zeker opvolgen! zeide Raffles, terwijl hij den pelsjager de hand
toestak. Wij zullen dien mannen in het geheel geen aanleiding meer
geven, ons kwaad te willen, en ik zal onzen vriend Henderson dus moeten
verzoeken, zijn groote lichaamskracht voortaan aan andere zaken te
besteden dan juist aan Mike Penalty!
—Het is een hard bevel, Mylord—maar ik zal trachten mij in te houden!
kwam de reus.
De maaltijd liep ten einde en de bediende kwam de ledige schotels
terughalen.
—Wat is hier ’s avonds nu zoo al te doen? vroeg Charly den man.
—Wel mijnheer—de danshuizen, waar gij ook spelen kunt als gij wilt,
antwoordde de bediende. Bill Rednose heeft een speelzaal—maar bij ons
gaat het veel fatsoenlijker toe! De meisjes van den boss zijn heel
nette dames!
Charly keek Raffles meesmuilend aan en vervolgde:
—En de meisjes van Bill?
—Sletten mijnheer! antwoordde de bediende verontwaardigd. Niets anders
dan sletten! Zij helpen de goudzoekers, die een gelukkigen dag hebben
gehad tot het hemd uitplunderen—en ik durf niet herhalen wat de kroeg
van Bill al gezien heeft!
—Nu, dan zullen wij daar eens heen gaan—het zal zeker wel belangwekkend
zijn! kwam Raffles rustig.
—Dan heb ik u alleen maar te zeggen, mijnheer, kwam Jack, dat Penalty
een trouw bezoeker is van de kroeg van Bill Rednose. Zij zijn gezworen
vrienden!
—Nu, dat zal voor ons toch geen beletsel kunnen zijn! hernam Raffles.
Wij zullen ons wapenen—en een oogje in het zeil houden! Zoudt gij ons
willen vergezellen?
—Ik wilde het u juist voorstellen! antwoordde Jack haastig. Mij kennen
ze hier en het zal dan minder spoedig tot een uitbarsting komen. Laat u
in geen geval verlokken om te spelen!
—Daarna heb ik geen oogenblik gedacht! zeide Raffles glimlachend. Ik
wil alleen maar eens toezien hoe het „mondaine leven” in zulk een
nederzetting is!
De drie Engelschen deden hun pelsen weder aan en verlieten hun hotel,
nadat Raffles Fang aan de lijn had vastgemaakt.
De vier mannen volgden de hoofdstraat, die alleen verlicht werd door de
petroleumlampen, die voor de vensters van enkele winkels stonden en de
lampions in de galerijen der vele kroegen en danshuizen.
De koude was nog even hevig en de sneeuw kraakte onder de voeten van de
zwijgend voortstappende mannen, want er was dien dag te Meadow Hill
opnieuw veel sneeuw gevallen.
Op eenigen afstand kermde nog de harmonica en verderweg klonk het
woedend geblaf van een hond.
Een paar malen moesten de mannen vlug op zijde springen voor een groote
slede, met een twaalftal honden bespannen die als een schim
voorbijschoot, bijna zonder gerucht te maken.
Drie malen had er ergens een schot gekraakt, maar niemand scheen er
notitie van te nemen.
Alles bleef tenminste stil en duister.
De galerij voor de kroeg van Bill Rednose was tenminste helder verlicht
door een tiental lampions, die roerloos aan hun ijzerdraden hingen.
In de opening van de deur stonden twee vrouwen, in korte rokjes, met
pailetten bestikt, naakte armen en sterk gedecolleteerd.
Zij droegen het haar zeer hoog gekapt en in haar oogen fonkelden kleine
diamanten.
Maar de koude dreef haar spoedig naar binnen en de deur ging dicht.
Een paar mannen gingen naar binnen en Raffles en zijn metgezellen
volgden hen.
Hun komst baarde niet weinig opzien.
Dadelijk viel er een gespannen stilte, en zelfs de muziek van het
kleine orkestje, een pianist, een violist en een fluitist scheen even
te zwijgen.
De vier mannen stonden aan het begin van een groote danszaal, met een
gaanderij om drie van de wanden—en ook hier de afgeschoten kamertjes
die met een gordijn gesloten konden worden.
Zij zagen juist hoe een man, die op zijn beenen wankelde, zulk een
kamertje binnenging met een der vrouwen die zooeven aan de deur waren
verschenen.
Hij had een arm om haar middel geslagen en zijn hoofd ruste half op
haar blooten schouder.
Met een vlugge beweging trok de vrouw het gordijn dicht en de twee
waren aan het oog onttrokken.
In de zaal bevonden zich ongeveer vijftig mannen en een dozijn vrouwen
en meisjes.
Bill Rednose stond achter zijn toonbank, een uitgedoofde sigaar in een
hoek van zijn mond, en keek, met over elkander geslagen armen, de
binnentredenden nieuwsgierig en niet bepaald onvriendelijk aan—men kon
immers nooit weten of zij zijn zaak geen voordeel zouden doen.
Hij wenkte dadelijk een der meisjes die door de zaal drentelden, op
zoek naar een prooi en zeide op fluisterenden toon eenige woorden tot
haar, terwijl hij een hoofdbeweging in de richting van de vier mannen
maakte.
Raffles merkte dadelijk de verkilling op die zijn verschijning onder de
gouddelvers teweeg had gebracht en hij riep met luide stem:
—Mannen—wij zijn vreemdelingen, maar daarom denken wij er niet aan uw
vreugde te verstoren! Gaat voort met dansen en zingen—wij komen hier
niet als spelbedervers maar als toeschouwers, die desnoods een dansje
mede willen doen!
Deze korte toespraak had blijkbaar een uitstekenden indruk gemaakt,
want er ging een luid gejuich op, de muziek begon weder luid te spelen,
en de paartjes dwarrelden door de zaal.
En daar de vrouwen zoozeer in de minderheid waren, grepen de mannen
elkander om het middel, en tolden uitgelaten de zaal rond.
Dicht bij het buffet stond Mike Penalty met eenige vrienden.
Aan zijn zijde, met den arm op zijn schouder leunend, stond een nog
jonge vrouw die misschien knap zou zijn geweest als haar gelaat niet de
sporen vertoonde van een bandeloos leven en meer liefde voor de flesch,
dan goed voor haar uiterlijk was.
Zij had blauwzwart haar, op Indiaansche wijze opgemaakt met twee groote
wrongen ter zijde van de wangen, en twee vlechten, die over de
schouders naar voren vielen.
Haar oogen waren groot en schitterden van een somber vuur, terwijl zij
naar de vreemdelingen keek.
Blijkbaar had men haar reeds medegedeeld welke beleediging men haren
minnaar had durven aandoen.
Ook Mike staarde naar Raffles en zijn reisgenooten zonder zich te
bewegen, maar met een blik in zijn grijsgroene oogen, die weinig goeds
voorspelde.
HOOFDSTUK IV.
JESSIE BARRY.
De danspartij was weder in vollen gang, en niemand scheen zich meer om
de vreemdelingen te bekommeren.
De vier mannen hadden aan een tafeltje op de galerij plaats genomen, en
keken van daar op het drukke gewoel neder.
—Ik geloof niet, dat ik mij sterk vergis, als ik zeg dat daar in die
kleine ruimte vertegenwoordigers van minstens vijftien rassen aanwezig
zijn! zeide Raffles toen zij gezeten waren en iets hadden besteld.
Ik ontdek hier Russen, met platte neuzen en breede kaken, Armeniërs,
Turken, Duitschers zoowel als Spanjaarden, Polen en Grieken! En dan
zijn er bewoners uit Zweden, Serviers, Italianen, Mexikanen, Chileenen
en nog andere bewoners van Zuid-Amerika! Het is een zonderling
allergaartje—maar allen zijn zij aangetrokken door Demon Goud!
—En zij zijn allen goed gewapend ook, naar ik zie! merkte Charly
droogjes op.
—Wel, zij zouden hun revolver evenmin kunnen missen als hun pijp,
mijnheer! kwam Jack zachtjes. Er ontstaat hier om een wissewasje ruzie,
en dan heeft de vlugste man altijd gelijk! Zij schieten onder hun
halsdoek of soms dwars door het tafelblad op elkaar en als hier een of
andere coupletzanger optreedt, en de stakker bevalt hun niet al te goed
dan paffen zij hem eenvoudig van het tooneel!
—Wat zijn dat voor vrouwen en meisjes die ik daar zie? vroeg Charly vol
belangstelling.
—Nu, veel zaaks is het niet, mijnheer Brand! antwoordde de jonge
pelsjager op gedempten toon. Meerendeels lichtekooien, die naar hier
zijn gekomen, in de hoop een deel van den buit machtig te worden.
—Maar is er dan in deze geheele nederzetting niemand die een weinig
boven zijn omgeving staat, en eenigen invloed ten goede kan uitoefenen?
vervolgde Charly.
—Er zijn zeker wel eenige mannen die beter zijn dan de rest,
mijnheer—en dan behooren zij niet tot de gouddelvers, maar zij zijn dan
houtkappers, jagers of strikkenzetters. En dan hebben wij hier den
predikant......
—Een predikant? Hier? vroeg Raffles verrast. Er is dus een kerk?
—Neen, dat niet! antwoordde Jack. Hij heeft naast zijn huis een groote
schuur, en daar houdt hij godsdienstige bijeenkomsten—maar de waarheid
gebiedt mij te getuigen, dat zijn gehoor maar heel klein is.
—Hoe heet die man, die wel een zeer edel hart moet hebben, dat hij dit
alles trotseert? vroeg Raffles.
—Barry, mijnheer, Richard Barry.
—En leeft die geheel alleen tusschen deze halve wilden?
—Neen, met zijn dochter Jessie.
—Wat? Er leeft dus in dezen poel van ellende en verderf nog een
fatsoenlijke vrouw? riep Charly uit.
—Nog maar een meisje, mijnheer Brand! hernam Jack, zij is zeventien
jaar!
—Ik zou die brave lieden gaarne eens opzoeken! zeide Raffles peinzend.
Het doet altijd goed als men eens tegenover waarachtig edele menschen
komt te staan......... zij zijn zeldzaam!
—Morgen wil ik u gaarne naar hun huis brengen—als gij wat vroeg bij de
hand zijt, mijnheer! Want ik vertrek om acht uur!
Raffles wilde iets antwoordden toen beneden in de zaal eensklaps,
schijnbaar zonder eenige aanleiding, een woeste woordenwisseling
ontstond.
In een oogwenk vlogen de revolvers uit de holsters.
Twee kerels, door drank beneveld, stonden als woedende stieren
tegenover elkaar.
Hun rechtervuist omklemde het heft van een groot schitterend mes.
En voor iemand nog goed begreep wat er eigenlijk geschiedde, had een
dier mannen met een bliksemsnelle beweging zijn vreeselijk wapen tot
aan het gevest in het lichaam van zijn tegenstander geplonsd, die
zonder eenig geluid in elkander zakte.
De vrouwen gilden hysterisch bij het zien van de dikke bloedstraal, die
uit de diepe wonde gulpte.
Eenige mannen wilden den moordenaar grijpen, maar deze had zijn
revolver getrokken, vuurde haar eenige malen af, en maakte van de korte
verwarring gebruik naar den uitgang te snellen.
Het volgend oogenblik was hij verdwenen.
En toen hij eenmaal uit het gezicht was, dacht blijkbaar niemand er
aan, hem te achtervolgen.
De doodelijk gewonde werd weggesleept—de bediende kwam met een emmer
water aandragen en wiesch het bloed van den vloer—en tien minuten later
draaiden de paren weder in het rond, alsof er niets was voorgevallen!
—Een lief volkje! bromde Henderson, die zich nauwelijks had kunnen
bedwingen. Wat doen zij nu met dien kerel die den ander overhoop stak,
als zij hem toevallig tegenkomen, mijnheer Jack? zoo wendde hij zich
tot Brunt, die zich vol afkeer had afgewend.
—O, dan herinnert zich plotseling niemand iets meer van het geval!
antwoordde de jonge pelsjager. Men klaagt hier niet gaarne iemand aan,
ziet gij, de aangeklaagde heeft altijd wel vrienden—die vrienden hebben
revolvers—en op een goeden dag vindt men den aanklager dood in zijn
ravijn liggen...
—En in die omgeving leven die twee...... de predikant en zijn jonge
dochter, mompelde Raffles halfluid voor zich heen. Welk een innige,
door niets aan het wankelen te brengen liefde voor den medemensch moet
de twee wezens wel bezielen dat zij dit uithouden!
—Dat heb ik ook wel eens gedacht, mijnheer! kwam Jack nadenkend. Op de
duizend menschen zijn er geen drie die het hun zouden nadoen. Ik zelf
zou het na den tweeden dag hebben opgegeven—verondersteld dat ik aanleg
had voor geestelijke. Het is toch alles boter aan den galg gesmeerd!
Men kan evengoed voor de wolven preeken!
Een paar vrouwen hadden zich op dat oogenblik meester gemaakt van half
of heel beschonken gouddelvers, die juist van een langdurigen tocht
naar de goudvelden waren teruggekeerd, en waren in een paar der
afgeschoten kamertjes met hun slachtoffers verdwenen.
De armzalige bediende kwam met champagne en rooden wijn aandragen.
—Ja, ja—en in zoo’n smerig hokje, met zijn tafel, zijn twee stoelen en
zijn sofa verliest de man soms in een paar uren wat hij ten koste van
onzegbare inspanning en ontbering in een maand won! zeide Jack op
verachtelijken toon. Neen, dan houd ik toch meer van mijn eigen beroep,
met alle gevaren die er aan verbonden zijn.
—En je hebt duizendmaal gelijk, mijn waarde Jack! riep Charly uit.
Intusschen ging het daar beneden hoe langer hoe woester toe.
Aan een groote tafel werd gekaart, en telkens laaide de twist opnieuw
op onder de door den drank opgezweepte, ruwe mannen.
Plotseling werd de deur weder opengeworpen, en er trad een nieuwe gast
binnen.
Hij was geheel gekleed in een pak, gemaakt uit de huid van den
zilvervos, en een kap van hetzelfde bont verborg zijn hoofd bijna
geheel.
Maar het was toch te zien dat de man jong en lenig was, en zeer groot.
Hij keek even rond, kreeg toen Jack in het oog, en wuifde hem met de
dikke gehandschoende hand toe, waarop hij zich een weg door de dansende
menigte begon te banen.
—Dat is Tom Hatters, een landgenoot en een collega, mijnheer! En een
goed vriend daarbij! zeide Jack. Hij is de verloofde van Jessie Barry.
Zij hopen over een jaar te trouwen.
De pelsjager had nu de galerij beklommen en stond voor de vier mannen,
die hij nieuwsgierig en vrijmoedig bekeek.
Jack kweet zich van zijn plicht door de drie Engelschen voor te
stellen, en noemde toen nogmaals den naam van zijn vriend.
De jonge Schot sloeg echter het aanbod om plaats te nemen af en zeide:
—Ik wilde je maar even de hand drukken Jack, en vragen of je niet weet
hoe het met Jessie staat! Het is nu natuurlijk te laat om nog een
bezoek aan haar en haar vader te brengen—zij zijn zeker reeds naar bed
gegaan. Ik ben drie weken onderweg geweest!
—Ik kan het je niet zeggen, Tom, want ik ben pas een paar uren hier, en
ik heb Jessie niet gesproken.
—Dan ga ik nu naar mijn hut om te slapen—ik ben doodop! En morgen ga ik
dadelijk naar haar toe!
Hij wendde zich tot Raffles en vervolgde:
—Als de heeren hier dicht in de buurt willen jagen en zij kunnen mijn
dienst gebruiken, dan behoeven zij het slechts te zeggen!
—Dat aanbod nemen wij hartelijk gaarne aan, mijnheer Hatters!
antwoordde Raffles.
—Mijn huisje ligt naast den winkel van Pistache—iedereen kan u den weg
wijzen! hernam Tom, die met een stevigen handdruk afscheid nam van zijn
vriend.
En daarop vertrok hij weder, gebukt onder den last van de vellen der
vossen en beren, welke hij op zijn tocht geschoten had.
Een kwartier later stonden de vier mannen eveneens op, teneinde zich
ter ruste te gaan begeven.
Raffles liep achteraan en toen hij dicht bij het buffet even stil stond
om zijn pijp aan te steken, hoorde hij duidelijk een kerel met vuurrood
haar tot een ander zeggen:
—Ze dobbelen om de mooie Jessie!
Raffles volgde tersluiks de richting van den blik van het roode sujet
die deze woorden op grinnikenden toon had gezegd en zag Mike Penalty en
nog een man aan een afzonderlijk tafeltje zitten terwijl de groote
dobbelsteenen juist uit den lederen beker over het morsige tafelblad
rolden.
Zonder door woord of gebaar te laten merken dat hij de opmerking had
gehoord vervolgde Raffles zijn weg.
Pas toen de vier mannen bijna hun logement bereikt hadden, deelde hij
op zachten toon mede wat hij zooeven gehoord had.
Jack had zwijgend toegeluisterd en zeide nu hoofdschuddend:
—Dat hing in de lucht. Die schurk van een Mike zoowel als Pat o’ Kelly
draaien al sedert eenigen tijd om Jessie heen.
—En die Mike heeft een minnares! kwam Charly verbaasd.
—O, dat is voor hem geen bezwaar! hernam Jack minachtend. Hij weet heel
goed dat Dolly Patterson zijn slavin is, en dat zij bij hem zou
terugkomen, al had hij een heele harem genomen! Zij heeft geen grein
eergevoel! Het is al eens voorgekomen dat zij haar minnaar zelve
geholpen heeft een arm kind in zijn macht te krijgen!
—Nette menschen zijn het hier! liet de stem van Henderson zich hooren,
die den geheelen avond niets anders had gedaan dan zich op te winden.
Een gasbom van flinken omvang zou hier geen kwaad kunnen, geloof ik!
—En wat beteekent nu die dobbelpartij? vroeg Charly.
—Wel, de verliezer verbindt zich den winner den voet niet langer dwars
te zetten bij diens pogingen om het hart van Jessie te winnen!
—Maar die kerels hebben toch geen van beiden een schijn van kans?
hernam Charly opgewonden, tenminste te oordeelen naar wat je ons van
dat jonge meisje hebt medegedeeld!
—Natuurlijk niet! kwam Jack op somberen toon. Ik zeide dat ook maar bij
wijze van spreken! Zij weten wel dat zij haar hart nooit kunnen
winnen—zij willen alleen maar haar zelf!
—Wil ik even terugloopen en die twee dobbelaars de hersens inslaan,
Mylord? bood Henderson op zakelijken toon aan.
—Neen, Henderson! antwoordde Raffles kort. Ik weet iets beters. Wij
zullen morgen zoo spoedig mogelijk den braven predikant gaan opzoeken,
en hem waarschuwen voor het gevaar, dat zijn dochter bedreigt. Dat zal
wel voldoende zijn! Mijn hemel—wij zijn hier toch niet onder louter
beesten!
—Daar ben ik nog zoo zeker niet van, Mylord! merkte Henderson op. Ik
voor mij kan onder de bende weinig menschelijks meer vinden. Het lijkt
mij werkelijk de beste en voor mij de aangenaamste oplossing, die twee
kerels met hun struikrooversgezichten even zoo toe te takelen, dat zij
in de eerste maanden er niet aan kunnen denken, wie dan ook het hof te
maken!
—Neen Henderson! Geen geweld, voor het onvermijdelijk is!
De vier mannen gingen nu het logement binnen, gebruikten den
avondmaaltijd, die uit thee, geroosterde gerstekoek, en een plak
vleesch van den kariboe of rendier bestond, en begaven zich vervolgens
ter ruste—met stevig gesloten deuren en hun revolvers onder hun
hoofdkussens.
Den volgenden morgen werden zij gewekt door Jack, die reeds alles voor
zijn terugreis in orde had gemaakt en wiens slede reeds gepakt en
gezakt voor de deur van het logement stond, terwijl de honden
ongeduldig in de sneeuw krabden.
De drie Engelschen kleedden zich haastig aan, en nuttigden hun ontbijt,
waarvan thans een paar eieren en ham den hoofdschotel vormden.
Het was acht uur, toen zij, door Jack voorafgegaan, die naast zijn
slede liep door de hoofdstraat van de nederzetting liepen, op weg naar
Barry.
Diens eenvoudig huis lag aan de grens van Meadow Hill, een weinig
hooger dan de andere huizen.
Het was omgeven door een tamelijk grooten tuin, die thans geheel onder
de sneeuw bedolven was.
De slede hield stil voor het huis van den braven predikant en de mannen
stapten uit, terwijl de honden zich op een kort bevel van Jack dadelijk
in de sneeuw neervlijden, en zich gereed maakten een slaapje te doen.
Jacht wist wel, dat hij op diezelfde plek zijn honden zou terugvinden,
ook al bleef hij den geheelen dag weg.
Hij ging langs het smalle tuinpad naar de voordeur, gevolgd door de
drie reizigers.
De deur stond open en Jack merkte op:
—Deze deur wordt hier geloof ik nooit gesloten! Iedereen is hier welkom
en men weet wel, dat er bij Barry niets te stelen valt! Hij is
misschien de armste van de geheele nederzetting.
Op het gerucht van de voetstappen der vier mannen werd er aan het begin
van de gang snel een deur geopend, en een hoofd kwam naar buiten
kijken.
Het was Tom Hatters.
Er lag een verlangende uitdrukking in zijn oogen en duidelijk was
daarin de teleurstelling te lezen, toen hij de vier mannen herkende.
—Ik meende dat Jessie terugkwam! zeide hij, terwijl hij de vier
bezoekers achtereenvolgens de hand drukte.
—Is zij dan niet thuis? vroeg Jack.
—Neen, zij is zooeven bij den vader van Dolly Patterson geroepen. De
oude man ligt op sterven en hij verklaarde dat hij haar nog eens zien
wilde voor zijn dood. Hij heeft altijd veel van Jessie gehouden—zij
heeft hem bekeerd, weet je?
Jack wisselde snel een zwijgenden blik met Raffles waarvan Tom de
beteekenis niet begreep, en daarop traden allen het vertrek binnen,
waar zij den predikant vonden, een man van een jaar of vijftig, maar
nog krachtig en ongebogen, met zachte en toch energieke oogen, een open
gelaat, dat den adeldom van zijn inborst verried, en een hooge
gestalte.
De vreemdelingen werden aan den predikant voorgesteld, en daarop begon
Raffles dadelijk:
—Mijnheer Barry—ik was hier gekomen met mijn reisgenooten om u mijn
diepe bewondering uit te drukken voor uwe groothartigheid en uwen moed,
om in deze barre wildernis het woord Gods te komen verkondigen aan
ruwe, twistzieke en gewetenlooze mannen. Ik had gaarne lang met u
willen spreken over uw werk hier te Meadow Hill. Maar er is iets
geschied waaromtrent ik u eerst moet inlichten—ik ben ongerust over uw
dochter!
—Over Jessie? riep Barry verrast uit. Waarom zoudt gij ongerust over
haar zijn? Zij komt zeker spoedig terug—zij brengt een laatste bezoek
aan een ongelukkigen man, dien wij echter tot onze innige vreugde
hebben kunnen bekeeren.
—Wanneer is zij heengegaan? vroeg Raffles.
—Een half uur ongeveer geleden!
—Waar ligt het huis van den ouden Patterson?
—Even buiten de nederzetting—in het zuiden! antwoordde de predikant,
ondanks zichzelf aangegrepen door een zonderlinge onrust. Waarom stelt
gij mij die vragen?
—Omdat ik gisteren in het danshuis van Bill Rednose iets heb opgevangen
dat mij voor het lot van uw dochter doet vreezen!
En nu deelde Raffles in weinige woorden mede wat hij gisteren in de
kroeg van Rednose had gehoord en gezien.
Barry was tijdens deze mededeeling zeer bleek geworden en prevelde nu:
—Dat klinkt zelfs hier bijna ongelooflijk! Kan men zoo verwilderen dat
men de hand zou durven uitstrekken naar de teedere bloem, de reinheid
zelve, die nimmer onderscheid maakt bij het uitdeelen harer weldaden,
en de boozen gelijkelijk met de goeden verzorgde als zij ziek waren,
troostte als zij verdriet hadden? Het is te afschuwelijk om waar te
zijn!
Tom Hatters stond onbewegelijk.
Hij was witter dan een doek en zijn oogen dreigden hem uit het hoofd te
puilen.
Zoo vast had hij de vuisten gebald, dat de nagels hem in het vleesch
drongen.
En nu barstte hij uit:
—Dadelijk naar de woning van den ouden Patterson! Gij hebt vergif in
mijn ziel gestrooid mijnheer—en ik moet zekerheid hebben of ik sterf!
De pelsjager had die woorden sidderend van ontroering en vrees
uitgeschreeuwd en hij greep Raffles met zooveel kracht bij den arm dat
het pijn deed.
—Om Godswil, ga met mij mede!—ik gevoel mij zoo zwak als een vrouw! Ik
ben duizelig van ellende en vrees—nu gij eenmaal het wantrouwen in mijn
hart geplant hebt! Naar Patterson! Onmiddellijk!
In een oogwenk hadden Barry en Tom hunne pelsen aangetrokken en hun
mutsen van ottervel opgezet.
Zij namen snel in de groote slede plaats en de honden sprongen
overeind, en snelden weg alsof zij begrepen wat er gaande was.
De slede vloog in ijlende vaart de nederzetting door, en menig
goudzoeker uitte een ruwen vloek als hij snel terzijde moest springen
om niet door de slede ondersteboven te worden geworpen.
Binnen een kwartier had de slede het huis bereikt van John Patterson,
dat vrij ver buiten de eigenlijke kom van de nederzetting lag in een
soort kleine vallei.
Heinde en ver waren geen andere woningen te zien.
De mannen sprongen van de slede, en stormden de hut binnen waarvan de
deur was opengelaten.
Tom was de eerste die het groote woonvertrek binnentrad, waar het bed
van Patterson stond.
De oude man, het hoofd met den spierwitten baard op de borst gebogen,
zat op den vloer, met den rug tegen het ruwhouten bed geleund.
Hij hief het hoofd met moeite op toen hij de mannen hoorde binnenkomen,
keek Tom met tranen in de glinsterende oogen aan en fluisterde
nauwelijks hoorbaar:
—Ik heb gedaan wat ik kon om het te beletten—maar wat vermag een oud,
stervend man tegen vier ruwe kerels? Zij hebben haar weggesleept—voor
mijn oogen!
HOOFDSTUK V.
DE ACHTERVOLGING.
Tom wankelde achteruit, alsof hij een slag op het hoofd had gekregen,
en een oogenblik vreesde Charly dat hij zich op den ongelukkigen
grijsaard zou werpen, alsof deze schuld droeg aan het onheil.
Maar Raffles had den arm gegrepen van den jongen pelsjager, die nu
vaalbleek was, terwijl zijn oogen met een koortsachtigen gloed
brandden, en zeide op ernstigen toon, terwijl hij hem strak aankeek:
—Gij zult toch zeker niet laf willen zijn, en uw woede koelen op een
ouden man, die zeker alles gedaan heeft, wat hij kon, om de ontvoering
te beletten?
—Vergeef mij! zeide Tom op doffen toon. Ik weet niet wat ik doe—ik kan
niet meer denken—de slag komt te onverwacht!
—Laat ons dan handelen! hernam Raffles kalm, maar met een vastberaden
trek om de lippen.
Hij greep den grijsaard in zijn sterke armen, tilde hem weder in bed,
dekte hem snel en zorgvuldig toe, en zeide toen:
—Deel ons zoo kort en duidelijk mogelijk mede, wat er geschied is!