Twee dwalingen heerschen er nog altijd op het gebied van godsdienst
en wijsbegeerte.
De eerste is, dat men de wijsbegeerte vijandig stelt tegenover alles
wat naar godsdienst gelijkt en aan de denkbeelden en voorstellingen,
uit den godsdienst ontsproten, slechts een mythologische waarde
toekent.
De andere is, dat men een of anderen godsdienst, laten wij zeggen
den Christelijken godsdienst, als den eenig waren, door God zelf
geopenbaarden beschouwt en van uit dit standpunt met een meelijdende
glimlach op al de dwaze ideeën der heidenen neerziet.
Beide deze opvattingen zijn vrij algemeen. Doch voor de rechtbank der
wetenschap laten zij zich geen van beide handhaven. Wie werkelijk de
moeite neemt verschillende godsdiensten te onderzoeken moet ze wel
laten varen.
Als hij zich niet laat verbijsteren door alle wonderlijke godennamen
en zonderlinge gebruiken, maar tracht door te dringen tot het hart,
het wezen van eenigen godsdienst, zal hij van zijn tegenstelling
tusschen godsdienst en wijsbegeerte terugkomen. Hij zal inzien, dat
iedere godsdienst een antwoord tracht te geven op vragen als: Wie
ben ik, vanwaar kom ik, waar ga ik heen? Welken weg moet ik volgen
in 't leven? Wat is de wereld, die mij omringt? Dezelfde vragen
m. a. w. waarmede ook de wijsbegeerte zich bezig houdt. En hij zal,
althans in de godsdiensten der meer ontwikkelde volken, antwoorden
op deze vragen hooren, die wel degelijk verdienen ernstig te worden
overwogen. Het kan niet missen of zijn onderzoek zal hem leiden tot
de erkentenis dat er wijsgeerig nadenken is in den godsdienst, maar
ook dat er godsdienst moet zijn in den wijsgeer.
Zoo wordt hij dus verlost van het vooroordeel, dat godsdienst en
wijsbegeerte tegenover elkaar staan.
Maar--'t kan ook zijn dat een gansch ander vooroordeel in hem
woont. Dat hij, als Christen geloovige b.v. met zekere minachting
neerziet op al dien heidenschen afgodendienst, immers niets dan
duisternis. Ook dat vooroordeel zal voor zijn onderzoek bezwijken. Hij
zal--indien hij althans werkelijk iets in zich opneemt (er zijn ook
stompe hersenen, die lezen, doch niet verstaan), moèten erkennen dat
het goddelijk licht niet alleen geblonken heeft in Galilea, maar ook
in andere landen en onder andere volken. De ziel van denkers en wijzen
zal spreken tot zijne ziel en hem, misschien eerst verbijsteren doch
straks verkwikken. En, al moge hij, terecht, zijn eigen godsdienst het
hoogst blijven stellen, toch zal hij met dankbaarheid en waardeering
het licht begroeten, overal waar het schijnt.
't Zou mij niet verbazen, indien menig lezer van "de groote denkers",
aan het eind van dit deel genaderd, deze mijne opmerkingen volkomen
deelt. Me dunkt, dat kan bijna niet anders. Want èn het Brahmanisme,
èn 't Boeddhisme, en de oude wijsheid van China en van Perzië staan
hoog genoeg om vooroordeelen, als ik u daareven schetste, te doen
verdwijnen. Ieder van die godsdiensten toch brengt een eigenaardige
zijde van 't menschelijk denken en gevoelen op den voorgrond. Het
Brahmanisme spreekt ons "in teekenen en symbolen," van de ééne macht
die alles bezielt, van het ééne leven, dat in alle wezens woont en
opwaarts streeft tot volkomen loutering. Het Boeddhisme wijst ons op
de ellende, waaraan al wat bestaat onderworpen is, doch toont ons ook
het heilige pad, dat tot bevrijding van het lijden kan voeren. Beide
oude godsdiensten doen ons diep gevoelen, dat geen uiterlijke dingen
alleen in staat zijn den vrede des gemoeds te schenken.
Weder andere waarheden zijn het, die ons tegenklinken uit het
aloude China. We zetten ons aan de voeten van Confucius en die oude
wijze onderhoudt ons over ons gebrek aan eerbied: eerbied voor de
wetten des hemels, eerbied voor ouders en grijsaards en roept ons
toe dat er van onze beschaving niets kan komen, als geen trouw en
eerbied ons bezielt. Daarnaast doet Lao tsze ons op treffende wijze
gevoelen dat ook de oude Chineezen liefde en eenvoud kenden als de
grondslagen voor des menschen geluk. En mochten wij dan door die
liefdesprediking wat al te weekelijk en te zoetelijk worden gestemd,
dan gaan we met onze gedachten naar het oude Perzië en wij hooren
ons daar aanbevelen den heiligen strijd, den strijd tegen al 't booze
in de natuur, tegen al 't verdorvene in de menschenwereld, tegen al
't onreine in ons eigen leven. En straks, straks zitten wij peinzend
stil, en wij denken nog eens weer na, wat al die groote denkers van
zooveel eeuwen dachten. Wonderlijk, dat ieder der systemen zoo groote
aantrekkelijkheid heeft, dat ieder op zijn beurt ons wil voorkomen
als de ware wijsheid.
Wel groote denkers moeten 't geweest zijn, die deze godsdiensten
hebben gesticht, deze onsterfelijke gedachten hebben uitgesproken.
En--onwillekeurig plaatsen wij ons leven en streven eens in dat
licht der oudheid. Wij vragen ons af, wat wij nu eigenlijk weten van
's werelds bestuur en 's levens doel en vergelijken nog eens die
antwoorden, die de oudheid gaf..... Waarlijk, 't was niet te vergeefs
dat wij neerzaten aan de voeten der ouden, dat wij trachtten, de
soms in zoo wondere vormen gehulde, oostersche wijsheid op ons te
laten inwerken. Wij gevoelen dat zij ook ons nog licht en troost
kan schenken.
Zoo, mijne lezers, hoop ik dat gij gestemd zult zijn, als gij aan
't einde van dit werk zijt gekomen.
Gij vraagt misschien nog: hoe hebt gij, schrijver, deze uwe taak
opgevat? Mijn antwoord luidt, dat ik uit verschillende bronnen
heb geput, welke achter in dit werk dan ook worden vermeld. Wat
de Chineesche wijsbegeerte betreft is mijn arbeid grootendeels
eene vertaling van het, mijns inziens, voortreffelijke werk van den
Duitschen geleerde M. von Brandt [1], waarbij ik echter ten opzichte
van Lao tsze en diens leer mijn eigen weg ben gegaan.
Mijn hoofddoel was een aanschouwelijk beeld te geven van het
eigenaardige, dat ieder der straks genoemde godsdiensten kenmerkt,
ze begrijpelijk te maken, hun schoonheid en wijsheid te doen gevoelen,
ook voor menschen van een gansch ander ras, een gansch verschillenden
godsdienst en ver uiteenloopende beschaving. Van harte hoop ik daarin
niet al te ongelukkig te zijn geslaagd. [2]
Juli 1902.
Dr. C. HILLE RIS LAMBERS.