deur open, en Miss Jessie—God zegene haar—trad binnen. Ik keek verbaasd
maar verheugd op, want ik hield zoo veel van het meisje. Zij zeide dat
zij gaarne gekomen was, nu ik om haar gestuurd had. Gij begrijpt, hoe
verwonderd ik was,—en ook hoe ongerust. Ik vroeg, wie dan bij haar was
geweest. Zij antwoordde dat Dolly een uur geleden bij haar gekomen was,
en gezegd had, dat ik stervende was. Gelogen heeft de slet het!
Gelogen! Nooit verzocht ik haar zoo iets! Het is slecht en
onchristelijk, maar ik zou de meid niet weer willen zien! Jessie had
dit ternauwernood gezegd of de deur vloog open, en Mike Penalty stormde
binnen, met nog een anderen man. Zij wierpen zich op het meisje, dat
tevergeefs tegenstreefde, bonden haar armen op den rug en deden haar
een doek voor den mond. Ik liet mij uit het bed glijden, in de hoop
mijn geweer te kunnen bereiken, dat boven den schoorsteen hing, maar
één der ellendelingen gaf mij een trap, en ik rolde tegen het
bed,—zooals gij mij gevonden hebt. Zij sleurden haar weg, en ik hoorde
het geblaf van honden, dat zich snel verwijderde. Alles geschiedde in
vijf minuten.
Een doodelijk stilzwijgen volgde op deze verklaring.
Raffles was de eerste die weder sprak.
—Hoe weet gij dat er vier mannen geweest zijn?
—Ik zag er nog twee door de halfgeopende deur die zeker de wacht
moesten houden. Dolly was er ook bij!
—Dat is vreeselijk! fluisterde Charly. Hoe kan de eene vrouw, nog wel
de minnares van den man, er toe bijdragen de andere in het ongeluk te
storten, in een streek waar men juist elkanders hulp zoozeer noodig
heeft!
—Zij staat volkomen onder den invloed van Mike, gaf Jack op zachten
toon te kennen. Zij doet alles wat hij beveelt,—al zou hij haar zeggen
een moord te doen!
Raffles was intusschen op Tom toegetreden, die zwijgend en geheel
gebroken terzijde stond, en zeide, terwijl hij zijn hand greep:
—Waarde Tom, wij kwamen hier om op de blauwvos te jagen, mijn vrienden
en ik! Jagen zullen wij ook—maar niet op de vos—op den mensch! Zij
kunnen ons slechts een uur voor zijn, op zijn hoogst, en het spoor is
nog volkomen versch. Wij bieden onze hulp dus aan—en wij hopen, dat gij
haar niet zult afslaan! Alleen zijt gij tegen vier man niet opgewassen,
waarbij zich onderweg misschien nog anderen zullen voegen. Mogen wij U
helpen?
Een droge snik welde uit de keel van den pelsjager, toen hij de hand
van Raffles drukte, alsof hij haar wilde verbrijzelen, en op schorren
toon kwam het antwoord:
—Ik zal U ten eeuwigen dage dankbaar zijn voor uw aanbod, mijnheer! Ja,
ik neem de hulp van u en uw vrienden aan! Ik gevoel dat mijn denken
verward is—ik zou domme dingen doen—ik had haar zoo innig lief, mijn
klein meisje!
—En ik? riep Jack plotseling uit. Denk je soms dat ik rustig naar mijn
eigen lieve vrouw terug kan gaan, met de gedachte dat mijn eenige
vriend hier om zijn meisje gaat vechten? Neen, m’sieu! Jack gaat mede!
—Wij hebben niets anders verwacht, waarde Jack! kwam Raffles
glimlachend. Maar uw vrouwtje zal zeer ongerust zijn over uw
uitblijven!
—Ik weet er wel wat op, om haar gerust te stellen, liet nu de stem van
den predikant zich hooren.
Het was het eerste woord dat hij zeide, en zijn stem was klankloos en
mat, toen hij vervolgde:
—Vanmiddag vertrekt er een Cree-Indiaan met zijn slede naar de Tanana.
Ik zal hem verzoeken een boodschap van u aan uw vrouw over te brengen.
Hij is mij zeer toegedaan en zal het verzoek niet weigeren. Ik kan u
niet beschrijven wat ik nu gevoel, mijn vrienden! Tot dusverre had ik
een afschuw van geweld—nimmer aanvaardde ik de leer, dat oog om oog,
tand om tand geldt ..... maar dit is sterker dan ik ..... mijn eigen
lief meisje ..... mijn kleine Jessie in de handen van dien Godvergeten
schurk ..... het is slecht van mij, en ik vraag er God vergeving om,
maar ik haat dien man, ..... ik vrees, dat ik niet voor mijzelf zou
kunnen instaan, als ik hem nu voor mij zag! Daarom ..... ga alleen,
vrienden—en redt haar ..... redt haar tot iederen prijs!
—Daar kunt gij op rekenen, mijnheer, antwoordde Raffles zacht. Wat
menschelijkerwijs gedaan kan worden, dat zullen wij doen, om uw dochter
uit de klauwen van dien schurk te bevrijden! En nu aan het werk,
mannen! Aan die ééne slede zullen wij voor dezen tocht, die misschien
een geheelen dag zal duren, om van den terugweg te zwijgen, natuurlijk
niet genoeg hebben! Breng mij dadelijk naar een inwoner van de
nederzetting die sleden en honden verkoopt of verhuurt! Fang kan ook
trekken—en hij zal ons verder met zijn uitstekenden neus van dienst
kunnen zijn!
—Daar ligt een klein stukje goed, dat bij de worsteling van de
kleederen van Jessie is gescheurd, steunde de grijsaard die gretig had
toegeluisterd.
Hij wees naar een stukje doek, blijkbaar afkomstig van een bouffante,
en Raffles raapte het haastig op, en stak het met een tevreden gezicht
in zijn zak.
—Op weg, vrienden! riep hij uit. Wij mogen geen tijd meer verliezen!
Voor het vallen van de duisternis moeten wij hen hebben ingehaald!
Jack krabbelde nu snel eenige woorden op het blaadje papier, dat Barry
uit zijn opschrijfboekje had gescheurd, en dat bestemd was voor zijn
jonge vrouw, en daarop drukten allen de handen van Barry en den ouden
Patterson.
In de deuropening staande keek de predikant hen zoover hij kon na,
onbewegelijk als een standbeeld met de handen gevouwen over de borst.
Tom bracht de overigen naar een soort winkel, waar men geweren,
schoppen, goudzeven, patronen, sleden, sneeuwschoenen, veldflesschen,
revolvers, kortom alles kon koopen, hetgeen in deze streken volstrekt
onmisbaar was.
De eigenaar hield er tevens een grooten kennel op na, waar steeds een
veertigtal beste trekhonden te vinden waren, sneeuwwit, sterk, en voor
een deel afgericht.
Raffles kocht tien honden, een slede, een hoeveelheid verduurzaamde
levensmiddelen, en daarop werd de terugtocht naar het logement
aanvaard, waar de drie reisgenooten hunne geweren, revolvers en munitie
gingen halen, benevens hun dikke pelsen, veldflesschen en eetbehoeften.
Zoo snel mogelijk werd alles ingeladen en daarop namen Raffles, Charly
en Jack in de slede van den jongen pelsjager plaats, terwijl Henderson
neerzat in de slede, die door Tom bestuurd werd, en zooeven gekocht
was.
Dit alles had bijna een vol uur geduurd, en nu ging het in galop naar
de woning van Patterson, waar het spoor een aanvang nam.
—De schurk moet er op gerekend hebben dat er een paar uren zouden
verloopen voordat zijn lage streek ontdekt werd, bromde Jack, toen de
sleden aan de achterzijde van de woning stilhielden. Ik denk, dat hij
zal trachten voor het vallen van de duisternis het woud dicht bij
Senati, aan de samenvloeiing van de Jukon en de Tanana te bereiken.
—Waarom juist dat woud? vroeg Raffles.
—Omdat het veel moeilijker zal zijn, daar het spoor te volgen en omdat
hij daar een aantal vrienden heeft, die hem gaarne een schuilplaats
zullen verleenen en desnoods voor hem zullen vechten!
—Is die streek voor het overige dicht bevolkt? Ik meen dit natuurlijk
in betrekkelijken zin.
—Zeer schaarsch, integendeel, mijnheer! antwoordde de pelsjager. Men
kan er tientallen mijlen achter elkaar loopen, zonder een levend wezen
aan te treffen. De goudzoekers vereenigen zich steeds tot een of andere
nederzetting en daar is het dan natuurlijk druk en woelig. Maar op de
vlakte vindt men slechts om de twintig of dertig mijlen een eenzame
hut, die aan een strikkenzetter of pelsjager toebehoort.
—Ik heb er zelf een op veertig mijlen hier vandaan, zeide Tom, wiens
houding geheel veranderd was, en wiens oogen nu van strijdlust en
wraakzucht brandden.
—Hoeveel mijlen kan men met een hondenslede afleggen? ging Raffles
voort.
—Dat hangt veel van de omstandigheden af, mijnheer! antwoordde Jack.
Als het hard vriest, de sneeuw is glad en de honden zijn sterk en jong
en niet vermoeid, en als dan de slede licht is, en niet te groot, als
men er tenslotte tien of twaalf honden voor heeft, dan kan men geruimen
tijd achter elkander gemakkelijk tien tot dertien mijlen per uur
afleggen. Dan gaan de honden in draf. Als zij galoppeeren, wat sommige
honden uren achtereen kunnen volhouden, dan gaan het er met een vaart
van vijf en twintig mijlen over!
—En—hoe zijn de omstandigheden op het oogenblik? vroeg Charly.
—Wel, voor zoover ik kan zien, zij zijn zoo goed als het maar wezen
kan, antwoordde Jack. De honden zijn versch en jong, de sleden zijn
niet al te zwaar, het vriest hard en wij hebben twee en twintig honden!
—Nu laat ons dan op weg gaan! Hebt gij het spoor reeds gevonden? kwam
Raffles.
—Ja, zie daarginds loopt het, naar het Noord-Westen!
Jack wees met uitgestrekte hand naar een flauw zichtbaar spoor, dat
zeker veel dieper zou zijn geweest als de sneeuw niet zoo glashard
geweest ware.
Slechts het geoefend oog van den woudlooper kon de lijnen van het
sledeijzer en de indrukken van de sneeuwschoenen en hondenpooten zien.
Henderson was reeds uit de slede gesprongen na vlug zijn voeten met de
lange sneeuwschoenen te hebben geschoeid.
—Ik zal zoo vrij zijn, de slede van mijn gewicht te ontlasten, Mylord!
zeide hij op zijn gemoedelijken toon. Een weinig beweging zal mij goed
doen—en zoo komen wij misschien vlugger vooruit!
—Dat is een goed idee! riep Charly uit, en dadelijk volgden hij en
Raffles het voorbeeld van den reus.
Een zonderlinge kreet weerklonk, en de honden gingen over in een
gestrekten galop, terwijl Fang luid blaffend met groote sprongen
uitgelaten over de sneeuw holde, alsof hij zijn soortgenooten tot den
grootsten spoed wilde aanmanen.
Het ging nu zoo vlug, dat de mannen eenige moeite hadden, de honden op
hun sneeuwschoenen bij te houden, maar de beweging deed hun goed, en
versnelde den bloedsomloop.
Met het korte geweer over den schouder, de oogen onophoudelijk op het
spoor gevestigd, schoven Jack en Tom snel over de hardbevroren sneeuw,
in de rechter hand de lange staak, waarmede zij het voorste span konden
besturen.
Het duurde niet lang of van Meadow Hill was niets meer te bespeuren.
Thans strekte de eindelooze vlakte zich in verblindende witheid voor de
mannen uit.
Geen geluid liet zich hooren, uitgezonderd het snelle ademen van de
honden en het klapperen van de tuigen en de trekstrengen.
Een ijle nevel scheen den gezichtseinder voor het oog te verbergen.
Die mist kondigde nog een verlaging van temperatuur aan—en het vroor
reeds zeven-en-dertig graden!
Het mocht een geluk heeten, dat er bijna geen wind stond, anders zou
een reis naar het woeste Noorden zoo goed als onmogelijk zijn geweest!
Zonder veel te spreken legden de vijf mannen in drie uren een afstand
van negen-en-dertig mijlen af.
Toen hief Tom de hand op, die in een dikken handschoen stak en wees
naar een zwarte punt in de vlakte.
—Mijn hut! zeide hij eenvoudig.
De honden schenen de nabijheid van een menschelijke woning te ruiken,
want zij versnelden uit eigen beweging nog hun vaart, en binnen tien
minuten was de hut bereikt.
Het spoor liep er juist op toe.
Op honderd passen afstand van de hut hielden de mannen stil, om
fluisterend te beraadslagen.
Wie kon zeggen of de hut van Tom Hatters op dit oogenblik niet tot
schuilplaats strekte aan de ellendelingen die Jessie hadden ontvoerd?
Tom nam op zich een onderzoek in te stellen, en hij liep snel, in
gebukte houding op de hut toe, het geweer in den aanslag.
Vijf minuten gingen voorbij.
Toen zagen de vier mannen die in de vlakte waren achtergebleven hoe Tom
zich oprichtte en hen wenkte.
De weg was blijkbaar veilig.
Even later traden allen de hut binnen.
Tom knielde naast den haard neder en legde de hand op de overblijfselen
van een vuur.
De asch was nog warm .......
Er kon niet aan worden getwijfeld—Mike en zijn mannen hadden hier halt
gehouden om te rusten en te eten—
Met een wilden gloed in de oogen wendde Tom den blik naar de rustbank,
die in een hoek stond, en door hem als bed werd gebruikt, als hij in
zijn hut overnachtte.
De vellen en huiden lagen nog zoo als hij ze had neergelegd .......
Een diepe zucht welde uit zijn borst en hij zeide op gedempten toon:
—Ik weet dat ik zelfzuchtig ben—maar ik zou willen voorstellen, hier
niet lang te blijven! De asch van hun vuur is nog warm—zij kunnen niet
ver voor ons uit zijn!
—Wij zullen snel wat eten, Tom, en dan gaan wij verder! zeide Raffles
eenvoudig. Voor de duisternis gevallen is, moeten wij hen ingehaald
hebben.
—O, als ik Jessie weder in mijn armen sluit—ik zweer het—dan verlaat ik
voor goed deze wildernis! riep Tom hartstochtelijk uit. Ik ben sterk en
jong. Ik kan ook elders werk voor mijn handen vinden—waar de menschen
minder op dieren gelijken dan hier!
Niemand antwoordde op dezen smartelijken uitroep maar ieder gevoelde
wat er in het gemartelde hart van den jongen minnaar moest omgaan......
hij kende immers Mike Penalty!
Henderson en Jack hadden met grooten spoed een vuur aangemaakt en een
stuk rendiervleesch gebraden benevens een paar koeken van gerstemeel
gewarmd.
Versterkt door dit haastig verorberde maal, waarvan ook de honden hun
deel kregen, braken de mannen op, na een verblijf van nauwelijks een
half uur in de hut.
—Waartoe dienen eigenlijk deze afgelegen hutten, Tom? vroeg Charly,
toen de sleden weder in beweging waren gekomen, en de honden als bij
instinct het spoor van de vluchtelingen volgden.
—Om er een toevlucht te zoeken, als de jager onderweg door een
sneeuwstorm overvallen wordt, of als zijn voorraad voedsel is
opgeteerd, of wanneer zijn honden eensklaps ziek worden, of eindelijk,
als hij door wolven achtervolgd wordt. In die hutten is altijd rum
voorradig en een hoeveelheid gedroogd vleesch, pemican geheeten.
—Wordt dat nooit gestolen? vroeg Henderson.
—Hoogst zelden! antwoordde de pelsjager. Iedereen in de streek weet,
dat vaak het leven van den jager van de bereiking van zijn hut kan
afhangen. Het zou even erg worden geacht als het stelen van een
paard—waarop bij ons nog altijd de doodstraf staat. Niemand kan hier
des zomers leven zonder een paard—niemand des winters zonder honden
bestaan. Wie ons paard rooft, die rooft ons middel van bestaan! Daarom
is de straf op diefstal zoo streng—veel strenger dan die op moord of
doodslag.
Terwijl de mannen spraken, vlogen de honden met hernieuwde krachten
over de witte vlakte, waarop de zon nu haar schuine stralen zond.
De sneeuwschoenen schoven geruischloos over de harde oppervlakte,
heuvel op, heuvel af, steeds achter het spoor aan.
Maar nu begon het karakter van de streek zich te wijzigen, hetgeen
zelfs onder de dikke sneeuwlaag duidelijk zichtbaar was.
Heel in de verte teekenden zich de vage omtrekken van een gebergte af
dat een horizon scheen af te sluiten, en ter rechterzijde verhieven
zich hooge heuvels voor een deel met pijnboomen begroeid, die hun
slanke stammen onbewegelijk omhoog hieven, naar den wit-blauwen hemel.
Nu en dan doemden grillige rotsen voor de reizigers op, en soms moesten
zij deze zeer behoedzaam naderen, omdat het spoor er juist op toe
scheen te loopen, en er vrees bestond, dat de bandieten zich met sleden
en honden achter een dier rotsen verborgen hadden, om de achtervolgers
verraderlijk te kunnen neerschieten voor dezen hun aanwezigheid hadden
bemerkt.
Het was twee uur, toen de sleden in snelle vaart een heuvelhelling
afgleden, waarbij krachtig geremd moest worden.
De reizigers bevonden zich voor een meer van grooten omvang, bijna twee
kilometer breed en even lang.
Het was bedekt met een spiegelgladde ijskorst.
Het spoor liep op dit meer uit,—maar het hield er tevens op......
Op de ijskorst, door den wind van sneeuw bevrijd, was het spoor niet
langer zichtbaar!
HOOFDSTUK VI.
DE STRIJD OM EEN VROUW.
Eenige oogenblikken keken de mannen elkander zwijgend aan.
Toen zeide Jack:
—Het is zeker dat de schurken het meer zijn overgestoken. Aan den
overkant moeten wij dus het spoor weer terugvinden. Ik stel dus voor,
dat wij ons nu splitsen en links en rechts het meer omtrekken. Die het
spoor het eerst terugvindt hervat de achtervolging en tracht de
bandieten zoo dicht mogelijk te naderen, zonder zelf te worden gezien.
Wij moeten ons haasten want reeds nadert de zon de kim! Het is nog
hoogstens anderhalf uur licht genoeg om het spoor te kunnen zien!
—Uw plan lijkt mij goed, Jack! antwoordde Raffles. Laten wij dan snel
om het meer heentrekken, ieder in een andere richting. Degene die het
laatst het spoor terugvindt, moet zich dan zoo snel mogelijk haasten om
de anderen weder in te halen!
—Zou Fang het spoor niet kunnen terugvinden? vroeg Charly.
—Onmogelijk! In de sneeuw ging het—op dit gladde ijs, en bij deze
hevige koude die nu wel vijf en veertig graden onder nul zal bedragen,
kan de hond niet ruiken!
—Nu, dan snel op weg! Hoe verdeelen wij ons? riep Tom uit, die door
ongeduld werd verteerd.
—Gij neemt Henderson mede—en den hond, wij drieën nemen den anderen
weg! antwoordde Raffles.
En zoo scheidden de sleden, en volgde ieder de tegenovergestelde zijde
van het meer.
Fang wist het eerst niet wat te doen, maar een kort bevel van Raffles
was voldoende hem Henderson te doen volgen.
Tom liep voor de slede uit, en hield de blikken strak op de ijskorst
gevestigd, en hij liep zoo vlug, dat Henderson, die minder geoefend was
in het gaan op sneeuwschoenen, moeite genoeg had hem bij te houden.
—Neem in de slede plaats, dan gaat het nog vlugger—en de honden zijn
sterk genoeg! beval Tom.
Henderson die wel inzag dat dit de beste oplossing was, sprong onder
het gaan in de slede, en nu versnelde Tom zijn vaart nog, en gleed
vliegensvlug over de sneeuw.
Een half uur verstreek.
Op een mijl afstand verhief zich een hooge heuvelketen, die bijna
loodrecht tot zeer dicht aan den oever van het meer nederdaalde.
Eensklaps stond Tom, onder het slaken van een gedempten kreet stil.
Hij bukte zich en bromde tusschen de tanden:
—Het spoor! O, nu laat ik je niet meer los, jij schurk! Jouw leven of
het mijne! Daar—het loopt naar de heuvels—en daar is een soort
pas—wellicht zijn zij daar over gegaan—aan den anderen kant ligt het
bosch, en als zij dat eenmaal bereikt hebben, wordt onze taak bijna
onmogelijk—en daaraan kan ik niet denken, zonder vrees dat ik gek word!
Vooruit!
—Ja, vooruit! riep Henderson. En sta mij toe, dat ik u een handje help,
mijnheer!
Henderson was weder uit de slede gestapt, om het voertuig zooveel
mogelijk te verlichten, nu de honden het tegen de helling van den
heuvel zouden moeten optrekken, en zoo vlug zij konden, zetten de twee
mannen hun weg voort.
Halverwege den heuveltop keerden zij zich als bij ingeving
tegelijkertijd om.
Daar, aan den anderen kant van het meer waren een paar zwarte stippen
te zien, die in hun richting schenen te bewegen.
Daar waren hun metgezellen, en zij waren er zeker van dat zij eveneens
door hen gezien waren, zoo helder was het op dit oogenblik.
Zij dachten er evenwel niet aan de komst van hun reisgenooten af te
wachten, maar zetten hun tocht onvermoeid voort.
Fang bewees hun, dat zij op het goede spoor waren, want de hond liep
met den schranderen kop naar den grond gebogen en liet van tijd tot
tijd een zacht gebrom hooren, hetgeen voor Henderson het onmiskenbaar
bewijs was dat de hond dicht bij zijn doel was.
Hij deelde dit aan Tom mede, en de twee mannen gingen zoo voorzichtig
mogelijk vooruit, met den vinger aan den trekker van hun geweer.
Waar zij liepen konden zij de zon reeds niet meer zien, maar zij
verlichtte toch nog de toppen van den heuvelketen dien zij nu
beklommen.
Zij waren nu de inzinking genaderd, en het spoor was nu zoo versch dat
de vorst zelfs geen tijd had gehad, in de indrukken van de hondenpooten
de fijne draden van ijs te spannen, die aantoonden dat een spoor reeds
eenige uren oud moet zijn, en naar welks dikte de spoorzoekers tot op
een kwartier na den ouderdom van een spoor kunnen afleiden.
Plotseling stond Fang stil, zoo stil, alsof de hond uit marmer was
gehouwen.
Zijn donkere oogen, hadden een dreigende uitdrukking gekregen.
Henderson zag het en fluisterde:
—Zij kunnen niet verder dan een minuut of vijf zijn! Zie maar eens naar
Fang!
Maar niet alleen de wolfshonden, ook de trekhonden toonden duidelijk
door hun onrustige gedragingen, dat zij den wind hadden gekregen van
hun soortgenooten want zij naderden nu een rotswand,—en wie kon zeggen
wat er om den hoek van die naakte rots was, waarvan de top met sneeuw
was bedekt!?
Maar eensklaps, voor Tom het had kunnen verhinderen, hieven al zijn
honden een woedend geblaf aan, geprikkeld door de nabijheid van andere
honden.
Hij uitte een gedempten vloek, en dook achter de slede neder, Henderson
met zich medetrekkende.
Bijna op hetzelfde oogenblik kwam er een gestalte van achter de rots te
voorschijn.
Tom had zijn geweer reeds in den aanslag—hij had het eerste schot—en
het was raak!
De man liet een schonen kreet hooren, en viel voorover in de sneeuw,
welke hij rood verfde met het bloed, dat uit een doodelijke wonde aan
het hoofd vloeide.
Een tweede man sprong van achter den rots te voorschijn, met opgeheven
revolver, maar hij had geen tijd om te schieten, want Henderson legde
hem met een goed gemikt schot neder.
—Dat zijn er twee! riep Tom juichend. Kom mede—met de anderen zullen
wij het nu wel klaar spelen!
Op dat oogenblik klonk de snerpende kreet van een vrouw door de
vallende duisternis.
—Jessie! schreeuwde Tom, terwijl hij vooruit snelde, het gevaar niet
achtend. Jessie! Ik kom! Houdt moed!
Hij liep zoo snel dat Henderson zich moest inspannen, hem bij te
houden.
Bijna tegelijk bereikten zij de hoek van den rots.
Nu sloegen zij den hoek om...
Bijna vlak voor hen lagen twee mannen in de sneeuw geknield, de
revolvers omhoog geheven.
Bijna tegelijk knalden hun schoten.
Henderson voelde een vlijmende pijn in den linkerschouder, maar Tom
liet een woeste schreeuw van zegepraal hooren—de tweede bandiet had hem
op een haar na gemist.
En vóór hij nogmaals den trekker kon overhalen, had Tom, zijn geweer
omdraaiend, hem met de kolf van zijn wapen de hersens verpletterd.
Henderson had nog juist de kracht den vierden man met de ongewonde
rechterhand in de borst te grijpen, daar zijn geweer hem ontvallen was.
De bandiet trachtte zijn arm vrij te maken, om te kunnen schieten, maar
Henderson, zijn laatste krachten verzamelend, drukte hem tegen de rots,
zoodat de ander machteloos was.
Maar tersluiks liet hij de revolver van de eene hand in de andere
overgaan, zonder dat Henderson dit bemerkte.
Juist echter toen hij opnieuw wilde vuren dicht tegen zijn tegenstander
aangedrukt, sprong Fang onder een woedend geblaf op hem toe, en zette
zijn tanden in de dij van den bandiet, die een wilden kreet van woede
en pijn slaakte, zijn revolver liet vallen en zijn mes trok.
Hij wilde het wapen in de borst van zijn vijand stooten maar met een
laatste krachtsinspanning greep Henderson met zijn eenigen bruikbaren
arm dien van den schurk even boven den pols beet, draaide met
onweerstaanbare kracht het wapen om en stiet het in de zijde van zijn
tegenstander.
Met een dof gerochel zakte de getroffene ineen, en rolde, steeds
sneller en sneller langs de helling naar omlaag tot hij uit het gezicht
was.
Hijgend, uitgeput door bloedverlies, bleef Henderson een oogenblik als
verdwaasd zitten.
En als door een nevel zag hij hoe Mike en Tom met elkander worstelden
terwijl Dolly op eenigen afstand, met een mes in de vuist voor Jessie
stond, die op een rotsblok gezeten was, en wier armen haar op den rug
waren samengebonden.
De reus begreep dadelijk wat zij voornemens was—als haar minnaar het
onderspit mocht delven, in dezen vreeselijken strijd, dan zou zij het
mes in de borst van het weerlooze meisje stooten.
—Fang! Stellen! beval hij op zwakken toon, terwijl hij, met zijn bloed,
het bewustzijn uit zich weg voelde vloeien.
Maar de schrandere hond had het bevel gehoord—en begrepen!
Hij stormde op de vrouw toe, en plaatste zich dreigend met flikkerende
tanden tusschen haar en het meisje dat met doodsbleek gelaat naar de
beide worstelende mannen staarde.
Met een sissenden vloek week Dolly achteruit, waarbij de hond haar
langzaam den kop naar den grond gebogen volgde, gereed om zich bij de
eerste verdachte beweging op haar te werpen, en haar met zijn
vreeselijke slagtanden te verscheuren.