Boeddha antwoordde: "Ik moet een handvol mosterdzaad hebben."

Het meisje beloofde het te bezorgen, maar Boeddha voegde er bij:

"Ik moet mosterdzaad hebben uit een huis, waar geen zoon, echtgenoot,

ouder of slaaf is gestorven."

De arme Kisagotami ging met haar dood kindje van huis tot

huis. Medelijdende menschen zeiden: "Hier is mosterdzaad, neem

het." Maar als zij vroeg of er geen zoon, of echtgenoot of ouder

of slaaf in dat huis was gestorven, dan ontving zij ten antwoord:

"Vrouw, de levenden zijn weinigen, dooden zijn er velen: tot ieder

huis komt de dood."

Ten slotte zat Kisagotami, vermoeid en zonder hoop aan den weg

neer en keek naar de lichten in de steden, die één voor één werden

uitgedoofd. Op dat oogenblik deed Boeddha, door de macht van Siddhi

[76], haar zijne verschijning zien en deze sprak: "Alle levende

wezens gelijken op deze lampen. Zij worden opgestoken en flikkeren

dan voor een wijle, daarop heerscht de zwarte nacht over allen. De

verschijning predikte toen de wet aan haar, en volgens de woorden

der Chineesche vertaling, bracht hij aan: "heil en redding, het pad

wijzende dat leidt tot de eeuwige stad."

De geschiedenis van prins Kunala.

Koning Açoka had een jongetje, wiens oogen zoo schoon waren dat zijn

vader hem Kunala noemde: daar is een vogel van dien naam, welke onder

de rhododendrons en pijnboomen van de Himalaya woont en die beroemd is

om zijn lieftallige oogen. De jonge prins groeide op en ieder sprak

over zijn schoonheid in het gansche land des konings. Geen vrouw kon

hem in de oogen zien, zonder verliefd op hem te worden. Een Sthavira

[77] sprak eens ernstige woorden tot hem en zeide: "De trots van het

oog mijn zoon, is ijdelheid. Pas op."

Op jeugdigen leeftijd huwde Kunala een meisje, Kanchana geheeten. Op

zekeren dag zag een van de vrouwen des konings den jeugdigen echtgenoot

en werd wanhopig verliefd op zijn schoone oogen. Kunala was door

schrik getroffen.

"Zijt gij niet," sprak hij, "in de zenana [78] van den koning, mijn

vader?" Dit woord veranderde haar liefde in bitteren haat.

In dien tijd stond de stad Taxila tegen koning Açoka op. De monarch

wilde er aanstonds zelf heengaan, doch de ministers raadden hem om

prins Kunala te zenden in zijn plaats. De prins ging naar de oproerige

stad en wist spoedig de rust te herstellen. Het volk verzekerde hem

dat zij de afpersingen en onderdrukkingen van des konings beambten

hadden weerstaan, doch niet den koning zelf.

Niet lang daarna werd de koning door een walgelijke ziekte aangetast

en moest ten behoeve van zijn zoon afstand doen van den troon. De

koningin Tishya Rakshita, dezelfde die den prins zoo haatte, dacht

in haar hart: "Als Kunala den troon bestijgt ben ik verloren."

Zij beval een slaaf haar een man te brengen, door dezelfde ziekte

als de koning aangetast. Zij vergiftigde den man en onderzocht hem

van binnen. Een groote worm voedde zich met zijn ingewand. Zij gaf

dien worm peper en gember: hij bleef er even gezond bij. Zij gaf hem

uien en hij stierf.

Aanstonds ging zij naar den koning en beloofde hem te genezen als

hij haar een verzoek wilde toestaan. De koning beloofde haar alles

te geven, wat zij zeggen zou. Zij sprak tot hem: "Neem deze ui en

gij zult beter worden."

"Koningin," sprak de koning, "ik ben een Kshatrya en de wet van Manoe

[79] verbiedt mij uien te eten." De koningin vertelde dat het een

geneesmiddel was, gèèn voedsel. Hij at de ui en werd genezen.

De koningin verzocht nu, als belooning voor deze genezing, een week

lang de zaken des konings te mogen besturen. De koning aarzelde,

maar liet zich overhalen.

Aanstonds zond de koningin een verzegelde order met 's konings zegel

voorzien, dat prins Kunala bedelaarskleeren moest dragen en zijn

oogen moesten worden uitgestoken: een blinde prins immers mag den

troon niet bestijgen.

De goede menschen van Taxila waren diep geschokt door dit bevel, maar

zij zeiden tot elkaar: "Als de koning zoo onbarmhartig is voor zijn

zoon, wat zal hij dan wel doen, als wij hem niet gehoorzamen?" Eenige

Chándalas [80] werden er voor uitgekozen: doch zij hielden veel van

den prins en wilden het wreed bevel niet uitvoeren. Op het laatst kwam

er een afschuwelijke kerel, een mensch met wel achttien misvormingen

en afwijkingen en rukte den prins de oogen uit.

Weldra was deze als bedelaar op den grooten weg: zijn vrouw, Kanchana,

was ook bij hem, in lompen gekleed. De arme prins herinnerde zich de

plechtige woorden van den Sthavira.

"Is niet de buitenwereld", zoo sprak hij tegen zijn vrouw "slechts

een klomp vleesch?"

De prins was altijd ziekelijk geweest en om nu in zijn onderhoud te

voorzien speelde hij op de vina [81]. Na vele zwerftochten bereikten

zij Palibothra (Patna) en kwamen bij het paleis des konings. Doch de

wachters wierpen de twee vuile bedelaars er uit. Ten slotte dringen

echter de tonen der vina tot den koning door. "Het is mijn zoon,"

zeide hij. Hij zond beambten uit om hem te halen. De koning was

verbaasd over den toestand, waarin hij hem aantrof. Toen hij te weten

kwam wat er gebeurd was riep hij de schuldige koningin bij zich en

gaf bevel haar levend te verbranden.

Doch prins Kunala was een ander mensch geworden. Toen hij, zooals

hij meende door zijn aardschen vader verlaten was, was hij een zoon

van Boeddha geworden. Zijn "lichamelijk oog" was weg, doch hij voelde

dat zijn "geestelijk oog" thans voor het eerst was geopend. In plaats

van de zachte kleederen der hovelingen droeg hij nu de lompen van

Boeddha's verheven bedelaars.

Hij wierp zich voor de voeten van zijn vader en smeekte hem der

koningin het leven te sparen: "Ik voel geen haat, geen smart, slechts

dankbaarheid, dood haar niet."

Açoka, de machtige zonnekoning, was bestemd om heel Indië te regeeren:

zijn scepter reikte verder dan dien van den groot-Mogol. Hij ook zou

eenmaal zijn prachtige paleizen verlaten en langs den weg zijn brood

bedelen, ook hij werd Bhikshu.

Een Boeddha op een huwelijksfeest.

Koning Sudarsana was een modelkoning. In zijn rijk was geen

doodstraf noch geeseling bekend, geen krijgswapen om te martelen of te

verderven. Zijne stad, Jambunada, was gebouwd van kristal en kornalijn,

zilver en goud. Eens bezocht een Boeddha deze plaats.

Nu was er in die stad een man, die den volgenden dag zou trouwen, en

hij wenschte gaarne dat de Boeddha bij de plechtigheid tegenwoordig

zou zijn. Boeddha, die voorbij kwam, las de stille wensch in zijn hart

en beloofde te komen. De bruidegom was zeer verheugd, hij bestrooide

zijn huis met bloemen en besprenkelde het met reukwater.

Den volgenden dag kwam Boeddha, de aalmoezenschaal in de hand, door

vele leerlingen vergezeld. Toen zij allen op hunne bestemde plaatsen

zaten, deelde de gastheer allerlei heerlijke spijzen rond, en sprak:

"Eet, mijn heer, met al uwe leerlingen, volgens uw begeerte."

Doch nu openbaarde zich een wonder aan de verbaasde blikken van

den gastheer. Hoewel deze heilige mannen allen zeer smakelijk aten,

verminderden de gerechten en de dranken niet. Daarop dacht deze bij

zichzelf: "Kon ik maar al mijn bloedverwanten uitnoodigen, ook voor

hen zou er genoeg zijn."

Nu geschiedde een tweede wonder: Boeddha las de gedachten van den

goeden man, en, zonder dat zij uitgenoodigd waren, stroomden alle

bloedverwanten het huis binnen. Ook zij aten smakelijk van het

wonderbare voedsel.

Het behoeft nauwelijks betoog, dat het Chineesche boek

Fu. pen. hing. tsi. king (door Beal in het Engelsch vertaald) ons

vermeldt dat al de gasten, nadat zij eenige woorden over Dharma

(de leer, de wet) van den Tathagata hadden gehoord, tot voldoening

van iedereen (behalve misschien van de arme bruid) de gele kleederen

gingen dragen.

De nu volgende geschiedenis is een zeer aantrekkelijke en doet ons

zien, dat een liefde, die de grenzen dezer wereld overschrijdt en tot

in het hiernamaals reikt ook in de dagen van Sakya-muni niet onbekend

was. Zij is getiteld:

De geschiedenis van het meisje Bhadra.

Toen Sakya-muni een vroeger bestaan doormaakte, noodigde een zekere

koning Suryapati den grooten Boeddha Dipankara uit om zijn rijksgebied

te bezien. Om dezen te eeren gaf de koning bevel dat zijn onderdanen,

binnen een grens van twaalf yogana's van de hoofdstad, alle bloemen en

reukwerken zouden bewaren voor den koning, opdat deze ze aan Boeddha

zou schenken. Niemand mocht deze gaven houden om ze voor zichzelf

aan te bieden.

Sakya was toen een jonge Brahmaan, Megha geheeten. Hij was,

ofschoon eerst zestien jaar oud, wel onderwezen in de wet. Hij

was onvergelijkelijk schoon: zijn lichaam als geel goud, zijn haar

insgelijks. Zijn stem was zoet en zacht als die van Brahma. Hij kwam

in de stad, juist toen deze was versierd met het oog op de komst van

Boeddha Dipankara en ook hij--die reeds een zeker vaag voorgevoel van

het Boeddhaschap in zich gevoelde--besloot aan den vleeschgeworden

verlichte een offer te brengen.

Hij sprak bij zichzelven: "Welke offers zal ik hem brengen? Boeddha's

houden niet van offers in geld, ik zal hem de schoonste bloem geven,

die ik kan vinden."

Hij ging naar een kapper en zocht een fraaie bloem uit, doch de

kapper wilde haar niet verkoopen. "De koning heeft orders gegeven,

eerbiedwaardig jongeling, dat geen bloemkransen hier in de stad mogen

worden verkocht, hoe dan ook." Megha kreeg in een tweede en derde

winkel hetzelfde antwoord.

Nu zag hij, terwijl hij verder zocht, dat een in 't zwart gekleed

meisje, een waterdraagster, Bhadra geheeten, stilletjes een

Utpala-bloem met zeven stelen nam, die in haar wateremmer deed,

en daarop haar weg vervolgde.

Megha ging haar tegemoet en sprak "wat wilt ge doen met die Utpala,

die gij in uw wateremmer verstopte? Ik zal u vijfhonderd goudstukken

geven als gij haar aan mij wilt verkoopen."

Het meisje was getroffen door de verschijning van den jongen man,

die er zoo vriendelijk uitzag.

Zij antwoordde direct: "Schoone jongeling, hebt gij niet gehoord

dat de groote Boeddha Dipankara op uitnoodiging van den koning zoo

aanstonds in de stad zal komen en dat de koning een verbod heeft

gegeven dat niemand, binnen twaalf yogana's van de stad, reukzalf

of bloemen aan eenig particulier mag verkoopen, aangezien de koning

alles zelf wil koopen om het aan den Boeddha aan te bieden?

"Nu is er in onze nabijheid een kappersvrouw die van mij vijfhonderd

geldstukken kreeg en mij daarvoor deze bloem met zeven stelen gaf. De

reden waarom ik alzoo des konings gebod heb overtreden, is dat ik

zelf een offer wil brengen aan den heiligen man."

Toen antwoordde Megha: "Goed meisje, wat gij hebt gezegd zal u dunkt

mij het recht geven om van mij vijfhonderd goudstukken aan te nemen,

waarvoor gij mij dan vijf stelen van de Utpalabloem geeft en er twee

voor uzelven behoudt."

Zij antwoordde: "Wat wilt gij doen met de bloemen als ik ze aan

u geef?"

De jonge Brahmaan zeide daarop dat hij ze aan den Boeddha wenschte

te schenken.

Nu had dit meisje het innerlijk gezicht en zij zag aan het gelaat

van den jongeling, dat hij eenmaal de leidsman der menschen zou worden.

Zij sprak: "Schoone vreemdeling, eenmaal zult gij een groote Boeddha

zijn, en wanneer gij mij beloven wilt dat gij tot op den dag van uwe

verlichting (waarop gij een Boeddha wordt) mij bij iedere geboorte

tot uw vrouw zult nemen en dat wanneer gij Nirvana bereikt, gij mij

als leerling onder uwe volgelingen wilt opnemen, dan zal ik u vijf

stelen van mijn bloem geven."

De Brahmaan antwoordde dat een asceet al zijn rijkdom moest schenken

aan zijn metgezellen en dat, indien zij deze regeling goed vond, hij

haar voor altijd tot vrouw wilde hebben. Zij verkocht hem daarop vijf

stelen van de Utpala, opdat deze zijn bizondere gift aan den Boeddha

zouden zijn en begeerde dat zij de andere twee als haar eigen gift

zou schenken.

Toen Dipankara naderde, vol majesteit, glinsterend als een helder meer,

werd het geschenk hem toegeworpen en door een wonder bleven de bloemen

zwevend in de lucht: een canopy (koepeldak) vormend boven zijn hoofd.

Onder de "Fan hemelen" der Chineezen heet er een Fuh. ngai (gelukkige

liefde). Laten wij hopen dat daar de lieve Bhikshu Bhadra bij haar

geliefden meester is.

Koning Wessantara.

Eens leefde Boeddha op aarde als koning Wessantara. Zoo vriend'lijk was

hij voor iedereen dat het gerucht ging dat hij een besluit had genomen

om aan iedereen te geven wat hij verzocht. Hij had een liefhebbende

vrouw en twee kinderen. Ook had hij een betooverden witten olifant.

Een vreeselijke hongersnood brak in een naburig koninkrijk uit en

de armen stierven bij duizenden. Acht Brahmanen werden tot koning

Wessantara gezonden ten einde van hem den witten olifant te verzoeken:

want een vruchtbare regen valt overal waar een betooverde witte

olifant zich ophoudt.

De weldadige koning stond zijn witten olifant af. Dit wekte zoozeer

den toorn van zijn volk op, dat zij hem afzetten.

Wessantara gaf nu al zijn rijkdom aan de armen en vertrok in een

wagen, door twee paarden getrokken. Hij zou naar een groote rots in

de wildernis gaan, teneinde daar kluizenaar te worden. Op zijn reis

ontmoet hij twee Brahmanen, die hem om zijn rijtuig verzoeken. Hij

geeft aan die bede gehoor en de onttroonde koning en koningin leggen

de rest van den weg te voet af, ieder een kind op den arm. Hun weg

leidt door het koninkrijk van den vader der koningin. Deze tracht

hen van hun besluit terug te brengen, doch tevergeefs.

In dienzelfden tijd leefde een Brahmaan, Jutaka, zeer gelukkig met

zijn schoone vrouw; totdat op zekeren dag, toen de vrouw water putte,

jaloersche buren haar gemoed vergiftigden. Zij bliezen haar namelijk in

dat zij een slavin was en wonden haar zoo op, dat zij haar echtgenoot

aanviel, hem sloeg en zijn baard uitrukte. Ja, zij dreigde zijn huis

te verlaten als hij haar geen twee slaven verschafte. Zij zeide dat

een dwaze koning, Wessantara, in de wildernis leefde als asceet. Daar

moest hij heengaan en om twee slaven verzoeken.

Zij toch hadden twee kinderen en hadden een gelofte gedaan om geen

enkel verzoek te weigeren. Jutaka vertrok, doch hij kon niet bij den

koning komen, daar de vader der koningin er een jager op wacht had

gezet. Hij toch wist van Wessantara's gelofte en wilde hem voor verdere

onbeschaamdheden van hebzuchtigen vrijwaren. Jutaka vertelde den jager

een leugenachtig verhaal en slaagde er in den kluizenaar te vinden. Hij

vroeg de twee kinderen voor zich als slaaf en Wessantara was door zijn

eed gebonden ze hem te schenken. Zoo spoedig Jutaka uit het gezicht

van den koning was, bond hij de koningskinderen stevig met koorden

vast, doch: hij verdwaalde in de wildernis en kwam in het land van

's konings schoonvader, die al spoedig het geheele geval had vernomen.

Hij liet den Brahmaan voor zich komen en bood hem voor de kleinkinderen

hun gewicht in goud. Het eind van den hebzuchtigen Brahmaan was

ongeveer als dat van Judas: hij richtte van zijn oneerlijk verkregen

rijkdom een groot feest aan: zijn ingewanden barstten door overvulling.

Koning Bambadat.

Boeddha was in een zijner vroegere geboorten koopman in Benares. Op

zekeren dag ging hij met zijn vrouw in een rijtuig door de straten

van Rajagriha, de hoofdstad van koning Bambadat. De vorst zag deze

vrouw en werd betooverd door hare onvergelijkelijke schoonheid. Hij

maakte terstond een afschuwelijk listig plan om haar te krijgen.

Een van zijn ambtenaren werd uitgezonden om stil een juweel van

groote waarde in het rijtuig van den koopman te laten vallen. De arme

koopman werd nu gevangen genomen onder beschuldiging van des konings

kleinood te hebben gestolen. Hij en zijne schoone vrouw werden voor

den koning gebracht, die met voorgewende belangstelling naar het geval

hoorde en daarop beval dat de koopman onthoofd en diens vrouw in den

harem zou worden opgenomen. Koning Bambadat was een wreed koning,

wiens onderdrukkingen hem den haat zijner onderdanen op den hals

hadden gehaald.

De arme koopman werd weggevoerd om onthoofd te worden, maar Indra

op zijn hemeltroon had het vreeselijk voorval gezien en--een wonder

geschiedde. Toen de beul zijn zwaard ophief deden onzichtbare handen

den koning, die bij de bloedige gebeurtenis tegenwoordig wilde zijn,

van plaats verwisselen met den koopman, zoodat deze den noodlottigen

slag ontving. Doch de koopman vond zichzelf eensklaps op den olifant

gezeten, die den koning naar de gerichtsplaats had gebracht. Deze

treffende tusschenkomst des hemels verbaasde het verzamelde volk:

zij riepen den koopman tot hun nieuwen koning uit. Onnoodig er bij

te voegen dat zijn wijze van regeeren gansch anders was dan die van

koning Bambadat.

Vermeld wordt het niet, maar waarschijnlijk was de schoone vrouw het

meisje Bhadra van de vorige geschiedenis.

De hongerige hond.

Eens was daar een slecht koning, Usuratanam geheeten. Deze onderdrukte

zijn volk zoo vreeselijk, dat Boeddha in den hemel er medelijden

mee kreeg. Boeddha was toen de god Indra. Hij nam den vorm van een

jager aan en daalde met den deva Matali neder: deze als een enorm

groote hond. Zij traden eensklaps des konings paleis binnen en de

hond blafte zoo ontzettend, dat het geluid de koninklijke gebouwen op

zijne grondvesten deed schudden. De verschrikte koning riep den jager

bij zich en vroeg wat die vreeselijke geluiden hadden te beteekenen.

"De hond blaft zoo van den honger" zeide de jager--en opnieuw rolde

een geluid als van een verren donder door het paleis.

"Geef hem eten, geef hem toch eten" zeide de verschrikte vorst; al

het voedsel, dat er was, moest dienen voor het koninklijk feestmaal:

het werd voor den hond neergezet. Hij at het in een oogenblik op en

blafte nogmaals met vreeselijke stem. Men haalde meer voedsel: alles

ten slotte wat in de stad en in de aangrenzende provinciën was. Doch,

na korte rust at de onverzadelijke hond alles op en begon opnieuw te

blaffen. De koning stortte haast ter aarde van schrik.

"Zal niets ooit uw hond verzadigen, jager?"

"Niets, o koning, dan het vleesch van al zijn vijanden."

"En wie zijn zijn vijanden, jager?"

"Zijn vijanden," hernam de jager "zijn zij die slechte daden

verrichten, die de armen onderdrukken, die oorlog maken, die wreed

zijn tegenover de dieren der schepping."

De koning herinnerde zich zijn vele slechte daden en werd door schrik

en berouw aangegrepen. Daarop maakte Boeddha zich bekend en predikte

hem en zijn volk de wet der gerechtigheid.

Daar Matali altijd voorkomt als de wagenmenner van Indra ligt het

voor de hand dit verhaal te beschouwen als een oud-Indisch, in

Boeddhistischen geest omgewerkt, gelijk trouwens met vele Jataka

verhalen het geval is. Boeddha is hier eenvoudig voor Indra, den

oorspronkelijken held van het verhaal, in de plaats gesteld.

Boeddha als vredestichter.

Twee prinsen waren eens in hevigen twist geraakt over zeker kunstmatig,

door dijken afgesloten meer. Een vreeselijke oorlog dreigde te

ontbranden. Eensklaps verscheen Boeddha tusschen de prinsen en hun

legers en vroeg naar de oorzaak van den strijd. Toen men hem volkomen

had ingelicht stelde hij de volgende vragen:

"Zeg mij, koningen, heeft aarde eigenlijke waarde?"

"Geen waarde hoegenaamd."

"Heeft water eigenlijke waarde?"

"Geen waarde hoegenaamd."

"En het bloed van koningen, heeft dat eigenlijke waarde?"

"De waarde is daarvan niet te schatten."

"Is het redelijk" sprak de Tathagata "dat wat van onberekenbare waarde

is in rekening wordt gebracht tegen datgene wat in het geheel geen

waarde heeft?"

De vertoornde vorsten erkenden de wijsheid dezer redenen en gaven

hun twist op.

De verloren zoon.

Zeker man had een zoon, die wegreisde naar een ver land. Daar werd hij

vreeselijk arm. De vader echter werd rijk, hij verzamelde veel goud

en schatten, hij had veel welgevulde magazijnen en olifanten. Doch

hij had zijn verloren zoon zeer lief en klaagde heimelijk dat hij

niemand had aan wien hij zijn paleizen en suverna's [82] bij zijn

dood kon achterlaten.

Na vele jaren kwam de arme man, voedsel en kleeding zoekend, naar

de streek waar zijn vader groote bezittingen had. Zijn vader zag hem

reeds van verre en dacht bij zichzelf: "Indien ik aanstonds mijn zoon

weer aanneem, en hem mijn goed en schatten geef, zal ik hem groot

leed veroorzaken.

"Hij is onwetend en onopgevoed: hij is arm en verdrukt. Met iemand

van zulke ongelukkige neigingen is het beter zijn geest langzamerhand

op te voeden. Ik zal hem maken tot een mijner huurlingen."

Daar kwam de zoon, uitgehongerd en in lompen, aan de deur van zijns

vaders huis. Hij zag een grooten troon en vele hovelingen, die eer

bewezen aan hem, die op den troon zat. Verschrikt door al die pracht

vlood hij weer naar den weg terug. "Hier" zoo sprak hij "is het huis

van den armen man. Als ik in het paleis van den koning kom, word ik

wellicht in de gevangenis geworpen."

Toen zond de vader boden naar zijn zoon: deze brachten hem mede,

ondanks zijn verzet en klagen. Toen hij het huis van zijn vader

bereikte viel hij flauw van schrik: hij herkende zijn vader niet en

dacht dat hij een of ander wreede straf zou moeten verduren. De vader

beval zijn dienaren zachtkens met den ongelukkige te handelen en zond

twee werklieden van diens eigen levenswijze uit om hem als arbeider

op het landgoed in dienst te nemen. Zij gaven hem een bezem en een

mand en lieten hem, tegen dubbel loon de mesthoop opruimen.

Uit het venster van zijn paleis keek de rijke man naar zijn zoon, die

daar aan het werk was. Doch op zekeren dag kleedde de vader zich als

een arm man, overdekte zich met stof en vuil en sprak zijn zoon toe:

"Blijf hier, goede man, en ik zal u van kleeding en voedsel voorzien:

gij zijt eerlijk en arbeidzaam. Beschouw mij als uw vader."

Na vele jaren voelde de vader zijn einde naderen. Hij riep zijn zoon

en zijn ambtenaren bij zich en deelde hun het geheim mede, dat hij

zoo lang had bewaard. De arme man was werkelijk zijn zoon, die hem in

vroeger dagen had verlaten. Nu deze zich bewust was van zijn vroegeren

droeven staat, nu hij bekwaam was rijkdom op prijs te stellen en te

bewaren, wilde hij hem al zijn schatten toevertrouwen. De arme man

was verbaasd over deze plotselinge ommekeer in zijn lot, en verblijd

nog eenmaal zijn vader te zien.

Volgens de "Lotus van de Volmaakte wet" zijn de gelijkenissen van

Boeddha omsluierd voor de onwetenden door een raadselachtige taal.

De rijke man van de gelijkenis, met zijn troon vol bloemen en juweelen,

heet daar de Tathagata, die al zijn kinderen teeder bemint en groote

geestelijke schatten voor hen heeft bereid. Doch iedere zoon van

Tathagata heeft treurige neigingen. Hij stelt de mesthoop boven de

paarl mani. Om zulk een mensch te leeren moet de Tathagata lagere

dienaren gebruiken, monniken en asceten, om hem langzamerhand van de

lagere voorwerpen der begeerte af te wennen. Als hij zelf spreekt

is hij gedwongen veel van zijn gedachten te omsluieren, omdat zij

niet begrepen zouden worden. Zijn zonen hebben geen genoegen in het

hooren van geestelijke dingen. Stap voor stap moet hun geest worden

opgevoed voor hoogere waarheden.

Gelijkenis van de vrouw aan de bron.

Ananda, de geliefde leerling van Boeddha, was eens dorstig, daar hij

een verre reis had gemaakt. Bij een bron ontmoette hij een meisje,

Matanga geheeten en vroeg haar hem wat water te geven. Doch daar zij

een vrouw van lagere kaste was, vreesde zij een heilig Brahmaan te

besmetten en weigerde vriendelijk.

"Ik vraag niet naar caste, maar naar water," zeide Ananda. Zijn

nederigheid won het hart van het meisje.

Haar moeder was ervaren in liefdesdranken en tooverkunsten en toen deze

hoorde hoe verliefd haar dochter was, dreef zij haar tooverspel met

Ananda en bracht hem naar haar hol. Hulpeloos bad deze tot Boeddha,

die aanstonds verscheen en de booze demonen uitwierp.

Doch met Matanga was het nog droevig gesteld. Ten slotte besloot zij

Boeddha zelf op te zoeken en bij hem hulp te vragen.

De groote geneesmeester, de gedachten van het meisje bemerkende,

vroeg haar vriendelijk:

"Ondersteld dat gij mijn leerling huwdet, kunt gij hem overal

volgen?" "Overal," sprak het meisje. "Kunt gij zijn kleederen dragen en

slapen onder hetzelfde dak?" zeide Boeddha, zinspelend op de armoede

en dakloosheid der onbehuisden. Langzamerhand begreep het meisje zijne

bedoeling en op het laatst nam zij haar toevlucht tot de drie groote

paarlen. [83]

De geschiedenis van Vasavadatta.

Te Mathura was een courtisane, Vasavadatta geheeten. Zij werd zeer

verliefd op een der toenmalige discipelen van Boeddha, Upagupta

geheeten, en zond haar dienstbode om hem haar hartstocht bekend te

maken. Upagupta was jong en zeer schoon. Weldra kwam de dienstbode

met het volgende raadselachtig antwoord terug:

"De tijd is nog niet gekomen, dat de leerling Upagupta een bezoek

zal brengen aan de courtisane Vasavadatta."

Vasavadatta was over dit antwoord verbaasd. Haar klasse toch was toen

ter tijd een caste, een georganiseerd lichaam, door den staat beschermd

en zij leefde in grooten overvloed. Zij was de schoonste vrouw in

des konings rijk en niet gewoon dat hare liefde werd versmaad. Toen

haar eerste oogenblikken van heftigheid voorbij waren, bedacht zij

dat de jonge man arm was. Wederom zond zij haar dienstbode naar

Upagupta. "Zeg hem dat Vasavadatta liefde begeert, geen goud en

paarlen." De dienstbode kwam terug met hetzelfde raadselachtige

antwoord: "De tijd is nog niet gekomen dat de leerling Upagupta de

courtisane Vasavadatta zal bezoeken."

Weinige maanden daarna stond Vasavadatta in liefdesbetrekking tot

het hoofd der kunstenaars van Mathura. Terwijl deze betrekking

nog voortduurde kwam een zeer rijk koopman in de stad met

vijfhonderd paarden, die hij wilde verkoopen. Toen hij hoorde van

Vasavadatta's schoonheid, besloot hij haar op te zoeken en werd op

haar verliefd. Zijn paarlen en suverna's waren te verlokkend voor de

hebzuchtige vrouw. Zij vermoordde het hoofd der kunstenaars en liet

zijn lijk op een mesthoop werpen. Zijn familieleden deden, toen zij

hem misten, allerlei nasporingen en het lijk werd gevonden.

Vasavadatta werd gevangen genomen en voor den koning gebracht. Deze gaf

bevel dat haar ooren, haar neus, haar handen en haar voeten zouden

worden afgehouwen en haar lichaam op een kerkhof geworpen. Haar

dienstbode bleef haar nog ter zijde, want zij was een vriendelijke

meesteres voor deze geweest. Zij trachtte haar pijn te lenigen en

joeg de vliegen van het bloedend lichaam weg.

Nu kreeg Vasavadatta een derde boodschap van Upagupta: "De tijd

is gekomen dat de leerling Upagupta een bezoek zal brengen aan de

courtisane Vasavadatta." De arme vrouw, in wier ziel nog een echo was

van de vroegere hartstocht, liet door haar dienstbode zorgvuldig haar

geschonden leden onder een kleed bedekken: de verminkte overblijfsels

van vroegere schoonheden. Toen de jonge man kwam zeide zij met eenige

hartstocht:

"Eens was mijn lichaam geurig als de lotus en bood ik u mijn liefde

aan. In die dagen was ik bedekt met paarlen en fijn linnen. Nu ben

ik verminkt en met vuil en bloed bedekt. Mijn handen, mijn voeten,

mijn ooren, de beul heeft ze afgehouwen."

De jonge man troostte met groote vriendelijkheid de arme Vasavadatta

in haar doodsstrijd. "Zuster, het is niet voor mijn genoegen en mijn

geluk dat ik tot u kom." Hij wees haar op de werkelijke natuur van

de bekoorlijkheden, die zij nu betreurde. Hij wees er haar op dat

zij geen vreugden, doch kwellingen waren gebleken, en dat indien

onkuischheid, ijdelheid, begeerigheid en moordzucht waren afgesneden,

zij winst had en geen verlies.

Hij verhaalde haar van Tathagata, dien hij op deze aarde had zien

wandelen, een Tathagata, die vooral hen die lijden liefheeft. Zijn

woord bracht vrede in de ziel van Vasavadatta. Zij stierf, na haar

geloof in Boeddha te hebben uitgesproken.

Geesten voerden haar naar de boeteplaatsen van Devaloça.

Gelijkenis van het brandend huis.

Daar was eens een oud man, gebrekkig, vervallen, doch zeer rijk. Hij

bezat veel land en vele goudstukken. Nog meer: hij had een wondergroot

huis, dat vele sporen vertoonde van den tand des tijds. De gebinten

waren door de wormen doorknaagd, de pilaren waren vergaan, de galerijen

vielen naar beneden, het dak was droog en brandbaar. In het huis

waren vele honderden bedienden en knechten van den ouden man, zoo

uitgestrekt was de verzameling van oude gebouwen.

Het huis bezat ongelukkig slechts eene deur. De man was ook de vader

van vele kinderen, vijf, tien, laten wij zeggen twintig. Op zekeren dag

rook hij een brandlucht en liep hij zoo spoedig hij kon, de eenige deur

uit. Tot zijn schrik zag hij dat het dak in vlammen stond, terwijl de

vergane oude pilaren één voor één vuur vatten en de gebinten brandden

als tonder. Daarbinnen waren zijn kinderen, waar hij zoo veel van

hield, aan het stoeien en aan het spelen met hun speelgoed.

De beangste vader zeide bij zichzelven: "Ik zal het huis inloopen en

mijn kinderen redden. Ik zal ze in mijn sterke armen nemen. Ik zal ze

veilig dragen door de vallende gebinten en de brandende balken." Doch

daar kwam de droeve gedachte bij hem op dat zijn kinderen dartel

en onwetend waren. "Als ik hun zeg dat het huis in vlammen staat,

zullen zij mij niet begrijpen. Als ik beproef hen te grijpen zullen

zij rondhollen en beproeven mij te ontsnappen. Helaas! en er is toch

geen oogenblik te verliezen."

Eensklaps schoot een heldere gedachte door het brein van den

oude. "Mijn kinderen zijn onwetend," zeide hij bij zichzelf, "maar zij

houden van speelgoed en van blinkende dingen. Ik zal hun wat speelgoed

beloven, dat zoo mooi is als zij 't nooit zagen. Dan zullen zij naar

mij luisteren."

De oude man riep nu met luider stem: "Kinderen, kinderen, kom uit het

huis en zie deze mooie stukken speelgoed. Wagens met witte ossen er

voor, alles goud en klatergoud. Zie die keurige fijne antilopen, o,

en wat een mooie geiten. Kinderen, kinderen, kom toch gauw, of zij

zijn allen weer weg."

Daar kwamen de kinderen met vliegende haast uit den brandenden

bouwval. Speelgoed was haast het eenige woord dat zij goed begrepen. De

vader nu was uitermate blij, dat zijn kroost van het gevaar was

gered en hij bezorgde hun eenige wagentjes, zoo mooi als men ze nooit

ziet. Ieder wagentje had een koepeldak als een pagode en was met fijn

traliewerk en klinkende belletjes versierd.

Het was gemaakt van de zeven kostbare zelfstandigheden. Snoeren

van glinsterende paarlen hingen er over: Vlaggen en kransen van de

lieflijkste bloemen. Melkwitte ossen trokken deze wagens. De kinderen

waren verbaasd toen zij er in zaten.

Volgens de "Witte Lotus van Dharma" beteekent deze gelijkenis het

volgende: De oude man is Tathagata en zijn kinderen zijn de blinde,

lijdende kinderen van zonde en hartstocht. Tathagata heeft hen

zeer lief en wil hen redden van hun ongeluk. Het oude, wondergroote

huis, onooglijk, rot, gevaarlijk is het rijk van Kama: het gebied

der begeerte, de drie groote werelden van den zichtbaren kosmos. Het

oude huis staat in brand door het vuur van menschelijke hartstochten,

haat en lust. Tathagata wil, in zijn oneindig medelijden al zijn

geliefde kinderen uit het groot gevaar verlossen, maar zij verstaan

zijne taal niet. Zij denken alleen over mooi speelgoed en kinderlijke

vermaken. Als hij tot hen spreekt over den grooten innerlijken

vrede, die den mensch zijn smart doet overwinnen, begrijpen zij hem

niet. Spreekt hij tot hen over wonderbare, bovennatuurlijke giften,

die aan de stervelingen worden geschonken, dan zijn zij doof. De

wagentjes van klatergoud voor de kinderen van Tathagata bereid,

zijn de "Groote" en de "Kleine" overtocht der Boeddhistische leer. [84]

Het gesprek met Rahula over de valschheid.

Koning Açoka [85] de groote beschermer van het Boeddhisme, die in de

3e eeuw vóór Christus leefde, heeft verschillende steen-inscripties

gemaakt. In een daarvan noemt hij zeven hoofdwerken (of belangrijke

gedeelten) uit Boeddha's leer, daaronder dit gesprek. Volgens de

vertaling van Prof. Beal luidt het aldus:

"In vroeger dagen, vóór Rahula tot de hoogste kennis was gekomen,

waren zijn woorden (daar zijn natuurlijke aard niet zoo verheven was)

niet altijd gekenmerkt door liefde tot de waarheid.

Bij zekere gelegenheid beval Boeddha hem te gaan naar de Kientai

(Ghanda of Ghanta) Vihara en daar zijn mond te bewaren en zijn

gedachten te beheerschen, tevens moest hij nauwgezet de regels van

gedrag, in de schriften neergelegd, bestudeeren. Rahula, het gebod

hoorende, betuigde zijn gehoorzaamheid en ging.

Negentien dagen bracht hij in berouw en boete door. Ten slotte kwam

Boeddha tot hem. Rahula werd, hem ziende, met blijdschap vervuld en

boog voor hem met diepen eerbied. Vervolgens ging Boeddha op de voor

hem bestemde plaats zitten en verzocht aan Rahula hem een bekken met

water te brengen en zijne voeten te wasschen. Toen dit was afgeloopen

vroeg Boeddha aan Rahula of dit water nu nog geschikt was voor eenig

huiselijk gebruik (drinken enz.) Rahula zeide van niet: immers het

water was vol met stof en onreinheid. Boeddha sprak: "Dit is ook uw

geval: want ofschoon gij mijn zoon zijt en de kleinzoon des konings,

ofschoon gij alles hebt opgegeven om een asceet te worden, toch

zijt gij onbekwaam uw tong van onwaarheid en de bevlekking van losse

praat terug te houden, en zoo zijt gij evenals dit besmette water:

ongeschikt voor verder gebruik."

Nadat nu het water was weggeworpen, vroeg Boeddha opnieuw of de schaal

nu geschikt was om drinkwater te bevatten. Rahula antwoordde: "Neen,

want de schaal is nog besmet en onzindelijk en kan daarom voor zulk

een doel niet worden gebruikt." Daarop antwoordde Boeddha: "Zoo is

het met u ook. Daar gij uw tong niet in toom houdt zijt gij bekend als

ongeschikt voor eenig hoog doel, al belijdt gij een asceet te zijn."

Daarop stak Boeddha de ledige schaal aan zijn voet en die ronddraaiende

vroeg hij aan Rahula of hij niet bang was dat zij breken zou.

Rahula zeide dat hij daarover niet bezorgd was, want de schaal was

een doodgewone en daarom beteekende zijn verlies weinig.

"Zoo is het met u ook," sprak Boeddha, "want al zijt gij een asceet,

toch zijt gij, daar gij uw tong niet meester zijt, bestemd om, als een

klein en onbeteekenend ding, een eind'looze reeks zielsverhuizingen

door te maken, een voorwerp van verachting voor alle wijzen."

Rahula schaamde zich diep en nog eens richtte Boeddha zich tot hem:

"Luister, ik zal u eene gelijkenis vertellen. In oude dagen was daar

een koning over zeker rijk, die een zeer grooten en sterken olifant

bezat, wel in staat om vijfhonderd kleinere olifanten den baas te

blijven. Er kwam opstand in een deel van 's konings rijk. De koning

wilde er heen, en haalde de ijzeren wapenrusting van den olifant voor

den dag. Hij beval den oppasser van den olifant hem de wapens aan te

doen, te weten: twee scherpgepunte zwaarden aan zijn slagtanden, twee

zeisen aan zijn ooren, een kromme speer aan iederen poot, een ijzeren

bal aan zijn staart; verder moesten negen soldaten hem begeleiden. De

meester van den olifant had er schik in hem zoo geharnast te zien

en prentte hem in toch vooral zijn slurf goed gekruld te houden,

wetende dat een pijlschot in het midden daarvan noodlottig moest

zijn. Doch zie in 't midden van het gevecht wond de olifant zijn

slurf los en wilde er een zwaard mee grijpen. De meester verschrikte

en na overleg met den koning en zijn ministers, werd besloten dat hij

niet meer op het oorlogsveld zou worden geleid." Boeddha vervolgde:

"Rahula, wanneer menschen, die de negen fouten begaan, alleen hun

tong maar bewaarden, zooals deze olifant werd geleerd zijn slurf te

bewaren: alles zou wel zijn. Laten zij zich wachten voor de pijl,

die in het midden treft, laten zij hun mond gesloten houden, opdat

zij niet bij hun dood de ellende van toekomstige geboorten in de drie

slechte wegen moeten doormaken."

Hij voegde er nog deze versregelen bij:

"Ik ben als de vechtende olifant zonder vrees voor de pijl, die in 't

midden treft. Door oprechtheid en waarheid ontkom ik aan de menschen,

die de wet niet eerbiedigen. Als de olifant, die, wel onderworpen

en rustig den koning zijn snuit reikt om hem te bestijgen, zoo onder

tucht is ook de eerwaardige: ook hij duldt vertrouwend en geloovig."

Rahula, deze woorden hoorende, werd bedroefd over zijn achteloosheid

in woorden, wijdde zich aan vernieuwde oefening en werd aldus een

Rahat. [86]

Wij besluiten hiermede de redenen en gelijkenissen, die wij van den

Boeddha vermeldden: mogen zij niet allen van hem zelf afkomstig zijn,

zij drukken toch zeker uit den geest zijner leer, zij stellen ons

in levendig tafereel voor oogen de liefde, de zelfverloochening, het

heil, door den Meester aangeprezen. Toch oordeelen wij het gewenscht,

om, ten einde den lezer tot een helder besef te brengen van het

eigenaardige van Boeddha's streven, de hoofdpunten daarvan nog met een

enkel woord in het licht te stellen. Wij willen dan daarbij tevens

enkele quaesties, die zich in het Boeddhisme voordoen, met name die

over het Nirvana, opzettelijk onder de oogen zien.

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 13 / 78 题