"Wanneer, o jongeren, in het woud, op een berghelling, een groote
vallei met water is, waarbij een groote kudde wild leeft en er komt
een man die het wild plagen en ongelukkig maken wil, dan sluit
deze man den weg, [72] die goed, veilig en wel begaanbaar is af
en opent een verkeerden weg, een moeraspad. Dan zal, o jongeren,
die groote kudde wild schade lijden en verminderen. Wanneer er nu
echter, jongeren, een man komt, die tracht naar gedijen, welzijn en
heil voor deze groote kudde wild: dan maakt deze den goeden weg weer
open en vernielt het moeraspad. Dan zal, o jongeren, de groote kudde
wild voortaan gedijen, wassen en toenemen. Een gelijkenis, jongeren,
heb ik verteld, om u den zin bekend te maken. De zin nu is deze:
"De groote vallei en het water zijn de lusten, o jongeren. De groote
kudde wild, jongeren, zijn de levende wezens. De man, die schade en
onheil voor hen tracht te bewerken is Mara, de booze. De verkeerde
weg, jongeren, is de achtvoudige verkeerde weg, namelijk: verkeerd
geloof, verkeerd bedoelen, verkeerd woord, verkeerde daad, verkeerd
leven, verkeerd streven, verkeerd gedenken, verkeerd bespiegelen. De
moerasweg, o jongeren, is vreugde en begeerte. Het moeraspad, jongeren,
is het nietweten. De man, jongeren, die naar gedijen, welzijn, heil
tracht is de voleindigde, de heilige hoogste Boeddha. De zekere,
goede weg, die wel te begaan is, is de heilige, achtvoudige weg,
dat is: goed gelooven, goed bedoelen, goed woord, goede daad, goed
leven, goed streven, goed gedenken, goed bespiegelen. Alzoo, heb ik,
o jongeren, den veiligen, goeden weg geopend, die wel te begaan is, de
valsche weg is toegesloten, het moeraspad vernietigd. Alles, jongeren,
wat een meester doen moet, die naar het heil zijner jongeren tracht,
die zich hunner erbarmt: uit erbarmen voor u heb ik dat gedaan."
Dit bovenstaande verhaal kan terecht den naam van gelijkenis dragen,
wij vinden echter in de oude Boeddhistische boeken ook nog meer
uitgewerkte verhalen, die wel eenigszins aan gelijkenissen doen denken,
maar toch nog beter "leerzame verhalen" kunnen worden genoemd. Enkele
daarvan, deels van Boeddha, deels van zijn volgelingen afkomstig,
willen wij hier laten volgen, omdat zij ons den geest van zijnen
godsdienst zoo goed leeren kennen. Allereerst noemen wij u:
De gelijkenis van de vergeving.
In een vroeger bestaan was Boeddha de asceet Jin Juh en woonde hij in
een bosch. "Wouden zijn heerlijk" verklaarde hij. "Waar de wereldling
geen genoegen vindt, vindt de "ontwaakte" mensch genot."
In dien tijd was er een koning, Ko Li geheeten, een man van wreed,
slecht karakter. Op zekeren dag nam deze koning zijn vrouwen met zich
en ging jagen in het bosch. Vermoeid geworden viel hij in slaap. Toen
gingen al de vrouwen het bosch in om bloemen te plukken; zij kwamen bij
de kluis van den asceet Jin Juh en luisterden naar zijn onderricht. Na
eenigen tijd ontwaakte de koning, en zijn vrouwen missende, werd hij
jaloersch, trok zijn zwaard en ging haar zoeken. Toen hij haar allen
zag staan tegenover de kluis van den asceet, werd hij zeer toornig.
"Wie zijt gij?" sprak de koning.
"Ik ben de asceet Jin Juh."
"Hebt gij alle aardsche hartstochten overwonnen?" vervolgde de
koning. De ander antwoordde dat hij hier was om met zijn hartstochten
te strijden. "Indien gij "Sheung te teng" [73] niet hebt bereikt,
zie ik niet in dat gij beter zijt dan de philosophen," (Fan Fuh)
èn met de wreedheid van een Oostersch tyran hakte hij den armen
kluizenaar handen en voeten af.
De monarch zag tot zijn verbazing een verheven kalmte op het gelaat
van den gekwelden asceet en vroeg hem of hij geen toorn gevoelde.
"Neen, koning, en ik zal u eenmaal leeren ook uw dierlijke hartstochten
te bedwingen. Als ik, in een ander bestaan, Sheung te teng bereik,
zult gij, o koning, mijn eerste bekeerling zijn."
In een volgend bestaan werd koning Ko Li de leerling Kaundiliya.
De hierop volgende geschiedenis is waarschijnlijk een protest
van de Hinayana (de kleine overtocht, dat wil zeggen het meer
oorspronkelijke Boeddhisme) tegen de "valsche leeraars" van de Mahayana
(de groote overtocht) die het Boeddhisme als een soort atheïsme gingen
opvatten. Zij kan genoemd worden:
De gelijkenis van den godloochenaar.
Angati, de koning van Tirhut, had eene dochter, Ruchi. Eerst leefde
hij godsdienstig, doch later hoorde hij verkeerde leeraars, die
verklaarden dat er geen toekomende wereld is en dat de mensch na den
dood, in water en andere elementen wordt opgelost. Van toen af meende
hij dat het beter was het tegenwoordige te genieten en werd hij wreed.
Op zekeren dag ging Ruchi tot den koning en vroeg hem haar duizend
goudstukken te geven, daar het den volgenden dag een feestdag was en
zij een offer wenschte te brengen. De koning antwoordde dat er geen
toekomstig leven was, geen vergelding voor verdienste. Godsdienstige
vormen waren zonder waarde en het was beter om van het tegenwoordige
leven te genieten.
Nu had Ruchi het innerlijk gezicht: zij kon dus in haar leven teruggaan
tot op veertien vroegere bestaansvormen. Dus sprak zij tot den koning
dat zij vroeger een edelman was geweest, doch een overspeler en dat
zij nu voor straf slechts een vrouw was. Als verdere straf was zij
geweest monnik, jonge koe en geit en eens was zij geboren in de hel
Avichi. De koning wilde zich niet door eene vrouw laten onderrichten
en bleef ongeloovig. Toen riep Ruchi, door betoovering, een geest
te hulp, en Boeddha zelf, in de gedaante van een monnik, kwam in de
stad. De koning vroeg hem vanwaar hij kwam. De monnik antwoordde dat
hij uit de andere wereld kwam. De koning zeide daarop lachend:
"Als gij van de andere wereld komt, leen mij dan honderd goudstukken
en als ik naar die wereld ga zal ik er u duizend teruggeven."
Boeddha antwoordde ernstig: "Als iemand geld leent moet dat zijn aan
de rijken, als hij geld geeft aan de armen, is het een gift, want de
arme kan niet terugbetalen. Daarom kan ik u geen honderd goudstukken
leenen, want gij zijt arm en berooid."
"Gij spreekt logen" was het toornig antwoord des konings. "Is niet
deze gansche rijke stad mijn eigendom?"
Boeddha antwoordde: "Over korten tijd; o koning, zult gij sterven. Kunt
gij uw rijkdom meenemen naar de hel? Daar zult gij in onuitsprekelijke
ellende leven, zonder kleeding, zonder voedsel. Hoe kunt gij mij dan
mijn schuld betalen?" Zoo sprak Boeddha en op zijn aangezicht lag
een zonderlinge glans, die den koning verblindde.
Ook het volgende verhaal is zeer populair, het heet:
Boeddha's gelijkenis van Kisagotami.
Eens leefde er een nederig paar in Sravasti. Zij verkochten erwten,
rijst en houtskool in kleine ondiepe mandjes, door een matje tegen de
middagzon bedekt. Zij hadden een eenige dochter, Kisagotami. Op zekeren
dag zond haar vader haar het bosch in om hout te zoeken. Zij bleef
in de jungle bloemen zoeken, totdat zij eensklaps van uit het dichte
riet de oogen van een cheetah [74] op haar gevestigd zag. Zij stierf
bijna van schrik. Plotseling suisde er iets langs haar en de cheetah
lag dood aan haar voeten. De pijl was geschoten door een jongeling,
als jager in dienst bij den Rajah. Spoedig daarna wilde hij trouwen
met Kisagotami, die zeer op hem gesteld was. Doch de ouders, die reeds
op jaren kwamen zeiden dat zij hun eenige dochter niet konden missen.
Eens ging een blinde man het winkeltje voorbij, hij speelde en zong. De
oude moeder luisterde en hij zong:
"Zonder een metgezel wordt de Kokila [75] stil op haar tak,
stil-stil-stil voor altijd."
Zij bracht dit in verband met hare dochter, die inderdaad kwijnend en
ziekelijk was geworden na hare teleurstelling en begon zich over deze
bezorgd te maken. Zoo trad het meisje, na verloop van tijd, door den
invloed van haar moeder, in het huwelijk. In die dagen richtte een
wreede tijger verwoestingen aan en doodde vele dorpelingen. De vorst
beloofde een groote som aan wie den tijger doodde. Kisagotami's man
werd er door verlokt, hij viel den tijger aan, maar werd door diens
klauw doodelijk gewond.
De weduwe en een klein kind keerden naar Sravasti terug en helaas:
ze ontmoetten een stoet van weenende vrouwen, die haar ouders naar
het graf brachten. Een maand later zag men de arme weduwe met een
dood kind in de armen, telkens klagende. "Geef mij een geneesmiddel
voor mijn arm kind."
Een antwoordde: "Ga naar den Sakyamonnik, den Boeddha (verlichte).
Kisagotami ging naar Boeddha's kluis en sprak: "Heer en meester,
kent gij eenig geneesmiddel dat mijn jongen zal genezen?"