LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 334 ONDER DE GOUDZOEKERS.
ONDER DE GOUDZOEKERS.
HOOFDSTUK I.
OP JACHT AAN DE TANANA.
De zon stond op het punt achter den kam van de bergen te verdwijnen,
die zich aan beide zijden langs de oevers van de Tanana uitstrekken,
een zijrivier van de Jukon, in Alaska.
Het breede dal van de dichtbevroren rivier was met een dikke laag
sneeuw bedekt, en het was bijna onmogelijk na te gaan, waar de oever
eindigde en de stroom begon.
Het schitterend witte dek spreidde zich uit over de ontmetelijke vlakte
zoowel als over de ijskorst, die de wateren van de Tanana reeds eenige
maanden gevangen hield.
Op de hellingen van de bergen vormden alleen de pijnbosschen donkere
vlekken, maar voor het overige was alles wit, smetteloos wit.
Het was zoo vreemd stil in deze afgelegen streken, waar de mensch op
ieder uur van den dag een verbitterden strijd moet strijden tegen de
natuur, tegen het wilde gedierte—en tegen zijn ergsten vijand—zijn
medemensch, dat men zelfs op verren afstand het neervallen van een
dooden tak hoorde, of het trippelen van een wilden eend over het ijs in
de rivier, daar waar de felle wind een gedeelte van de oppervlakte had
schoongeveegd.
Woningen waren heinde en ver niet te zien.
De bevolking was hier zoo schaarsch, dat men dagen achtereen kon
reizen, zonder een levend wezen te ontmoeten, uitgezonderd de wolven,
rotganzen, duikereenden, berggeiten, beren en wilde honden.
Iets wat op een pad geleek, kronkelde langs de berghelling in
Noordelijke richting, beschermd door de pijnboomen, die zich stil en
statig ten hemel strekten.
Langs dat pad bewogen zich langzaam drie mannen, zoo dicht in hun
pelzen gehuld, dat er van hun gelaat slechts weinig te bespeuren viel.
En dat was wel noodig, want de thermometer wees op dat oogenblik bijna
dertig graden onder nul.
Een soort kap, eveneens van bont, omgaf hun hoofd, en was onder de kin
dichtgesnoerd.
Hun beenen staken in met bont gevoerde lederen kappen, die tot ver
boven de knie reikten.
Dikke wanten, van wol met schapenvacht gevoerd, beschermden hun handen
tegen de vreeselijke koude.
Ieder hunner droeg een linnen zak over den schouder, blijkbaar bestemd
om er het wild in te bewaren.
Want dat de drie mannen op jacht waren geweest bleek uit hun bewapening
en verdere uitrusting.
Zij droegen een uitmuntend Engelsch jachtgeweer aan een riem over den
schouder, en in den lederen gordel stak een lang jachtmes, sterk en
scherp geslepen.
Voorts waren zij allen voorzien van een veldflesch; en een geheele
uitrusting om onderweg eten te kunnen bereiden was over de drie jagers
verdeeld.
Hun voeten waren voorzien van sneeuwschoenen, waarmede een geoefend man
zich zeer snel over de sneeuw weet te verplaatsen.
Thans echter konden zij niet vlug vooruit komen, want het pad ging
bergopwaarts, en zij moesten gebruik maken van hun korte bergstokken om
niet telkens achteruit te glijden.
Dicht naast een der drie mannen liep een groote, fraaie wolfshond, een
sterk, moedig dier, nimmer bevreesd den wolf aan te vallen, en die
zijns gelijke vruchteloos zocht bij het speuren van het wild.
De jagers hadden eenigen tijd zwijgend voortgestapt—of liever gegleden,
toen de jongste hunner vroeg:
—Zouden wij nu nog ver van het blokhuis zijn, Edward?
—Ik denk nog een uur, misschien nog vijf kwartier. Ben je vermoeid?
—Dat niet zoo zeer—maar ik gevoel mij buitengewoon slaperig!
—Dat is steeds het geval wanneer men voor het eerst in deze barre
streek komt en lang buitenshuis vertoeft! De koude heeft altijd een
slaapverwekkenden invloed.
—Dan ben ik zeker sterk gepredestineerd, want ik kan mijn oogen
ternauwernood open houden! hernam de ander lachend. En hoe staat het
met onzen vriend Henderson?
De derde man van het kleine troepje, een ware Hercules, antwoordde
lachend:
—Ik wil mij niet beter maken dan ik ben, mijnheer Brand—ik geloof dat
ik in slaap zou vallen, zoodra ik maar even stilstond!
—En daarom moeten wij voortmaken, vrienden! hernam de oudste van het
drietal. Want die toestand is gevaarlijk. Wie aan die slaapzucht zou
toegeven—die zou nimmer meer ontwaken.....
Die waarschuwing scheen de beide anderen tot meerderen spoed aan te
zetten, want vlugger tikten de sneeuwschoenen op de hardbevroren
oppervlakte, en nu was spoedig de top van het gebergte bereikt, dat
hier niet hooger dan vijfhonderd meter boven de vlakte uitrees.
De drie jagers bevonden zich hier in een soort bergpas, breed en vlak,
die zich over een lengte van bijna twee kilometer uitstrekte.
Toen zij het einde van die pas bereikt hadden, zagen zij neer op de
vlakte die overgoten werd door de stralen van de ondergaande zon.
Het was een verrukkelijk schouwspel en als onwillekeurig bleven de drie
mannen een oogenblik stilstaan, diep onder den indruk van hetgeen zij
zagen.
De vlakte strekte zich uit tot aan den gezichtseinder waar zij werd
afgesloten door een ander gebergte, dat als in een violetten nevel
gehuld scheen.
Hier en daar vertoonde de vlakte een diepe inzinking, waar de sneeuw
zich meterhoog had opgestapeld.
De lage heuvels, die zich tot aan den einder verhieven, leken
reusachtige golven te zijn in een oceaan van sneeuw, onder den adem der
wintervorst tot onbewegelijkheid verstijfd.
Waar de zonnestralen schuins het sneeuwdek troffen, was het of een
lichtroode bloedstroom daarheen golfde.
Links en rechts verhieven zich dichte pijnbosschen, zwart en
geheimzinnig.
Dicht aan den zoom van een dier bosschen stond een sterk blokhuis, en
in de heldere lucht kon men duidelijk den rook uit den schoorsteen zien
opkronkelen.
Zwijgend beschouwden de drie mannen een oogenblik dit overweldigend
schoone natuurtafereel, tot de oudste, die de aanvoerder van het
troepje scheen te zijn op zachten toon zeide:
—Kom vrienden! Wij hebben nog een half uur te loopen, en aanstonds zal
de zon achter de kim verdwijnen—wat beteekent dat de koude dan
onverdragelijk zal worden, daar dan ook meestal de wind gaat opsteken.
Geheel donker wordt het hier echter niet, zooals gij wel bemerkt zult
hebben—dat is het kenmerk van den Poolwinter.
Snel gleden de mannen nu op hun sneeuwschoenen over de vlakte, op het
blokhuis af.
Fang, de wolfshond, draafde onvermoeid mede.
Voor het sterke dier scheen zulk een lange jacht niets anders te zijn
dan een uitstapje.
En eindelijk—daar was de hut!
Zij stonden stil voor het groote, sterk gebouwde blokhuis, uit
ruwbekapte boomstammen opgetrokken.
Naast de dikke deur, eveneens van boomstammen vervaardigd, bevond zich
het kleine venster dat met een zwaar luik gesloten kon worden.
Op het vroolijk geblaf van de hond, ging de deur op een kier open en er
verscheen een lachend gezicht om den hoek, het gezicht van een
bevallige, jonge vrouw, die vroolijk uitriep:
—Zijt gij daar? Komt spoedig binnen, want de koude zal in een oogwenk
de warmte uit het vertrek drijven!
Vlug traden de drie mannen en de hond de ruime en eenige kamer van het
blokhuis binnen.
Daar werden zij begroet door een jongen kerel, sterk als een boom, met
een rond, open gelaat, die bezig was geweest met het afschrapen van een
berenhuid, die met touwen aan een paar haken in den wand was
opgehangen.
Hij droeg een lederen wambuis, zijn dikke bontkleeren hingen aan haken
tegen den wand.
In een hoek van het groote vertrek vlamde een groot houtvuur, en dicht
daarbij tegen den muur geschoven, bevond zich het lage, eenvoudige bed
van Jack Brunt en zijn jonge vrouw, met wie hij juist een maand geleden
in het huwelijk was getreden.
Dat ging daar al op een zeer eenvoudige wijze—men begaf zich slechts
naar een der weinige predikanten, die er in deze woeste streken te
vinden waren, en waarvoor men vaak een dagreis of twee moest
overhebben, verklaarde den waardigen man dat men elkander lief had en
wilde huwen, en gaf zijn naam op—dat was alles.
De predikant schreef de namen op, sprak een kort woord, zegende het
jonge paar—en de plechtigheid was afgeloopen—men was getrouwd!
Desondanks waren deze „in een vloek en een zucht” afgesloten huwelijken
volkomen geldig volgens de Amerikaansche wetten.
Jack Brunt was pelsjager en hij gold in deze streek voor één van de
stoutmoedigsten.
Zijn jonge vrouw, nauwelijks achttien jaar oud, Grace Bilington, was de
dochter van een houtkooper, en niet zoodra hadden de jongelieden
elkander gezien op een dier openbare bals, zooals men ze zelfs in het
uiterste Noorden van de Vereenigde Staten niet kan missen, of zij waren
verliefd op elkander geworden, en een maand later hadden zij zich naar
den predikant van het naastbijgelegen dorp begeven.
Jack bewoonde het blokhuis, dat hij zelf met de hulp van eenige makkers
had gebouwd, tot dusverre alleen—en nu woonde hij er met zijn jong
vrouwtje.
Voor Europeesche ooren klinkt het bijna ongeloofelijk dat die jonge
menschen daar konden leven, en toch waren zij innig gelukkig.
Zij hadden niets dan zichzelven want de naaste buur woonde op twintig
mijlen afstand—zij waren dag en nacht door gevaren omringd, want het
volk hier was ruw—weinig minder ruw dan de wilde dieren, het klimaat
was gedurende zeven maanden van het jaar bitter onherbergzaam—zes
maanden lag er sneeuw—zij moesten zelven voor hun voedsel zorgen, en
het zelven schieten—eenmaal in de maand kwam de man met de slede of het
vierwielig rijtuigje die kruidenierswaren, rum en wijn bracht uit het
naburig dorp, en een paar kostbare huiden als betaling meenam, tweemaal
per jaar kwam de agent van een grooten pelshandel, die Jack diens
voorraad afkocht—en toch waren die jonge menschen volkomen tevreden,
want zij hadden elkander immers!
Jack had de drie vreemdelingen de hand gedrukt, waarbij alleen
Henderson geen spier had vertrokken, en daarop ontdeden de drie jagers
zich van hun dikke pelsen om in afwachting van den maaltijd aan het
heerlijk koesterende houtvuur plaats te nemen, en een klein glas
sterken brandewijn te drinken—gesmokkeld vóór de wet op het
drankmisbruik was afgekondigd!
En nu was het ook nog mogelijk, het gelaat van de drie vreemdelingen
beter te beschouwen.
Een hunner was ongeveer veertig jaar, te oordeelen naar zijn licht
grijzend haar, ofschoon zijn gelaat nog geen enkelen rimpel vertoonde,
en zijn grijze oogen schitterden als die van een jongeling.
Hij had scherp gesneden trekken, die van groote schranderheid getuigden
en van een wilskracht die voor niets terugdeinst.
De tweede jager was veel jonger, en had een zacht blozend gelaat, rond
en bijna vrouwelijk, waarin twee helderblauwe oogen straalden.
De derde eindelijk was gebouwd als de Farnesische Hercules, met
schouders die de wereld schenen te kunnen torsen, een borst als een
aambeeld, armen als voorhamers en harde vuisten die een os konden
vellen.
De oudste man was John Raffles.
Hij had gehoor gegeven aan een onweerstaanbaren aandrang tijdelijk
Londen te verlaten, de stad, waar hij zoo ijverig werd gezocht door de
politie, wegens een aantal stoutmoedige inbraken, waarvan niemand
anders dan Raffles de dader kon zijn geweest, volgens de heeren van
Scotland Yard.
Meermalen gebeurde het dat dit leven van avontuurlijke inbraken,
gevaarlijke ondernemingen, hem walgde, dat hij vurig verlangde naar de
vrije natuur, het leven in een of andere afgelegen streek, waar de
beschaving nog niet was doorgedrongen, de jacht op wild gedierte, den
omgang met nog onbedorven menschen, het inademen van een zuivere lucht!
En zoo had hij op een schoonen morgen zeer vroeg in de lente zijn
eenigen trouwen vriend Charly Brand het voorstel gedaan, „wat te gaan
jagen aan de oevers van de Jukon”, alsof het de eenvoudigste zaak der
wereld was.
De jonge man had hem tegengeworpen dat het daarginds zeker nog zou
winteren, en dat het klimaat er weinig minder bar was dan aan de Pool,
maar dit had Raffles niet kunnen weerhouden.
Henderson had de vliegmachine in orde moeten brengen, waarmede Raffles
reeds meerdere malen den oceaan was overgevlogen, en juist een dag,
nadat Raffles zijn voorstel tot het „uitstapje” had gedaan, steeg de
„Duivel der Lucht”, zoo was de naam van deze wonderbaarlijke machine,
aan het vernuftig brein van den Grooten Onbekende ontsproten, en die
een snelheid van meer dan 500 Kilometer per uur kon bereiken—vroeg in
den morgen dicht bij Londen op—om nog dienzelfden dag, tegen het vallen
van de schemering in de buurt van Montreal te dalen.
Den volgenden dag werd de reis voortgezet, en des middags daalde de
machine voor de tweede maal bij Fort Reliance, aan de Jukon, op
Canadeesch gebied, maar dicht bij de grens van het Territoir van Alaska
gelegen.
Daar had Raffles de vliegmachine achtergelaten, en toevertrouwd aan de
hoede van den garnizoensbevelhebber, om verder te voet, te paard, met
een slede, door honden of rendieren getrokken, verder te reizen.
In Europa hadden de eerste voorboden van de lente zich reeds kenbaar
gemaakt—hier lag nog alles diep onder de sneeuw, en het was vinnig
koud.
Van de Jukon waren de drie jagers naar de oevers van de Tanana
overgestoken meestal per slede, door sterke honden getrokken, waarbij
zelfs Fang zijne diensten verleende, die het niet scheen te kunnen
aanzien, dat hij door zijn soortgenooten werd vervoerd, zonder zelf
iets te doen.
Wel was er een hevige strijd ontbrand met de witte Eskimo-honden, die
geen indringer schenen te willen dulden, maar Fang was overwinnaar
gebleven en trok daarna lustig mede.
Op den tienden dag van hun reis, die steeds verder Noordelijk ging,
hadden zij Jack Brunt aangetroffen, die juist zijn vallen nakeek, en
dadelijk met de kenmerkende gastvrijheid van den Schot, de drie
vermoeide mannen naar zijn blokhuis had geleid, waar zij tot hun niet
geringe verbazing de bevallige Grace hadden aangetroffen.
Vier dagen hadden zij in het blokhuis overnacht, slapende op de dikke
vachten der reeds geschoten blauwvossen, zilvervossen, otters en beren,
en zij hadden groote genegenheid opgevat voor den jongen Schot, die
hier geheel alleen met zijn vrouwtje de woestheid van het klimaat en de
streek trotseerde en steeds even opgewekt en blijmoedig was.
HOOFDSTUK II.
DEMON GOUD.
Terwijl Grace druk in de weer was om het eenvoudig middagmaal gereed te
maken, zaten de vier mannen voor het vuur, en spraken over den uitslag
van de jacht.
—Zijt gij nogal tevreden over het resultaat, mijnheer? vroeg Jack, zich
tot Raffles wendende.
—Alles in aanmerking genomen—ja, ik ben tevreden! antwoordde Raffles.
Vergeet niet dat wij ongeoefend zijn op dit gebied!
—Maar uw prachtige hond zal u wel van veel nut zijn geweest? ging Jack
door terwijl hij het dier over den kop streelde. Hebt gij dien hond uit
Europa medegebracht, als ik vragen mag?
—Ja, een mijner vrienden bracht Fang een paar maanden geleden voor mij
mede van Prince Albert Land—nog heel wat Noordelijker gelegen dan
Alaska! Daar worden deze honden door de Eskimo’s veel gebruikt bij de
robbenjacht. Fang is een bijzonder groot en sterk exemplaar! Hij heeft
vandaag geholpen, om ons niet platzak te doen thuiskomen—een paar wilde
ganzen, een koppel sneeuwhoenders, en drie blauwvossen! Natuurlijk doet
gij ons het genoegen en behoudt de vellen van die dieren—tenminste als
wij de huid niet al te zeer met onze kogels beschadigd hebben!
—Hebt gij die vossen met een kogel en niet met hagel geschoten,
Mijnheer? riep Jack vol bewondering uit. Dan maak ik u mijn compliment!
Dat is zeker niet ieders werk! De blauwvos is zeer snel en schuw! En
luister nu! Ik zou u niet gaarne willen wegjagen, maar als gij nog een
dagreis verder naar het Noorden trekt, zult gij daar een gebied vinden,
waar nog veel zilvervossen te vinden zijn, en veel meer beren nog dan
hier! Ik zelf denk er over een paar weken heen te gaan, als er hier
niets meer voor mij te doen valt.
—Ik neem uw goeden raad dankbaar aan, mijn waarde Jack, zeide Raffles.
Wij mogen ook niet langer misbruik maken van uw gastvrijheid, want
jonggehuwden—zoo heb ik altijd hooren zeggen—willen liefst maar zooveel
mogelijk alleen zijn!
—O, maar daar kunnen wij altijd nog genoeg van profiteeren, mijnheer!
riep Grace met een helder lachje uit. Er gaan weken voorbij, zonder dat
wij hier iemand zien passeeren!
—Dat is zoo—maar in de laatste dagen schijnt het mij toch toe, dat ik
veel personen door de bergpas zie trekken die mijn huis voorbijgaan—in
de richting van Meadow Hill, zeide de jonge pelsjager peinzend. Eenigen
tijd geleden sprak ik een houthakker, die daar vandaan kwam, en die mij
zeide, dat er geruchten de ronde doen, als zou er daarginds weder goud
zijn gevonden!
—Wat of waar is dat Meadow Hill? vroeg Charly Brand nieuwsgierig.
—Des zomers kan men het in enkele uren bereiken, te paard. Maar nu zou
men er wel een dag voor noodig hebben. Het ligt aan de Tanana op dezen
oever.
—Wat is het—een stad, een dorp? vroeg Charly verder.
—Noch het één noch het andere, mijnheer! antwoordde Jack. Een half jaar
geleden was het er nog niet. Maar toen werd er gemompeld dat er daar
ergens goud te vinden was—en in een ommezien ontstond daar toen een
nederzetting. Ik spreek niet graag kwaad—maar het is meerendeels
ontuig, dat daar in zoo’n nederzetting woont, die als bij tooverslag
uit den grond is gerezen, mijnheer! Luiaards, dobbelaars, leegloopers
en dieven, alles vindt je daar. De gouddorst drijft er het uitschot van
deze streek heen—en om de waarheid te zeggen, is dat toch al niet veel
bijzonders—de goeden niet te na gesproken! Ik behoef U niet te zeggen,
wat daar het eerst wordt gebouwd, als er maar een paar dozijn
goudgravers zich vereenigd hebben—een kroeg! En het tweede gebouw
is...... meestal weer een kroeg! Een kerk of een school behoeft men er
niet te zoeken—die zouden toch leeg staan. Maar toch gaat er wel eens
een moedig predikant heen, die zich aan de grootste gevaren blootstelt,
om de bandieten te leeren, dat zij elkander niet om ieder wissewasje
een kogel door het hoofd moeten jagen.
—Prettig wonen zal het daar zijn! merkte Henderson langs zijn neus op.
—Mijnheer, het is er een hel voor ieder man met een greintje
beschaving! riep Grace vol afschuw uit. En ik beklaag de arme vrouwen
die daar komen!
—Wonen daar vrouwen? vroeg Charly verwonderd.
—Ja, maar negentig procent is niet veel zaaks, mijnheer! gaf Jack te
kennen. Zij bedienen in de kroegen, en zij moeten de jongens aandrijven
tot altijd meer drinken—dat is winst voor den baas, en voor haar ook,
want zij krijgen een paar procenten van den verkoop. Het heet wel dat
de verkoop en het slijten van sterken drank verboden is—maar doe er
eens wat tegen!
—Daar is dus in het geheel geen politie? vroeg Henderson vol
belangstelling.
—Men kan wel zien, mijnheer, dat gij zoo kersversch uit Europa hier
zijt gekomen! antwoordde Jack glimlachend. Politie! Ja, er bestaat zoo
iets als de bereden North West Police, en ik zal de laatste zijn, om
iets af te dingen op den persoonlijken moed van die mannen—dien zij dan
ook wel noodig hebben, want hun baantje is een hondenbaantje! Maar hoe
wilt gij, dat die paar honderd man, over een gebied van eenige
honderden mijlen verspreid, en waarvan altijd de helft moet uitrusten,
de orde handhaven? Als zij een misdrijf kunnen constateeren, dan is het
louter toeval! Denk eens wat het beteekent, om in dit jaargetijde, in
een land waar heel weinig paarden, en in het geheel geen spoorwegen
zijn, van de eene plaats naar de andere te reizen! Ik spreek niet van
de groote plaatsen—die hebben een vrij goede politie, maar die heeft
daar dan ook haar standplaats, en heeft niets te maken, met wat er
elders voorvalt.
—Sakkerloot—dat is dan heel wat anders dan het baantje van de
Londensche „Bobbies”! riep Henderson uit.
—Dat moogt gij wel zeggen, mijnheer! vervolgde Jack. Vaak is zoo’n man
geheel alleen—alleen met zijn revolver, zijn paard of zijn honden. Hij
hoort op zijn tijdelijke standplaats iets van een moord ergens—hij
spant zijn hondenslede met tien of twaalf honden in, kijkt zijn geweer
en zijn revolver na, pakt zijn zak met levensmiddelen, bestudeert de
kaart eens, en gaat in zijn slede zitten—en dan moet hij maar zien dat
hij den moordenaar te pakken krijgt!
—Bij zoo’n arrestatie zal het wel niet altijd mak toegaan? vroeg
Charly, die belangstellend had toegeluisterd.
—Wel mijnheer—van de tien keeren wordt de agent drie maal neergelegd,
en drie maal ontkomt de moordenaar! En ik verzeker U dat het geen
grapje is, een gevaarlijken misdadiger geheel alleen over een afstand
van vaak duizenden mijlen te moeten vervoeren! Zoo is het in Canada, en
zoo is het hier! En nu spreek ik er niet van dat de honden ziek kunnen
worden op drie of vier dagreizen van eenig station, of dat de wolven
komen opzetten, of dat een troep bandieten den agent overvalt......
Neen, er zijn onder de agenten ook wel rare snuiters—maar men moet hen
nageven, dat zij mannetjesputters zijn, gehard als staal, moedig als
een leeuw, slim als een vos en taaier dan buffelleer!
Hij zweeg even en vervolgde toen:
—Als er nu een nieuwe nederzetting wordt gevormd, zooals die van Meadow
Hill, dan komt de politie eens kijken—en dan kan zij verder niet veel
doen, vooral des winters als alles onder de sneeuw ligt. Er is geen
denken aan, in zulke posten een permanente politiemacht te vestigen—dan
zou men het korps met een honderdduizend man moeten uitbreiden, en dat
gaat niet—nog afgezien van de vraag of een kleine afdeeling genoeg
eerbied zou kunnen afdwingen. En daarom zijn de toestanden hier nog
juist zooals zij een halve eeuw geleden waren! Ieder is hier zich zelf
het naaste, en moet maar zorgen, dat hij aan het langste eind trekt. De
revolvers zitten hier los in den holster, ziet gij.
—Dan zullen wij dus goed doen, een weinig op onze hoede te zijn, als
wij daarginds komen! merkte Raffles glimlachend op.
—Dat zou ik u aanraden! antwoordde Jack. Sommige kerels zien er geen
been in, u voor een handvol stofgoud om zeep te brengen! Een
menschenleven is hier minder waard dan in Europa, ziet gij! Maar, gij
zijt met drie mannen—en ik meen reeds opgemerkt te hebben dat gij niet
voor een klein gerucht vervaard zijt! Dat is veel waard. Maar toch—wees
voorzichtig, en laten zij daarginds niet merken, dat gij geld of
kostbaarheden bij U hebt, want als hun hebzucht eenmaal is gaande
gemaakt, dan staan zij voor niets!
—Wij zullen uw raad indachtig blijven, waarde Jack! zeide Raffles. Gij
spraakt zooeven van geruchten alsof er goud in deze streek gevonden zou
zijn. Is daaromtrent dan nog niets naders bekend?
—Mij althans niet, mijnheer! antwoordde de pelsjager. Maar ik heb in
dagen niemand gesproken, en weet alleen, dat er geruchten de ronde
doen, van een rijken goudader, die niet ver van Meadow Hill ontdekt zou
zijn. Daarom trekken nu ook sedert eenige dagen zooveel mannen naar het
Noorden.
—Nu wij zullen zien, wat het is—al denken wij niet zelven aan het
delven naar het kostbare metaal mede te doen, hernam Raffles. Want gij
hebt de lust bij mij gewekt, den kant van Meadow Hill op te gaan, en
daar naar wild te speuren!
—Als gij nog twee dagen wilt wachten, mijnheer, dan vergezel ik u
daarheen, want ik moet mijn voorraad patronen en vallen vernieuwen—en
Meadow Hill is het dichtste bij. Daar is een winkel waar van die dingen
verkocht worden.
—Niets zal mij liever zijn, Jack! gaf Raffles ten antwoord. Maar kun je
je jonge vrouw zoolang alleen laten?
—O, dat ben ik wel gewend, mijnheer! riep Grace lachend. Ik doe de
bouten stevig op de deur en ik kruip bij het vuur, en wacht tot Jack
terugkomt. En als er onwelkome bezoekers komen—wel, ik weet met geweer
en revolver om te gaan!
—Nu, als dat zoo is, dan wenschen wij niets liever dan gebruik te maken
van het vriendelijk aanbod van Jack! hernam Raffles. Hij kent hier
zeker den weg beter dan wij, en zijn hulp zal ons van groot nut zijn.
Het middagmaal was nu gereed, en allen zetten zich aan de ruwhouten
tafel—niets anders dan een schijf hout, gezaagd uit den meterdikken
stam van een reusachtigen spar, op een zwaren stronk, die al heel
stevig in den bodem bevestigd was,—want de hut was eenvoudig om de
tafel heengebouwd, en de stronk was met zijn eigen wortels in den bodem
verankerd.
Het vertrek werd verlicht door een soort lamp, bestaande uit een ledig
petroleumblik, voor de helft gevuld met rendiervet, waarin een lange
katoenen pit dreef.
Aldus heerschte er een schemerig licht in het vertrek, juist voldoende
om elkanders gelaat te kunnen onderscheiden.
De eigenaardige scherpe lucht van gedroogde vellen vulde de ruimte.
Maar het jonge paar scheen hier reeds lang aan gewend te zijn, en
merkte het in het geheel niet meer op.
Deur en venster waren stevig gesloten, want er heerschte daarbuiten op
de vlakte een hevige koude.
Nu en dan, als het gesprek een oogenblik ophield hoorde men heel in de
verte het langgerekt gehuil van een hongerigen wolf.
De drie jagers waren zeer vermoeid en allen begaven zich vroeg ter
ruste, het jonge echtpaar op de breede rustbank, de drie reizigers op
de huiden, van de rest van het vertrek afgescheiden door een soort
gordijn van aaneengenaaide huiden van den blauwvos vervaardigd, welk
gordijn als de waarde eens naar den stand der Europeesche markt ware
berekend, zeker veertig duizend pond sterling zou hebben bedragen!
De drie reizigers sliepen bijna negen uur aan één stuk en werden
verfrischt en geheel hersteld van de vermoeienissen van den vorigen dag
wakker.
Het bleek dat Jack en zijn vrouwtje reeds eenige uren op de been waren,
en het ontbijt reeds hadden klaar gemaakt.
De drie Engelschen behoefden zich niet aan te kleeden, want de koude
was zoo fel geweest, dat zij zich alleen van hun dikke overpelsen
ontdaan hadden en gekleed en wel onder de zware dekens waren gekropen.
Maar nu begaven zij zich naar het waschhok waar een groot vuur was
aangelegd en reinigden zich daar terdege met heet water, waarna zij
zich afwreven met sneeuw, totdat hun lichaam begon te gloeien.
Aldus geheel verfrischt, namen zij aan de tafel plaats, waar reeds de
heete thee dampte, en brood, boter, honig en een soort schapenkaas
stonden te wachten.
Om tien uur zou worden opgebroken.
Jack joeg zijn trekhonden bijeen, kleine maar zeer sterke en snelle
dieren, wier vacht thans zuiver wit was, en spande ze niet zonder vrij
wat gevecht en onderling geharrewar voor de groote slede.
De twaalf honden werden twee aan twee voor het voertuig gespannen dat
hierop beladen werd met de bagage van de drie reizigers, hun wapens en
munitie en een welgevulden knapzak.
En daarop namen de drie mannen afscheid van hun lieve gastvrouw.
Raffles nam de kleine, stevige hand van Grace in de zijne, en zeide op
ernstigen toon:
—Gij woont hier in een wilde, onherbergzame streek—maar uw hart is
beter dan van menig beschaafde Europeaansche! Geld behoef ik u niet
eens aan te bieden want ik weet zeker dat gij het toch zoudt weigeren.
Neem dan de verzekering van ons aan, dat wij uwe gastvrijheid op hoogen
prijs hebben gesteld, en die nimmer zullen vergeten.
Het jonge vrouwtje had een kleur van pleizier gekregen bij deze korte
toespraak en zeide vroolijk:
—Het had werkelijk niets om het lijf, mijnheer—en het deed mij en Jack
zoo’n groot genoegen eens echte heeren bij ons te zien!
Charly Brand lachte hartelijk om dit naieve compliment maar Henderson
zeide hoogst ernstig:
—Maar ik ben geen heer, madame Brunt! Ik ben de bediende van mijnheer
hier!
—Dat doet er niet toe—daarom zijt gij evengoed een gentleman! hernam
Grace vroolijk, en toch met een ernstig trekje om den rooden mond.
Zij bleef, met haar bonten kap over het hoofd en haar mantel van vellen
om de schouders op den drempel van de ruwe deur staan om de
vertrekkenden zoo lang mogelijk na te zien, nadat zij met een innige
omhelzing afscheid van haar jongen echtgenoot had genomen.
Hoewel het nog altijd zeer koud was, kon men de temperatuur toch
dragelijk noemen, hetgeen veroorzaakt werd door de bijna volmaakte
windstilte.
De zon stond aan den hemel en deed de sneeuw als purper gloeien.
De honden rukten ongeduldig aan de strengen en schoten als een pijl uit
den boog vooruit, toen Jack hen met een zonderlingen kreet aanzette.
Met verbazing merkte Charly op, dat de honden niet bestuurd werden met
behulp van teugels, maar dat Jack het eerste span leidde met een zeer
lange staak, welke hij nu en dan licht tegen hun nekken drukte.
Dan week het eerste span een weinig uit en de andere honden volgden van
zelf.
—Nu galoppeeren zij nog—maar dat zal hun wel spoedig gaan vervelen!
zeide Jack lachend. Dan gaan zij in draf—maar dat gaat ook nog vlug
genoeg, dat verzeker ik U!
—Hebt gij dat dan niet in uw macht, even als bij een paard, mijnheer
Jack? vroeg Henderson.
—Nu, dat zou ik niet gaarne durven zeggen! antwoordde de jonge
pelsjager. De trekhonden zijn namelijk zeer eigengerechtigd, ziet gij!
Zij zijn sterk en schrander—maar zij hebben hun eigen wil, en het dient
tot niets, den onzen daartegen te willen stellen. Want dan worden zij
koppig en als men aanhoudt zelfs gevaarlijk—er zit nog altijd veel van
den wolf in die Eskimo-honden. Er hangt echter veel af van de
behandeling. Om de zweep geven zij weinig of niets. En als zij
onderling eens ruzie krijgen doet men verreweg het verstandigst er zich
in het geheel niet mede te bemoeien, maar rustig af te wachten tot zij
uit vermoeidheid vanzelf ophouden!
—En hoe zit het dan met het tuig? wilde Henderson weten.
—Ja, dan kunt gij uitstappen, en de strengen uit elkaar zoeken en dat
duurt wel eens een half uurtje! antwoordde Jack lachend. Maar ik
herhaal dat het in het geheel geen doel heeft te pogen, tusschen beide
te komen! De honden zouden zich eenvoudig tegen u vereenigen! Maar ik
mag geen kwaad van mijn dieren spreken, want over het algemeen zijn het
flinke trouwe dieren, die hun werk goed en met lust doen. Zeker—zij
takelen elkander wel eens toe,—maar dan wachten zij tenminste tot het
werk gedaan is!
De slede gleed, terwijl dit gesprek gevoerd werd, met groote snelheid
over de bevroren sneeuw, die hier zoo glad als een spiegel was.
Toen zocht Jack de Tanana op en volgde den stroom.
En reeds spoedig werd het duidelijk dat de eenzaamheid van het
landschap niet meer bestond,—menschen waren hier voorbij getrokken of
trokken nog langs, en allen oogenschijnlijk met denzelfden vurigen
wensch bezield—dien om het „beloofde land”, waar zij goud in overvloed
hoopten te vinden, zoo spoedig mogelijk te bereiken.
Te voet, te paard, in hondensleden trokken de goudgravers voorbij, naar
die verre streken, waar hun begeerte hun de grootste rijkdommen
voorspiegelde, met geringe inspanning te verkrijgen.
Allen waren zwaar bepakt, en allen waren het mannen.
Men zag geen enkele vrouw, geen kind—niets dan mannen, de meesten in de
kracht van hun leven, maar toch ook enkelen die reeds met één voet in
het graf schenen te staan, en die toch geen weerstand hadden kunnen
bieden aan hun verlangen daarginds in korten tijd rijk te worden.
Om een uur werd halt gemaakt, om de honden wat rust te geven en een
stevigen maaltijd te gebruiken.
Jack en Henderson maakten een vuur aan, met behulp van droge
sparrentakken uit het naburig bosch gehaald, en tegen den voet van een
kalen rots dicht bij den rivieroever opgestapeld, en daarop bereidde de
pelsjager binnen een half uur een kostelijke soep van berenvleesch en
Charly moest zich zelf bekennen, dat het vleesch van den beer de
vergelijking met het fijnste kalfsvleesch met glans kon doorstaan.
Daarop werd de tocht hervat.
En hoe verder naar het Noorden de reizigers trokken, hoe dichter de
stroom mannen werd, die door den goudkoorts naar deze barre streken
waren getrokken, en waarvan zeker de helft niet meer zou terugkeeren.
Zwijgend en gebukt onder de vracht hunner pakken, trokken die mannen
langs den eenigen gebaanden weg die hier naar Meadow Hill voert, allen
gewapend met geweer of revolver of beiden, de schop over den schouder,
gekleed in de dikste jassen, welke zij bezaten, en die toch lang niet
voldoende waren om hen te beschutten tegen de hevige koude die in deze
Noordelijke streken heerschte.
Als onder betoovering zwoegden zij voort, den blik naar den
gezichteinder gericht.
Uit alle streken van Amerika waren zij komen toesnellen, op het eerste
gerucht dat er weer goud ontdekt was—en zelfs brachten de booten uit
andere werelddeelen reeds duizenden vreemdelingen aan, waarvan er
echter zeer velen dadelijk weder werden teruggestuurd omdat zij lezen
noch schrijven konden, en ook geen Engelsch verstonden, wat, volgens de
nieuwe strenge immigratie-wetten, volstrekt noodig was.
Om vier uur begon de duisternis te vallen maar nog altijd draafden de
honden onvermoeid voort, door hun onfeilbaar instinct geleid.
Jack behoefde trouwens geen vrees te koesteren dat de dieren van den
goeden weg zouden afraken, want de Poolnachten zijn in dezen tijd van
het jaar nooit volkomen duister.
Altijd blijft er een geheimzinnige schemer hangen, in Europa volkomen
onbekend, en die het mogelijk maakt op verre afstanden de voorwerpen
nog te onderscheiden.
Eindelijk om acht uur in den avond, doemden de lichten van Meadow Hill,
na een kromming van den weg die tusschen de hooge heuvels doorliep,
eensklaps voor de reizigers op.
Nog een kwartier, en onder luid zweepgeknal gleed de slede de
nederzetting binnen.
Het was er nog roerig en druk in de nauwe hoofdstraat, de eenige
overigens van het gehucht, waarop slechts eenige zeer korte zijstraten
uitkwamen, drie in getal.
De huizen waren er zonder uitzondering van hout, sommigen met een dak
van gegolfd plaatijzer, en de meesten met een soort voortuintje, waar
des zomers een paar planten en bloemen hun armelijk bestaan rekten,
maar die meerendeels al spoedig tot vuilnisbelten ontaard waren.
Uit een tamelijk groot huis klonk harmonica-muziek en het gillend
gelach van een dronken vrouwenstem.
Voor het huis liep een galerij, een meter boven den grond, van een lage
leuning voorzien.
Daar hingen eenige gekleurde lampions, die hun licht uitstraalden op de
sneeuw, die hier morsig en goor was, door de vele voetstappen, die er
dagelijks over gingen.
Dit huis was de goorste kroeg van de plaats „De Blauwvos” geheeten en
hier zwaaide Bill Rednose den scepter.
HOOFDSTUK III.
HET LEVEN TE MEADOW HILL.
De slede gleed echter het danshuis voorbij, en hield pas stil voor een
soort logement, waar nog licht brandde ofschoon men in deze streken
gewoon was de lichten vroeg te dooven.
Het was het eenige logement, voor reizigers als Raffles en zijn
metgezellen te gebruiken.
Op de drie treden, die naar een soort voorgalerij voerden, zaten eenige
slampampers, zooals men die in bijna alle kleine Amerikaansche
plaatsjes bij de stations en logementen aantreft, en die hun brood op
een zeer geheimzinnige manier schijnen te verdienen, namelijk door den
geheelen dag op een strootje te kauwen en naar de gaande en komende
reizigers te staren.
Deze heerschappen keken met onverholen verbazing naar de slede met de
twaalf honden bespannen, hetgeen reeds op een zekere mate van welstand
van den eigenaar wees, maar meer nog naar de inzittenden.
—Halloh! old Jack! riep een hunner, die den pelsjager scheen te kennen.
Waar gaat dat naar toe?
—Voorloopig nergens heen, Mike! antwoordde Jack kortaf. Ik blijf hier.
—Je hebt daar fijne lui bij je, hé? Mooie geweertjes—rijke spullen! Ben
je voerman geworden, ouwe jongen!
—Raakt het je wat, Mike? kwam Jack ongeduldig. Vooruit, maak eens wat
plaats—de menschen kunnen er bijna niet door!
Maar de heer Mike scheen niet veel haast te hebben.
Zijn loensche blik gleed over de gestalten der reizigers, die zoo juist
uit de slede waren gestapt, en nu de drie treden van de galerij
bestegen.
Hij bewoog zich niet, maar bleef kalm zitten waar hij zat, het strootje
in zijn grooten mond van den eenen kant naar den anderen verschuivend.
Zijn makkers keken grinnikend toe.
Als Mike zoo’n grap uithaalde,—dan kon het best worden!
Maar er was een ding, waarop de makkers van mijnheer Mike nog niet
voldoende acht hadden geslagen.
Dat ding luisterde naar den naam van Henderson.
Hij zag, dat men den toegang aan zijn meester een weinig dreigde te
versperren en dat was ruimschoots voldoende hem handelend te doen
optreden.
Zonder zijn pas ook maar een oogenblik te vertragen, nam hij in het
langsloopen heer Mike in den nek en tilde hem van zijn plaats om hem
pas boven aan de treden weder neder te zetten, behoedzaam als vreesde
hij iets van het kostbare lichaam te breken.
Als met stomheid geslagen keken de vrienden van Mike toe—vol vrees voor
de gevolgen en ook met een weinig leedvermaak, want Mike was een groote
bluffer, en een geweldige vechtersbaas.
Deze heer zelf was door de handelwijze waarvan hij het slachtoffer was
geworden in de eerste oogenblikken zoodanig verbluft, dat hij geen vin
verroerde.
Maar toen sprong hij op de been, bracht de hand naar zijn
revolvertasch, en brulde:
—Wie heeft daar de hand durven slaan aan Mike Penalty?
—Ik! antwoordde Henderson leukweg. Je zat in den weg, vadertje, en
daarom heb ik je op zij geschoven—je scheen niet te hooren wat mijnheer
Jack tegen je zei!
—En denk je dat ik dat zoo maar toelaat? schreeuwde Mike, die blijkbaar
niet geheel en al nuchter was.
—Natuurlijk denk ik dat! antwoordde Henderson kalm. Waarom zou je het
niet toelaten?
Bijna stikkend van woede brulde Mike:
—Waarom?...... Wel voor den duivel...... dat heeft nog nooit iemand in
Meadow Hill mij durven doen!
—Nu, dan was ik de eerste! hernam Henderson rustig. En schreeuw nu niet
langer zoo als een bezetene, maar laat ons door. Wat is dat hier voor
een hotel waar het zoo smoorvol zit met allerlei gespuis?
De vier mannen waren nu de treden opgegaan, en de eigenaar verscheen,
een dikke, kaalhoofdige man, die er voor deze omgeving tamelijk
presentabel uitzag.
Hij droeg een soort boezeroen van katoen, met groote ruiten en
daaroverheen een schapenpels.
De man was blijkbaar niet weinig verbaasd over de eer die hem te beurt
viel want met den eersten oogopslag had hij gezien, dat de jagers, die
bij hem een onderdak zochten, rijke en beschaafde lieden moesten
zijn—en die kwamen in zijn streek slechts sporadisch voor!
—Dat is Perry Finn! stelde Jack den logementhouder aan zijn drie
vrienden voor, en hij duwde hen snel naar binnen, daar hij kwade
gevolgen vreesde van het optreden van den reus, al voelde hij er
persoonlijk nog zooveel bewondering voor.
—Gij hebt zeker wel een paar kamers voor ons? vroeg Raffles, zoodra de
deur was dicht gevallen, en hen afsloot van Penalty en consorten die
nog altijd niet van hun verbazing en woede bekomen waren.
—Natuurlijk, Uwe Edelheid! antwoordde Finn met een grijnslachje, dat al
zijn gele tanden ontblootte. Ik heb de beste kamers van de geheele
nederzetting. Gij gaat zeker naar de goudvelden?
—Neen vriend, antwoordde Raffles kortaf. Wij denken van hieruit te gaan
jagen, dat is alles.
Dit verwonderde Perry Finn blijkbaar ten hoogste!
Hij kon zich niet voorstellen dat men om andere reden zich aan zooveel
gevaren blootstelde, en zich zoover noordelijk waagde, om iets anders
dan om naar goud te delven. Maar de zaak werd er voor hem des te
voordeeliger om want nu zouden de drie vreemdelingen zeker langer bij
hem blijven en niet reeds den volgenden dag weder vertrekken.
Finn ging zijn gasten voor naar de groote gelagkamer, zeker het
voornaamste vertrek in zijn inrichting.
Van steen was nergens een spoor te ontdekken, behalve de vloer van den
grooten haard waar thans een geweldig vuur brandde.
Voor het overige was het geheele logement uit dikke boomstammen
opgetrokken.
De vloer van de gelagkamer bestond uit vastgestampte aarde, waarover
een dun laagje zand was gestrooid, het buffet was uit dikke planken
getimmerd, en met een stuk spiegelglas versierd, dat een zijner hoeken
miste, en misschien het eenige in de geheele nederzetting was.
In een der hoeken leidde een trap van vijf treden naar een soort
gaanderij, waar eveneens stoelen en tafeltjes waren neergezet en
vanwaar men een goed gezicht had op de gelagkamer die ook vaak als
danszaal werd gebruikt.
Op de gaanderij kwamen eenige afzonderlijke kamertjes uit, die door een
gordijn konden worden afgesloten en welke Finn trots zijn „cabinets
particuliers” noemde.
In een ding was „De Groote Beer” echter achter bij „De Blauwvos”,—men
kon er geen champagne krijgen, en dat kon men in de kroeg van Bill
Rednose wel, al zou men er voor het goedje in het minste café van
New-York ook den neus voor hebben opgehaald.
„De Blauwvos” had ook veel meer van die kleine vertrekjes—en Bill
Rednose had zich de goed betaalde diensten verzekerd van een zestal
meisjes, die als lokvogels moesten dienen, en des avonds, zwaar
geschminkt en geparfumeerd door de danszaal slenterden, en met hun
lonkjes en lachjes de gelukkige goudzoekers tot drinken moesten
aansporen.
Op het oogenblik dat Raffles en zijn reisgezellen met Finn en Jack de
gelagkamer binnentraden, bevonden zich daar slechts weinig gasten, want
vele inwoners van Meadow Hill hadden eens een kijkje willen nemen in
het pas ontdekte gebied, ofschoon daar reeds vele gelukzoekers bitter
teleurgesteld van waren teruggekeerd met de boodschap dat er misschien
van alles te vinden was in die streek—maar goud zeker niet!
Finn maakte zich dan ook geen oogenblik ongerust over zijn schaapjes
die nu tijdelijk waren afgedwaald, want vroeg of laat zouden zij toch
weer naar de nederzetting terugkeeren.
Men moest in deze streek hard werken, om het goud uit den bodem te
halen—maar men vond het tenminste!
Perry Finn was de gelagkamer dwars overgestoken, en geleidde nu zijn
nieuwe gasten, die door de aanwezigen nieuwsgierig en wantrouwend
werden nagekeken, naar de gaanderij, waarop een paar deuren uitkwamen
die tot de logeerkamers bleken te behooren.
Hij opende twee dezer deuren en zeide:
—Treedt binnen heeren—deze twee vertrekken zijn de beste uit mijn
etablissement!
De drie Engelschen gingen het vertrek binnen, welks deur door Finn werd
opengehouden, wat wel noodzakelijk was, want het huis stond zoo scheef,
dat alle deuren vanzelf openvielen als men ze niet op slot deed, en
zagen, dat het alles bijeengenomen, inderdaad niet zoo slecht was.
Er stond een vrij goed bed, met een drietal dikke dekens bedekt, een
paar stoelen, met rieten zittingen, de onvermijdelijke schommelstoel
die in geen enkele Amerikaansche kamer schijnt te mogen ontbreken, en
een ruw getimmerde waschtafel waarop een gekramde kom en een blikken
lampetkan.
Bij het eenige raam was een kleine tafel geschoven, eveneens een
gewrocht van de nijvere handen van Perry Finn.
Raffles wierp een blik door het venster, en zag dat de vensterbank zich
ongeveer twee meter boven den beganen grond bevond.
En verder zag hij tegen de achterzijde van de houten huisjes van een
kleine dwarsstraat, waar goed te drogen hing, en honden wroetten in het
vuil, hetwelk de bewoners daar hadden neergeworpen.
Bij wijze van trottoir was een houten voetpad langs de eene zijde van
den weg aangebracht bestaand uit vier naast elkander gelegen rijen
planken, die op geregelde afstanden met wiggen waren vastgeslagen.
De goot werd eenvoudig gevormd door een smalle geul, in de aarde
uitgegraven met een flauw verval, waardoor het spoelwater en andere
ongerechtigheden verondersteld werden, hun loop buiten de nederzetting
te nemen.
Raffles had Charly even met den blik geraadpleegd en zeide nu:
—Het is in orde vriend—wij blijven hier. Ik heb een hond bij mij zooals
gij ziet! Die kan toch ook hier blijven?
—Wel natuurlijk, Uwe Edelheid! riep Finn haastig uit. Dat is hier
gebruik! Honden of menschen—dat scheelt hier niet veel—en de
vergelijking valt in de meeste gevallen ten gunste van de honden uit!
—Kunnen wij iets te eten krijgen? vroeg Raffles die zich reeds van zijn
zware pels ontdaan had.
—U treft het—wij hebben vandaag een schotel wild varkensvleesch! Met
zuring! En ingemaakte vruchten!
—Laat ons dan spoedig iets brengen en geef vier borden—mijnheer Brunt
zal ons de eer aandoen met ons het middagmaal te gebruiken.
—Dan wilt gij mij wel veroorloven eerst mijn inkoopen te doen,
mijnheer? vroeg de pelsjager. Mijn leverancier is nu misschien nog of
weer nuchter, ziet gij? voegde hij er lachend aan toe. Morgenochtend
wil ik weer vroeg terug gaan, en dan heeft hij meestal zijn roes van
den avond te voren nog niet uitgeslapen!
—Doe dat, en laat ons niet te lang op U wachten! zeide Charly lachend.
Jack vertrok dus om zijn patronen en nieuwe vallen, geweervet en
verduurzaamde groenten in te slaan.
Een half uur later keerde hij met dien voorraad terug, juist toen een
soort bediende, een magere, geelbleeke man met een smerig boezelaar
voor, de dampende soep in het logeervertrek binnendroeg.
Zooiets was nog nimmer gezien in „De Groote Beer” want daar at men
steeds in de gelagkamer en de bediende beefde dan ook van ontzag en
eerbied.
Zoodra de deur achter hem gesloten was begon Jack met gedempte stem:
—Als ik u een goeden raad mag geven mijnheer, dan neemt gij u hier
zooveel mogelijk in acht! Wat onze vriend Henderson zooeven gedaan
heeft—wel, ik geloof dat ik zijn plaats, en als ik over zijn geweldige
lichaamskracht beschikte, evenzoo zou hebben gedaan! Maar—men haalt zoo
iets niet ongestraft uit met een man als Mike Penalty! De kerel is in
de heele streek berucht,—en dat wil hier iets zeggen, dat verzeker ik
U! Zooeven liep ik in het donker een kleine groep voorbij, en ik hoorde
Mike duidelijk zeggen dat hij het Henderson nog wel eens zou inpeperen!
—Ik had ook liever gezien dat je dit niet gedaan had, Henderson! kwam
Raffles op ernstigen toon. De zeden zijn hier eenmaal zeer ruw, en
daarmede moeten wij rekening houden.
—Maar, Mylord—de schoft wilde u niet doorlaten! riep Henderson
verontwaardigd uit. Moest ik die onbeschaamdheid dan niet straffen? Ik
heb hem immers in het geheel geen pijn gedaan?
—Neen—maar gij hebt hem een mal figuur laten slaan tegenover de kerels,
die steeds zooveel eerbied voor zijn sterke vuisten en zijn revolver
hebben, Henderson! hernam Jack. En dus—neem u zooveel mogelijk in
acht—en vertrek liever vandaag dan morgen weder.
—Ho, ho! Zoover zijn wij nog niet! riep Raffles uit. Denkt gij, dat wij
ons jachtvermaak in den steek zullen laten en op den loop zullen gaan,
omdat mijnheer Mike Penalty ons boos belieft aan te kijken? Dan kent
gij ons toch nog niet, mijn waarde Jack! Neen, wij blijven juist zoo
lang als ik mij had voorgesteld—en ik zal eenvoudig den burgemeester
van de plaats vragen een oogje in het zeil te houden!
—De burgemeester? riep Jack op ongeloovigen toon. Denkt gij dan, dat
hier zooiets te vinden is?
—Niet? vroeg Charly verbaasd. Maar wie bestuurt dan in ’s hemelsnaam de
nederzetting?
—Die wordt niet bestuurd! antwoordde Jack kalm. Ieder is hier zijn
eigen meester.
—En als er dan eens een misdaad gepleegd wordt?
—Dan maken de goede elementen onder de mannen jacht op den moordenaar
of op den paardendief—en als zij hem vatten, wordt hij aan den eersten
den besten stevigen tak opgehangen!
—Zonder rechtbank? vroeg Raffles.
—Zonder rechtbank.
—En—gebeuren er dan nooit vergissingen?
—Soms—maar de mannen troosten zich met de wetenschap dat van de tien
gehangen boeven negen toch zeker hun straf verdiend hebben—en dat het
jammer is van den tiende, die bij vergissing de strop om den hals
kreeg!
—Lief land! bromde Henderson grimmig.
—Ik erken, dat de toestand niet ideaal is, hernam Jack glimlachend.
Maar wat wilt gij? Deze nederzetting is als bij tooverslag uit den
grond gerezen. Men vond hier in de buurt goud, en deze plek was het
gunstigst om er een dorp te bouwen—dicht bij een bosch, dat het hout
voor de huizen leverde, niet ver van een riviertje, en op de helling
van een lagen heuvel, waardoor het sneeuwwater in de lente snel
afloopt. De mannen die deze nederzetting zoo snel bouwden zijn allen
ruwe, en voor een deel zelfs gewetenlooze kerels—van gezag willen zij
niets hooren en hoogstens benoemen zij een soort besturend lichaam, een
sheriff met een paar helpers,—maar dat is te Meadow Hill nooit
geschied.
—Nu—dan zullen wij eenvoudig op onze goede geweren en onze revolvers
vertrouwen! hernam Raffles koeltjes.
—Ik had eigenlijk geen ander antwoord van u verwacht, mijnheer! kwam
Jack, maar ik herhaal mijn waarschuwing—kijk goed uit uw oogen, want
die Mike deinst voor niets terug, als men eenmaal zijn wraakzucht heeft
opgewekt—en zijn vrienden zijn wel niet talrijk, maar even schurkachtig
als hij!