschikt kunnen vertalen door hemel en
schijnt werkelijk Nirvana een soort voortbestaan, voortduring in te
sluiten. Elders weer schijnt het alsof Nirvana = het niets, en alsof
alleen die leer van het niets, wegens haar radicalisme, wat omsluierd
wordt voorgedragen. Soms ook krijgen wij den indruk dat Nirvana is:
iets onuitsprekelijks, boven alle zijn in den gewonen zin verheven.
Men oordeele. Zekere monnik, Yamaka geheeten, had (we ontleenen ook
dit gedeelte aan het straks aangehaalde Boeddhistische geschrift)
de volgende kettersche meening:
"Ik versta de door den Verhevene verkondigde leer zoo, dat een
monnik, die van zonden vrij is, als zijn lichaam te gronde gaat,
der vernietiging ten prooi valt, dat hij vergaat, dat hij niet is
aan gene zijde van den dood."
We merken op dat, indien vernietiging de eindleer van Boeddha was,
hier van geen ketterij sprake kan zijn.
De eerwaardige Sariputta nu gaat den dwalende onderrichten: "Wat meent
gij, vriend Yamaka, is de Tathagatha één met zijn lichamelijkheid
(m. a. w. is zijn lichaam zijn ware wezen). Ziet gij het zoo in?" "Dat
doe ik niet, vriend."
"Is de Tathagata één met zijn gewaarwordingen, zijn voorstellingen,
zijn neigingen, zijn bewustzijn? Ziet gij het zoo in?" "Dat doe ik
niet, vriend."
"Wat dunkt u, vriend Yamaka, is de Voleindigde in de lichamelijkheid
(de gewaarwordingen enz.) begrepen? Meent gij het zoo?"
"Dat doe ik niet, vriend."
"Wat meent gij, vriend Yamaka, zijn lichamelijkheid, gewaarwordingen,
voorstellingen en bewustzijn (te zamen) de Voleindigde? Ziet gij het
zoo in?" "Dat doe ik niet, Heer."
"Wat meent gij, vriend Yamaka, is de Voleindigde gescheiden van
lichamelijkheid, van aandoeningen, voorstellingen, neigingen en
bewustzijn? Ziet gij het alzoo in?" "Dat doe ik niet, vriend."
"Zoo is dus, vriend Yamaka, reeds in deze wereld de Voleindigde voor u
niet te begrijpen. Hebt gij dan het recht om te spreken: Ik versta de
door den Verhevene verkondigde leer zóó, dat een monnik, die van zonden
vrij is, als zijn lichaam verbroken wordt, aan de vernietiging ten
prooi is; dat het vergaat, dat het niet is aan gene zijde des doods?"
Hier wordt m. a. w. dus verkondigd: het Nirvana is een mysterie, boven
ons denken verheven. 't Is, alsof wij hooren het woord van Paulus:
"Wat geen oog gezien en geen oor gehoord heeft, en in geen menschenhart
is opgekomen, dat heeft God bereid voor hen, die Hem liefhebben."
De wijzen, zegt een spreuk uit Dhammapada, die geen wezen leed doen,
die hun lichaam altijd in toom houden, zij wandelen naar de eeuwige
verblijfplaats. Wie daar is gekomen, weet van geen leed.
Wat is nu echter in dezen het oorspronkelijke? De leer: alles keert
tot niet, de vergelding van leven tot leven zonder een wezen, dat in
't eene leven misdreef en in 't andere gestraft wordt? Of zijn dit
latere, wijsgeerig gekleurde ontaardingen van het oorspronkelijk
Boeddhisme? We doen deze vragen met nadruk. En wel om de volgende
redenen: 1e. Hoewel aan de eene zijde geleerd wordt dat niets
blijvend is, geen wezen voortduurt van leven tot leven, vinden wij
toch tal van Yataka-verhalen, waarin Boeddha spreekt over de levens,
die hij vroeger heeft doorgemaakt. Hoe dat, als er volgens het
Boeddhisme geen blijvend iets is, geen ik, dat van leven tot leven
overgaat? 2e. die zoogenaamd echt Boeddhistische zielsverhuizing,
een vergelding zonder een wezen, aan wien vergolden wordt, schijnt
meer een uitvinding der Sophisten dan een leer van een volksprediker;
3e. ook in die stroomingen van het Boeddhisme, waar men zich verre
heeft gehouden van allerlei latere ontaardingen, heeft men toch
die leer van Karma anders opgevat, b. v. in Birma zijn er tal van
verhalen in omloop over vroegere geboorten. Vele kinderen weten
daar soms nog een en ander te vertellen over hun lotgevallen in
een vroeger bestaan. 4e. juist die Boeddhistische geschriften,
zooals b. v. Brahmajala-sutta, waarin zoo wonderlijk met ja en neen,
bevestiging en ontkenning gerekend wordt, zijn waarschijnlijk geen
afspiegeling der oude Boeddhistische leer, maar hebben den invloed
ondergaan van de Mahayana, de school van den grooten overtocht. Wat
was die Mahayana? Een soort van atheïstisch-gekleurde wijsbegeerte,
die het oorspronkelijk Boeddhisme voor een goed deel verdrong, doch
ook een krachtige reactie teweegbracht, welke op haar beurt het
Boeddhisme weer in bijgeloof deed ontaarden.
Wanneer men ons dus vraagt naar de eigenaardigheden van het
oorspronkelijk Boeddhisme, meenen wij hieromtrent de volgende punten
te kunnen vaststellen:
1. Boeddha stelde op den voorgrond de verlossing van het lijden. Deze
moest hierin bestaan, dat men, door begeerte en hartstocht in een
leven van kuischheid, armoede en gehoorzaamheid te overwinnen, tot
den grooten Vrede geraakte, zoodat men niet wederom geboren behoefde
te worden.
2. Het oorspronkelijk Boeddhisme was bovenal op het praktische gericht,
en was evenver van atheïsme als van vormendienst verwijderd.
3. De leer van een wedergeboorte zonder zielsverhuizing en van Nirvana
als vernietiging is niet oud-Boeddhistisch, maar aan de Mahayana
te danken.
4. Het Boeddhisme mag niet als volslagen pessimisme worden opgevat,
omdat het: theoretisch een uitweg predikt uit het lijden en praktisch
even ver van wereldvergoding als van wereldverachting is verwijderd.