HOOFDSTUK I.

Het Brahmanisme, zijn oorsprong, karakter en eigenaardigheden.

Wanneer wij den loop eener rivier nagaan, zien we eerst een klein

beekje, dat van de bergen afdaalt. Langzamerhand verbreedt het zich

en wordt het tevens kalmer in zijn loop. Wateren van verschillende

kleur en oorsprong neemt het op, en--voor het de zee bereikt--splitst

zich de machtige stroom vaak in verschillende armen.

Iets dergelijks zien we, wanneer we nagaan den loop van verschillende

godsdiensten door de wereld. We denken bv. aan den godsdienst van

Israël. Eerst een klein beekje, dat door niets toonde dat het een

grootere toekomst had dan andere dergelijke beekjes. Langzamerhand

echter komt het aan 't licht dat het kleine beekje een groote rivier

zal worden: 't blijkt dat er in Israëls godsdienst iets ligt, waardoor

hij zich van andere godsdiensten kenmerkend onderscheidt. Straks

komt het almeer in een vaste bedding: oude wetten en verhalen worden

saamgevoegd en als heilig beschouwd, een priesterstand krijgt de

leiding in handen: deze wordt straks uitsluitend bevoegd om offers

te brengen en verschillende godsdienstige verrichtingen te leiden.

Godsdienstige denkbeelden, van elders ontleend, worden opgenomen

en zóó in 't kader ingevoegd dat zij een onbreekbaar geheel vormen:

evenals de zijrivieren met den grooten stroom. Zoo vormde zich uit den

oud-Israëlietischen de Joodsche godsdienst met zijn eigenaardigheden:

zijn op den voorgrond stellen van de éénheid Gods, zijn gehechtheid aan

de geheiligde wetten en gebruiken, zijn gewijde offers en ceremoniën.

Doch daarnaast vloeide straks een machtige zijstroom.

Onder het oude Israël had men de profeten, de verkondigers van vrijheid

en zelfstandigheid: de mannen die opkwamen voor de eischen van het

zedelijk en maatschappelijk leven als Gods grootste geboden. Ook hunne

geschriften waren door de Joodsche geleerden opgenomen onder de heilige

schriften, doch: hun denkbeelden vertegenwoordigden niet de heerschende

richting van het Jodendom. Straks echter zou Israëls grootste zoon ze

brengen op den voorgrond en ze verder ontwikkelen. Hij verdedigde ze,

in heeten strijd met de Joodsche schriftgeleerden, tegen wetsgezag

en priesterstand in--en uit zijn optreden werd een nieuwe godsdienst

geboren: een machtige zijarm van de groote rivier spoedde zich voort.

Waarom deze dingen herinnerd, waar we gaan spreken over een gansch

anderen godsdienst, uit een gansch ander land? Omdat we hier ongeveer

't zelfde zien gebeuren. Uit den oorspronkelijken godsdienst toch

der oude Indiërs heeft zich als een machtige stroom het Brahmanisme

ontwikkeld: een godsdienst waarin ook waren bijeengezameld gewijde

geschriften van vroeger en later tijd, de Veda's, waarin ook was

opgekomen een priesterstand vol gezag: de Brahmanen.

Een godsdienst vol voorschriften, wetten, en ceremoniën.

Doch in dien godsdienst was ook een nevenstroom: een zoeken van

het ware levensdoel, niet zoozeer in gewijde vormen en ceremonie's,

als wel in stille overpeinzing over het leven en in 't vrijmaken des

geestes van de banden der stof. Ook die nevenstroom behoorde tot den

erkenden, gewijden godsdienst. Maar straks zou die worden geleid in

een geheel nieuwe bedding. Het Boeddhisme trad met kracht in 't krijt

tegen de uitwendige godsvereering en vond zijn hoogste streven hierin,

dat het de menschen wilde losmaken uit de begoocheling der zinnen,

en dat niet door zelfkastijding en offers, maar door een gestreng

en eenvoudig liefdevol leven. Dat Boeddhisme staat min of meer in

dezelfde verhouding tot het Brahmanisme als het Christendom tot den

Israëlietischen godsdienst. Om het dus goed te verstaan dienen wij

eerst zijn vader: het Brahmanisme te kennen, een vader, tegen wien het

wel in verzet kwam, maar met wien het toch wezenlijke karaktertrekken

gemeen heeft.

Wat nu is Brahmanisme? De godsdienst, die staat onder de leiding der

Brahmanen, een afgesloten priesterstand van Indië. Aanhangers van het

Brahmanisme--een godsdienst, door 170 millioen Indiërs beleden--zijn

dus zij die zich in 't algemeen aan de leer en de voorschriften

der priesterschap houden en bij godsdienstige plechtigheden van

hare tusschenkomst gebruik maken. Men denke daarom niet dat de

geloovigen van dezen godsdienst in alles eens zijn: verre van dien. De

een--en dit verschil geldt vooral van het Brahmanisme, zooals het nu

bestaat--brengt zijn offers en vereering aan deze godheid, de ander

aan gene. En ook de wijze, waarop de verschillende goden worden

vereerd loopt ver uiteen. Toch: er is eenheid in de verscheidenheid.

Alle goden gelden, vooral voor den ontwikkelden Brahmaan, als

openbaringen van één alwezen, het Brahma, dat, zelf onnaspeurlijk

verheven en onbeschrijflijk, aan alle dingen ten grondslag ligt en

zich in alles openbaart; in de goden, maar ook in de menschen, ja,

zelfs in de dieren en planten. Schijnbaar dus een bont geschakeerd

tafereel van goden, een tooneel van bijgeloovigen afgodendienst,

toch voor de ingewijden gansch iets anders.

Al de ontelbare goden, al de groote krachten en werkingen der natuur:

de wind, de rivieren, de aardbevingen en pestilentiën, voor dezen zijn

ze slechts de openbaringen van de aldoordringende goddelijke kracht,

die in onnoemelijk veel vormen zich doet kennen.

De mensch zelf is slechts het aarden vat, dat de inwonende Godheid in

zich houdt (Brahma is het albezielend goddelijk leven "en die zijt

gij", klinkt een van de spreuken). Die inwonende godheid geeft aan

de menschheid hare gedachten en de uiting daarvan.

God is dus eigenlijk de natuur: zoodat als gij de natuur dient: 't

zij de bezielde of de onbezielde, gij eigenlijk God vereert en als gij

een beeld aanbidt gij het zinnebeeld of de openbaring der godheid eert.

Zoo is dus het Brahmanisme aan de eene zijde een verlichte

wijsbegeerte: zoo wordt het verstaan door zijn meest ontwikkelde

aanhangers, terwijl het toch onder zijn wijden mantel alle mogelijke

bekrompen godsvereering en bijgeloof kan dekken.

Om deze en andere eigenaardigheden van het Brahmanisme goed te

begrijpen is het echter wenschelijk, dat wij eerst ons trachten in

te denken hoe deze godsdienst is ontstaan.

We gaan met onzen geest terug tot lang vervlogen dagen, tot vele,

vele eeuwen voor Christus, toen de Ariërs--de gemeenschappelijke

voorvaderen van Indiërs en Perzen--als een herders- en landbouwvolk ten

noorden van het Himalaya gebergte woonden. Straks gingen zij, toen hun

aantal zich uitbreidde uiteen: sommigen trokken naar het westen (de

voorvaderen der Perzen), anderen naar het zuiden, door de passen van

Afghanistan naar Indië. Toch: een vergelijking van den oud-Indischen

en den oud-Perzischen godsdienst leert ons dat zij eenmaal één waren.

Evenals andere volken gevoelden ook de oude Indiërs dat er machten

boven hen stonden. Met vrees en vereering zagen zij op naar de lucht:

den blauwen hemel, de zon, de duisternis en andere natuurmachten,

van wie hun welzijn afhankelijk was. Overal in de natuur bemerkten zij

beweging en waar beweging was, daar was ook leven en macht. Waren zij

niet gedrongen de gunst te zoeken dier bovenaardsche machten? En--moest

niet onder die machten ééne de hoogste zijn? Vandaar dat zij van den

stralenden hemel spraken als van den vader des lichts (Dyaus. Pitar)

of ook in de alles doordringende lucht (Varuna) de tegenwoordigheid

speurden van een onzichtbaren getuige van al hun daden, bij dag en

bij nacht. Ook Agni, de god van het vuur, die belangrijke hulp van

den mensch: weldadig, maar ook verteerend, werd geëerd.

Een voorgeschreven vereering van deze en andere goden was er echter nog

niet. Men bracht hen hulde door lofliederen en gebeden, door geschenken

van voedsel en drank. En men gaf hun in zijn offers datgene wat men

zelf het meest op prijs stelde: rijst en boter en vooral het vroolijk

makende sap van de Somaplant (Sarcostema Viminalis) waaraan men voor

zijn eigen levenskracht zoo groote waarde toekende. Ieder bracht zelf

zijn offers en gebeden, naar zijn eigen gevoel hem dat ingaf.

Toch: men kende ook reeds in die oude dagen mannen van verlichting

en leiding (Rishi's), die het woord der goden hoorden en hun

goddelijke kennis (Veda) aan anderen overbrachten. Aan hen

worden de gezangen der Vedische boeken, de gewijde schriften van

het Brahmanisme, toegeschreven. In de meeste Veda's zijn drie

bestanddeelen, mantra's-liederen, brahmana's-verhandelingen,

sutra's-overleveringen. De mantra's vormen de oudste

gedeelten. Inderdaad verplaatsen ons sommige dezer liederen in die

lang vervlogen eeuwen en doen zij ons zien dat een diep religieus

gevoel in de harten dier oude Indiërs woonde.

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 3 / 78 题