III. Boeddha's onderwijs, Boeddhistische redenen en gelijkenissen.

Wij hebben in de vorige hoofdstukken het leven van den verlichte u

geschetst en daarbij op menige bladzijde, naar ik hoop, doen gevoelen,

welken geest hem bezielde. Toch willen wij op zijn onderwijs nog

meer in 't bizonder uwe aandacht vestigen: de leer was immers naar

zijn eigen woord tot Ananda, de Meester voor zijn volgelingen, als

hij was heengegaan?

Welnu, dat woord van den Meester is ons voor een goed deel overgeleverd

al kunnen wij niet overal beslissen, wat aan den Meester, wat aan

leerlingen te danken is.

Wat die leer betreft, krijgen wij den indruk, dat zij zich--in

onderscheiding van Jezus' leer b. v.--vaak meer tot het verstand

richtte dan tot het hart. 't Is meestal meer een klemmend betoog dan

een op het gevoel werkend beeld. Ja, er is in die betoogen zelfs iets

mathematisch, punt voor punt wordt uitvoerig en eentonig afgewerkt

en langzaam gaat het voort. Als een voorbeeld noem ik de volgende

rede over den gloed der zinnen: [68]

"Toen sprak de verhevene tot de jongeren: alles, jongeren, staat

in vlam. En wat is dit alles, jongeren, dat in vlam staat? Het oog,

leerlingen, staat in vlam, het erkennen van het zichtbare staat in

vlam, de aanraking met het zichtbare staat in vlam, het gevoel,

dat uit de aanraking met het zichtbare voortkomt, staat in vlam:

of het vreugde of leed is of geen vreugde of leed: ook dit staat in

vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der begeerte,

door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding is het

ontvlamd, door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, lijden,

kommer, vertwijfeling is het ontvlamd: Alzoo zeg ik.

"Het oor staat in vlam, het hoorbare staat in vlam, het kennen van

het hoorbare staat in vlam, de aanraking met het hoorbare staat in

vlam, het gevoel dat uit de beroering met het hoorbare voortkomt,

zij het vreugde, zij het leed, zij het geen vreugde en geen leed, ook

dit staat in vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der

begeerte, door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding,

door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, leed, kommer,

vertwijfeling is het ontvlamd: alzoo zeg ik.

"De reuk staat in vlammen (dan volgt weer dezelfde opsomming), de tong

staat in vlammen (wederom), het lichaam staat in vlammen (wederom),

de geest staat in vlammen (wederom)."

Dan gaat de rede voort: "Dit alzoo inziende (nl. de waarheid van het

verteerd worden van alles door den vuurgloed der vergankelijkheid)

wordt een wijze, edele hoorder des woords het oog moede, hij wordt

het zichtbare moede, hij wordt het kennen van het zichtbare moede,

hij wordt het gevoel moede, dat uit de aanraking met het zichtbare

ontstaat, zij het vreugde of leed, of geen vreugde of leed. Hij

wordt het oor moede (enz.), de reuk moede" (enz. enz.) (altijd weer

dezelfde zinnen).

En dan eindigt de rede: "Terwijl hij deze dingen moede wordt,

wordt hij vrij van begeerte, van begeerte vrij wordt hij verlost,

in den verloste is het inzicht: ik ben verlost, vernietigd is de

wedergeboorte, voleindigd de heiligheid, gedaan de plicht, geen

terugkeer is er meer tot deze wereld: alzoo is zijn inzicht."

Voor ons zou een dergelijke toespraak geen groote aantrekkelijkheid

hebben, doch voor de leerlingen van Boeddha, die aan een dergelijken

redeneertrant, ook van andere leeraars gewoon waren, was dat een

ander geval.

Voor de niet ingewijden sloeg de meester gewoonlijk een eenigszins

anderen toon aan, dan waren de redeneeringen niet zoo abstract. Zoo

wordt ons b.v. in de Mahavagga, hetzelfde werk, waaraan de juist

vermelde toespraak is ontleend, ook verhaald hoe de verhevene aan

"tachtigduizend dorpsoudsten" het woord predikte. "Hij erkende", heet

het daar, in zijn geest de gedachten der dorpsoudsten en predikte

hun het woord naar de orde, namelijk de prediking van het geven, de

prediking van de rechtschapenheid, de prediking van de hemelen, de

verderfelijkheid, ijdelheid, onreinheid der lusten, den zegen van het

vrijzijn van lust. Toen nu de verhevene erkende, dat hunne gedachten

goed, ontvankelijk, vrij van hindernissen waren, verheven en naar hem

toegewend, toen predikte hij hen, wat in 't bizonder de prediking der

Boeddha's is: het lijden, het ontstaan van het lijden, de opheffing

van het lijden, den weg tot opheffing des lijdens. Vervolgens wordt

dan geschetst hoe in die dorpsoudsten het oog der waarheid opengaat en

zij inzien dat "alles wat aan de wet van het ontstaan onderworpen is,

ook aan de wet van het vergaan onderworpen is."

M. a. w. hier wordt ons te zien gegeven, hoe Boeddha van het eenvoudige

opklimt tot de verborgenheden, tot het wezenlijke, het eigenaardige

zijner leer. Nu, al mogen wij ook allerminst vaststellen dat deze

leer alzoo is uitgesproken (die verzameling van 80.000 dorpsoudsten is

althans zeker een fictie) toch kunnen wij aannemen dat iets dergelijks

aan de leerwijze van den Verlichte is eigen geweest [69].

Soms ook vinden wij gesprekken, waarin Boeddha uit het dagelijksch

leven opklimt tot het geestelijke, en wel in dier voege, dat hij

zijn toehoorder door verschillende vragen langzaam brengt, waar hij

hem hebben wil: alzoo de methode van Socrates, die ook vooral door

vragen leerde.

Zoo b.v. een gesprek van den Meester met Sona, een zijner

leerlingen. Deze Sona had zichzelf tot de uiterste ascese gedwongen,

doch was ten slotte tot het inzicht gekomen dat zulk een streven geen

goede vruchten droeg. Hij liep nu gevaar tot het andere uiterste over

te slaan en terug te keeren tot een leven voor het genot.

Boeddha zegt dan tot hem: "Hoe is het Sona, waart gij vroeger, voor

gij uw huis verliet, met het snarenspel bekend?" "Ja, heer." "Wat

dunkt u dan Sona, als de snaren al te strak zijn gespannen, zal dan

de luit den rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn". "Dat

zal zij niet, Heer." "En wat dunkt u, als bij uwe luit de snaren al

te slap zijn gespannen, zal dan de luit den rechten toon geven en

voor bespelen geschikt zijn?" "Dat zal zij niet, Heer." "Hoe echter,

Sona, indien bij uwe luit de snaren niet te strak en ook niet te slap

gespannen zijn, als zij de juiste maat houden, zal dan de luit den

rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn?" "Ja, heer."

"Zoo ontaardt ook, Sona, de al te sterk gespannen kracht in overmaat,

en de al te veel overgelaten kracht in slapheid. Daarom Sona, voleindig

in uzelf het evenwicht uwer kracht en tracht te komen tot evenwicht

van uw geestelijk vermogen, houd dit doel in 't oog." [70]

Somtijds vinden wij ook in het onderricht van Boeddha meer uitgewerkte

gelijkenissen. Enkele daarvan willen wij U medededeelen, omdat zij

ons zoo goed den geest des meesters doen kennen. We merken hierbij

echter op, dat zeker niet al deze gelijkenissen van den Meester zelf

afkomstig zijn.

Van den verzoeker, die tracht de menschen den weg des heils te

doen bijster worden en van den verlosser, die hen op den rechten

weg terugvoert, wordt ons de volgende gelijkenis verhaald, die wij

kunnen noemen:

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 11 / 78 题