Het Brahmanisme, zijn oorsprong, karakter en eigenaardigheden.
Wanneer wij den loop eener rivier nagaan, zien we eerst een klein
beekje, dat van de bergen afdaalt. Langzamerhand verbreedt het zich
en wordt het tevens kalmer in zijn loop. Wateren van verschillende
kleur en oorsprong neemt het op, en--voor het de zee bereikt--splitst
zich de machtige stroom vaak in verschillende armen.
Iets dergelijks zien we, wanneer we nagaan den loop van verschillende
godsdiensten door de wereld. We denken bv. aan den godsdienst van
Israël. Eerst een klein beekje, dat door niets toonde dat het een
grootere toekomst had dan andere dergelijke beekjes. Langzamerhand
echter komt het aan 't licht dat het kleine beekje een groote rivier
zal worden: 't blijkt dat er in Israëls godsdienst iets ligt, waardoor
hij zich van andere godsdiensten kenmerkend onderscheidt. Straks
komt het almeer in een vaste bedding: oude wetten en verhalen worden
saamgevoegd en als heilig beschouwd, een priesterstand krijgt de
leiding in handen: deze wordt straks uitsluitend bevoegd om offers
te brengen en verschillende godsdienstige verrichtingen te leiden.
Godsdienstige denkbeelden, van elders ontleend, worden opgenomen
en zóó in 't kader ingevoegd dat zij een onbreekbaar geheel vormen:
evenals de zijrivieren met den grooten stroom. Zoo vormde zich uit den
oud-Israëlietischen de Joodsche godsdienst met zijn eigenaardigheden:
zijn op den voorgrond stellen van de éénheid Gods, zijn gehechtheid aan
de geheiligde wetten en gebruiken, zijn gewijde offers en ceremoniën.
Doch daarnaast vloeide straks een machtige zijstroom.
Onder het oude Israël had men de profeten, de verkondigers van vrijheid
en zelfstandigheid: de mannen die opkwamen voor de eischen van het
zedelijk en maatschappelijk leven als Gods grootste geboden. Ook hunne
geschriften waren door de Joodsche geleerden opgenomen onder de heilige
schriften, doch: hun denkbeelden vertegenwoordigden niet de heerschende
richting van het Jodendom. Straks echter zou Israëls grootste zoon ze
brengen op den voorgrond en ze verder ontwikkelen. Hij verdedigde ze,
in heeten strijd met de Joodsche schriftgeleerden, tegen wetsgezag
en priesterstand in--en uit zijn optreden werd een nieuwe godsdienst
geboren: een machtige zijarm van de groote rivier spoedde zich voort.
Waarom deze dingen herinnerd, waar we gaan spreken over een gansch
anderen godsdienst, uit een gansch ander land? Omdat we hier ongeveer
't zelfde zien gebeuren. Uit den oorspronkelijken godsdienst toch
der oude Indiërs heeft zich als een machtige stroom het Brahmanisme
ontwikkeld: een godsdienst waarin ook waren bijeengezameld gewijde
geschriften van vroeger en later tijd, de Veda's, waarin ook was
opgekomen een priesterstand vol gezag: de Brahmanen.
Een godsdienst vol voorschriften, wetten, en ceremoniën.
Doch in dien godsdienst was ook een nevenstroom: een zoeken van
het ware levensdoel, niet zoozeer in gewijde vormen en ceremonie's,
als wel in stille overpeinzing over het leven en in 't vrijmaken des
geestes van de banden der stof. Ook die nevenstroom behoorde tot den
erkenden, gewijden godsdienst. Maar straks zou die worden geleid in
een geheel nieuwe bedding. Het Boeddhisme trad met kracht in 't krijt
tegen de uitwendige godsvereering en vond zijn hoogste streven hierin,
dat het de menschen wilde losmaken uit de begoocheling der zinnen,
en dat niet door zelfkastijding en offers, maar door een gestreng
en eenvoudig liefdevol leven. Dat Boeddhisme staat min of meer in
dezelfde verhouding tot het Brahmanisme als het Christendom tot den
Israëlietischen godsdienst. Om het dus goed te verstaan dienen wij
eerst zijn vader: het Brahmanisme te kennen, een vader, tegen wien het
wel in verzet kwam, maar met wien het toch wezenlijke karaktertrekken
gemeen heeft.
Wat nu is Brahmanisme? De godsdienst, die staat onder de leiding der
Brahmanen, een afgesloten priesterstand van Indië. Aanhangers van het
Brahmanisme--een godsdienst, door 170 millioen Indiërs beleden--zijn
dus zij die zich in 't algemeen aan de leer en de voorschriften
der priesterschap houden en bij godsdienstige plechtigheden van
hare tusschenkomst gebruik maken. Men denke daarom niet dat de
geloovigen van dezen godsdienst in alles eens zijn: verre van dien. De
een--en dit verschil geldt vooral van het Brahmanisme, zooals het nu
bestaat--brengt zijn offers en vereering aan deze godheid, de ander
aan gene. En ook de wijze, waarop de verschillende goden worden
vereerd loopt ver uiteen. Toch: er is eenheid in de verscheidenheid.
Alle goden gelden, vooral voor den ontwikkelden Brahmaan, als
openbaringen van één alwezen, het Brahma, dat, zelf onnaspeurlijk
verheven en onbeschrijflijk, aan alle dingen ten grondslag ligt en
zich in alles openbaart; in de goden, maar ook in de menschen, ja,
zelfs in de dieren en planten. Schijnbaar dus een bont geschakeerd
tafereel van goden, een tooneel van bijgeloovigen afgodendienst,
toch voor de ingewijden gansch iets anders.
Al de ontelbare goden, al de groote krachten en werkingen der natuur:
de wind, de rivieren, de aardbevingen en pestilentiën, voor dezen zijn
ze slechts de openbaringen van de aldoordringende goddelijke kracht,
die in onnoemelijk veel vormen zich doet kennen.
De mensch zelf is slechts het aarden vat, dat de inwonende Godheid in
zich houdt (Brahma is het albezielend goddelijk leven "en die zijt
gij", klinkt een van de spreuken). Die inwonende godheid geeft aan
de menschheid hare gedachten en de uiting daarvan.
God is dus eigenlijk de natuur: zoodat als gij de natuur dient: 't
zij de bezielde of de onbezielde, gij eigenlijk God vereert en als gij
een beeld aanbidt gij het zinnebeeld of de openbaring der godheid eert.
Zoo is dus het Brahmanisme aan de eene zijde een verlichte
wijsbegeerte: zoo wordt het verstaan door zijn meest ontwikkelde
aanhangers, terwijl het toch onder zijn wijden mantel alle mogelijke
bekrompen godsvereering en bijgeloof kan dekken.
Om deze en andere eigenaardigheden van het Brahmanisme goed te
begrijpen is het echter wenschelijk, dat wij eerst ons trachten in
te denken hoe deze godsdienst is ontstaan.
We gaan met onzen geest terug tot lang vervlogen dagen, tot vele,
vele eeuwen voor Christus, toen de Ariërs--de gemeenschappelijke
voorvaderen van Indiërs en Perzen--als een herders- en landbouwvolk ten
noorden van het Himalaya gebergte woonden. Straks gingen zij, toen hun
aantal zich uitbreidde uiteen: sommigen trokken naar het westen (de
voorvaderen der Perzen), anderen naar het zuiden, door de passen van
Afghanistan naar Indië. Toch: een vergelijking van den oud-Indischen
en den oud-Perzischen godsdienst leert ons dat zij eenmaal één waren.
Evenals andere volken gevoelden ook de oude Indiërs dat er machten
boven hen stonden. Met vrees en vereering zagen zij op naar de lucht:
den blauwen hemel, de zon, de duisternis en andere natuurmachten,
van wie hun welzijn afhankelijk was. Overal in de natuur bemerkten zij
beweging en waar beweging was, daar was ook leven en macht. Waren zij
niet gedrongen de gunst te zoeken dier bovenaardsche machten? En--moest
niet onder die machten ééne de hoogste zijn? Vandaar dat zij van den
stralenden hemel spraken als van den vader des lichts (Dyaus. Pitar)
of ook in de alles doordringende lucht (Varuna) de tegenwoordigheid
speurden van een onzichtbaren getuige van al hun daden, bij dag en
bij nacht. Ook Agni, de god van het vuur, die belangrijke hulp van
den mensch: weldadig, maar ook verteerend, werd geëerd.
Een voorgeschreven vereering van deze en andere goden was er echter nog
niet. Men bracht hen hulde door lofliederen en gebeden, door geschenken
van voedsel en drank. En men gaf hun in zijn offers datgene wat men
zelf het meest op prijs stelde: rijst en boter en vooral het vroolijk
makende sap van de Somaplant (Sarcostema Viminalis) waaraan men voor
zijn eigen levenskracht zoo groote waarde toekende. Ieder bracht zelf
zijn offers en gebeden, naar zijn eigen gevoel hem dat ingaf.
Toch: men kende ook reeds in die oude dagen mannen van verlichting
en leiding (Rishi's), die het woord der goden hoorden en hun
goddelijke kennis (Veda) aan anderen overbrachten. Aan hen
worden de gezangen der Vedische boeken, de gewijde schriften van
het Brahmanisme, toegeschreven. In de meeste Veda's zijn drie
bestanddeelen, mantra's-liederen, brahmana's-verhandelingen,
sutra's-overleveringen. De mantra's vormen de oudste
gedeelten. Inderdaad verplaatsen ons sommige dezer liederen in die
lang vervlogen eeuwen en doen zij ons zien dat een diep religieus
gevoel in de harten dier oude Indiërs woonde.