Wij hebben in de vorige hoofdstukken het leven van den verlichte u
geschetst en daarbij op menige bladzijde, naar ik hoop, doen gevoelen,
welken geest hem bezielde. Toch willen wij op zijn onderwijs nog
meer in 't bizonder uwe aandacht vestigen: de leer was immers naar
zijn eigen woord tot Ananda, de Meester voor zijn volgelingen, als
hij was heengegaan?
Welnu, dat woord van den Meester is ons voor een goed deel overgeleverd
al kunnen wij niet overal beslissen, wat aan den Meester, wat aan
leerlingen te danken is.
Wat die leer betreft, krijgen wij den indruk, dat zij zich--in
onderscheiding van Jezus' leer b. v.--vaak meer tot het verstand
richtte dan tot het hart. 't Is meestal meer een klemmend betoog dan
een op het gevoel werkend beeld. Ja, er is in die betoogen zelfs iets
mathematisch, punt voor punt wordt uitvoerig en eentonig afgewerkt
en langzaam gaat het voort. Als een voorbeeld noem ik de volgende
rede over den gloed der zinnen: [68]
"Toen sprak de verhevene tot de jongeren: alles, jongeren, staat
in vlam. En wat is dit alles, jongeren, dat in vlam staat? Het oog,
leerlingen, staat in vlam, het erkennen van het zichtbare staat in
vlam, de aanraking met het zichtbare staat in vlam, het gevoel,
dat uit de aanraking met het zichtbare voortkomt, staat in vlam:
of het vreugde of leed is of geen vreugde of leed: ook dit staat in
vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der begeerte,
door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding is het
ontvlamd, door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, lijden,
kommer, vertwijfeling is het ontvlamd: Alzoo zeg ik.
"Het oor staat in vlam, het hoorbare staat in vlam, het kennen van
het hoorbare staat in vlam, de aanraking met het hoorbare staat in
vlam, het gevoel dat uit de beroering met het hoorbare voortkomt,
zij het vreugde, zij het leed, zij het geen vreugde en geen leed, ook
dit staat in vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der
begeerte, door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding,
door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, leed, kommer,
vertwijfeling is het ontvlamd: alzoo zeg ik.
"De reuk staat in vlammen (dan volgt weer dezelfde opsomming), de tong
staat in vlammen (wederom), het lichaam staat in vlammen (wederom),
de geest staat in vlammen (wederom)."
Dan gaat de rede voort: "Dit alzoo inziende (nl. de waarheid van het
verteerd worden van alles door den vuurgloed der vergankelijkheid)
wordt een wijze, edele hoorder des woords het oog moede, hij wordt
het zichtbare moede, hij wordt het kennen van het zichtbare moede,
hij wordt het gevoel moede, dat uit de aanraking met het zichtbare
ontstaat, zij het vreugde of leed, of geen vreugde of leed. Hij
wordt het oor moede (enz.), de reuk moede" (enz. enz.) (altijd weer
dezelfde zinnen).
En dan eindigt de rede: "Terwijl hij deze dingen moede wordt,
wordt hij vrij van begeerte, van begeerte vrij wordt hij verlost,
in den verloste is het inzicht: ik ben verlost, vernietigd is de
wedergeboorte, voleindigd de heiligheid, gedaan de plicht, geen
terugkeer is er meer tot deze wereld: alzoo is zijn inzicht."
Voor ons zou een dergelijke toespraak geen groote aantrekkelijkheid
hebben, doch voor de leerlingen van Boeddha, die aan een dergelijken
redeneertrant, ook van andere leeraars gewoon waren, was dat een
ander geval.
Voor de niet ingewijden sloeg de meester gewoonlijk een eenigszins
anderen toon aan, dan waren de redeneeringen niet zoo abstract. Zoo
wordt ons b.v. in de Mahavagga, hetzelfde werk, waaraan de juist
vermelde toespraak is ontleend, ook verhaald hoe de verhevene aan
"tachtigduizend dorpsoudsten" het woord predikte. "Hij erkende", heet
het daar, in zijn geest de gedachten der dorpsoudsten en predikte
hun het woord naar de orde, namelijk de prediking van het geven, de
prediking van de rechtschapenheid, de prediking van de hemelen, de
verderfelijkheid, ijdelheid, onreinheid der lusten, den zegen van het
vrijzijn van lust. Toen nu de verhevene erkende, dat hunne gedachten
goed, ontvankelijk, vrij van hindernissen waren, verheven en naar hem
toegewend, toen predikte hij hen, wat in 't bizonder de prediking der
Boeddha's is: het lijden, het ontstaan van het lijden, de opheffing
van het lijden, den weg tot opheffing des lijdens. Vervolgens wordt
dan geschetst hoe in die dorpsoudsten het oog der waarheid opengaat en
zij inzien dat "alles wat aan de wet van het ontstaan onderworpen is,
ook aan de wet van het vergaan onderworpen is."
M. a. w. hier wordt ons te zien gegeven, hoe Boeddha van het eenvoudige
opklimt tot de verborgenheden, tot het wezenlijke, het eigenaardige
zijner leer. Nu, al mogen wij ook allerminst vaststellen dat deze
leer alzoo is uitgesproken (die verzameling van 80.000 dorpsoudsten is
althans zeker een fictie) toch kunnen wij aannemen dat iets dergelijks
aan de leerwijze van den Verlichte is eigen geweest [69].
Soms ook vinden wij gesprekken, waarin Boeddha uit het dagelijksch
leven opklimt tot het geestelijke, en wel in dier voege, dat hij
zijn toehoorder door verschillende vragen langzaam brengt, waar hij
hem hebben wil: alzoo de methode van Socrates, die ook vooral door
vragen leerde.
Zoo b.v. een gesprek van den Meester met Sona, een zijner
leerlingen. Deze Sona had zichzelf tot de uiterste ascese gedwongen,
doch was ten slotte tot het inzicht gekomen dat zulk een streven geen
goede vruchten droeg. Hij liep nu gevaar tot het andere uiterste over
te slaan en terug te keeren tot een leven voor het genot.
Boeddha zegt dan tot hem: "Hoe is het Sona, waart gij vroeger, voor
gij uw huis verliet, met het snarenspel bekend?" "Ja, heer." "Wat
dunkt u dan Sona, als de snaren al te strak zijn gespannen, zal dan
de luit den rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn". "Dat
zal zij niet, Heer." "En wat dunkt u, als bij uwe luit de snaren al
te slap zijn gespannen, zal dan de luit den rechten toon geven en
voor bespelen geschikt zijn?" "Dat zal zij niet, Heer." "Hoe echter,
Sona, indien bij uwe luit de snaren niet te strak en ook niet te slap
gespannen zijn, als zij de juiste maat houden, zal dan de luit den
rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn?" "Ja, heer."
"Zoo ontaardt ook, Sona, de al te sterk gespannen kracht in overmaat,
en de al te veel overgelaten kracht in slapheid. Daarom Sona, voleindig
in uzelf het evenwicht uwer kracht en tracht te komen tot evenwicht
van uw geestelijk vermogen, houd dit doel in 't oog." [70]
Somtijds vinden wij ook in het onderricht van Boeddha meer uitgewerkte
gelijkenissen. Enkele daarvan willen wij U medededeelen, omdat zij
ons zoo goed den geest des meesters doen kennen. We merken hierbij
echter op, dat zeker niet al deze gelijkenissen van den Meester zelf
afkomstig zijn.
Van den verzoeker, die tracht de menschen den weg des heils te
doen bijster worden en van den verlosser, die hen op den rechten
weg terugvoert, wordt ons de volgende gelijkenis verhaald, die wij
kunnen noemen: