Brahmaansche godenleer en levensbeschouwing.
Brahma, zoo heet het in de eerste: het volstrekte en oneindige, bracht,
door Maya (den schijn) beheerscht, Brahma voort. Deze manlijke god
Brahma (wel te onderscheiden dus van het onpersoonlijke, Brahma)
staat aan het hoofd der schepping. Hij is de Schepper, uit wien
alle leven is. Doch naast hem staan als de twee andere goden der
Indische Trimurti (drieëenheid) Vishnoe de onderhouder, en Siva, de
verwoester. In deze drie personen openbaart zich alzoo de godheid. De
Oud-Indische dichter Kalidasa drukt het aldus uit:
In deze drie personen wordt d'ééne God gezien,
Een ieder van hen is de eerste en de laatste
In rang, niet één alleen,
't Zij Brahma, Vishnoe, Siva, ieder van hen zij
De eerste, tweede, derde, in de goddelijke rij.
In de grotten van Elephanta bij Bombay wordt het heilige drietal
voorgesteld als drie majestueuse hoofden, die uit één lichaam zich
verheffen. Ook is de driehoek een zinnebeeld hunner eenheid en
gelijkwaardigheid.
Van deze drie goden nu wordt Brahma het minst vereerd. Feitelijk
is hij meer een wijsgeerig beeld, ontstaan uit het streven om een
uitgangspunt te vinden voor het geheele stelsel, dan een godheid,
die zich werkelijk bekommert om de werking der wereldmachine, die
door zijn wil in beweging is gebracht. Zijn invloed is te verwijderd,
zijn werkzaamheid is te weinig omschreven, om indruk te maken op de
verbeelding der schare, daarom heeft hij ook slechts weinige tempels
en worden daarentegen in het nieuwere Brahmanisme de beide andere
hoofdgoden vooral gediend.
De orthodoxe Hindoes toch zijn hoofdzakelijk verdeeld in vereerders van
Vishnoe en Siva, twee secten, die elkaar weinig waardeeren. Vishnoe
is een zeer belangrijke, veel omvattende godheid. Hij is de opperste
onderhouder aller dingen en zijn vrouw Laksmi is de godin van overvloed
en vruchtbaarheid. Vishnoe in zijn hoogste openbaring wordt afgebeeld
als neerzittend in zalige rust: trouwens rust: geen werkzaamheid is,
in overeenstemming met den geheelen geest der Indiërs, het eigenaardige
der hoogste goden. Doch in tegenstelling met den verheven Brahma,
kan Vishnoe worden gewekt door de ernstige gebeden en offergaven
der menschen of der lagere goden, ja, hij kan er toe gebracht worden
om in de wereld af te dalen en--op kritieke oogenblikken--de dingen
terecht te brengen.
Die neerdalingen zijn de beroemde vleeschwordingen (avatara's) van den
god, waarin hij groote daden heeft gedaan en machtige wonderen heeft
verricht. Zijn beroemdste vleeschwordingen zijn Rama en Krishna. Rama
is een beroemd, met een stralenkrans omgeven oorlogsman: de held
van het Ramayana, dat beroemde Indische heldendicht. Krishna is een
halfgod, wiens dienst in sommige deelen van Indië in hooge eere is,
hij wordt uit verschillende oogpunten in de Indische godsdienstige
litteratuur beschouwd en is de held van het tweede beroemde Indische
heldendicht, het Mahabharata.
Deze leer der goddelijke vleeschwording is een van de belangrijkste
leerstukken van het nieuwere Brahmanisme: zij brengt verband in
verschillende deelen van den godsdienst, de hoogere met de lagere
vereenigend, de goden uit den hemel naar omlaag voerend om zich met
de aardsche aangelegenheden in te laten.
Wilde men zich rekenschap geven van de wonderbare daden van eenig
beroemd held: de verklaring was, dat de groote god Vishnoe zich in
zijne gestalte had geopenbaard: zoo verscheen de god, tot verhooging
van zijn eer, telkens als mensch onder de menschen. Doch: ook van
de lichamen van dieren nam Vishnoe soms bezit; nu eens ontmoeten
wij hem als leeuw, dan weer als beer, als visch of als schildpad;
wat bij die andere vleeschwordingen al heel slecht schijnt te
passen. Eerst hoort gij dat de goddelijke geest een schitterend
krijgsman of een wonderdoend heilige bezielde, en gij stemt toe,
dat deze opvatting redelijk is en geenszins onwaardig. Hoort gij nu
echter dat dezelfde god is overgegaan in een visch of een schildpad,
en onder dien vorm wordt vereerd: dan vindt gij dit een onredelijk,
ongerijmd geloof. Doch: vergeet dan niet dat de pantheïstische
denkwijze: de Eéne, die zich overal openbaart, de grondslag is van
al deze vleeschwordingen en dat de goddelijke geest immers evenzeer
woont in een insect als in den grootsten koning!
Bovendien de Brahmanen hadden goede redenen om de tegenwoordigheid van
Vishnoe in sommige dierengestalten te erkennen. Men denke aan het feit,
dat het Brahmanisme in zich opnam--en nog steeds voortgaat in zich
op te nemen--bekeerlingen van de talrijke niet-Hindoesche stammen,
die daar wonen op de heuvelen en in de bosschen van Indië.
Dat waren de oorspronkelijke inwoners met hun ruwe vereering van
allerlei voorwerpen en dieren, die hun belangrijk voorkwamen. Om nu
deze heidenen in de Hindoesche gemeenschap in te voegen, kende men geen
beter middel, dan om onder de vele goden ook de door hen vereerden:
doch gelouterd en verheven, op te nemen. Dit doel nu werd bereikt
door hun voorwerpen van vereering, eenvoudig als vleeschwordingen
van Vishnoe te behouden.
Zoo ging het voorheen, en gaat het ook thans nog. Zekere stam van
wilde bergbewoners vereerde den beer. Nu is de beer een van Vishnoe's
vleeschwordingen. Toen nu de bergbewoners in den Hindoeschen godsdienst
werden ingewijd, lag het voor de hand dat Vishnoe in dit dier werd
ontdekt: de nieuwe geloovigen hadden enkel te verstaan, dat zij
vroeger reeds onbewust den grooten God hadden gediend. Zeer spoedig
ging hun overgang in zijn werk: toch, zonder dat wij daarbij kunnen
denken aan opzettelijke misleiding. Neen, de Brahmanen erkenden dat
het voorwerp hunner vereering zekere wonderbare, vrees-aanjagende
eigenschappen bezat: dat het te recht werd vereerd: zij zagen echter
verder en hooger dan die uitwendige vereering en legden uit dat
al deze eigenaardigheden een goddelijke macht aantoonden en dus de
tegenwoordigheid van de godheid in een nieuwe gedaante beteekenden. Zoo
zouden zij ook--verder gevraagd--zeggen dat de god zelf slechts een
zichtbare en overtuigende openbaring was van de verborgen goddelijke
kracht, die alle dingen bezielt. Zoo zouden ook alle groote mannen en
heiligen beschouwd worden als vermommingen of gestalten, door Vishnoe
aangenomen om een belangrijke rol te spelen op het wereldtooneel.
Daareven gewaagden wij van Vishnoe's vleeschwordingen, Krishna en
Rama, waarnaast nog vele anderen te noemen zouden zijn. Toen eens
zeker Mohammedaan oproer maakte tegen het Engelsch gezag en daarbij
een aanvankelijk succes had, zeide een Indisch edelman, 's mans
dappere daden vermeldend, dat hij een vleeschwording van Krishna
moest zijn. Zoo gewagen immers ook Homerus' gedichten van goden, die
in de gedaante van aardsche krijgslieden, meevochten in den strijd,
en de overleveringen van alle volken zijn vol van wonderbare gedaanten,
die verschijnen, om hun trouwe dienaars te redden of te verdedigen.
Wat Krishna betreft, er zijn minstens tien vleeschwordingen van hem
bekend, onder welke hij bepaald in sommige beroemde tempels wordt
gediend; Jaggernauth is eene daarvan. Zijn toegewijde vereerders
wijden hem hun ziel, hun lichaam en hun goed, doch ik vrees dat zijn
voorbeeld van vroolijke en verliefde godheid dikwijls tot losbandige
praktijken bij zijn vereerders leidt.
Siva vertegenwoordigt een geheel ander beginsel dan Vishnoe. Is deze de
onderhouder, Siva is de verwoester en opbouwer tevens der verschillende
levensvormen. De gansche kringloop der bezielde schepping, de eeuwige
afwisseling van geboorte en dood in de gansche natuur, ziedaar zijn
regeering. Niet door vleeschwording openbaart hij zich, zooals Vishnoe,
maar de groote natuurlijke verschijnselen, die het leven opbouwen
en ontbinden, doen zijn wezen aan de menschheid kennen. Hij brengt
leven en dood; de plagen en ziekten, die duizenden wegsleepen, zijn
het teeken zijner werking.
De natuur schept duizende levensvormen en vernietigt ze weer,
zonder zich te bekommeren om de verwoesting die zij aanricht. Op
geheimzinnige, onberekenbare wijze brengt zij voort en verwoest zij. 't
Is Siva, die deze werking uitoefent en altijd weer millioenen wezens
wegvaagt om ze door nieuwe te vervangen. Die gevreesde macht nu gunstig
te stemmen is het hoofddoel van Siva's vereerders; weinigen begeeren
iets van zijn macht te erlangen. In Siva's naam worden de strengste
onthouding en de wreedste versterving toegepast: zelfverminking door
ijzeren haken, trotseeren van pijn en honger, 't voortdurend aannemen
van moeilijke houdingen, vasten en eenzame overpeinzing behooren tot
zijn vereering. Door deze praktijken kan zelfs een Sudra, [6] indien
hij volhardt, wonderbare krachten verkrijgen en de goden dwingen
hem te gehoorzamen. De meeste broederschappen van Indische devoten
en fakirs (rondzwervende heiligen), die soms alle kleedij versmaden
en geheel Indië rondgaan, behooren tot Siva's volgelingen. In zijn
tempel worden tallooze offerdieren geslacht, ofschoon men onderstelt
dat zelfs menschenoffers hem nog onbewogen laten. Hoe dit eigenaardig
beeld is ontstaan? Niet onwaarschijnlijk zijn, bij de invoering van het
Brahmanisme, de welwillende, heldhaftige goden der onontwikkelde volken
in Vishnoe opgegaan en als zijn vleeschwordingen beschouwd, terwijl hun
ruwe en wreede ceremoniën, hun vreeselijke verschijningen en demonen
bij Siva zijn thuisgebracht of bij de goden aan hem onderworpen.
Bezien wij deze drieëenheid, deze drie goden met hun vleeschwordingen,
openbaringen en zinnebeelden van populaire zijde, dan vormen zij een
bontgekleurd veelgodendom. Bezien wij ze, minder oppervlakkig, met
het oog van den meer ontwikkelden Indiër, dan zien wij ze als beelden
van wat de schepping te zien geeft, de weldadige en vernietigende
invloeden, de kracht, die alles doordringt, de eeuwige wisseling van
leven en dood, dag en nacht.
Een Brahmaan, dien gij zoudt willen wijzen op het mythologische
karakter van al die goden zou u antwoorden, dat hij zich zeer
wel bewust is dat de godheden slechts de uitwendige figuren,
beelden of aanwijzingen zijn van de onbegrijpelijke macht, die den
achtergrond aller dingen vormt. Hij zou u zeggen dat deze mythologie de
eenvoudigste vorm is, waarin het pantheïstische beginsel der goddelijke
alomtegenwoordigheid aan het volk kan worden duidelijk gemaakt en dat
de gewone vereering werkelijk gebracht wordt aan openbaringen van de
godheid, die zich tot in alle krachten en vormen onthult.
Niet anders is het met de gebeden en offers, den goden gebracht. Men
zal u verklaren de goden te dienen, omdat dit goed en nuttig is. En
inderdaad is dit ook dikwerf het doel. Doch: er is toch feitelijk
ook hier nog iets anders. Diep in het hart van den Hindoe leeft de
gedachte dat de ziel door verschillende stadiën van leven, als dier
en als mensch, moet worden gelouterd, totdat zij eindelijk--van
alle begeerte en eigenwilligheid bevrijd--zich vereenigen kan met
het hoogste alwezen. Bevrijding--dat is terugkeer in den oneindigen
geest--ziedaar het hoogste goed voor den Indischen vrome en wijze,
en daartoe werken ook offers en gebeden mede.
Dit nu blijkt ook, als wij het oog vestigen op de Indische bespiegeling
over wereld en leven, zooals wij die vinden in de Vedanta en in de
Sankhya school. Er zijn trouwens nog vier andere erkende philosophische
scholen onder de Hindoe's, doch deze zijn de voornaamste, waarom
wij, in verband met het kader van dit werk, de andere stilzwijgend
voorbijgaan. Deze philosophische bespiegelingen vinden wij in de
Upanishads, gewijde boeken, die de verborgen leer der Veda's heeten
te verkondigen. Wanneer wij ons nu voorstellen dat het hier alleen
te doen is om de waarheid te doorvorschen, zooals bij de Westersche
wijsbegeerte, dan vergissen wij ons zeer. Neen, het eigenlijke doel
is om--door kennis van geest en stof, wereld en leven--te komen tot
bevrijding, tot verlossing van de eindelooze wedergeboorten.
De Vedanta leert dat de uitwendige wereld ontstaan is doordat Maya
(= illusie) Brahma (den eeuwigen absoluten geest) overschaduwde.
Het geestelijke in den mensch is feitelijk niet slechts een deel
van Brahma, maar Brahma zelf. De werkelijkheid der wereld is slechts
schijn, en het ware doel van den menschelijken geest moet zijn, om,
langs den weg van talrijke oefeningen en bespiegelingen, bevrijd van
het lichaam, de wereld en de gevolgen ook zijner daden, in Brahma
te verzinken.
De Sankhya-philosophie is minder pantheïstisch dan wel dualistisch
getint. Immers zij leert: van den beginne zijn er twee wezens:
Prakriti, het vrouwelijk beginsel, de natuur of, om het in Westersche
taal uit te drukken de oerstof, de oorspronkelijke stof en Purusha:
de geest, manlijk voorgesteld. Daarmee wordt echter niet bedoeld één
eeuwige algeest of iets dergelijks, maar de geest, wonende in ieder
wezen. Ieder levend wezen berust op de vereeniging van Prakriti en
Purusha. Het doel is nu: den geest vrij te maken van de stof. Naar zijn
wezen is hij dit feitelijk reeds: doch hij moet verlost worden van
Prakriti's gemeenschap en wèl door waarachtig inzicht in zichzelf en
de aan hem tegenovergestelde natuur. Overpeinzing en ascese bewijzen
daarbij belangrijke diensten. Wie met het Boeddhisme en zijn leer
op de hoogte is en weet dat ook daar verlossing van alle begeerte
het einddoel is, zal erkennen dat wij hier met verwante gedachten te
doen hebben.
Het kan ons voorts niet verwonderen, gelet op het eigenaardige
pantheïstisch beginsel, dat het geheele Indische denken beheerscht,
dat de Vedanta als de bij uitstek rechtzinnige school geldt, zij immers
is het meest naar den eigenaardig Brahmaanschen grondslag opgebouwd.
Zoo wordt dan èn de Brahmaansche godenleer èn de Brahmaansche
wijsbegeerte door denzelfden geest bezield. In beiden klinkt het
u tegen dat het uitwendige leven van weinig waarde is: slechts
een schouwtooneel tot opvoeding en onderhouding van den geest. De
uiterlijke wereld is slechts Maya (illusie, droom). Die zelfde
geest nu komt ons ook weer tegen in de oud-Indische heldendichten,
die waarschijnlijk niet door Brahmanen zijn gedicht, maar uit den
kring der Kshatrya's (krijgslieden, edelen) zijn voortgekomen, en die
voor een goed deel tot de vroegste tijden van het Brahmanisme worden
teruggebracht. Deze gedichten--de Ramayana, waarin de lotgevallen van
Rama, en de Mahabharata, waarin die van Krishna worden bezongen--beiden
vleeschwordingen van den god Vishnoe--brengen ons in een wonderwereld
van sprookjes. Een atmosfeer, voor ons westerlingen, vreemd in den
eersten oogopslag, maar die ons straks toch gemeenzamer wordt, als
wij gaan gevoelen dat in die zonderlinge lotgevallen der oud-Indische
helden en heldinnen zich een geest uitspreekt, dien wij zonen van
het westen, in menig opzicht kunnen deelen. Is toch niet aan onze
levensopvatting vaak eigen een besef van 's levens droeve raadselen,
dat ons drijft tot medelijden? Bewonderen wij niet vaak de schoonheid
en de kunst, toch gevoelende dat zij zijn als een droombeeld, dat
wij niet kunnen bereiken?
Welnu: die zelfde geest woont ook in de oude Indische poëzie. Haar
geheimzinnigheid is die van het alleven. Zij ziet in de natuur niet
de vijandin van de ziel--zooals de middeneeuwsche Katholieke poëzie,
die het leven en de natuur ten slotte den rug toekeert--maar zij ziet
de gansche zichtbare natuur als den droom van de algemeene wereldziel,
van die ziel, die alleen werkelijk bestaat. En de droomer heeft genot
in de beelden die hem voorbijgaan, doch een weemoedig genot, want
hij voelt dat zij voorbijgaan. De Indische poëzie ziet het gewone
leven met een mengeling van verheven gevoel en medelijden aan, zij
weet, dat op de jeugd de ouderdom, op het genot de moeheid, op de
liefde de smart van het verlies, op het leven de dood volgt. Wat nu
te doen? Hopen op verandering in deze noodwendigheden gaat niet aan:
maar de ziel moet gebracht worden tot zulk een staat van geestelijke
belangeloosheid, dat zij niet langer bedroefd is over de wisseling
en de onvolmaaktheid van alle onstoffelijke aardsche dingen.
Die geest--dien wij straks in volle ontwikkeling zullen zien bij het
Boeddhisme--doordringt ook de oud-Indische poëzie. Een enkele proeve
moge volstaan.
We willen u herinneren aan de geschiedenis van Valmiki, den man, van
wien de Indiërs onderstellen, dat hij het Ramayana dichtte. Valmiki,
zoo lezen wij in dit heldendicht, was een heilig kluizenaar, die
een leven van stille overpeinzing leidde in de eenzaamheid van het
woud. Het onderwerp zijner overpeinzing is het leed der wereld. De god
Brahma vertelt hem op zekeren dag de geschiedenis van Rama. Indien een
dichter, zoo peinst Valmiki, deze geschiedenis van een volmaakt leven
eens in diep gevoelde verzen kon bezingen, dat zou de menschen brengen
tot een beter, edeler leven. Doch hij, Valmiki, is geen dichter. Hoe
zal hij iemand vinden, voor deze taak berekend? Valmiki moet daarover
telkens weer nadenken. Op zekeren morgen staat hij aan den oever van
een helder water nabij zijn hut, waar hij gewoon is de wasschingen
te verrichten, die tot de godsdienstige plichten van den Brahmaan
behooren. En zie--tegenover hem zijn twee reigers. Zij slaan vroolijk
met hun vleugels, vol onschuldige vreugde over 't leven. Eensklaps valt
een der vogels, door een pijl getroffen, neer, en het zuivere water van
de plas wordt roodgekleurd. Valmiki is zoo vol medelijden en droefheid,
dat als een smartkreet uit zijn ziel wordt geperst: een dichtregel over
den dood van den onschuldigen vogel en de wreedheid van den jager. Er
is een wonderbare maat en een aandoenlijke muziek in zijn woorden,
hij moet ze nog eens en nog eens herhalen. Verwonderd wat toch over
hem gekomen is keert Valmiki terug naar zijn hut. Onderweg ontmoet hij
Brahma die hem vraagt of hij een dichter heeft gevonden, waardig om
de geschiedenis van den volmaakten mensch Rama te vertellen? Valmiki
wil antwoorden dat hij er geen gevonden heeft. Doch instede van dit
antwoord komt hem de klacht over den dood van den reiger over de
lippen, en hij schaamt zich tegenover Brahma: de God zal denken,
dat Valmiki hem bespot. Doch glimlachend spreekt Brahma.
"Gelukkige Valmiki! Om uw medelijden met den reiger hebt gij ontvangen
de genade van Sarasvati, de godin der poëzie. Ga, en zing voor de
ooren der wereld het leven van den heiligen Rama."
Valmiki is het type van den heiligen, vromen kluizenaar, zooals hij
in die heldendichten voorkomt. Doch er komen ook andere kluizenaars
in voor, menschen, die door wreede zelfkastijding en boetedoening
tooverkrachten zoeken te verwerven. Deze worden geschilderd als
gevaarlijke personen, die men moet ontzien. En waar zij in een verhaal
optreden, komt er altijd een of ander onheil.
M. a. w. de dichters van deze verheven poëzie--in dit opzicht tolken
van de volksmeening--gevoelden reeds--wat Boeddha later beslist
zou uitspreken, dat door vasten en zelfkastijding magische krachten
verkrijgen, zooals de Brahmanen dat aanprijzen, de weg tot verlichting
en verheffing der ziel niet kon zijn. Merkwaardig komt dit uit in de
legende van Rajah Visvamitra.
Deze is een rijk en machtig heerscher. Zijn vreedzame voorspoed
begint hem te vervelen en met een groot leger gaat hij op avonturen
uit. Hij ondervindt niet veel. Ieder is zoo bevreesd voor hem dat hij
geen enkele twist met iemand krijgt. En overal vraagt hij of men wel
iemand der levenden kent, zoo machtig als Visvamitra. Overal luidt het
antwoord ontkennend: noch op de aarde, noch in Swarga (het verblijf
boven de aarde) bestaat zulk een machtig wezen. Op zekeren dag echter
ontmoeten zij een vromen bedelaar, en Visvamitra, als godsdienstig
vorst, geeft hem rijke giften. Daarna volgt de gewone vraag: "Kent
gij iemand, zoo heerlijk en zoo machtig als Visvamitra?" Het antwoord
luidt: "Waarlijk, gij zijt een heerlijk en machtig vorst. Doch ik ken
één mensch bij wien uwe heerlijkheid is als rook tegenover de sterke
rots: die man is de priester Vasistha."
"En, wie is die Vasistha, wiens macht grooter is dan de mijne?"
"Een eenzaam kluizenaar, die leeft in de diepten van het woud. Zijn
kleeding is van boombast, hij leeft van wortels en bessen: toch,
zijn macht is grooter dan die van alle rajahs in de wereld."
Visvamitra's nieuwsgierigheid is opgewekt: hij besluit den
merkwaardigen kluizenaar een bezoek te brengen. Met zijn leger gaat
hij het woud in en ten slotte ontdekt men het eenzame verblijf van
Vasistha. De rajah wordt zeer vriendelijk ontvangen, zij spreken over
geestelijke onderwerpen en Visvamitra, zeer gesticht en opgewekt,
wil heengaan. Doch ongelukkig voor beide partijen, krijgt Vasistha
den inval om den koning en zijn leger op een feest te vragen.
Eerst weigert de rajah, beleefd dankend, de uitnoodiging. De vorst
kan niet begrijpen hoe een kluizenaar, die van wortels en bessen
leeft, midden in de wildernis een feest kan aanrichten voor een
leger. Vasistha verzekert echter dat dit voor hem niet moeilijk is. En
zie, in minder dan geen tijd is er op het gras een feestmaal--een
vegetarisch wel te verstaan--uitgespreid: geroosterd koren, suikergoed,
gebak, verfrischt door rivieren van gestremde melk. De soldaten
waren uiterst voldaan en vielen met vreugdekreten op het feestmaal
aan. Doch de eetlust van den rajah is bedorven: hij kan in zijn afgunst
niet begrijpen hoe Vasistha in een oogenblik zoo'n feest aanricht:
zou werkelijk, zooals die bedelaar zeide, die kluizenaar grooter
macht hebben dan hij? Ten slotte verklaart Vasistha zich bereid hem
de zaak uit te leggen. Mahadeva heeft hem, als belooning voor zijn
zelfkastijdingen, de wonderkoe Sabala gegeven. Hij behoeft deze koe
slechts te melken om te verkrijgen wat hij begeert.
Nu neemt de bitterheid van Visvamitra nog meer toe. "Het is niet
passend"--zoo oordeelt hij "dat een heilig kluizenaar, die een leven
van boete leidt, een schepsel bezit, dat hem in zware verzoeking
brengt om zijn geloften van vasten en afsterving van het aardsche te
verbreken. Daarom Vasistha, voor uw zieleheil is het beter dat gij
mij die wonderbare Sabala schenkt."
"Volstrekt niet," antwoordt Vasistha, "Sabala geeft mij de zuivere
boter, die ik voor het offervuur moet gebruiken, hoe zou ik die anders
verkrijgen in deze wildernis."
"Ik wil in die offerboter trachten te voorzien," sprak
rajah Visvamitra. "Het is een duidelijke verkwisting van de
tooverkracht der onbevlekte Sabala om die voor zoo'n kleinigheid te
gebruiken. Bovendien: ik ben de meester van deze landstreek en dus ook
de rechtmatige eigenaar van het vee." Doch: Vasistha wijst alle listen
en onderhandelingen af. Op het laatst beveelt de rajah de soldaten om
Sabala mee te nemen: doch Vasistha melkt gauw de wonderkoe en verkrijgt
een leger, tweemaal zoo groot als dat van Visvamitra. Moedeloos en
neerslachtig keert deze naar zijn stad en paleis terug.
Hier roept hij alle wijze mannen en Brahmanen tot zich en vraagt
hun hoe hij Vasistha's trots zal breken en de wonderkoe in zijn
bezit krijgen.
De Brahmanen antwoorden: "Aardsche wapens, o rajah, helpen u tegen
Vasistha niet. Om hem te overwinnen moet ge hem bestrijden met zijn
eigen wapens. Zijn kracht ligt in de verdiensten, die hij zich door
zijn vroomheid en zelfverloochening verwierf. Kunt gij op diezelfde
wijze u verdiensten verwerven? Zoo niet: geef dan alle hoop op om
Sabala te verkrijgen."
Rajah Visvamitra gevoelt dat het leven geen vreugde meer voor hem
heeft, zoolang hij Sabala niet bezit. Hij legt zijn koninklijk gewaad
af, verlaat zijn paleis en stad en begeeft zich naar de wildernis om
daar door een gestreng leven, der wereld afgestorven, zich krachten
als die van Vasistha te verwerven. Het zou mij te ver voeren u te
verhalen welke kwellingen de rajah al niet voor zichzelf uitdacht,
of hoeveel moed en volharding hij toonde wanneer, tot straf voor een
oogenblik van vergeten zijner geloften--al de verdiensten die hij
door zijn zelfverloochening zich verwierf, wederom verloren gingen. De
goden, zoo schildert ons het verhaal, bevreesd voor het slecht gebruik
dat de kluizenaars maken zouden van hun door boetedoening verkregen
macht, beproeven steeds hen in hun plannen te dwarsboomen of door
kleine geschenken hen om te koopen opdat de som der verdiensten
niet te groot en te gevaarlijk zou worden. Zoo werd ook Visvamitra
beproefd door de goden, doch, hoe ook misleid en ter neer geworpen,
altijd keert hij met nieuwen ijver tot zijn plan weder! En, in 't eind
triumfeert hij. Hij heeft zich zooveel verdiensten verworven dat geen
gunst hem kan worden geweigerd. Indra zelf komt vriend'lijk vragen
wat hij begeert. Wij verwachten dat hij de vernedering van Vasistha
en het bezit van de koe zal verlangen: doch neen, alle toorn tegen
Vasistha, alle begeerte naar Sabala is verdwenen: hij herinnert
zich niet eens dat beiden bestaan. Het eenige wat hij vraagt is:
geestelijke vrijheid en verlossing van alle aardsche begeerten.
Klinkt het in dit zonderling en toch aantrekkelijk verhaal ons niet
duidelijk tegen: De ware wijze is, die geen begeerten meer kent, en
wiens ziel is gekomen tot rust en bestendigheid? Wordt ons hier niet
geleerd dat het ware doel niet is om door zelfkastijding tooverkrachten
te verkrijgen, maar om te komen tot bevrijding en verlichting?
We naderen hier den geest van 't Boeddhisme, we staan hier op den
bodem, waarop dit zich ontwikkeld heeft. Nog duidelijker komt dit uit
in de geschiedenis van rajah Yayati, die wij in het Mahabharata vinden.
Rajah Yayati heeft het ongeluk om tot vrouw te nemen de dochter van
een Brahmaan, die met wonderbare tooverkrachten is toegerust. De rajah
heeft ongenoegen met zijn vrouw, en de Brahmaan, zijn schoonvader,
weet hem door zijn tooverkracht met een ontijdigen ouderdom te
straffen. Zoo is hij in den bloei der jeugd in een bevend, waggelend
grijsaard veranderd, die den Brahmaan smeekt om toch enkele jaren
van levenskracht, opdat hij afscheid moge nemen van de vreugden van
dat leven, dat hij zoo gemakkelijk had opgevat, toen hij niet begreep
dat hij het zoo spoedig zou verliezen.
De Brahmaan staat toe dat Yayati zijn ouderdom zal verwisselen
tegen de gelukkige jeugd van een ander, doch voor weinige jaren
slechts. Zijn die voorbij, dan moet hij wederom zijn straf des
ouderdoms ondergaan. Na vele jaren van vermoeiend rondzwerven weet
rajah Yayati den jongsten zijner zonen te overreden om den last van
den vroegtijdigen ouderdom op zich te nemen en aan zijn vader diens
eigen jeugd over te doen. De rajah wil nu, in den korten tijd hem
gelaten, ten volle genieten van alle aardsche vreugde.
Hij beproeft allereerst de weelde, die den mensch streelt en de
genietingen der zinnen, dan het avontuurlijk leven van den jager,
vervolgens de vreugde, die wijsbegeerte en poëzie aan verstand en hart
schenken. Doch het resultaat is altijd hetzelfde. Hij ondervindt dat
deze vreugden des levens eigenlijk niet wezenlijk bestaan, maar alleen
als voorwerp onzer begeerte aantrekkelijk schijnen. Dan keert hij terug
tot zijn zoon, wien hij teruggeeft zijn jeugd en zijn vatbaarheid om
te genieten en zelf neemt hij zijn straf wederom op. En zijn slotsom
is de volgende:
"Ik heb bevonden, dat het voorwerp, dat men begeert nooit de begeerte
bevredigt, het voedt slechts de vlam, evenals de gereinigde boter
het offervuur.
"Al de rijst, al het koren, al het vee, alle schatten, alle
beminnelijkste vrouwen die de aarde bevat, zij kunnen nooit des
menschen begeerte voldoen; daarom is het eenige de begeerte zelf te
dooden en uit te werpen.
"Ik voor mij wil die verterende dorst der begeerte van mij
afzetten. Neem dus, mijn zoon, uwe jeugd weder, ik zal mijn woning
nemen in het woud, waar de gazellen verblijf houden en wil mijn hart
richten op de beschouwing der eeuwige dingen."
Zoo werd rajah Yayati een kluizenaar. Doch ook nu is zijn geestelijke
oefening nog onvolledig. Hij volbrengt zware boetedoeningen en
verkrijgt daardoor het voorrecht om in dit stoffelijk lichaam reeds
naar Swarga (het verblijf der goden) te mogen opstijgen. Op zekeren dag
echter geeft de rajah hoog op van zijn verwonderlijke boetedoeningen
tegenover Indra, den god van het uitspansel. Doch deze bluf berooft hem
van de verdiensten, die hij zich had verworven en waardoor hij alleen
in Swarga kon wonen. Aldus moet hij naar beneden dalen; hij blijft nu
tusschen de hemelsche en aardsche sfeer en wordt daar volmaakt. Want
nu leert hij dat het belangrijkste feit is, niet wààr iemand is,
doch wàt hij is. "Noch hier, noch in Swarga noch op de aarde, noch
in de hel Naraka woon ik, de zetel van mijn wezen is in mij zelven."
"Pijn heb ik niet in mijn macht doch leed te gevoelen over mijn
pijn kan ik vermijden. Beter dan in Swarga te zijn is zijne ziel in
lijdzaamheid te bezitten." En als de rajah zoo spreekt klinken er
triumfkreten om hem heen. Hij heeft de volmaking bereikt en Swarga is
nu zijn tehuis. Doch rajah Yayati heeft geen ongeduldige begeerten naar
zijn hemelsch verblijf. Langzaam stijgt hij omhoog, bijna onwillig,
en nog eens herhaalt hij: "Beter dan Swarga is zijne ziel te bezitten
in lijdzaamheid."
We komen hier, herhaal ik, als op den drempel van het Boeddhisme. Daar
verzekert ons de verlichte (Boeddha) dat de mensch niet om den hemel te
beërven, noch om de goden te behagen, maar om tot den grooten vrede,
tot de rust van Nirvana te komen alle begeerten en hartstochten moet
afsterven. Komt ook niet in de ziel van Yayati datzelfde denkbeeld
tot rijpheid?
Van het Brahmanisme zouden wij hier afscheid kunnen nemen. Wij
hebben de moeder gevolgd tot op het oogenblik waarop de dochter
(het Boeddhisme) zal worden geboren, die straks het ouderlijk huis
zal verlaten.
Toch, al is het ons vooral om dat Boeddhisme te doen, wij kunnen van
het oude Brahmanisme hier nog geen afscheid nemen. Niet, omdat wij
bij al zijn latere lotgevallen en wisselingen willen stilstaan; dat
zou ons veel te ver voeren. Maar wel, omdat wij nog willen beschouwen
het streven der Brahmo Samaj, die trachten hun godsdienst van alle
bijvoegselen te ontdoen en tot zijn oorspronkelijke zuiverheid terug
te brengen. Ons volgend hoofdstuk zal daaraan gewijd zijn.