De ware en de verkeerde weg. [71]

"Wanneer, o jongeren, in het woud, op een berghelling, een groote

vallei met water is, waarbij een groote kudde wild leeft en er komt

een man die het wild plagen en ongelukkig maken wil, dan sluit

deze man den weg, [72] die goed, veilig en wel begaanbaar is af

en opent een verkeerden weg, een moeraspad. Dan zal, o jongeren,

die groote kudde wild schade lijden en verminderen. Wanneer er nu

echter, jongeren, een man komt, die tracht naar gedijen, welzijn en

heil voor deze groote kudde wild: dan maakt deze den goeden weg weer

open en vernielt het moeraspad. Dan zal, o jongeren, de groote kudde

wild voortaan gedijen, wassen en toenemen. Een gelijkenis, jongeren,

heb ik verteld, om u den zin bekend te maken. De zin nu is deze:

"De groote vallei en het water zijn de lusten, o jongeren. De groote

kudde wild, jongeren, zijn de levende wezens. De man, die schade en

onheil voor hen tracht te bewerken is Mara, de booze. De verkeerde

weg, jongeren, is de achtvoudige verkeerde weg, namelijk: verkeerd

geloof, verkeerd bedoelen, verkeerd woord, verkeerde daad, verkeerd

leven, verkeerd streven, verkeerd gedenken, verkeerd bespiegelen. De

moerasweg, o jongeren, is vreugde en begeerte. Het moeraspad, jongeren,

is het nietweten. De man, jongeren, die naar gedijen, welzijn, heil

tracht is de voleindigde, de heilige hoogste Boeddha. De zekere,

goede weg, die wel te begaan is, is de heilige, achtvoudige weg,

dat is: goed gelooven, goed bedoelen, goed woord, goede daad, goed

leven, goed streven, goed gedenken, goed bespiegelen. Alzoo, heb ik,

o jongeren, den veiligen, goeden weg geopend, die wel te begaan is, de

valsche weg is toegesloten, het moeraspad vernietigd. Alles, jongeren,

wat een meester doen moet, die naar het heil zijner jongeren tracht,

die zich hunner erbarmt: uit erbarmen voor u heb ik dat gedaan."

Dit bovenstaande verhaal kan terecht den naam van gelijkenis dragen,

wij vinden echter in de oude Boeddhistische boeken ook nog meer

uitgewerkte verhalen, die wel eenigszins aan gelijkenissen doen denken,

maar toch nog beter "leerzame verhalen" kunnen worden genoemd. Enkele

daarvan, deels van Boeddha, deels van zijn volgelingen afkomstig,

willen wij hier laten volgen, omdat zij ons den geest van zijnen

godsdienst zoo goed leeren kennen. Allereerst noemen wij u:

De gelijkenis van de vergeving.

In een vroeger bestaan was Boeddha de asceet Jin Juh en woonde hij in

een bosch. "Wouden zijn heerlijk" verklaarde hij. "Waar de wereldling

geen genoegen vindt, vindt de "ontwaakte" mensch genot."

In dien tijd was er een koning, Ko Li geheeten, een man van wreed,

slecht karakter. Op zekeren dag nam deze koning zijn vrouwen met zich

en ging jagen in het bosch. Vermoeid geworden viel hij in slaap. Toen

gingen al de vrouwen het bosch in om bloemen te plukken; zij kwamen bij

de kluis van den asceet Jin Juh en luisterden naar zijn onderricht. Na

eenigen tijd ontwaakte de koning, en zijn vrouwen missende, werd hij

jaloersch, trok zijn zwaard en ging haar zoeken. Toen hij haar allen

zag staan tegenover de kluis van den asceet, werd hij zeer toornig.

"Wie zijt gij?" sprak de koning.

"Ik ben de asceet Jin Juh."

"Hebt gij alle aardsche hartstochten overwonnen?" vervolgde de

koning. De ander antwoordde dat hij hier was om met zijn hartstochten

te strijden. "Indien gij "Sheung te teng" [73] niet hebt bereikt,

zie ik niet in dat gij beter zijt dan de philosophen," (Fan Fuh)

èn met de wreedheid van een Oostersch tyran hakte hij den armen

kluizenaar handen en voeten af.

De monarch zag tot zijn verbazing een verheven kalmte op het gelaat

van den gekwelden asceet en vroeg hem of hij geen toorn gevoelde.

"Neen, koning, en ik zal u eenmaal leeren ook uw dierlijke hartstochten

te bedwingen. Als ik, in een ander bestaan, Sheung te teng bereik,

zult gij, o koning, mijn eerste bekeerling zijn."

In een volgend bestaan werd koning Ko Li de leerling Kaundiliya.

De hierop volgende geschiedenis is waarschijnlijk een protest

van de Hinayana (de kleine overtocht, dat wil zeggen het meer

oorspronkelijke Boeddhisme) tegen de "valsche leeraars" van de Mahayana

(de groote overtocht) die het Boeddhisme als een soort atheïsme gingen

opvatten. Zij kan genoemd worden:

De gelijkenis van den godloochenaar.

Angati, de koning van Tirhut, had eene dochter, Ruchi. Eerst leefde

hij godsdienstig, doch later hoorde hij verkeerde leeraars, die

verklaarden dat er geen toekomende wereld is en dat de mensch na den

dood, in water en andere elementen wordt opgelost. Van toen af meende

hij dat het beter was het tegenwoordige te genieten en werd hij wreed.

Op zekeren dag ging Ruchi tot den koning en vroeg hem haar duizend

goudstukken te geven, daar het den volgenden dag een feestdag was en

zij een offer wenschte te brengen. De koning antwoordde dat er geen

toekomstig leven was, geen vergelding voor verdienste. Godsdienstige

vormen waren zonder waarde en het was beter om van het tegenwoordige

leven te genieten.

Nu had Ruchi het innerlijk gezicht: zij kon dus in haar leven teruggaan

tot op veertien vroegere bestaansvormen. Dus sprak zij tot den koning

dat zij vroeger een edelman was geweest, doch een overspeler en dat

zij nu voor straf slechts een vrouw was. Als verdere straf was zij

geweest monnik, jonge koe en geit en eens was zij geboren in de hel

Avichi. De koning wilde zich niet door eene vrouw laten onderrichten

en bleef ongeloovig. Toen riep Ruchi, door betoovering, een geest

te hulp, en Boeddha zelf, in de gedaante van een monnik, kwam in de

stad. De koning vroeg hem vanwaar hij kwam. De monnik antwoordde dat

hij uit de andere wereld kwam. De koning zeide daarop lachend:

"Als gij van de andere wereld komt, leen mij dan honderd goudstukken

en als ik naar die wereld ga zal ik er u duizend teruggeven."

Boeddha antwoordde ernstig: "Als iemand geld leent moet dat zijn aan

de rijken, als hij geld geeft aan de armen, is het een gift, want de

arme kan niet terugbetalen. Daarom kan ik u geen honderd goudstukken

leenen, want gij zijt arm en berooid."

"Gij spreekt logen" was het toornig antwoord des konings. "Is niet

deze gansche rijke stad mijn eigendom?"

Boeddha antwoordde: "Over korten tijd; o koning, zult gij sterven. Kunt

gij uw rijkdom meenemen naar de hel? Daar zult gij in onuitsprekelijke

ellende leven, zonder kleeding, zonder voedsel. Hoe kunt gij mij dan

mijn schuld betalen?" Zoo sprak Boeddha en op zijn aangezicht lag

een zonderlinge glans, die den koning verblindde.

Ook het volgende verhaal is zeer populair, het heet:

Boeddha's gelijkenis van Kisagotami.

Eens leefde er een nederig paar in Sravasti. Zij verkochten erwten,

rijst en houtskool in kleine ondiepe mandjes, door een matje tegen de

middagzon bedekt. Zij hadden een eenige dochter, Kisagotami. Op zekeren

dag zond haar vader haar het bosch in om hout te zoeken. Zij bleef

in de jungle bloemen zoeken, totdat zij eensklaps van uit het dichte

riet de oogen van een cheetah [74] op haar gevestigd zag. Zij stierf

bijna van schrik. Plotseling suisde er iets langs haar en de cheetah

lag dood aan haar voeten. De pijl was geschoten door een jongeling,

als jager in dienst bij den Rajah. Spoedig daarna wilde hij trouwen

met Kisagotami, die zeer op hem gesteld was. Doch de ouders, die reeds

op jaren kwamen zeiden dat zij hun eenige dochter niet konden missen.

Eens ging een blinde man het winkeltje voorbij, hij speelde en zong. De

oude moeder luisterde en hij zong:

"Zonder een metgezel wordt de Kokila [75] stil op haar tak,

stil-stil-stil voor altijd."

Zij bracht dit in verband met hare dochter, die inderdaad kwijnend en

ziekelijk was geworden na hare teleurstelling en begon zich over deze

bezorgd te maken. Zoo trad het meisje, na verloop van tijd, door den

invloed van haar moeder, in het huwelijk. In die dagen richtte een

wreede tijger verwoestingen aan en doodde vele dorpelingen. De vorst

beloofde een groote som aan wie den tijger doodde. Kisagotami's man

werd er door verlokt, hij viel den tijger aan, maar werd door diens

klauw doodelijk gewond.

De weduwe en een klein kind keerden naar Sravasti terug en helaas:

ze ontmoetten een stoet van weenende vrouwen, die haar ouders naar

het graf brachten. Een maand later zag men de arme weduwe met een

dood kind in de armen, telkens klagende. "Geef mij een geneesmiddel

voor mijn arm kind."

Een antwoordde: "Ga naar den Sakyamonnik, den Boeddha (verlichte).

Kisagotami ging naar Boeddha's kluis en sprak: "Heer en meester,

kent gij eenig geneesmiddel dat mijn jongen zal genezen?"

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 12 / 78 题