De machtige Varuna, hoog daarboven, ziet omlaag,
Op deze werelden, zijn rijksgebied, als dicht nabij,
Als menschen steelsgewijs het kwade doen, hij weet het.
Waar iemand staat, of gaat, of zachtkens henensluipt,
In duistren schuilhoek toeft of in 't verborgen loert,
Varuna ziet het en speurt hun bewegen.
Als twee te zaam een heilloos plan beramen,
En wanen zich alleen en onbespied, een derde is daarbij:
De koning ziet het al. Ontelbaar in getale
Gaan zijn gezanten d'aarde rond, en duizend oogen,
Zij speuren na wat haar bewoners plegen.
Wat op de aard bestaat, wat in haar dampkring leeft,
Ja, al wat daar beneden is, des konings blik doorgrondt het,
Hij telt het knippen van des menschen oog.
En over 't gansch heelal werpt hij de teerling.
Niet minder treffend zijn vele andere hymnen, aan Agni den vuurgod, of
aan Indra, den god van den regen, in den Vedischen tijd veel vereerd,
gericht. Vooral worden Agni, de vuurgod, Indra, de god van den regen,
en Suriya, de zonnegod, te zamen genoemd als regeerende over de aarde,
den dampkring en het uitspansel daarboven.
Deze drie werden langzamerhand de hoofdgoden der oude Indiërs. Een
merkwaardig verschijnsel echter is, reeds een aandachtige lezing
van de boven aangehaalde hymne aan Varuna overtuigt ons daarvan, dat
ieder dier goden telkens weer als de hoogste, bijna als de eenige werd
geprezen. M. a. w. er lag reeds in den Vedischen godsdienst een zeker
zoeken naar ééne hoogere macht, boven al de anderen verheven. Eveneens
vinden wij het onsterfelijkheidsgeloof hier uitgesproken, doch niet het
latere geloof aan vele geboorten, die de mensch moet ondergaan voor hij
het hoogste bereikt: dat wil zeggen: met de Godheid vereenigd wordt.
Wij denken b.v. aan de volgende hymne, gericht tot Yama, den eersten
mensch, die stierf, en daardoor koning werd van het geestenrijk:
Den macht'gen koning, Yama, gave en eer gebracht,
Hij was de eerste toch die stierf en die den snellen stroom
Des doods braveerde, d'eerste, die den weg ten hemel ging
En and'ren welkom heette in 't oord der heerlijkheid.
Geen macht kan ons dit thuis, door u veroverd, nemen,
Wij komen koning, ieder die geboren is moet sterven
En treden op het pad, door u gebaand, waarop in lange rijen,
Geslachten reeds zijn voorgegaan, den weg
Ook onzer vaad'ren. O ziel des dooden, ga dan rustig heen,
Vrees niet dien weg, dien ouden weg te nemen,
Die tot den God u voert en tot uw zaal'ge vaad'ren,
Bij Hem in heerlijkheid! Vrees voor de honden niet,
Die met hun viertal oogen 't geestenrijk behoe'n,
Keer weer naar uw tehuis, o ziel! Uw zonden, uw verdriet
Laat g'achter op deez' aarde, en gij verkrijgt
Een heerlijke gestalt'--uw' oude vorm--verheerlijkt
En van alle vlek bevrijd.
Zien wij niet uit deze gedichten, dat verheven denkbeelden over dood
en leven het oude Indië reeds kenmerkten? Doch--wij willen bij dien
oud-Vedischen godsdienst niet langer stilstaan. 't Was ons enkel te
doen om den bodem te doen zien, waaruit het Brahmanisme opgroeide.
Brahmanisme wil eigenlijk zeggen, zooals we reeds vroeger opmerkten:
godsvereering onder de leiding der Brahmanen. Dus niet een geheel
nieuwe godsdienst, maar de oude, door een priesterstand in vaste
bedding geleid.
Priesters had men natuurlijk reeds in de oude Vedische periode. Ook
onderscheidde men toen reeds vier verschillende standen: de Brahmanen,
of priesters, de Kshatrya's (edelen of krijgslieden) de Vaisya's
(landbouwers) en de Sudra's (werklieden). Doch nu kwam er een
afgesloten priesterstand en werden de standen beschouwd als casten:
scherp afgescheiden groepen [4]. De priesters heetten voortgekomen te
zijn uit den mond, de krijgslieden uit borst en armen, de landbouwers
uit het lijf, de werklieden uit de voeten der godheid.
Zoo stonden dus de Brahmanen voorop, zij wisten koningen en volk
te leiden en op den geheelen godsdienst hun eigenaardig stempel
te drukken.
Het eerste wat zij deden was voorzeker de heilige boeken, de Veda's,
bijeen te verzamelen. Deze zijn vier in getal: de Rig Veda (liederen
Veda), de Sama Veda (offerzangen Veda), de Yayur-Veda (offerspreuken
Veda) en de Atharvan-Veda (tooverspreuken Veda). Deze boeken nu
behelzen bestanddeelen van verschillenden ouderdom en hebben ook nog
dit eigenaardige dat vele zangen en spreuken in meer dan een dier
verzamelingen voorkomen.
Zij vormden voortaan de heilige wetenschap (= Veda), die de priesters
hadden te bestudeeren en aan de schare bekend te maken. Aan hen werden
straks de Brahmana's, godgeleerde en ritueele verhandelingen, die
gewoonlijk een veel minder verheven geest ademen dan de oude Vedische
liederen, toegevoegd. Doch ook de Upanishads, meer bespiegelende,
stichtelijke werken, kregen straks hier een plaats.
Men ziet dat op dit gebied hetzelfde geschiedde wat ook elders onder
leiding eener macht verkrijgende priesterschap gebeurt: oude verhalen
en liederen worden te zamen gebracht, en door nieuw bijgevoegde
stukken, in bepaald priesterlijken geest wordt er een nieuwe stempel
op gedrukt: het geheel wordt vervolgens een wetboek, waarvan de
priesterschap de sleutel bezit. Men denke bv. aan de ontwikkeling van
Israëls godsdienst, waarbij precies hetzelfde gebeurde: Ezra en andere
priesters verzamelden oude wetten en overleveringen: brachten nieuwe
tot stand in hun geest--bij wier licht de oude moesten worden verklaard
en--gaven dat geheel als wetboek aan het volk. Echter niet zooals bij
Israël mochten in oud-Indië de leeken de wet bestudeeren, dat bleef de
taak der Brahmanen, zij alleen waren de mannen der heilige wetenschap.
In welke bedding nu trachtten die mannen der heilige wetenschap den
volksgodsdienst te leiden? Ik zeg: trachtten te leiden, want de geheele
leiding van een volksgodsdienst nemen kan geen enkele priesterschap,
konden ook de Brahmanen niet.
Allereerst werd de waarde van het offer door hen nog hooger
verheven. Reeds in den ouden tijd hadden de Indiërs het denkbeeld dat
het offer de krachten der bovenaardsche machten sterkte en daardoor
meewerkte om een goed wereldsch beloop te verzekeren. Langzamerhand
echter kwam het denkbeeld op dat het offer ook kan strekken om door de
gunst der versterkte goden een of ander aardsch doelwit te verkrijgen,
b.v. de geboorte van een zoon, ja, men ging zelfs zoover dat men
het offer ging beschouwen als een middel om bovenaardsche vermogens
deelachtig te worden.
Verder maakte men van de, vroeger eenvoudige, offers zeer
samengestelde offerplechtigheden. Daarbij werden bepaalde hymnen
en aanhalingen uit de Veda's gezongen en uitgesproken, en met
angstvallige nauwkeurigheid werd gewaakt voor ieder onderdeel van
het ritueel. Sommige offerplechtigheden strekten zich uit over weken,
ja over jaren: het waren ketenen, van welke iedere schalm nauwkeurig
in het gelid moest passen, zou het offer gunstige gevolgen hebben. De
godheid, waaraan men zijn gaven en gebeden wijdde, trad daarbij op
den achtergrond: doch het volbrengen van offerplechtigheden werd
beschouwd als een krachtig middel om hen, die er aan deelnamen,
macht te verleenen in deze en in de toekomende wereld.
Men ging zelfs zoover van het offer (Yajna) zelf voor te stellen als
een godheid.
Ja, in sommige plaatsen van de Brahmana's werd zelfs geleerd dat
de goden zelf sterfelijk waren, totdat zij door offers den dood
overwonnen. Ook de mensch kan door offeren van den dood worden bevrijd:
doch zijn lichamelijk leven moet hij geven als zoenoffer.
En die verzuimt te offeren moet telkens weer worden wedergeboren, moet
eindelooze levens doorloopen, om altijd weer zijn lichaam aan de goden
te offeren. Men hoore de volgende aanhaling uit Satapatha-Brahmana:
De goden leefden steeds in vreeze voor den dood,
Den machtigen Voleinder. Dus herhaalden
Zij nauwgezet hun offers telkens weer, tot zij onsterf'lijk waren.
Toen sprak de machtige Voleinder tot de goden:
Gij hebt uzelf onsterfelijk gemaakt, nu zal de mensch beproeven
Om ook zichzelf van mijne macht 't ontslaan.
Wat wordt mij daarvoor in den mensch vergoed?
De taal der goden luidde: Voortaan zal niet één
In 't eigen lichaam de onsterf'lijkheid bereiken.
Het sterf'lijk hulsel blijft uw eigendom, uw voedsel
Zal het zijn in eeuwigheid. Ja, ook die door godsdienst'ge daden,
D'onsterf'lijkheid verwerft, zijn lichaam zal hij eerst,
Aan u ten offer wijden, als uw prijs.
Wij zien in dit gedicht uitgedrukt de eigenaardige leer der zoogenaamde
zielsverhuizing, aan het Brahmanisme eigen. Wat is hare strekking? Wij
willen die met een enkel woord in het licht stellen.
Bij onze bespreking van den ouden Vedischen godsdienst: d. w. z. den
godsdienst, waarvan ons in de oudste gedeelten der Veda's de geest
is bewaard gebleven, zagen wij reeds dat er zeker streven opkwam om
één der vele goden tot oppergod te verheffen: men denke b.v. aan de
straks aangehaalde hymne, tot Varuna gericht. In den oud-Brahmaanschen
godsdienst nu kwam men daar omtrent tot klaarder besef. Men gevoelde
dat er een "Geest (atman)" was, boven de kennis der zinnen verheven,
die alle stoffelijk dingen bezielde en doorademde. Die zelfde geest,
die de gansche stoffelijke wereld bezielde was het ook die trilde in
de gedichten der zangers, die bezieling gaf bij godsdienstige kennis
en gebed. Boven alle persoonlijkheid was hij verheven, oneindig en
onbeperkt lag hij aan alle dingen ten grondslag en woonde hij in 't
gansch heelal. Ook in den mensch. Was hij niet de levensadem, die het
lichaam bezielde, woonde hij met zijn geheimzinnige tegenwoordigheid
niet in ieders geweten? Breidde hij zich niet uit in de gansche
oneindige ruimte? Daarom gaf men hem den naam: Brahma. Brahma
(onzijdig) is dus het wezen, dat aan alle dingen ten grondslag ligt:
en waarvan ook de mensch een deel is. Al de goden waren evenals de
menschen slechts openbaringen van die hoogste kracht.
Wat nu moet het levensdoel zijn van den mensch?
Om, van al het stoffelijke bevrijd, van alle smet gereinigd geheel,
in dit Brahma, in die wereldziel, te verzinken. Hoe echter moet dit
doel worden bereikt? Wij zagen reeds dat de offers daartoe een werkzaam
middel werden geacht. Doch, nevens de offers, in sommige kringen zelfs
met terzijdestelling daarvan, hechtte men in dezen groote waarde aan
zelfkastijding en aan bespiegelend inkeeren tot zichzelf: want komen
tot zichzelf, tot zijn diepste wezen, is komen tot Brahma.
Doch: een enkel menschelijk leven is daarvoor niet genoeg: vele levens
moet men doorloopen, telkens weer moet men na een overgangstijdperk
in hemel of hel, naar gelang van zijn vroeger leven, opnieuw worden
geboren, altijd op hoogeren trap van zelfverloochening en bespiegeling
gerakend, zal men eindelijk geheel in de wereldziel verzinken. En
wee die toegeeft aan booze lusten en geen zelfverloochening kent:
eindeloos zijn zijne wedergeboorten: hij kan zelfs genoodzaakt zijn
niet als mensch, maar als dier of plant weer te keeren.
Wie echter als Brahmaan ter wereld komt, in die geheiligde caste
het levenslicht aanschouwt, hij heeft reeds een goed deel van den
moeilijken levensgang afgelegd. Hoe moet hij komen tot volkomen
verlossing?
Die weg wordt in het wetboek van Manoe zorgvuldig aangewezen. Eerst,
zoo luidt het hier, is hij een leerling der Brahmanen, met het
gewijde koord en den gordel bekleed. Een hechte band vereenigt hem
met zijn leermeester, door wien hij in de heil'ge boeken onderwezen
wordt. Straks is zijn leertijd volbracht en viert hij, bij 't brengen
van zijn eerste offer, het feest zijner wedergeboorte.
De leerling wordt nu huisvader. Zoo betaalt hij in deze twee eerste
levensstadiën de schuld, waarmede hij geboren werd: die aan de Rishis
("heilige" zangers) wier liederen hij leerde om ze aan volgende
geslachten over te leveren, aan de voorvaderen, door nakomelingschap
te verwekken om hen offers te brengen, aan de goden, aan wie hij zijn
eigen offers wijdt. Heeft hij deze schulden betaald, dan kan hij het
huishoudelijk bestier aan zijn zoon, die nu zelf huisvader geworden is,
overdragen en zich terugtrekken uit het wereldsch gewoel om geheel
voor godsdienstige overpeinzingen te leven. Boven het offeren is
hij dan verheven: door het beschouwend leven komt hij straks tot
volkomen verlossing. Doch slechts dan is hij zoover gevorderd, dat
geen nieuwe wedergeboorte hem meer wacht, indien hij ook in zijn
laatste oogenblikken niet meer over de wereldsche dingen, ook maar
voor een oogenblik, zijn gedachten laat gaan.
En uit deze leer over de verlossing, waarin aan het ascetische leven
feitelijk een hoogere waarde wordt toegekend dan aan het offeren, en
uit die van het Brahma, het ware wezen, dat onpersoonlijk is en aan
alle dingen ten grondslag ligt, kunnen wij zien welken eigenaardigen
weg het Indische denken in het Brahmanisme opging. Het onbewuste wordt
hier boven het bewuste, het onpersoonlijke boven het persoonlijke
gesteld. Voorwaar een groote tegenstelling met de Westersche
godsdienstige ontwikkeling in het Christendom, waarin God geldt als
de zelfbewuste, liefhebbende macht, de Vader, en waarin niet opgaan
in het albeginsel, maar streven naar volmaking, naar steeds grootere
ontwikkeling der persoonlijkheid, als doelwit wordt gesteld.
M. a. w.: het Brahmanisme is een pantheïstische: (God = de Alziel),
het Christendom een theïstische (God = de Albestuurder) godsdienst. [5]
Het Brahmanisme een pantheïstische godsdienst. Dat schijnt voor
den oppervlakkigen beschouwer vreemd, want hij bemerkt dat er vele
goden zijn, aan wie men zijne vereering brengt: men zegt zelfs dat
er 33 millioen goden of goddelijke wezens door dezen godsdienst
worden erkend. M. a. w.: het Brahmanisme gelijkt veel meer op een
veelgodendom, dan op de erkenning van één beginsel, dat aan alle
dingen ten grondslag ligt.
Gaan wij echter na de philosophische stroomingen of scholen, die
zich in het Brahmanisme hebben ontwikkeld, waaronder de Vedanta en de
Sankhya-philosophie de voornaamste zijn, dan valt dit ééne, dat zich
in alles openbaart, helder in het oog. De zaak is feitelijk deze:
de Brahmanen hadden te doen met een volksgodsdienst, die een groot
aantal goden erkende. De minder ontwikkelden eensklaps opvoeren
tot de hoogte der wijsgeerige bespiegeling ging niet aan: het volk
was daarvoor niet rijp. Een anderen weg moest dus bewandeld en kon
ook worden betreden. Al de goden waren in 't oog van den verlichten
Brahmaan openbaringen van het eene Alwezen, of liever zinnebeelden,
aanwijzingen van die goddelijke macht. Welnu, zoo konden zij hunne
vereering blijven behouden: wie hen diende bracht toch ten slotte
zijne vereering aan de groote Macht, die zich in alles openbaart. Wie
Vishnoe bij voorkeur dient, eert in hem de onderhoudende kracht: een
der zijden van het Alwezen. Wie voor Rama en Krishna, twee volksgoden
bij uitnemendheid, zich buigt, hij eert de goddelijke vleeschwordingen
van den grooten God Vishnoe. Wie voor Siva gestrenge boetedoeningen
verricht, hij erkent immers de macht die het leven afbreekt, doch
ook telkens weer vernieuwt? Is niet ook Siva ten slotte uit Brahma
voortgevloeid?
Zoo heeft dus het wijsgeerig denken beslag gelegd op den ouden
volksgodsdienst, en de schare moge blijven staan bij de verschillende
goden zonder den symbolischen zin te verstaan, toch: door wie dieper
doordringt, m. a. w. door de meer ontwikkelden onder de Indiërs,
wordt in toenemende mate verstaan dat het opgaan in het alleven
de eigenlijke zin is van het gansche wonderbare tooverpaleis, door
dezen godsdienst opgebouwd, met wijsgeerig bestek, op de grondslagen
van den alouden volksgodsdienst. Wie dus het Brahmanisme goed wil
verstaan moet zich niet te veel ergeren aan den afgodischen schors,
maar doordringen tot den innerlijken kern. Als hij dat doet, zal hij
zien, dat er tusschen het schijnbare veelgodendom en de wijsbegeerte
der Brahmanen niet zulk een klove bestaat, maar dat tot de schare
wordt gesproken in gelijkenissen, doch tot de ingewijden vrijuit,
dat voor de eersten de hoogste waarheid verborgen blijft in het
mythologisch kleed, maar dat zij voor de anderen soms helder schijnt.
Om een en ander in 't licht te stellen willen wij èn bij de
Brahmaansche godenleer èn bij de Brahmaansche wijsbegeerte nog
uitvoeriger stilstaan.